15

 

 

 

Londen

 

‘Ik begrijp niet waar je moeder de brutaliteit vandaan haalt om haar minnaar mee te nemen naar de begrafenis van een familielid!’ zei Boysie Bancroft tegen Harry Deverill, wiens moeder Maud zojuist de kerk in Kensington was binnengekomen aan de arm van Arthur Arlington.

‘Daar kan ik alleen maar uit afleiden dat ze nooit veel sympathie heeft gekoesterd voor de nicht van haar man,’ antwoordde Harry. ‘Ik vond Augusta, met die schelle stem van haar, altijd erg dominant. Ze zei altijd precies hoe ze ergens over dacht, tot op het onbeleefde af. Maar we hebben ons ook kostelijk met haar geamuseerd door haar achter haar rug belachelijk te maken. En dat geldt voor ons allemaal. Alleen mijn moeder deed niet mee. Die kon er de lol blijkbaar niet van inzien. Ik heb geen idee hoe papa op haar indiscrete gedrag zal reageren, maar hij zal er in elk geval niet blij mee zijn.’

Boysies welgevormde lippen – bijna te welgevormd voor een man – krulden zich in een flauwe glimlach. ‘Lieve hemel, begrafenissen zijn vaak zo saai. Laten we hopen dat een scène tussen je ouders in dit geval zorgt voor een beetje leven in de brouwerij.’

Harry grinnikte. ‘Dat lijkt me niet waarschijnlijk. Ik denk dat ze elkaar simpelweg zullen negeren.’

‘Daar geloof ik niets van,’ zei Boysie met grote stelligheid. ‘Dat is volgens mij precies waar Maud op uit is. Door haar minnaar mee te nemen hoopt ze Bertie uit zijn tent te lokken.’

‘Mijn moeder is een mysterie. Ik heb nooit geweten wat er nou echt in haar omgaat.’

‘Dat kan ik van haar zoon niet zeggen,’ zei Boysie. ‘Ik weet altijd precies wat je denkt.’

Boysie was lang van postuur, een elegante verschijning met zeegroene ogen, kastanjebruin haar en een knap, jongensachtig gezicht. Hij straalde een zekere lome losbandigheid uit, een sfeer van lange avonden met cognac en sigaretten, en hij had de reputatie een van de scherpste geesten in Londen te zijn. Hij was niet alleen razend slim, maar ook buitengewoon discreet. Harry en hij waren al zeventien jaar minnaars zonder dat de buitenwereld ook maar iets vermoedde.

‘Wat denk ik nu dan?’ vroeg Harry.

‘Je hebt er de pee over in dat jij als familielid en plaatsaanwijzer je moeder en haar minnaar naar hun bank moet brengen.’

Harry schoot in de lach. ‘Nou, dat was ook niet zo moeilijk. Maar je hebt gelijk. De plicht roept.’ Hij liep zijn moeder tegemoet.

Maud zag er voornaam uit in een creatie van Chanel, met diamanten sieraden. Ze was inmiddels achter in de zestig. Een rijzige, slanke vrouw. Haar grijze haar viel in een modieuze bob tot op haar kaaklijn; haar gezicht droeg nog altijd de sporen van haar vroegere schoonheid. Haar ranke, hoekige vormen die haar schoonheid vroeger hadden geaccentueerd, werkten nog altijd in haar voordeel. Ze zag er minstens tien jaar jonger uit dan haar leeftijdgenoten. Met een hautaine blik in haar ijsblauwe ogen keek ze de kerk rond, alsof ze iedereen uitdaagde kritiek te leveren op haar besluit Arthur Arlington mee te nemen, met wie ze nu al meer dan tien jaar haar leven deelde.

Harry begroette hen beleefd. Arthur – glimmende wangen, bierbuik, dunne benen, kleine voeten, uitpuilende varkensogen als gevolg van jarenlang drinken en gokken – was zichtbaar verrukt door het voorname gezelschap. Hoewel hij als de jongere broer van de graaf van Pendrith deel uitmaakte van de absolute elite, was hij er tuk op zich te omringen met de ‘juiste mensen’. Dat veel van die mensen zijn openlijke verhouding met een getrouwde vrouw afkeurden – Maud was officieel nog altijd Lady Deverill – had hij niet in de gaten. Daarvoor was hij te pompeus, te weinig fijnbesnaard.

