26
De cognac kon Emer nauwelijks kalmeren. Ze zat nog altijd onbeheerst te snikken, niet in staat te bevatten dat Jack er niet meer was. Haar Jack, van wie ze zo innig veel hield. Ten slotte vroeg ze Bridie haar naar huis te brengen. ‘Ik wil niet dat de kinderen het van iemand anders horen. Aileen is bij Julia. En de andere twee…’ Haar stem stierf weg. Hoe moest je je kinderen vertellen dat hun vader nooit meer thuiskwam?
Bridie dacht aan haar eigen gevoel van wanhoop bij de dood van haar vader, en haar hart ging uit naar die arme kinderen. Ze hielp Emer overeind, loodste haar naar buiten, naar de auto en ging naast haar op de achterbank zitten. In haar huidige toestand wilde ze haar niet alleen laten gaan.
De chauffeur reed de oprijlaan uit en volgde de slingerende landweggetjes naar Ballinakelly. De zee weerkaatste het gouden licht van de zon, en bij het zien van zo veel schoonheid begon Emer nog harder te huilen. Er werd niet gesproken. Bridie keek uit het raampje en dacht aan die keer in New York, toen Jack de nacht bij haar had doorgebracht en er nog vóór de ochtend vandoor was gegaan zonder zelfs maar een briefje achter te laten. Ze had al een keer om hem gerouwd. Nu deed ze dat opnieuw.
Ballinakelly lag er vredig bij, zich koesterend in het gesluierde rozige licht van de avondschemering. Terwijl de auto door de hoofdstraat reed, vroeg Bridie zich af hoe lang het zou duren voordat het nieuws van Jack O’Leary’s dood zich had verspreid. Het voelde vreemd om te zien hoe het leven gewoon doorging zonder dat ook maar iemand zich bewust was van de tragedie die zich zojuist had voltrokken en die de gemeenschap trof in het hart. Plotseling riep Emer tegen de chauffeur dat hij moest stoppen. Hij trapte hard op de rem. Bridie en Emer schoten naar voren toen de auto abrupt tot stilstand kwam. Voordat Bridie besefte wat er gebeurde, had Emer het portier al opengegooid en stormde ze tot Bridies verbijstering op twee mannen af die op de stoep liepen. Emer stortte zich krabbend en krijsend op hen, als een woedende leeuwin.
Dit moesten de yanks zijn die Emer ervan had beschuldigd dat ze haar man hadden vermoord. Bridie stapte ook uit, maar inmiddels was de commotie ook tot O’Donovan’s doorgedrongen en stroomden de bezoekers van de pub naar buiten om tussenbeide te komen.
‘Jullie hebben Jack vermoord!’ schreeuwde Emer. ‘Jullie hebben mijn man vermoord! Het was geen ongeluk! Dat kan ik bewijzen! Ik weet wie jullie zijn! Ik weet waar jullie vandaan komen! En jullie zullen je straf niet ontlopen. Ik zal niet rusten tot ze jullie opknopen.’ Het lukte Paddy Scannell haar in bedwang te krijgen, maar ze had Jim Callaghans gezicht al opengekrabd. Van zijn oog naar zijn mond liep een vurige rode kras. Paul, zijn zoon, stond te trillen op zijn benen. Emer rukte zich los en stak haar kin naar voren. ‘Jullie zijn helemaal niet op zoek naar je verleden. Ik wil wedden dat jullie geen druppel Iers bloed hebben! Jullie zijn van de maffia. En jullie hebben mijn man vermoord!’ Jim en Paul Callaghan keken elkaar nerveus aan. Paddy en de rest van de mannen uit de pub namen de vreemdelingen wantrouwend op.
