1

 

 

 

Dublin, februari 1939

 

Martha Wallace huppelde over het pad dat zich door St. Stephen’s Green slingerde. Lopen was ondenkbaar, daarvoor was ze veel te uitgelaten. Haar hart maakte met elke huppel een sprongetje, waardoor het leek alsof ze zweefde en op wolken liep. Mrs. Goodwin, haar al wat oudere nanny, haastte zich met korte, gejaagde pasjes achter haar aan, maar kon haar nauwelijks bijhouden. ‘Niet zo vlug, lieverd. Laten we even op een bankje gaan zitten.’ Ze bleef staan om op adem te komen.

Martha bleef ook staan, maakte een paar sprongetjes achteruit en begon voor haar nanny heen en weer te huppelen. ‘Ik zou niet eens kúnnen zitten!’ Ze lachte uitbundig. ‘Is het niet krankzinnig? Ik kwam hier om mijn moeder te vinden, maar in plaats daarvan heb ik mijn hart verloren!’ Martha’s Amerikaanse accent vormde een scherp contrast met de zorgvuldig afgemeten, Engelse klinkers van Mrs. Goodwin. Ze had de lichte huid van haar Ierse moeder, er lag een blos op haar wangen en haar chocoladebruine ogen glansden van opwinding. Doordat ze haar hoed had afgezet had de wind vrij spel met haar lange kastanjebruine haren. Hij leek er plezier in te hebben, trok haar spelden los en gaf haar iets roekeloos en onstuimigs. Mrs. Goodwin nam haar zeventienjarige protegeetje ongelovig op. Ze kon zich nauwelijks voorstellen dat dit vrolijk huppelende meisje nog maar enkele uren eerder, in het klooster van Onze-Lieve-Vrouwe Koningin van de Hemel, in tranen was geweest toen bleek dat het archief geen informatie bevatte over haar geboorte en haar biologische moeder.

‘Laten we niet te hard van stapel lopen, kindje.’

‘Hè toe, Mrs. Goodwin, niet zo serieus! Als de ware op je pad komt, dan weet je dat! Dat voel je!’

‘Je hebt hem net ontmoet. En jullie hebben elkaar amper een uur gesproken. Misschien is hij inderdaad de ware, maar verwacht er niet te veel van.’

‘Wat is hij knap, hè? Ik heb nog nooit zo’n knappe jongen ontmoet. En hij heeft zulke lieve ogen! Prachtig grijs, met zo’n intense blik. Volgens mij vond hij mij ook leuk. Wat denkt u?’

‘Natuurlijk vond hij je leuk. Je bent een schoonheid. Hij zou wel blind moeten zijn als hij dat niet zag.’

Martha omhelsde haar oude nanny, die verrast in de lach schoot, aangestoken door haar uitbundigheid. ‘En zoals hij lachte, Mrs. Goodwin! Hij heeft zo’n heerlijke glimlach!’ dweepte Martha. ‘Zo charmant. En ook een beetje ondeugend. Het is lang geleden dat ik iemand zo charmant heb zien glimlachen. Hij is nog knapper dan Clark Gable!’

Mrs. Goodwin ontdekte tot haar opluchting een bank onder een robuuste paardenkastanje, waar ze zich met een diepe zucht breeduit op liet zakken. ‘Ik moet zeggen, ze waren allebei buitengewoon beleefd.’ Ze dacht bewonderend terug aan Lord Deverill, de vader van de jongen aan wie Martha haar hart had verloren, gevleid dat iemand in zijn positie haar, een eenvoudige nanny, zo hoffelijk en met zo veel respect had bejegend. Ze begreep drommels goed dat hij hen aan hun tafeltje had gevraagd vanwege zijn zoon, die zo gecharmeerd was geweest van Martha. Maar Lord Deverill had ook Mrs. Goodwin uiterst wellevend behandeld. Daar was ze hem erg dankbaar voor, want dat had hij niet hoeven doen. ‘Lord Deverill is in alle opzichten een gentleman,’ zei ze dan ook.