‘Ach, die lieve Augusta,’ verzuchtte Maud, maar het verdriet in haar stem vond zijn oorzaak vooral in het groeiende besef van haar eigen sterfelijkheid. ‘Ze had het altijd over haar dood. Dat die niet lang meer op zich zou laten wachten. Maar ze is nota bene bijna honderd geworden!’

‘Een goede score,’ zei Arthur gnuivend. Zijn varkensoogjes glommen, want hij had een paar mensen ontdekt die hij na de dienst beslist even wilde aanklampen.

‘Is Beatrice er ook?’ vroeg Maud aan Harry. Beatrice Deverill, Augusta’s schoondochter, had zich bijna tien jaar eerder, na de dood van haar man, in diepe rouw teruggetrokken in haar villa op het platteland.

‘Nee,’ antwoordde Harry. ‘Ze heeft bericht gestuurd dat ze het niet aankon.’

Maud stak haar kin naar voren. ‘Ik heb óók geleden. Maar ik ga door.’ Zoals alle narcisten bracht ze het gesprek onmiddellijk op zichzelf. ‘Soms moet je je verdriet naar de achtergrond duwen. Anders kun je niet verder met je leven. Kom, lieverd.’ Dat laatste was tot Arthur gericht. ‘Harry, waar zijn onze plaatsen?’

‘U zit helemaal vooraan, mama.’

‘Natuurlijk. Ik had niet anders verwacht.’

Boysie keek Harry na terwijl hij zijn moeder escorteerde door het gangpad, gevolgd door Arthur, die regelmatig bleef staan om mensen te begroeten. Boysie grijnsde toen hij zag dat er ongemakkelijk werd geglimlacht en dat Arthur slechts aarzelend de hand werd geschud. Hij was niet bepaald geliefd, behalve bij Maud, ook al twijfelde Boysie zelfs daaraan. Ze hield van zijn adellijke komaf en van zijn rijkdom, of wat daar nog van over was. Maar misschien waren het wel vooral zijn nooit opdrogende stroom aan complimenten en zijn permanente aanwezigheid waardoor Maud zich tot hem aangetrokken voelde. Want Maud leefde op adoratie en ze kon niet tegen alleen zijn.

Wat Harry betrof, naarmate de jaren verstreken hield Boysie alleen maar meer van hem. Ze waren geen van beiden erg dol op hun vrouw – het was meer zo dat ze hun vrouw verdróégen – en ze hadden hun echtelijke plicht gedaan door kinderen te verwekken. Maar wat ze het liefst zouden willen, een leven en een toekomst voor hen samen, zou wel voor altijd een droom blijven. Jaren geleden had Charlotte, de vrouw van Harry, hen betrapt toen ze elkaar zoenden, tijdens Celia’s zomerbal op kasteel Deverill. Na maanden van verdriet afgewisseld met driftbuien waren ze tot overeenstemming gekomen. Harry mocht weer met Boysie omgaan, maar uitsluitend strikt vriendschappelijk. Met die beperking hadden ze het contact weer opgepakt, maar ze hadden niet kunnen voorkomen dat hun gevoelens voor elkaar alleen maar sterker waren geworden. De eerste jaren hadden ze zich aan de afspraak gehouden, maar naarmate Harry’s affectie voor zijn vrouw begon af te nemen, gold dat ook voor zijn vastberadenheid en zijn goede bedoelingen. Uiteindelijk hadden Boysie en hij elkaar weer gevonden in het kleine onopvallende hotelletje in Soho waar ze jaren eerder menige ochtend in bed hadden doorgebracht. Niemand zou hen daar ooit vinden, had Boysie altijd gezegd. Zelfs Charlotte niet, die de gewoonte had Harry’s gangen na te gaan. En Boysie had gelijk gekregen. Het was niet ideaal, maar ze moesten het ermee doen. Je moest als mens je zegeningen tellen, en dat deden ze. Terwijl Boysie toekeek hoe Harry zijn moeder haar plaats wees, stroomde zijn hart over van liefde.