‘Ik weet niet waar ze het over heeft.’ Jim Callaghan deinsde achteruit. ‘Mijn deelneming met uw verlies, ma’am. Het lijkt me verstandig dat iemand u naar huis brengt, voordat u nog meer schade aanricht.’ Hij streek over zijn wang en keek naar zijn bebloede vingers. ‘Wanneer u weer wat tot uzelf bent gekomen, ben ik bereid uw excuses in ontvangst te nemen.’ Daarop baanden de twee Amerikanen zich een weg door de menigte en verdwenen haastig in de richting van de Vickery’s Inn.
Inmiddels was ook Mrs. O’Donovan naar buiten gekomen. Bij het horen van het schokkende nieuws trok ze Emer tegen haar royale boezem en aaide haar over het hoofd. ‘Kom, dan brengen we je naar huis,’ zei ze zacht. ‘Laat iemand pastoor Quinn waarschuwen. Zeg dat hij onmiddellijk moet komen.’ Ze klopte Emer op haar schokkende schouders. ‘Als die twee mannen er ook maar iets mee te maken hebben gehad, dan knopen we ze op, lieverd.’
‘Reken maar! Er hoeft geen beul aan te pas te komen. We doen het zelf wel,’ voegde Paddy Scannell er dreigend aan toe.
Het nieuws van Jacks dood verspreidde zich als een lopend vuurtje. Kitty zat aan tafel met Florence en Robert toen ze het te horen kreeg. ‘Jack O’Leary is dood,’ vertelde het dienstmeisje, dat met tranen in haar ogen een schaal koud vlees kwam brengen. ‘Zijn auto is bij Malin Point van de weg geraakt en op de rotsen gevallen. Ze zeggen dat de yanks erachter zitten. Dat het helemaal geen toeristen zijn, maar huurmoordenaars van de maffia.’ Kitty had het gevoel dat ze in een peilloze afgrond stortte.
‘Dat is de vader van Alana!’ zei Florence, zonder te merken hoe diep geschokt haar moeder was. ‘JP moet onmiddellijk naar haar toe! We moeten hem bellen. Hij is bij grootpapa.’
Robert stond op. ‘Dat zal ik wel doen.’ Hij keek naar Kitty, die lijkwit was geworden, en veronderstelde dat ze van streek was vanwege JP. In een bemoedigend gebaar legde hij zijn hand op haar schouder. ‘Twee moorden binnen een paar maanden. Het lijkt wel alsof we weer in de tijd van de Troebelen leven.’
Kitty hoorde hem niet. Het bloed dat door haar oren raasde, overstemde alles. Niet in staat ook maar één woord uit te brengen schoof ze haar stoel naar achteren en liep onvast naar de deur.
‘Gaat het wel, mama?’ vroeg Florence.
Kitty wankelde in de deuropening, toen zakte ze in elkaar, als een pop die door een kind op de grond was gegooid. Ik wil nooit meer wakker worden, was haar laatste gedachte voordat ze in zwijm viel.
Zodra JP het nieuws hoorde, leende hij de auto van zijn vader en reed naar Alana. Tegen de tijd dat hij bij haar huis kwam, was het al bijna donker. Hij herkende de kleine Ford van de pastoor en de glimmende felgroene auto van de gravin Di Marcantonio. Haastig stapte hij uit en klopte op de deur. Het duurde niet lang of Mrs. O’Donovan deed open. Haar geschokte, maar gebiedende gezicht liet er geen twijfel over bestaan of zij had de leiding. Ze knikte zonder iets te zeggen en deed de deur verder open.
Vanuit de kleine hal kon JP in de zitkamer kijken, waar Mrs. O’Leary werd getroost door pastoor Quinn. De gravin zat naast haar en hield de hand van de weduwe vast. Ook zij leek van streek, en JP besefte dat hij zijn hoed hoorde af te nemen. Het was nog maar een paar maanden geleden dat de gravin zelf haar man had verloren, en JP had met haar te doen. Alsof ze zijn medeleven voelde, sloeg Bridie haar ogen op naar haar zoon. Zich niet bewust van hun onzichtbare, maar onverbrekelijke band boog hij licht zijn hoofd. Hij wist niet hoe hij anders zijn respect moest betuigen. Bridies gelaatstrekken verzachtten, en ze dacht dat haar hart zou breken. Maar ze dwong zichzelf niet toe te geven aan haar verlangen en beantwoordde zijn knikje. Toen kwam Alana tussen hen in staan, en het moment was voorbij.