‘Volgens mij heb ik mijn hart verloren op het moment dat hij de tearoom binnenkwam,’ zei Martha, die aan niets anders kon denken.

‘En op zijn beurt kon JP zijn ogen niet van jou afhouden. Wat een geluk dat zijn vader ons bij hen aan tafel nodigde. Anders had je hem misschien nooit ontmoet.’

‘Maar zie ik hem ooit weer?’ vroeg Martha zich handenwringend af. Ze slaakte een diepe zucht.

‘Hij weet in welk hotel we zitten, en als we ons vertrek naar Londen met één dag uitstellen, geeft dat hem de kans om langs te komen.’

‘O, ik vind het zo spannend allemaal!’ Martha klapte opgewonden in haar handen. ‘Ik wil niet naar Londen. En ik wil nooit meer terug naar huis! Ik wil hier blijven, in Ierland!’

Mrs. Goodwin glimlachte om de naïviteit van de jeugd. Wat leek het leven nog simpel, door de roze bril van een eerste liefde. ‘Ik wil geen spelbreker zijn, kindje. Maar vergeet niet waarvoor we hier zijn.’

Haar voorzichtige vermaning zette een lichte domper op Martha’s enthousiasme. Ze liet haar schouders hangen en plofte naast Mrs. Goodwin op de bank. ‘Nee, dat is zo. U hebt gelijk. En maakt u zich geen zorgen, ik zal me door niets of niemand van onze missie laten afleiden.’

‘Misschien kan JP ons wel helpen. Ons kent ons in de kringen van de aristocratie.’

‘Nee, hij mag het niet weten. Daarvoor is het te pijnlijk. Ik wil dat het tussen ons blijft. Niemand mag weten dat mijn moeder me niet wilde en me heeft afgestaan.’ Martha sloeg haar ogen neer en keek naar een roodbruine eekhoorn die in vliegende vaart het pad overstak en onder een laurierstruik verdween. ‘Eerst moet ik er zelf mee in het reine zien te komen,’ zei ze zacht. Van haar uitgelaten stemming was weinig meer over. ‘Ik ga niet tegen hem liegen, maar zolang hij er niet naar vraagt, begin ik er niet over. U zei het net al, we kennen elkaar amper. Dus we hoeven elkaar nog niet alles te vertellen.’

Mrs. Goodwin vouwde haar geschoeide handen in haar schoot. ‘Zoals je wilt. Dus we blijven nog een extra dagje in Dublin. En als we eenmaal in Londen zijn, twijfel ik er niet aan of we zullen de Rowan-Hamptons zonder al te veel moeite kunnen vinden.’ Ze drukte Martha’s hand. ‘Zo veel Lady’s Rowan-Hampton zijn er vast niet.’ De adellijke achternaam op het geboortecertificaat maakte hun taak een stuk gemakkelijker dan wanneer Martha’s biologische moeder Mary Smith zou hebben geheten. In dat geval had Mrs. Goodwin niet geweten waar te beginnen. ‘Toch zal het geen gemakkelijke weg zijn die we moeten bewandelen,’ vervolgde ze. ‘Dus laten we het er nog maar even van nemen.’

Martha keek haar aan en beet op haar lip. ‘O, ik hoop zo dat hij langskomt!’

 

JP Deverill stond voor het open raam van zijn kamer in het Shelbourne Hotel en keek uit over St. Stephen’s Green. De rook van zijn sigaret kringelde omhoog totdat de wind ermee aan de haal ging. Zijn blik was gericht op het vlechtwerk van takken beneden zich in het park, maar hij zag slechts het gezicht van Martha Wallace voor zich.

