Maggie O’Leary

 

 

 

Ballinakelly, 1662

 

Maggie zag Lord Deverill voor het eerst op een druilerige ochtend in het vroege voorjaar toen hij, met een escorte van een man of vijftien, het gehucht Ballinakelly binnenreed. Hij was gezeten op een majestueus kastanjebruin paard en gehuld in een fraaie karmozijnrode mantel, met op zijn hoofd een breedgerande hoed met een wuivende veer. Zijn benen staken in hoge laarzen met zilveren sporen. Zijn glanzende donkerbruine haar viel modieus golvend tot op zijn brede, krachtige schouders. Maar Maggie had geen oog voor zijn schoonheid, voor zijn rechte neus en zijn lichtgrijze ogen. Verblind door woede stapte ze de weg op.

Deze man had het land van haar familie gestolen. Land dat de O’Leary’s generaties lang in hun bezit hadden gehad. Hij had hun huis neergehaald en een kasteel op hun grond gebouwd, waardoor de O’Leary’s ook hun schitterende uitzicht op de oceaan waren kwijtgeraakt, samen met alle herinneringen die waren verbonden met het huis dat van vader op zoon in de familie was gebleven. Nu verhieven zich hoge grijze muren waar ooit de rook uit hun bescheiden schoorsteen omhoog had gekringeld. Torens en spitsen vormden machtige verdedigingswerken die deze in de adelstand verheven soldaat moesten beschermen tegen zijn vijanden, op de plek waar hun kleine boerderij een gastvrij onthaal had geboden aan ieder die verkoos er te stoppen op weg naar de kust. Het kasteel was een belediging voor de mensen van Ballinakelly, een belediging voor de O’Leary’s – voor zover er nog O’Leary’s waren – en een persoonlijke belediging voor Maggie, die nu de zorg had voor haar zus en haar oma. Haar arme oma, die door wanhoop tot waanzin was gedreven in het bouwvallige onderkomen dat Maggie voor hen in de bossen had gebouwd.

Daar kwam hij aangereden, de pas benoemde Lord Deverill van Ballinakelly, en nadat hij zijn paard tot staan had gebracht, richtte hij zich tot Maggie in het Engels, een taal die ze niet verstond. Zijn stem moest het opnemen tegen de wind die in onbeschaamde vlagen door de hoofdstraat blies, alsof ook die hem liever zag vertrekken. Maggie liep naar het midden van de weg. Haar Bandon-cape sleepte door de modder. Lord Deverill zweeg, geboeid door haar verschijning. Een man naast hem verhief zijn stem en legde zijn hand op zijn zwaard, maar Lord Deverill hief zijn geschoeide hand om hem het zwijgen op te leggen. Maggie schoof haar kap naar achteren en schudde haar lange donkere haar, zodat het in weelderige golven langs haar gezicht en over haar schouders viel. Haar woede maakte haar niet blind voor de bewondering in zijn blik. Met haar grote groene ogen staarde ze hem aan terwijl ze de vloek uitsprak die niet van háár afkomstig leek maar van een bovennatuurlijke kracht die sterker was dan zij. ‘Is mise Órlagh Ni Laoghaire. A Tiarna Deverill, dhein tú éagóir orm agus ar mo shliocht trín ár dtalamh a thógáil agus ár spiorad a bhriseadh. Go dtí go gceartaíonn tú na h-éagóracha siúd, cuirim malacht ort féin agus d-oidhrí, I dtreo is go mbí sibh gan suaimhneas síoraí I ndomhan na n-anmharbh.’ Haar stem klonk lieflijk, honingzoet, als het zachte sissen van een betoverde slang, en ze zag tot haar verrukking dat Lord Deverill erdoor werd gehypnotiseerd. Toen ze was uitgesproken, keerde hij zich naar een van zijn mannen. Maggie veronderstelde dat hij hem vroeg te vertalen wat ze had gezegd, want de man schudde zijn hoofd, zijn gezicht zag grauw van angst. Ten slotte deed hij wat zijn heer hem had opgedragen. Zijn stem beefde, maar hij sprak zo luid dat iedereen het kon horen. ‘“Lord Deverill,”’ begon hij, en er verscheen een zweem van een glimlach rond Maggies lippen, in afwachting van zijn reactie. ‘“Door ons land te roven, hebt u onze ziel gebroken en mij en mijn nakomelingen groot onrecht aangedaan. Tot u dat onrecht ongedaan maakt, vervloek ik u en uw erfgenamen, en zal uw ziel geen rust vinden en dolen door het rijk der on-doden.” De mannen reikten naar hun zwaard, maar Lord Deverill leek nauwelijks onder de indruk van Maggies onheilspellende woorden. Toen hij zich afwendde, tilde Maggie haar rokken op en verdween met de behendigheid van een jong hert tussen de dicht opeenstaande, met riet gedekte hutten. Ze bleef rennen tot ze de veilige beschutting van het woud had bereikt. Pas toen ze zeker wist dat niemand haar had gevolgd, bleef ze staan en ging aan de voet van een boom zitten. Haar lichaam schokte van het nerveuze lachen. Ze vond het vermakelijk te bedenken dat ze Lord Deverill niet alleen had vervloekt, maar dat ze ook zijn hart zou stelen. Hij heeft ons land geroofd, dus ik zweer dat ik zijn hart zal roven, dat ik het tussen mijn vingers zal vermorzelen, dacht ze, terwijl ze een blauwe gentiaan plukte en ronddraaide tussen haar vingers. Veel te lang had ze zich machteloos gevoeld, maar nu had ze een doel, een opwindend plan voor ogen.