Ze droeg haar verdriet met een kalme waardigheid. JP besefte dat ze sterk wilde zijn voor haar moeder, en voor haar broer en zus. Er lag een blos op haar gezicht, in haar ogen blonken tranen, maar ze hield haar hoofd geheven, haar rug kaarsrecht. Voor iemand die nog zo jong was, toonde ze een uitzonderlijke zelfbeheersing. Voor JP was de dood bepaald geen vreemde. Hij had zijn broer Harry verloren tijdens de Blitz, en in de oorlog was hij bovendien talloze vrienden kwijtgeraakt. Dus hij wist hoe diep de pijn van het verlies een mens verwondde. Hij nam Alana in zijn armen en hield haar tegen zich aan tot ze ontspande en althans iets van haar zelfbeheersing liet varen.
Zoals altijd kwam er na de nacht weer een nieuwe dag. In de cottage bij de zee zaten de vrouwen rond de kist die in de voorkamer stond, omringd door kaarslicht en gebed. De kist was gesloten vanwege de staat waarin het lichaam verkeerde – het lichaam van Badger Hanratty dat in Jacks auto was gezet, waarna de auto bij Malin Point over de rand was geduwd. Doordat de auto vervolgens in brand was gevlogen, was Badgers lichaam onherkenbaar verminkt geraakt. ‘Als je die yanks om zeep helpt, komen er alleen nog maar meer hiernaartoe!’ had Michael tegen Jack gezegd. ‘Dus als je echt definitief van ze af wilt zijn, moet je jezélf uit de weg ruimen.’ En dus hadden ze samen met pastoor Quinn een plan gesmeed om Jack ‘uit de weg te ruimen’. Een plan dat voor Emer en de kinderen een verschrikking zou betekenen, maar het was de enige manier. Zodra de Amerikanen waren vertrokken, zou Jack uit zijn schuilplaats tevoorschijn komen en als het ware aan een tweede leven beginnen.
Buiten de cottage stonden de mannen te roken en te drinken terwijl ze herinneringen ophaalden aan Jack. Michael had Badgers verdwijning verklaard door tegen iedereen te zeggen dat pastoor Quinn hem naar Mount Melleray had gestuurd om van de drank af te komen. Er was niemand die het verhaal in twijfel trok. Tenslotte had Badger jarenlang zijn potentieel dodelijke poitín gestookt en gold hij als een van de weinigen in Ballinakelly wiens lever sterk genoeg was om het goedje te verdragen. Mrs. Doyle deed wat Michael haar had opgedragen en hield haar mond stijf dicht.
Binnen roddelden de vrouwen onder het genot van een glas whiskey. Julia, Jacks moeder, snikte in een doorweekte zakdoek en jammerde dat het leven voor haar geen zin meer had. Alana troostte haar, terwijl Emer en de twee Nellies – Nellie Crawford en Nellie Moxley, die geen lichaam hadden om af te leggen – zorgden dat iedereen genoeg te eten en te drinken had. Mrs. O’Donovan was inmiddels uitgeput van het leidinggeven. Ze schonk haar glas nog eens bij en ging met een diepe gekwelde zucht naast Mrs. Scannell zitten.
De Wenende Vrouwen van Jeruzalem hadden hun verdriet onderhand in whiskey verdronken en werden steeds spraakzamer. ‘Wat denken jullie, zou de vroegere miss Deverill nog langskomen?’ vroeg Joan Murphy luid fluisterend.
‘Kitty Deverill? Waarom zou ze?’ vroeg Maureen Hurley.