JP was nog nooit verliefd geweest. Hij had zich wel eens tot een meisje aangetrokken gevoeld, en gezoend had hij ook al, maar om die meisjes had hij nooit echt gegeven. Maar om Martha Wallace gaf hij oprecht, ook al kende hij haar nog maar net. Ze hadden amper een uur theegedronken, maar hij had gewild dat het nooit zou eindigen! Hij zou de wereld aan haar voeten willen leggen. Hij wilde haar zien glimlachen en weten dat die glimlach voor hem was bedoeld. Hij wilde haar hand vasthouden, haar diep in de ogen kijken, haar vertellen wat hij voor haar voelde. Terwijl hij een trek nam van zijn sigaret, schudde hij ongelovig het hoofd. Martha Wallace had hem volledig uit zijn evenwicht gebracht. Ze was als een donderslag bij heldere hemel, als een pijl uit de boog van Cupido die hem recht in het hart had getroffen. Ineens begreep hij alle clichés waarover hij altijd had gelezen, maar hij had geen idee wat hem nu te doen stond.

Gelukkig wist Bertie Deverill precies wat zijn zoon te doen stond. Hij had zijn zoon op de rug geklopt en uit de manier waarop hij grinnikte, had JP begrepen dat zijn vader ooit een groot vrouwenkenner en -liefhebber was geweest. ‘Als je nog iets wilt afspreken, moet je snel zijn, JP,’ had hij gezegd. ‘Zei ze niet dat ze op doorreis waren naar Londen? Dus ik zou zeggen: koop een bos bloemen, ga bij haar hotel langs en stel voor haar de stad te laten zien. Dat vindt ze vast enig.’

In gedachte beleefde JP elke minuut van hun ontmoeting, beneden in de tearoom, opnieuw. Martha had hem vanaf haar tafeltje bij het raam onopvallend gadeslagen. Bij binnenkomst was ze hem niet meteen opgevallen, omdat hij in beslag werd genomen door het groeten van bekenden. Maar toen hij eenmaal zat, aan een tafeltje niet ver van het hare, had haar blik de zijne als het ware naar zich toe getrokken. Met een magisch gevoel van thuiskomen hadden hun ogen elkaar gevonden. Ze was geen opvallende schoonheid, en al helemaal niet het type jonge vrouw dat de aandacht op zichzelf vestigde, maar JP merkte tot zijn verbazing dat hij zijn ogen niet van haar af kon houden. Wanneer hij eraan terugdacht, bezorgde het hem ook nu nog een huivering van genot. Zij had haar ogen ook niet neergeslagen, maar was hem strak blijven aankijken, met een verraste blik en een blos op haar wangen. Verrast en misschien zelfs licht geschokt, alsof ze in zijn gezicht iets zag wat ze herkende. Er waren dichtbundels volgeschreven over liefde op het eerste gezicht. JP had zich er nooit iets bij voorgesteld en al helemaal niet verwacht of gehoopt dat het hem zou overkomen. Maar het was toch gebeurd, en nu had hij het gevoel dat hij hulpeloos verstrikt was geraakt in de netten van de liefde.

In de poëzie ging het ook over het wonderbaarlijke gevoel alsof je iemand al je hele leven kende, over het moment waarop je in de ogen van een vreemde keek en daarin een vertrouwde, verwante ziel herkende. Ook dáár had JP zich nooit iets bij kunnen voorstellen. Maar toen ze samen aan tafel zaten, toen hun handen elkaar raakten omdat ze allebei dezelfde sandwich met ei en waterkers en hetzelfde stuk chocoladecake wilden pakken, had hij sterk het gevoel gehad dat ze elkaar al heel lang kenden. Er was onmiskenbaar sprake van een band, van een stilzwijgend wederzijds begrip. Ze hoefden elkaar maar aan te kijken om zich daarvan bewust te zijn. Hij kénde haar, en zij kende hem, en ineens spraken alle gedichten die hij altijd maar dwaas had gevonden, een taal die hij begreep. Hij was een drempel overgestoken en wat eerder verborgen was geweest, had zich nu in een wonder van kleur, van bruisende dynamiek aan hem geopenbaard. Hij maakte zijn sigaret uit en besloot het advies van zijn vader op te volgen.