Harry was een knappe verschijning. En dat was hij altijd al geweest. Zijn lichtblonde haar was met het verstrijken van de jaren wat donkerder geworden, de lijnen die de tijd in zijn gezicht had getrokken, hadden het karakteristieker, minder jongensachtig gemaakt. Zijn ogen waren stralend blauw, net als die van zijn moeder, maar terwijl de hare ijzig kil en hard de wereld in keken, waren de zijne warm en zacht, glinsterend als sneeuwkristallen. Toen Boysie hem zag lachen om iets wat iemand tegen hem zei, maakte zijn hart een sprongetje.

De Ierse Deverills werden vertegenwoordigd door Bertie, Kitty en Robert, en Elspeth en Peter. Bertie had lang geaarzeld of hij zou gaan, vanwege de kans dat zijn vrouw hem in verlegenheid zou brengen door met Arthur te verschijnen. Die ontmoeting zou hij zichzelf bij voorkeur besparen. Maar het verlangen om Maud te zien bleek sterker dan zijn bedenkingen. Na de jarenlange scheiding van tafel en bed was Bertie anders over zijn vrouw gaan denken, en dat kwam doordat hij anders over zichzélf was gaan denken. In plaats van de schuld bij anderen te leggen, had hij geleerd zijn tekortkomingen onder ogen te zien. En dat waren er helaas vele. Het waren die tekortkomingen waardoor er een kloof tussen hem en Maud was ontstaan. Een kloof die onoverbrugbaar leek. Maar inmiddels vroeg hij zich af of vergevingsgezindheid die kloof misschien ooit zou kunnen dichten. Als hij zich niet had laten leiden door lust, als hij niet talrijke affaires had gehad, als hij niet verliefd was geworden op Grace, als hij dat dienstmeisje niet zwanger had gemaakt, met twéé buitenechtelijke kinderen tot gevolg, als hij alleen maar oog had gehad voor Maud en haar had gekoesterd als een tere orchidee, dan zou ze misschien nog steeds van hem hebben gehouden. Maar als ze hem nooit meer zag, als hij niet de moed had haar opnieuw onder ogen te komen, hoe kon hij haar dan ooit duidelijk maken dat hij was veranderd?

De ontvangst na de dienst vond plaats in Deverill House, de schitterende stadsvilla in Italiaanse stijl die Digby, Augusta’s overleden zoon, in Kensington had laten bouwen nadat hij fortuin had gemaakt met zijn diamant- en goudmijnen in Zuid-Afrika. Een fortuin dat hij door de beurskrach van 1929 was kwijtgeraakt. Sinds zijn vrouw Beatrice zich had teruggetrokken in Deverill Rising, hun landgoed in Wiltshire, hadden hun tweelingdochters Leona en Vivien de beschikking over de villa. Dat het huis in de familie was gebleven, was te danken aan Celia, de jongste dochter van Digby en Beatrice, die vriend en vijand had verbaasd door naar Zuid-Afrika te vertrekken, waar ze naar goud was gaan graven op de grond van een oude boerderij die haar vader rond de eeuwwisseling had gekocht. Tegen ieders verwachtingen in was de onderneming een doorslaand succes geworden. Celia had de Free State Deep Reef Mining Company opgericht en was in snel tempo bezig het verloren geraakte fortuin van haar vader weer op te bouwen. Natuurlijk had Augusta beweerd dat ze altijd al had geweten dat haar jongste kleinkind lef en ondernemingszin bezat. ‘Een aardje naar haar vaartje,’ had ze kort voor haar dood nog gezegd. ‘Maar ik was de enige die oog had voor haar kwaliteiten. Het was van meet af aan duidelijk dat ze iedereen zou verrassen. Behalve mij, natuurlijk. En als haar vader nog had geleefd, zou die er ook niet van hebben opgekeken.’ Maar als haar vader nog had geleefd, zou Celia nooit naar Zuid-Afrika zijn vertrokken.