Joan snoof, haar neusvleugels trilden. ‘Mag Keohane heeft destijds gezien dat Jack een briefje in de muur langs de moestuin van het kasteel legde,’ zei ze op gedempte toon. ‘En moge God het haar vergeven, maar ze heeft het gelezen. Het was een liefdesbrief aan Kitty. Blijkbaar waren ze van plan samen weg te lopen. Die arme Mag is er weken door van streek geweest. Het geheim drukte loodzwaar op haar.’
‘Wat deed ze in de moestuin?’ vroeg Nellie Moxley, in de hoop dat het allemaal op een misverstand berustte.
‘Ze moest daar gewoon zijn. Dat was nog in de tijd dat Frank Nyhan eerste tuinman was bij Lady Deverill,’ vertelde Joan. ‘Het is al heel lang geleden. Maar zoiets vergeet je niet. Mag houdt er niet van om haar neus in andermans zaken te steken, maar in dit geval kon ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen.’
‘Kom nog eens langs met de whiskey, Nellie Crawford. En met de sigaretten. Ze zeggen immers dat een dronken vrouw de waarheid spreekt?’ Maureen Hurley giechelde.
Kit Downey spande de kroon als het om roddelen ging. Ze vernauwde haar ogen tot spleetjes. ‘Dat mag dan lang geleden zijn,’ zei ze samenzweerderig, ‘maar ik weet iets wat nog geen jaar geleden is gebeurd. Ik ging bramen plukken, bij de Elfenkring. En toen heb ik ze gezien! Innig zoenend. Ik schrok me dood! Godallemachtig! Ik weet niet meer hoe ik thuis ben gekomen. En ik heb het nooit aan iemand verteld. Alle geheimen zijn veilig bij me. Ik kan zwijgen als het graf.’
Maar dat graf is nu wel geopend, dacht Nellie Moxley wrang.
Joan Murphy hield geschokt haar adem in. ‘Sst! Hou toch je mond. Straks hoort Emer het. Die arme ziel zou erin blijven!’
Aangeschoten als ze waren, hadden ze niet in de gaten dat Alana alles had gehoord.
Jack liep rusteloos en nerveus door de boerderij van Badger Hanratty. De gedachte aan wat zijn gezin doormaakte was bijna ondraaglijk. Hij kreeg geen hap door zijn keel, hij deed geen oog dicht, en de enige reden dat hij dronk, was dat bier hem verdoofde en zijn wanhoop althans enigszins verzachtte. Spijt over het hervatten van zijn verhouding met Kitty knaagde aan zijn geweten en verteerde hem. Wat had hem bezield? Hoe had hij zich kunnen laten verleiden door het verleden, terwijl het heden zo veel stralender was dan de sintels van een oude passie dat ooit konden zijn? Hoe was het mogelijk dat hij zo blind was geweest voor de vrouw naast hem, voor haar zuivere, onvoorwaardelijke liefde? Hij hield van twee vrouwen, dat viel niet te ontkennen. Maar hij had zijn keuze gemaakt. Hij wenste alleen dat hij dat jaren eerder had gedaan, voordat hij Kitty op de rotsen had getroffen en zijn huwelijksgelofte had gebroken. Het was tijd om Kitty op te geven. Dat wist hij nu zeker. Zekerder dan hij het ooit had geweten. Hij dronk zijn glas leeg en zette het met een klap op tafel. Kitty was een luchtspiegeling, een geest uit voorbije tijden, de zoete lokroep van de nostalgie. Meer niet. Emer was echt.