Bij een stalletje om de hoek van het hotel kocht hij een bos rozen, waarmee hij vol ongeduld op weg ging, het park door. Er was geen tijd te verliezen. Misschien was ze op datzelfde moment wel haar koffers aan het pakken, klaar om door te reizen naar Londen. Als hij niet voortmaakte, zag hij haar misschien nooit meer. De zon stond laag aan de hemel, klaar om afscheid te nemen van de dag, de wirwar van kale takken wierp lange, vochtige schaduwen over het pad. Merels en kraaien zochten luid kwetterend een plek voor de nacht, de eekhoorns zochten hun hol op. Hoewel JP daar normaliter van genoot, ontging het hem nu volledig, zozeer werd hij in beslag genomen door zijn bestemming.

Hij was nerveus, iets wat zelden voorkwam. Hij wist dat hij knap werd gevonden, zelfs door vrouwen en meisjes die niet vielen op mannen met rood haar. En Kitty, zijn halfzus die hem als een moeder had grootgebracht, zei altijd dat hij de charme van de Deverills bezat. Dus hij wist niet beter of hij was bijzonder, simpelweg doordat hij een Deverill was. Maar nu het hem voor het eerst oprecht interesseerde hoe een ander over hem dacht, twijfelde hij ineens aan zichzelf.

Het kleine, eenvoudige hotel waar Mrs. Goodwin en Martha verbleven lag niet ver van het Shelbourne, maar JP had zo haastig gelopen dat hij buiten adem was. De receptioniste, een blozende verschijning met een bril op haar neus, keek op van achter haar balie. Haar ogen begonnen te stralen en ze glimlachte warm bij het zien van de rijzige, aantrekkelijke gentleman. ‘Goedemiddag,’ groette hij beleefd, maar hij voelde zich nogal ongemakkelijk met zijn rozen. ‘Ik kom voor miss Wallace.’ Hij boog licht voorover in de richting van de balie. De receptioniste hoefde niet in haar gastenboek te kijken. Ze wist maar al te goed wie miss Wallace was. De jongedame en haar vriendin hadden die ochtend de weg gevraagd naar het klooster van Onze-Lieve-Vrouwe Koningin van de Hemel.

‘Miss Wallace en haar vriendin zijn de stad in,’ antwoordde ze dan ook met haar zangerige Ierse accent. Haar blik ging naar de bloemen. ‘Zal ik die voor u in het water zetten?’

JP’s teleurstelling was bijna voelbaar. Hij trommelde ongeduldig met zijn vingers op de balie. ‘Maar ze komen vandaag nog wel terug?’ vroeg hij fronsend.

‘Ja, ze komen straks weer terug.’ De receptioniste wist dat het niet correct was informatie over gasten te verstrekken, maar de jongeman keek zo teleurgesteld, en ze vond zijn boeket bloemen zo romantisch dat ze er zachtjes aan toevoegde: ‘Ze hebben hun reservering veranderd en blijven nog een dag langer.’

Op slag klaarde zijn gezicht op, zag de receptioniste tot haar vreugde.

‘Dan laat ik de bloemen inderdaad hier achter. Hebt u misschien een stukje papier? Dan kan ik er een briefje bij doen.’

‘Ik heb zelfs een kaartje met een envelop. Dat staat aanzienlijk fraaier.’ Ze schonk hem opnieuw een glimlach, wendde zich af en deed alsof ze een stapel brieven doornam, om de jeugdige gentleman niet het gevoel te geven dat ze hem op de vingers keek.

JP tikte met de pen tegen zijn voorhoofd, zich afvragend wat hij moest schrijven. Meestal wist hij precies wat hij wilde zeggen, maar nu had hij geen idee.

