Maggie O’Leary

 

 

 

 

 

Sommigen beweerden dat ze werd geboren tijdens het Samhna-feest, toen de bewoners van Ballinakelly het binnenhalen van de oogst vierden, maar anderen zeiden dat ze ná zonsondergang en vóór het eerste licht van de dageraad ter wereld kwam, in de uren waarin kwaadaardige kobolden, banshees en elfen zich bij de dode zielen voegden, om onder de beschutting van de duisternis vrijelijk rond te dolen tussen de levenden. Hoe het ook zij, zeker is dat Maggie O’Leary het levenslicht zag op de eerste dag van november in het jaar 1640, toen een dichte mist zich verzamelde in de dalen en de wind de geur van hei, gras en pekel met zich meevoerde, terwijl de wereld doordrenkt raakte van een lichte motregen.

Er heerste die nacht rusteloosheid in de boerderij van de O’Leary’s. De koeien stampten loeiend met hun hoeven, de paarden snoven nerveus en schudden met hun manen. Inktzwarte kraaien verzamelden zich op het dak van de boerderij waar Órlagh Ni Laoghaire kreunend haar slaapkamer op en neer liep, met haar handen in het kuiltje van haar rug, angstiger dan bij al haar eerdere bevallingen nu haar zesde kind zich aandiende. De eerste vijf waren vlot en zonder veel pijn geboren, maar die nacht was Órlagh net zo rusteloos als het vee en werd ze gekweld door heftige weeën. Af en toe keek ze uit het raam, verlangend naar de roze gloed van de dageraad. Ze bad dat haar kind pas op Allerheiligen zou worden geboren, en niet in deze duistere, onzalige nacht.

Niet ver van de boerderij genoten Órlaghs kinderen van het feest, in een grote schuur in het hart van het dorp, waar heel Ballinakelly zich had verzameld. In de huizen waren de vuren gedoofd, maar alle ramen en deuren stonden open om zowel demonen als goedwillende geesten ruim baan te geven. Buiten laaiden de vreugdevuren hoog op. Hun gouden vlammen verdreven de kou van de boze geesten die in de duisternis vrij spel hadden.

Het was geen nacht voor de geboorte van een nieuw leven, maar daar trok Maggie zich niets van aan.

Net voor de dageraad bracht Órlagh tijdens een zware bevalling een gezonde zuigeling ter wereld, wier ijselijke kreten een gat in de hemel scheurden waar het eerste licht van de nieuwe dag doorheen viel. Maar met de geboorte van het kind eindigde het leven van de moeder. Órlagh werd meegevoerd naar een nieuw leven, maar niet voordat ze met zwakke stem tot de zuigeling in haar armen had gesproken. ‘Céad míle fáilte, Peig!’ Een honderdduizendvoudig welkom! Aldus gaf ze haar kind een naam, en ze zegende het met een kus.

Maggie was een mooi kind, maar haar opvallende schoonheid had ook iets vreemds. Haar haren waren zo zwart als ravenvleugels, haar ogen betoverend groen, haar lippen vol en zinnelijk, om haar mond speelde een mysterieuze trek alsof ze meer wist dan ze liet blijken. Ze was in meer dan één opzicht een bijzonder kind, maar het kwam vooral door haar ongebruikelijke gave dat ze een buitenbeentje was, niet alleen in haar familie maar in de hele gemeenschap. Maggie had namelijk visioenen waarin ze de doden zag, soms zelfs al vóórdat ze waren gestorven.

Haar broers en haar zusje plaagden haar en noemden haar een heks, totdat hun vader hun zacht en met bevende stem vertelde wat er met heksen gebeurde. Pastoor Brennan, de plaatselijke zielenherder, sloeg een kruis wanneer hij Maggie zag en probeerde haar te laten opbiechten dat ze het allemaal maar verzon om aandacht te trekken. De inwoners van Ballinakelly gaapten haar met grote, verschrikte ogen aan; ze geloofden dat Maggie werd beheerst door de geesten die bij haar geboorte om het kraambed hadden gestaan. ‘Dat kind is hier eerder geweest,’ mompelden de oude vrouwen. ‘Zo waar als God mijn getuige is.’ En zelfs Maggies grootmoeder bekeek haar met wantrouwen. Als ze niet met haar eigen ogen had gezien hoe haar kleindochter ter wereld kwam, zou ze hebben gedacht dat Maggie een wisselkind was, door een oude kobold in de wieg gelegd om ongeluk te brengen.

Maar dat ongeluk kwam toch wel.

Voor Maggie was het heel gewoon om overleden mensen te kunnen zien of de dood te kunnen voorspellen. Ze wist niet beter of ze zag dingen die voor anderen onzichtbaar bleven. En dat maakte haar niet tot een slecht mens. Ze wist dat de gave die ze bezat haar door God was gegeven. En dus vluchtte ze naar de heuvels waar ze één kon zijn met de schepping. Daar liep ze, met de wind in haar haren en met de zachte regen op haar huid, door het hoge gras naar de rand van de wereld, waar de zee in glinsterende golven over het zand spoelde. En terwijl hoog boven haar de meeuwen langs de hemel zwenkten, wikkelde ze haar omslagdoek om haar schouders en keek ze uit over het water. Soms, wanneer ze aan de horizon de zeilen van een schip ontwaarde, verwonderde ze zich over het mysterie en de uitgestrektheid van een wereld ver van de Ierse kusten. En hoog op de kliffen, tussen een ring van eeuwenoude stenen die bekendstond als de Elfenkring, speelde ze met de natuurgeesten die alleen zij kon zien. Want daar, op die magische plek, was niemand die haar veroordeelde of angst voor haar koesterde. Daar was alleen God, in die geheime, heidense wereld die Hij haar in staat stelde in volle luister en wonderbaarlijkheid te aanschouwen.