Hoe dan ook, na de begrafenis had niemand het over Digby, of over Celia. En zelfs over Augusta werd niet gesproken. In plaats daarvan had iedereen het over de oorlogsdreiging.

‘Als er oorlog komt, wordt het allemaal nóg erger, nóg verschrikkelijker dan de vorige keer,’ zei Maud tegen haar schoondochter Charlotte. ‘De Duitsers zijn technisch zo ver gevorderd dat we in een paar dagen allemaal van de aardbodem worden weggevaagd.’

‘Chamberlain zal er alles aan doen om oorlog te voorkomen,’ verklaarde Charlotte hoopvol.

‘Ik ben bang dat een oorlog onvermijdelijk is. Ik zie geen andere uitkomst. En dan zal er opnieuw een generatie jongemannen worden opgeofferd. Ierland blijft natuurlijk weer neutraal. En geef ze eens ongelijk.’ Op zoek naar een ander, boeiender gesprek – ze vond Charlotte erg onnozel – kruiste haar blik die van Bertie, en ze reageerde verrast bij het zien van de verlangende uitdrukking in zijn ogen.

Charlotte fronste toen ze zag wie de aandacht van haar schoonmoeder had getrokken. ‘Zullen we een praatje maken met Bertie?’ stelde ze voor. ‘Hij staat helemaal alleen.’

‘Welja, waarom ook niet.’ Maud keek om zich heen, op zoek naar Arthur, en zag dat die in een geanimeerd gesprek was verwikkeld met de graaf van Shaftesbury en de hertog van Norfolk. Samen met Charlotte baande ze zich een weg door de drukte naar haar echtgenoot, die inderdaad moederziel alleen stond, met een glas limoen-soda in de hand.

‘Hallo, Maud,’ begroette hij haar.

‘Dat is lang geleden,’ zei ze op haar beurt. ‘Hoe gaat het ermee? Je ziet er goed uit.’

‘Ach, ik word een dagje ouder,’ antwoordde hij met een glimlach.

Toen pas merkte Maud dat ze Charlotte onderweg was kwijtgeraakt. Of misschien was Charlotte háár kwijtgeraakt. Met opzet. Zo dom is ze blijkbaar nou ook weer niet, dacht Maud schamper. ‘Hoe gaat het in Ierland?’ vroeg ze.

‘Z’n gangetje.’ Hij kon haar bezwaarlijk vertellen dat hij nóg een buitenechtelijk kind bleek te hebben en dat JP naar een vriend in Dublin was gevlucht om met zichzelf in het reine te komen na de ontdekking dat de vrouw aan wie hij zijn hart had verloren, zijn tweelingzuster was. ‘Ik zie dat je nog steeds met Arthur bent.’

Mauds gezicht verstrakte. ‘Hij is een dierbare vriend, Bertie,’ wees ze hem terecht, in het besef dat Bertie zich niets liet wijsmaken. ‘Trouwens, ik moet Victoria spreken,’ zei ze om het over iets anders te hebben. ‘Als er oorlog komt, en daar twijfel ik niet aan, moeten we de stad uit. Dus dan zullen we onze toevlucht moeten zoeken in Broadmere. Het is zonde dat we het kasteel niet meer hebben. Want Ierland is voor de Duitsers niet interessant. Dat zullen ze vast niet bombarderen.’

‘Je bent altijd welkom als je naar huis wilt komen, Maud,’ zei Bertie nadrukkelijk, om haar eraan te herinneren dat ze nog steeds getrouwd waren. ‘De deur van het Jachthuis staat voor je open. Ik denk met liefde terug aan de vele gelukkige momenten die we daar hebben beleefd.’

‘Nou, zo veel waren het er niet,’ reageerde ze afgemeten.

‘Kom, kom, het leven was niet alleen maar narigheid.’ Hij schonk haar een hoopvolle glimlach, die ze zuinigjes beantwoordde.

‘Een mens herinnert zich nu eenmaal alleen de slechte tijden.’

‘Of we kíézen ervoor alleen de narigheid te onthouden. Lieve Maud…’ Bertie dempte zijn stem, in de vurige hoop dat niemand hen zou storen. ‘Het spijt me dat ik zo’n waardeloze echtgenoot ben geweest. Je had beter verdiend.’