Hij schoot zijn jas aan, trok zijn pet dieper over zijn ogen en sloop naar buiten, de nacht in. Wegen en paden meed hij uit angst gezien te worden, ook al was er op dit uur, in het holst van de nacht, bijna niemand wakker. De maan stond hoog aan de hemel en lichtte hem bij met haar bleke, waterige gloed. Behendig en zonder te struikelen haastte hij zich door de schaduwen. Toen hij zijn huis zag, genesteld in de omhelzing van de hoge rotsachtige kliffen, in slaap gesust door het lieflijke geluid van de golven die over het strand spoelden, verkrampte zijn hart van verlangen. Alles in hem hunkerde ernaar de voordeur open te duwen, de warme keuken binnen te lopen, en hij stelde zich voor dat Emer, zijn lieftallige Emer, bij het fornuis stond en hem glimlachend aankeek, met in haar zachte ogen een blik van vertrouwen. Hij verborg zich achter de struiken en keek omhoog naar de donkere ramen waarachter zijn gezin sliep, zijn gezin dat dacht dat hij dood was. Hij voelde zich een geest, niet in staat contact te maken met de levenden, en hij huiverde bij de gedachte aan de twee Amerikanen, in het besef dat het niet veel had gescheeld of hij was inderdaad dood geweest.
Verborgen in de duisternis bleef hij lange tijd naar zijn huis staren. Hoe lang moest hij dit bedrog nog volhouden? Hij wilde dat hij er nu onmiddellijk mee kon stoppen, dat hij de draad van zijn leven weer kon oppakken en opnieuw beginnen. Zijn aandacht werd getrokken door beweging achter het raam van een van de slaapkamers. Zíjn slaapkamer. De kamer die hij deelde met zijn vrouw. Hij hield zijn adem in, terwijl het gordijn opzij werd geschoven en een bleke arm het raam openduwde. Het zilveren maanlicht viel op Emers gezicht, en hij zag dat zijn dood haar had veranderd. Haar trekken waren zo verstard, zo verkrampt van verdriet dat ze wel een oude vrouw leek. Geschokt opende hij zijn mond, en hij kreunde. Hij zou er alles voor hebben gegeven als hij haar had kunnen roepen. Maar ze hadden het op zijn leven gemunt, en dat kon hij ze niet geven. Dus hij bleef verborgen, wanhopig van verlangen, totdat ze de gordijnen sloot en verdween.
Met lood in zijn schoenen keerde hij terug naar de boerderij. Daar liet hij zich op het bed vallen, en toen hij zijn ogen sloot, was het niet Kitty die hij zag. Het was Emer, met haar lieve glimlach en haar zachte blik. Een snik welde op in zijn keel toen hij besefte hoe hij haar door zijn roekeloosheid en genotzucht bijna was kwijtgeraakt. En hij zwoer plechtig dat hij nooit meer zo roekeloos zou zijn, dat hij haar en haar liefde zou koesteren.
Alana had onrustig geslapen. Ze was uitgeput van verdriet, maar rusteloos van woede. Wat ze bij de wake had gehoord, bleef maar door haar hoofd spoken. Was het waar wat die vrouwen hadden gezegd? Had haar vader een verhouding gehad met Kitty Trench? Of was het gewoon kwaadaardig geroddel? Alana wist hoe ze waren, die oude vrouwen. En ze wilde niet slecht over haar vader denken. Maar de twijfel bleef. Ze vond het een onverdraaglijke gedachte dat haar vader haar moeder zou hebben bedrogen, die hem altijd trouw en onvoorwaardelijk had liefgehad; dat hij een verhouding zou hebben gehad met een andere vrouw. En niet zomaar een andere vrouw. Kitty Deverill was de halfzuster van JP, en in de toekomst werd ze Alana’s schoonzuster.
De hemel in het oosten werd aarzelend lichter, maar de dageraad was nog ver weg toen Alana naar het kleine kamertje sloop dat haar vader als werkkamer had gebruikt. Daar ging ze in de laden van het bureau muisstil op zoek naar bewijs. Ze wist eigenlijk niet wat ze zocht, en ze hoopte vurig dat ze niets belastends zou vinden. Maar ze moest duidelijkheid hebben! Als ze met een Deverill ging trouwen, moest ze weten waar ze aan toe was.