Wat hij zou wíllen zeggen was te direct. Hij wilde Martha niet afschrikken nog voordat ze zelfs maar de kans had gekregen hem wat beter te leren kennen. Kon hij zich maar een dichtregel voor de geest halen of een grappig citaat uit een roman. Maar er wilde hem niets te binnen schieten. Zijn vader zou natuurlijk precies hebben geweten wat hij moest schrijven, maar die zat in zijn club aan Kildare Street, ongetwijfeld geanimeerd in gesprek met zijn Anglo-Ierse vrienden over de politiek en de paardenrennen. Kitty zou ook hebben geweten wat hij moest schrijven, maar die zat thuis, in Ballinakelly. JP was volledig op zichzelf aangewezen, en dat bezorgde hem een gevoel van hulpeloosheid.

 

Even na zevenen die avond kwamen Mrs. Goodwin en Martha in het hotel terug. Ze hadden de rest van de middag door de stad gezworven en de bezienswaardigheden bekeken, waarna ze ten slotte bij Bewley’s aan Grafton Street een kop thee hadden gedronken. Met zijn weelderige, karmozijnrode banken langs de muren, zijn glas-in-loodramen en zijn fraaie lampen die een warm gouden licht verspreidden, ademde het café in Amerikaanse ogen een verrukkelijk Europese sfeer. Verkild en vermoeid van het lopen hadden Martha en Mrs. Goodwin zich gewarmd aan de thee en met een stuk taart nieuwe krachten opgedaan. Ondertussen hadden ze hun ogen uitgekeken naar de andere gasten, met de geboeidheid van toeristen in een vreemde stad die genieten van al het nieuwe en onbekende.

Martha’s gedachten werden nog altijd beheerst door JP Deverill, maar af en toe had ze zich afgevraagd of de elegante dame aan een tafeltje langs de muur, of de chique verschijning aan de overkant van de straat misschien haar moeder was. Het zou tenslotte best kunnen dat ze elkaar al waren tegengekomen. Diep vanbinnen koesterde ze een sprankje hoop dat Lady Rowan-Hampton ook op zoek was naar háár, en soms liet ze haar verbeelding de vrije loop en stelde ze zich een emotionele hereniging voor, als in een film of een boek.

De receptioniste glimlachte toen ze de foyer binnen kwamen. ‘Goedenavond. Er is een heer voor u langs geweest, miss Wallace. Hij heeft bloemen voor u achtergelaten.’ Ze pakte het boeket van de grond. ‘Ik ben zo vrij geweest ze voor u in het water te zetten.’

Martha hield haar adem in, haar hand vloog naar haar hart. ‘O, wat leuk! En wat zijn ze prachtig!’ Ze pakte de bloemen aan.

‘Dat zijn ze zeker,’ viel Mrs. Goodwin haar bij. ‘Hemeltjelief, hij is echt een gentleman.’

‘Hij heeft er ook een briefje bij gedaan.’ De receptioniste vond miss Wallace de grootste geluksvogel in heel Dublin.

‘Een briefje!’ Martha viste het envelopje tussen de rozen vandaan.

‘Wat staat erop?’ Mrs. Goodwin rook genietend aan de rozen.

Martha trok haar handschoenen uit, legde ze op de receptiebalie en haalde met bevende vingers het kaartje uit de envelop. Ze glimlachte bij het zien van zijn keurige handschrift, innig gelukkig dat ze nu iets tastbaars van hem had wat ze kon koesteren. ‘Geachte miss Wallace,’ begon ze te lezen. ‘Doorgaans zit ik niet om woorden verlegen, maar in dit geval schiet ik hopeloos tekort. Vergeef me mijn gebrek aan poëzie, maar ik zou me vereerd voelen als ik u onze mooie stad mag laten zien. Ik ben morgenochtend om tien uur bij u. Uw hoopvolle dienaar, JP Deverill.’ Met een zucht van geluk drukte Martha het kaartje tegen haar hart. ‘Hij komt hierheen! Morgenochtend om tien uur!’ Ze keek Mrs. Goodwin met grote ogen aan. ‘Ik geloof dat ik even moet gaan zitten.’