Maar naarmate Maggie ouder werd, begonnen de geesten meer van haar te eisen. Ze wilden dat ze boodschappen doorgaf aan hen die ze hadden moeten achterlaten. Maggies vader herinnerde haar eraan wat de straf was voor het beoefenen van hekserij; haar oudere zuster smeekte haar er niet over te praten; haar grootmoeder voorspelde dat er niets goeds van kon komen. Maar de stemmen zwegen niet en gunden Maggie geen rust. Ze geloofde in een heilige plicht die ze had te vervullen. Ze was ervan overtuigd dat het Gods wil was dat ze het geweten van de doden ontlastte.

Het waren moeilijke tijden. De O’Leary’s hadden het niet breed. Maggies vader en haar vier broers waren boer, net als vele generaties O’Leary’s vóór hen, en hoedden hun schapen op de weidegrond op de kliffen, hoog boven de zee, hun kostbare land dat al zo lang ze zich konden heugen in het bezit van de familie was. Maar er waren in de boerderij acht monden te voeden, en eten was schaars. Gedreven door wanhoop zwichtte Maggies vader voor de verleiding en begon hij, aanvankelijk in het diepste geheim, geld te vragen voor een seance met zijn dochter. Maggie gaf de boodschappen door die ze beweerde van de doden te hebben ontvangen, en haar vader streek het geld op zodat ze brood op de plank hadden. Geleidelijk aan raakte het nieuws bekend, en toen duurde het niet lang of de gekwelden en berooiden kwamen in drommen naar haar toe, als duistere zielen die hun armen strekten naar het licht. Wie geen geld had, betaalde op een andere manier – met melk, kaas, eieren, af en toe zelfs met een kip of een haas. Maar ook de angst verspreidde zich, want een dergelijke gave moest wel het werk zijn van de duivel. Maggie groeide op zonder speelkameraadjes, met slechts de vogels en de dieren van het veld als gezelschap.

Ze was negen toen Oliver Cromwell met zijn leger naar Ierland kwam. Haar broers sloten zich aan bij de royalisten, en zelfs met haar gave van helderziendheid kon Maggie niet voorspellen of ze hen ooit zou terugzien. De oorlog was gruwelijk en kwaadaardig, verhalen over Cromwells wreedheid grepen als een plaag om zich heen, met hongersnood in hun kielzog. Het beleg van Drogheda en de daaropvolgende slachting werden als een bloedrode draad door het tapijt van de Ierse geschiedenis geweven. Cromwells soldaten regen duizenden Ierse strijders aan het zwaard, en wie Gods bescherming zocht in Zijn kerken werd levend verbrand.

Het nieuws bereikte Ballinakelly dat Cromwell geen genade zou kennen met katholieken, zelfs niet als ze zich overgaven. En dus trok Maggies vader, door woede en angst gedreven, met de rebellen de heuvels in, zo goed als ongewapend, maar bereid zijn land met hand en tand te verdedigen. Hij was moedig en sterk, maar tegen de goedbewapende en perfect gedrilde mannen van Cromwell kon hij niet op. Tot overmaat van ramp trok koning Karel II zijn steun aan de royalisten in, hij liet zijn troepen in Ierland in de steek en gaf zijn steun aan de Schotten. Het gevolg was dat de Ieren er alleen voor stonden, verlaten en verraden, als weerloze schapen bedreigd door de wolven, gedoemd om te sterven.

Maggies broers zochten vanuit de dood contact met haar om boodschappen door te geven aan hun zuster en hun grootmoeder. Ze keken, samen met de andere arme zielen, als door een raam terug naar de wereld die ze hadden verlaten en brachten verslag uit van de manier waarop ze waren gestorven: door vuur, knuppels en zwaarden. Maggies vader sneuvelde in de heuvels, gevangen en gedood als een haas op de hei. De vrouwen van het gezin bleven alleen achter, met niemand om voor hen te zorgen. Hulpeloos. Aan de bedelstaf geraakt. De meeste van hun schapen waren gestolen. Ze konden geen beroep doen op de liefdadigheid van anderen, want na de gesel van de oorlog werd het land geteisterd door hongersnood en de pest. Maar Maggie had haar gave, de mensen bleven komen en betaalden met het weinige dat ze hadden voor een boodschap van hun dierbaren. De O’Leary-vrouwen rouwden in stilte, want ze moesten sterk blijven voor elkaar. Verdriet zou hen niet helpen. Alleen wilskracht kon hen redden.

Toch was niet alles verloren. Ze hadden hun land nog. Hun kostbare, schitterende land, hoog boven de zee. Ondanks het oorlogsgeweld bloeide de natuur zoals ze dat altijd had gedaan, en altijd zou blijven doen. De hei kleurde de heuvels, vlinders dartelden door de lucht, vogels kwetterden in de bomen waaraan het jonge blad stralend groen uitbotte, de milde regen en de lentezon schiepen regenbogen die zich als oogverblindende boden van hoop boven het dal welfden. Goddank, niet alles was verloren. Ze waren bijna alles kwijtgeraakt, maar ze hadden hun land nog.

Toch zouden ze ook dat verliezen. Aan Barton Deverill, de eerste Lord Deverill van Ballinakelly. Hij zou de O’Leary’s van hun land beroven, waardoor ze met lege handen achterbleven.