Mauds gezicht verzachtte. Zijn spijtbetuiging verraste haar.

Daardoor aangemoedigd zette hij dapper door: ‘Ik heb geleerd van mijn fouten, Maud. Van de talloze domme fouten die ik in de eerste jaren van ons huwelijk heb gemaakt. Ik had je moeten koesteren, en dat heb ik niet gedaan. Dat besef ik nu pas goed.’

Mauds lippen weken uiteen alsof ze iets wilde zeggen, maar in plaats daarvan keek ze hem alleen maar verbijsterd aan.

Nu hij eenmaal had gezegd dat het hem speet, kostte het Bertie geen moeite nog dieper door het stof te gaan. ‘Ik dacht alleen maar aan mezelf, aan mijn eigen pleziertjes. Daardoor besefte ik niet hoe ongelukkig jij was.’ Hij begon op stoom te komen. ‘In mijn jonge jaren ben ik zo zelfzuchtig geweest. Ik was verwend, ik had het meer dan goed. Maar sindsdien heb ik veel verloren, veel verdriet gekend. En dat zou allemaal voor niets zijn geweest als ik er niets van had geleerd. Inmiddels weet ik wat het is om dankbaar te zijn. Voor mijn huis, voor mijn gezin, mijn familie, en voor jóú. Ja, voor jou ben ik nog het meest dankbaar.’

Er was een blos op haar wangen verschenen. Ze wist niet wat ze moest zeggen, wat zijn bekentenis deed met haar gevoelens. Dus ze staarde hem alleen maar aan, en het leek een eeuwigheid te duren voordat ze met haar ijsblauwe ogen knipperde.

Op zijn beurt had Bertie een gevoel alsof er een last van zijn schouders was gevallen. In de afgelopen twintig jaar was hij geleidelijk aan steeds dieper tot zijn ware zelf doorgedrongen; hij had zichzelf, als een ui, laag voor laag afgepeld. Zijn neef Digby had hem onder druk gezet om de drank te laten staan, en JP had hem geleerd de draad van het leven weer op te pakken. De brand die zijn huis in de as had gelegd en waarbij zijn vader was omgekomen, de dood van zijn moeder en diverse andere sterfgevallen waardoor de Deverill-clan was uitgedund, hadden zijn ego geleidelijk aan ontdaan van zijn minder positieve kanten. Met elke tragedie had hij zich machtelozer gevoeld, maar was zijn streven naar macht ook minder geworden. Inmiddels stelde hij weinig eisen meer aan het leven. Hij wilde zijn kinderen en zijn kleinkinderen om zich heen hebben. En Maud. Hij verlangde ernaar zijn leven weer met Maud te delen, en de uitdrukking die door het harde masker van haar gezicht heen brak, gaf hem hoop. Toen kreeg hij Arthur Arlington in de gaten, die zich lomp en onhandig een weg baande door de begrafenisgasten, en op slag was Berties hoop weer vervlogen. ‘Denk nog eens na over wat ik net zei, Maud,’ drukte hij haar gehaast op het hart, terwijl hij vluchtig zijn hand op de hare legde. ‘Er komt oorlog, de toekomst is onzeker. Ierland blijft je thuis, en je zou me innig gelukkig maken als ik je weer in het Jachthuis zou mogen verwelkomen.’ Toen liep hij weg.

Maud keek hem na, haar benen dreigden haar plotseling in de steek te laten. ‘O, Arthur, wat fijn dat je er bent! Ik moet even gaan zitten.’

‘Is alles goed met je? Ik zag dat je met Bertie stond te praten. Wat zei hij? Heeft hij je van streek gemaakt?’

‘Nee, natuurlijk niet. We hadden het over de kinderen.’

‘O. Aha.’ Arthur was zichtbaar opgelucht.