Haar vaders bureau had geen geheime vakjes, ze vond geen liefdesbrieven tussen zijn papieren, geen briefjes in een ander vrouwelijk handschrift dan dat van haar moeder. Naast het bureau stond de dokterstas van haar vader. Die zat altijd op slot, om te voorkomen dat Aileen bij de medicijnen kon die erin zaten. Alana pakte de zilveren briefopener om het slot te forceren. Dat ging verrassend gemakkelijk, want de tas was oud, het slot gammel. Het lukte haar het open te krijgen zonder het te vernielen.
Ze haalde alles uit de tas en legde het op het bureau. Toen de tas leeg was, inspecteerde ze de twee zijvakken. En daarin vond ze twee stapeltjes brieven, met een touwtje bij elkaar gebonden. Angstig, met bonzend hart bekeek ze de stapeltjes. Er waren in totaal een stuk of twaalf brieven, variërend van kattenbelletjes van een paar woorden tot lange epistels, en ze waren niet afkomstig van haar moeder. Alana liet zich in de stoel achter het bureau zakken en las ze allemaal.
Het was zonneklaar dat zijn vader zijn hele leven van Kitty had gehouden. Ze waren in hun jeugd al verliefd geworden, en die verliefdheid had zich ontwikkeld tot een alles verterende, volwassen liefde. Er waren haastig geschreven berichtjes om af te spreken bij de Elfenkring, maar ook uitvoerige, romantische brieven die ze hem in de gevangenis had gestuurd en waarin ze hem verzekerde dat ze op hem zou wachten. Te oordelen naar de datering waren de jaren in Amerika en Argentinië de enige waarin haar vader uitsluitend en alleen aan haar moeder had toebehoord. Maar zou hij toen niet ook hebben gehunkerd naar zijn oude liefde? Waren ze maar nooit naar Ballinakelly gegaan! Uit de meest recente briefjes bleek dat Kitty en hij hun verhouding niet lang na zijn terugkeer in Ierland hadden hervat. Alana’s maag kwam in opstand wanneer ze eraan dacht hoe hij haar moeder had verraden. Haar moeder die altijd zo lief en geduldig was, en die het goede zag in iedereen.
Eén ding wist ze zeker: haar moeder mocht dit nooit weten. Op de laatste en meest belastende na gooide Alana alle brieven in de haard. Ze streek een lucifer af, hield die bij het papier en het duurde niet lang of het was verteerd tot as. Alana wenste dat ze haar vader ter verantwoording had kunnen roepen, dat ze hem had kunnen zeggen hoe ze over hem dacht. Maar nu dat niet kon, zou ze Kitty met haar ontdekking confronteren. Na de begrafenis. Voor dat gesprek had ze die ene brief bewaard.
Kitty stond voor het raam van haar slaapkamer mistroostig uit te kijken over zee, toen ze Alana over de oprijlaan zag aankomen. Haar hart ging naar haar uit, want de manier waarop ze liep – traag, alsof elke stap haar moeite kostte – verried hoezeer ze gebukt ging onder verdriet. Haastig liep Kitty de trap af om haar open te doen.
Maar de jonge vrouw die voor de deur stond, was niet de charmante, zachtaardige Alana zoals Kitty haar had leren kennen. Deze Alana was een furie, die haar vijandig opnam, vervuld van weerzin en woede. Ze haalde een brief uit haar zak. Haar hand beefde toen ze die beschuldigend omhooghield.
‘Hoe durf je!’ tierde ze. ‘Waar haalde je het lef vandaan om het met mijn vader aan te leggen terwijl mijn moeder hem vetrouwde en niet beter wist of hij hield alleen van háár? Ken je geen schaamte? Je hebt een man en een dochter. Wat bezielde je?’
Robert kwam de studeerkamer uit, opgeschrikt door de commotie. ‘Wist u dat uw vrouw een verhouding had met mijn vader?’ tierde Alana.