Mrs. Goodwin pakte de vaas met de rozen en liep als een bruidsmeisje achter Martha aan terwijl ze haar de trap op loodste. Eenmaal boven plofte Martha op het bed en liet zich met opnieuw een zucht van gelukzaligheid achterovervallen. Mrs. Goodwin streek haar grijze haren glad, maar in de spiegel rustte haar blik op haar protegee. ‘Je begrijpt natuurlijk wel dat ik met je meega,’ zei ze ferm. Ze mocht dan zachtmoedig en meegaand zijn, dat deed geen afbreuk aan haar verantwoordelijkheidsbesef. Want ook al was ze niet langer bij Martha’s ouders in dienst, ze beschouwde het nog altijd als haar plicht te waken over hun dochter zoals ze dat zeventien jaar lang had gedaan. Tegelijkertijd had ze het gevoel dat Martha en zij er als een stel dieven in de nacht vandoor waren gegaan. Zodra Martha haar biologische moeder had gevonden, zou Mrs. Goodwin ervoor zorgen dat ze veilig terugkeerde in de schoot van haar Amerikaanse familie.

Martha giechelde. ‘Ik zou niet anders willen.’ Ze werkte zich op een elleboog overeind. ‘Want als u meegaat, hoef ik u achteraf niet alles te vertellen. Wat zal ik aandoen?’

Mrs. Goodwin, die Martha’s grote koffer had uitgepakt, deed de kast open en haalde er een schattig blauw japonnetje uit met een bijpassende ceintuur die Martha’s slanke taille fraai accentueerde. ‘Dit lijkt me wel wat.’ Ze hield de jurk omhoog. ‘Dat blauw staat je prachtig, en het model is erg vrouwelijk.’

‘O, ik weet nu al dat ik vannacht geen oog dichtdoe!’

‘Een glas warme melk met honing doet wonderen. Als je er op je best uit wilt zien voor Mr. Deverill, kun je je schoonheidsslaap niet missen.’

‘Mr. Deverill.’ Martha ging met een zucht weer liggen. ‘Die naam heeft iets verrukkelijk slechts.’

‘Hmm, misschien omdat het een beetje naar “duivel” klinkt.’ Mrs. Goodwin tuitte haar lippen. ‘Laten we hopen dat de gelijkenis daar ophoudt.’

 

Zelfs na een glas warme melk met honing kon Martha de slaap niet vatten. Mrs. Goodwin daarentegen had er geen enkele moeite mee. Haar ademhaling was diep en regelmatig – ze snurkte zelfs af en toe, wat Martha’s geduld zwaar op de proef stelde.

Uiteindelijk liet ze zich uit bed glijden en liep op haar tenen over de krakende vloer naar het raam. Daar trok ze zachtjes de gordijnen opzij. De stad beneden haar was donker, op het goudgele schijnsel van de straatlantaarns na. Een fijne motregen glinsterde als gouden vonkjes in de lichtkring. Het was doodstil buiten, grijze wolken hingen laag boven de glimmende pannendaken. De maan liet zich niet zien, er waren geen sterren, nergens was ook maar het kleinste scheurtje in het wolkendek te bekennen. Er lag geen sneeuw die de harde lijnen van de stenen gebouwen verzachtte, er zat geen blaadje meer aan de bomen, roerloos kleumend in de koude februarinacht. Maar de gedachte aan JP Deverill maakte alles mooi.