Maud schoof haar arm door de zijne en liet zich naar de salon beneden escorteren, waar wat oudere mensen zaten te dommelen op divans en sofa’s. Door de ramen kon ze de tuin zien, waar groepjes gasten in het zonnetje op het gazon stonden te praten. Terwijl ze zich in een fauteuil liet zakken, zag ze Bertie naar Kitty lopen, die in gesprek was met Elspeth en Harry. Vrolijk en zonder plichtplegingen mengde hij zich in de conversatie, alsof ze de draad weer oppakten waar ze hun gesprek eerder hadden gestaakt. Met een steek van jaloezie voelde Maud zich plotseling een buitenstaander in haar eigen gezin. Alleen Victoria, haar oudste dochter, bekommerde zich om haar. Ze keek Arthur aan, die haar feilloos aanvoelde en precies wist wat hij moest zeggen.

‘Geen vrouw hier kan zelfs maar in je schaduw staan, liefste Maud. Je bent zoals altijd de mooiste van allemaal.’

Maud glimlachte mat en liet de leegte diep vanbinnen verdrijven door zijn vleierij.

 

Begin september verklaarde Groot-Brittannië Duitsland de oorlog. Het land was in rep en roer, angst kreeg iedereen in zijn greep. Oudere generaties dachten vol afschuw terug aan de Grote Oorlog, jonge mensen haastten zich in dienst te gaan, snakkend naar opwinding en avontuur. Londen onderging een metamorfose. De koninklijke wacht bij Buckingham Palace verruilde zijn rode uniform dat in vredestijd werd gedragen, voor het kaki van de oorlog; een stalen helm verving de berenmuts. Ziekenhuizen werden geëvacueerd, schoolkinderen als postpakketjes op de trein gezet en naar het platteland gestuurd. Ondertussen gingen de Londenaren wel gewoon naar hun werk, maar met een gasmasker in hun attachékoffer, waarvan ze vurig hoopten dat ze het nooit nodig zouden hebben.

De sirene van het eerste luchtalarm klonk amper twintig minuten na de oorlogsverklaring, waarop iedereen zich naar de schuilkelders haastte en daar keurig in de rij ging staan. Het ontbreken van paniek, de kalmte waarmee de Londenaren reageerden, waren typerend voor de Britse volksaard. Maud, die het beneden haar stand vond om met wildvreemden te schuilen in smoezelige kelders en stations van de ondergrondse, verliet de stad en trok in bij Victoria, in haar statige huis in Kent. Ze nam Charlotte en de kinderen mee, terwijl Harry verklaarde in Londen te blijven om het land van dienst te zijn. Ook Boysie stuurde zijn vrouw naar het platteland en nam zelf zijn intrek bij een tante, zodat hij zich kon inzetten voor het landsbelang. Beide mannen waren halverwege de veertig, en ook al hadden ze militaire ervaring opgedaan in de Grote Oorlog, ze waren inmiddels te oud om zich weer bij hun regiment te voegen. Toch waren ze vastberaden om zich nuttig te maken. En om bij elkaar te blijven.

Voor JP kwam de oorlog als een geschenk. Verpletterd door verdriet, wanhopig van verlangen zag hij de oorlog als een manier om zijn ellende te kunnen vergeten. Hij schoof zijn studie aan Trinity College op de lange baan en stuurde een brief aan de afdeling luchtmacht van het ministerie van Oorlog waarin hij zich aanmeldde als aspirant-gevechtsvlieger.

Hij vond niets heerlijker dan in volle galop door de heuvels te jagen. Vliegen moest een vergelijkbare sensatie zijn, had hij besloten. De RAF stuurde hem formulieren, en nadat hij die had ingevuld en teruggestuurd, duurde het niet lang of hij werd uitgenodigd voor een gesprek met de rekruteringscommissie in Adastral House aan Kingsway, in Londen. Zijn vader, die in de Grote Oorlog had gevochten, probeerde hem het idee uit zijn hoofd te praten. Hij was nog te jong om te begrijpen wat oorlog inhield, aldus Bertie. Laat staan om piloot te worden. Maar Robert, die in de vorige oorlog door zijn handicap gedwongen thuis had gezeten, begreep JP’s verlangen om zijn verantwoordelijkheid te nemen. En dus deed hij geen poging hem ervan te weerhouden naar Londen te gaan, ook al maakte hij zich net als iedereen grote zorgen om JP’s veiligheid. Op haar beurt had Kitty er begrip voor dat JP zijn teleurstelling wilde ontvluchten. Ze had gehoord dat hij in Dublin excessief was gaan drinken, en indachtig haar vaders neiging om in moeilijke tijden naar de drank te grijpen, besefte ze dat dienst nemen bij de Royal Air Force misschien wel de enige manier was om JP tegen zichzelf in bescherming te nemen.