Hij nam het onmiddellijk op voor zijn vrouw. ‘Neem me niet kwalijk, maar…’ Toen zag hij de brief. Er verscheen een vurige blos op zijn wangen. Hij pakte de brief, herkende het handschrift en keek op, met een grimmige trek om zijn mond.
‘Uw vrouw had een verhouding met mijn vader, en blijkbaar wist heel Ballinakelly dat, behalve wij. De rest heb ik verbrand. Meer dan tien brieven. Ik hoop vurig dat mijn moeder hier nooit achter komt. Ze zou er kapot van zijn. Haar hart zou breken. Mijn vader was alles voor haar.’ Alana keek woedend van de een naar de ander. ‘Maar hij is dood. Je kunt hem niet langer verleiden met je valse praatjes!’ Ze drukte haar handen tegen haar mond om een snik te smoren. ‘En als je denkt dat ik met een Deverill trouw, dan vergis je je!’ Ze draaide zich om en begon de oprijlaan af te lopen. ‘De Deverills deugen niet!’ riep ze over haar schouder. ‘Ik wil niks meer met jullie te maken hebben!’
‘Is het waar wat ze zegt?’ vroeg Robert aan Kitty.
‘Ja.’ Kitty sloeg haar ogen neer. Het had geen zin om te liegen.
Robert stond nog altijd met haar brief in zijn hand. ‘Kom. Dan gaan we naar binnen,’ zei hij ogenschijnlijk beheerst, maar Kitty wist dat er storm op komst was. ‘We moeten praten.’
Net toen Alana driftig het hek uit liep, kwam JP thuis. Bij het zien van haar betraande gezicht haastte hij zich naar haar toe. Maar toen hij haar in zijn armen wilde nemen, verstijfde ze en duwde hem weg. ‘Wist jij het, van je zuster en mijn vader?’ vroeg ze bot. JP was zo geschokt door de harde, woedende blik in haar ogen dat hij even geen woord kon uitbrengen. ‘Je zuster Kitty had een verhouding met mijn vader,’ beet ze hem toe. ‘Wist jij dat? Wist iedereen het, behalve wij?’
JP pakte haar bij de schouders. ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’
‘Ik heb de bewijzen gevonden. Brieven waarin staat dat ze van elkaar houden.’ Ze begon te huilen. ‘Vraag het maar aan Kitty. Dan kan je het van haarzelf horen.’
‘Ik weet zeker dat er sprake is van een misverstand.’
‘Het ís geen misverstand! Het is waar.’
‘Maar liefste…’ Hij probeerde opnieuw haar te omhelzen en begreep niet waarom ze zo afwijzend reageerde.
‘Als mam dit te weten komt, gaat ze eraan kapot! Ik vergeef het Kitty nooit! Ze heeft mijn vader verleid!’ Ze duwde hem opnieuw van zich af. ‘En ik kan niet met je trouwen.’
JP staarde haar aan, verbijsterd door haar kilte. ‘Als mijn zuster zich misdraagt, kun je mij daar toch niet de schuld van geven?’
‘Dat doe ik ook niet. Maar ik wil gewoon niks meer met de Deverills te maken hebben! Ze deugen niet. Dus ik wil zo niet heten!’
Hij probeerde haar hand te pakken, maar ze trok hem weg. ‘Toe, Alana, je bent van streek. Je kunt ons geluk toch niet kapotmaken…’
Ze kapte hem driftig af. ‘Dat doe ík niet. Dat doet Kitty.’
‘Maar jij laat het gebeuren.’
‘Ik kan niet anders. En nu moet ik gaan.’ Ze liep langs hem heen en liep vastberaden de laan uit. JP keek haar na in de hoop dat ze zou blijven staan, dat ze zich zou bedenken en opnieuw de warme, liefdevolle Alana zou zijn die hij liefhad. Maar ze bleef niet staan en ze bedacht zich niet.