Mrs. Goodwin had erop aangedrongen dat ze haar ouders een brief schreef, om hun te laten weten dat ze veilig in Dublin was aangekomen. Martha had zich braaf van haar taak gekweten, milder geworden nu de eerste emoties wat waren weggeëbd. Tijdens de overtocht had ze alle tijd gehad om na te denken over haar situatie, en de afschuw die ze had gevoeld bij de ontdekking dat haar ouders niet haar echte vader en moeder waren – anders dan van haar jongere zusje Edith, dat haar met boosaardig plezier uit de droom had geholpen – had plaatsgemaakt voor compassie. Haar ouders hadden zielsgraag kinderen gewild, en omdat ze dachten dat ze die niet konden krijgen, hadden ze een kindje uit Ierland geadopteerd, waar de familie van Pam Wallace, Martha’s adoptiemoeder, oorspronkelijk vandaan kwam. En ze hadden die adoptie geheimgehouden – misschien deden alle adoptieouders dat wel – om hun dochter te beschermen. Martha nam het hun niet kwalijk. Ze nam het zelfs Edith niet kwalijk dat ze het geheim had verklapt. Maar ze voelde zich gekwetst door haar tante Joan, die zulke gevoelige informatie had doorverteld aan een kind dat nog te jong was om de volledige draagwijdte daarvan te begrijpen.

En dus had Martha haar ouders een lange brief geschreven, op papier van het hotel, waarin ze hen deelgenoot maakte van haar gevoelens. Iets wat ze had nagelaten in haar eerste briefje, dat ze thuis op het tafeltje in de hal had achtergelaten, opdat haar ouders het na haar vertrek zouden vinden. Inmiddels vond ze dat haar ouders recht hadden op uitleg, namelijk dat ze het destijds nog te pijnlijk had gevonden om hen met haar ontdekking te confronteren. Ze hield zielsveel van hen. Het besef dat ze niet hun echte dochter was, voelde als een dolksteek in haar hart. Het was iets waar ze niet over kon praten, en waar ze, tot ze ermee in het reine was gekomen, ook niet over wílde praten, behalve met Mrs. Goodwin. Bovendien betwijfelde ze of haar ouders haar toestemming zouden hebben gegeven om naar Ierland te gaan. Er dreigde oorlog in Europa, en Pam Wallace was extreem beschermend als het om haar dochters ging. En dus had Martha niets gevraagd, maar was ze gewoon gegaan. ‘Ongeacht wat de uitkomst is, ik móét weten waar ik vandaan kom,’ had ze haar adoptieouders geschreven. ‘Maar jullie blijven altijd mijn vader en moeder. Als jullie net zo veel van mij houden als ik van jullie, dan hoop ik dat jullie me kunnen vergeven. En dat jullie willen proberen het te begrijpen.

Terwijl ze daar stond en opnieuw nadacht over haar situatie, nestelde zich een lichte wrok in haar hart, als een worm in het klokhuis van een appel. Ze herinnerde zich hoe haar moeder altijd had gewild dat er niets op haar aan te merken viel: niet op haar kleren, niet op haar manieren. En hoe Pam dan nóg vaak niet tevreden was geweest. Ze had er altijd zo krampachtig naar gestreefd dat Martha een goede indruk maakte op oma Wallace en de rest van de familie dat Martha er alleen maar onzeker en nerveus van was geworden. Ze had als klein meisje amper iets durven zeggen uit angst om voor haar beurt te praten. Nóg kon ze de afschuwelijke sensatie van afwijzing voelen die één vernietigende blik van haar moeder kon oproepen. Terwijl ze in de meeste gevallen niet eens wist wat ze verkeerd had gedaan.

De herinnering deed haar hart ook nu nog in paniek verkrampen. Edith had een heel andere jeugd gehad. Martha’s zes jaar jongere zusje was voor Pam en Larry Wallace als een complete verrassing gekomen, iets wat Martha destijds niet had begrepen. Hoe had ze moeten weten dat haar ouders dachten dat ze geen kinderen konden krijgen? Toen Pam tegen alle verwachtingen in alsnog zwanger bleek te zijn, was dat kind voor haar en Larry nog kostbaarder dan Martha dat was. Ediths geboorte was dan ook gevierd als het achtste wereldwonder.