Het nieuws dat JP Deverill dienst had genomen in het Britse leger deed als een lopend vuurtje de ronde in Ballinakelly. Niet dat het ook maar iemand in het stadje verbaasde. Als Anglo-Ier was het niet meer dan normaal dat hij zijn koning en zijn land wilde dienen. Maar er was er één voor wie het vooruitzicht dat hij zijn leven op het spel ging zetten, een vernietigende klap betekende: een jong meisje dat haar hart aan hem had verloren op die ochtend in de heuvels, toen hij haar als de spreekwoordelijke prins op het witte paard had gered.

Alana O’Leary was pas elf en nog te jong om op een volwassen manier te kunnen liefhebben, maar ze twijfelde niet aan het gevoel dat zich diep in haar hart had genesteld. ’s Avonds in bed lag ze met open ogen te fantaseren dat ze hem opnieuw tegenkwam. En in de klas staarde ze uit het raam, denkend aan zijn glimlach, aan de twinkeling in zijn grijze ogen. Wanneer ze aan het eind van de dag dromerig, diep in gedachten verzonken terugliep naar huis, bedacht ze allerlei scenario’s om een ontmoeting af te dwingen. In de kerk, tijdens de mis, bad ze tot God om het leven van JP te sparen, om hem te beschermen tegen bommen en kogels, en om te zorgen dat hij veilig en ongedeerd naar huis terugkeerde. Ze bad zo vurig dat haar knokkels wit werden terwijl ze krampachtig haar handen vouwde. Omdat ze wist hoe haar vader over de Deverills dacht, sprak ze met niemand over haar verliefdheid. In plaats daarvan koesterde ze die als een geheime schat. En ook al had ze JP maar één keer ontmoet, het besef dat hij op de wereld rondliep, maakte die wereld nog mooier, nog verrukkelijker.

 

‘Weer een oorlog,’ zei Adeline verdrietig. Ze sloeg haar armen over elkaar en staarde uit het raam van de toren. De avond viel, lange schaduwen kropen over het bedauwde gazon terwijl de zon onderging boven kasteel Deverill. ‘Wat zijn mensen toch dom.’

‘Ze leren het nooit.’ Hubert snoof verontwaardigd. ‘De Deverills zullen opnieuw zware verliezen lijden. Maar ach, eenmaal aan gene zijde valt de dood best mee.’ Hij grinnikte verbitterd. ‘Sterker nog, als ik eraan denk hoe onze Rupert is gesneuveld, dan besef ik dat zijn dood voor ons veel erger moet zijn geweest dan voor hem.’

‘Voor de meeste mensen komt het einde snel,’ viel Barton hem bij vanuit zijn fauteuil. ‘Maar ik vrees dat er voor ons nooit een einde aan het sterven komt…’

‘Zien we Rupert ooit weer?’ vroeg Hubert zich somber af. De rimpels in zijn verdriet werden nog dieper. ‘Onze jongen. Ik mis hem zo.’

‘Natuurlijk zien we hem weer,’ zei Adeline op besliste toon.

‘Maar lieve, jij kunt verder wanneer je maar wilt…’ zei Hubert. ‘Jij hoeft hier niet te blijven.’

‘Ik blijf omdat ik dat wil.’ Adeline ging achter zijn stoel staan, ze sloeg haar armen om hem heen en legde haar wang tegen de zijne. ‘Omdat ik van je hou.’

Barton gromde iets. Egerton stond op en liep de kamer uit. Ze voelden zich ongemakkelijk door uitingen van liefde, hoe wanhopig ze daar diep in hun verdorde hart ook naar snakten.