‘Ik laat je nu gaan, maar als je denkt dat ik me hierbij neerleg, dan vergis je je!’ riep hij haar na, en hij had het gevoel dat zijn hart zou breken. ‘Ik wacht rustig af tot je tot rede komt. Want uiteindelijk zul je inzien hoe onredelijk je bent.’
‘Dan kun je lang wachten!’ riep ze zonder achterom te kijken.
Hij keek haar nog altijd na. Ze leek onbereikbaar, en met haar zag hij zijn geluk verdwijnen. Toen draaide hij zich om en liep naar huis, naar Kitty.
De begrafenis was achter de rug, de Amerikanen waren vertrokken, Jack kon eindelijk tevoorschijn komen. Hij besefte dat hij heel wat uit te leggen had en dat die arme Badger alsnog een passende begrafenis verdiende. Maar van nu af aan zou hij niet meer constant op zijn hoede hoeven te zijn, bang dat de vijand elk moment kon toeslaan.
Zich schuilhouden in Badgers boerderij, in de wetenschap dat zijn familie hem dood waande, was het moeilijkste wat hij ooit had gedaan. Er waren momenten geweest dat hij bijna had opgegeven, maar Michael en pastoor Quinn hadden hem er telkens weer van weten te overtuigen dat hij moest doorzetten. ‘Doen alsof je dood bent is een kunstje dat je maar één keer kunt flikken,’ had Michael gezegd. ‘Die yanks moeten zeker weten dat je de pijp uit bent. Anders word je alsnog omgelegd.’ En dus had Jack doorgezet: hij had zich schuilgehouden in de heuvels en hij had door de keuken van Badger lopen ijsberen terwijl Badger in zijn plaats was begraven.
Nu stond hij voor zijn huis. Hij liep naar de voordeur, legde zijn hand op de klink en zwaaide de deur open. Emer was in de keuken, bezig de tafel te dekken. Toen ze opkeek en hem in de deuropening zag staan, verstijfde ze. De borden vielen uit haar handen, haar ogen werden groot van ongeloof. ‘Emer…’ Hij zette zijn pet af. ‘Het is voorbij. We hoeven niet bang meer te zijn. Van nu af aan zullen ze me met rust laten.’ Hij liep naar haar toe.
Emer werd lijkwit, haar knieën begaven het en ze begon langzaam in elkaar te zakken. Jack schoot naar voren om haar op te vangen. Met een luide kreet klampte ze zich vast aan zijn jasje.
De drie kinderen kwamen de keuken binnenstormen om te zien wat er aan de hand was, en zagen hun vader, uit de dood herrezen. Hij omhelsde hun moeder, die als een lappenpop in zijn armen hing. Krachteloos. Onbedaarlijk snikkend. ‘Stil maar. Ik ben er weer.’ Hij legde zijn wang tegen de hare. ‘Ik ben er weer en ik laat je nooit meer alleen. Nooit meer! Het spijt me zo. Het spijt me zo verschrikkelijk.’
Na de eerste schok vielen Aileen en Liam hun geliefde Da juichend om de hals. Maar Alana hield zich afzijdig. Haar hart stroomde over van liefde die de wrok verjoeg. Maar ze hield uit alle macht vast aan haar woede, weigerachtig die op te geven, vastberaden nooit te vergeten wat er tussen haar vader en Kitty was gebeurd.
Het ontging Jack niet hoe bleek ze zag. Hij dacht dat het kwam door de schok en veronderstelde dat ze uiteindelijk vanzelf naar hem toe zou komen. Het was begrijpelijk dat ze tijd nodig had om zijn opstanding uit de dood te verwerken. ‘Het spijt me,’ zei hij weer, en Emer lachte door haar tranen heen. Ze bedekte zijn betraande gezicht met kussen, want ze begreep waarom hij het had gedaan en ze vergaf het hem.
Alana keek toe vanuit de schaduwen. Zíj zou hem nooit vergeven. Nooit.