Martha begreep nu dat Pam haar tot een Wallace had willen kneden. Dat hoefde bij Edith niet, want Edith wás een Wallace. Dáárom waren ze zo verschillend opgevoed. Alles viel nu op zijn plaats. De ontdekking dat Martha was geadopteerd, vormde het ontbrekende stukje in de puzzel van haar jeugd. Edith kon zich alles veroorloven zonder dat ze een standje kreeg, laat staan dat ze werd gestraft. De twee zusjes waren verschillend behandeld omdat ze verschillend wáren. Het ene zusje was een Wallace, het andere niet. Hoezeer Pam haar ook had proberen te kneden, hoe vaak ze haar ook streng en vernietigend aankeek, ze kon Martha niet maken tot iets wat ze niet wás. In de ogen van een meisje van zeventien, met nog maar weinig levenservaring, kon dat alleen maar betekenen dat haar ouders meer van Edith hielden. Terwijl ze uit het raam van haar hotelkamer in Dublin staarde, leek die conclusie haar onontkoombaar.

En zoals ze dat al zo vaak had gedaan sinds de vondst van haar geboortebewijs achter in het badkamerkastje van haar moeder, begon ze te fantaseren over haar echte moeder: Lady Rowan-Hampton. In Martha’s verbeelding had ze zachte bruine ogen, net als zij, en lange kastanjebruine krullen, zoals Rita Hayworth. Als Britse aristocrate was ze natuurlijk beeldschoon en elegant, en wanneer ze eindelijk met haar dochter werd herenigd zou ze huilen van blijdschap en geluk. Ze zou haar armen om Martha heen slaan en snikkend fluisteren dat ze haar nu nooit meer zou laten gaan.

Plotseling liepen de tranen over Martha’s wangen. De emotie verraste haar en was zo overweldigend dat ze haar adem inhield en haar hand voor haar mond sloeg. Ze keek naar het andere bed, bang dat ze haar nanny misschien had gewekt. Maar Mrs. Goodwin sliep rustig verder, de dekens gingen onverstoorbaar op en neer. Martha keerde zich weer naar het raam, maar haar zicht was vertroebeld, en het enige wat ze zag was haar eigen verwrongen spiegelbeeld dat haar verloren aanstaarde. Wie was ze? Waar kwam ze vandaan? Hoe zou haar leven eruit hebben gezien als haar moeder haar niet had afgestaan? Ze worstelde met zo veel vragen dat haar hoofd pijnlijk bonsde. En ze voelde zich verloren, onthecht, alsof ze nergens bij hoorde. Alleen Mrs. Goodwin was oprecht tegen haar. Alle anderen hadden gelogen. Martha’s schouders begonnen te schokken. Van het ene op het andere moment wist ze niet meer wie ze was. Van een brave, volgzame dochter van liefhebbende, rijke Amerikaanse ouders was ze veranderd in een buitenstaander, een opstandig, ongehoorzaam kind dat was gekocht in een klooster, helemaal aan de andere kant van de oceaan. Waar hoorde ze thuis? En bij wie hoorde ze? Wie kon ze nog geloven? En waarin? Haar hele wereld was onderuitgehaald. Het leven zoals ze dat tot voor kort had gekend, bestond niet meer. Ze voelde zich blootgesteld, kwetsbaar, als een schildpad zonder schild.

Terwijl ze haar tranen droogde, trok ze de gordijnen dicht. Mrs. Goodwin zuchtte in haar slaap en ging op haar andere zij liggen, als een walrus die zich omdraaide op het strand. Martha kroop weer in bed en trok de dekens tot onder haar kin. Huiverend maakte ze zich zo klein mogelijk. En toen ze eindelijk in slaap viel, was het niet haar moeder die door haar hoofd spookte, en het waren ook niet de talloze onbeantwoorde vragen. Uit de nevelen van haar verwarring doemde JP Deverill op, als een koene ridder die haar kwam redden van het groeiende gevoel van afwijzing.