Vanaf dat moment achtervolgde ze de heer van het kasteel zoals een roofdier zijn prooi achtervolgt. Ze verschool zich buiten de poort van het kasteel, ze sloeg hem gade wanneer hij vertrok en wanneer hij thuiskwam. Op donkere avonden, wanneer de vertrekken van het kasteel werden verlicht door honderden kaarsen, sloop ze zelfs naar de ramen om naar binnen te gluren. Ze verwonderde zich over de rijkdom, de weelde, over de privileges die de heer van het kasteel genoot, maar ze had niet verwacht dat hij haar dierbaar zou worden.

Vanaf haar schuilplaats zag ze hem rusteloos heen en weer lopen, ze zag de zorgrimpels in zijn voorhoofd. Ze keek naar hem terwijl hij voor het hoog oplaaiende haardvuur zat te kaarten met zijn vrienden, en ze voelde dat zijn vrolijkheid gespeeld was. Want aan de onverschillige manier waarop hij zijn wijn achteroversloeg herkende ze het verdriet waaronder hij gebukt ging. Welke reden kon een man als hij hebben om verdrietig te zijn? Hoe kon iemand ongelukkig zijn in zo’n schitterend kasteel, met zo’n prachtig uitzicht? Toch huisde er een neerslachtigheid in hem die haar verraste. Ze had gedacht dat hij brallerig en pompeus zou zijn, maar in plaats daarvan zag ze een gevoelige man die worstelde met problemen, en ze betrapte zich erop dat ze de rimpels uit zijn voorhoofd zou willen strijken, dat ze zijn lippen zou willen kussen die zo zelden glimlachten.

Soms verdween hij maandenlang. Dan schemerde slechts hier en daar kaarslicht achter een raam, terwijl de bedienden op het kasteel pasten. Maggie vermoedde dat hij in die maanden in Londen zat, en ze vroeg zich af of hij daar een vrouw had en hoe hij zijn dagen sleet. Ze stelde zich voor dat hij dineerde met de koning, wat haar een huivering van genot bezorgde. Maar wanneer ze aan zijn vrouw dacht, werd ze overmand door jaloezie.

Zo verstreken de jaren. Zo veel jaren dat Maggie de tel kwijtraakte. Ze gaf boodschappen door van de doden en haar naam werd berucht in het hele graafschap. De mensen noemden haar een heks, en wie haar bezocht, bleef nooit lang, maar dat kon haar niet schelen. Het was haar plicht om te bemiddelen tussen deze wereld en de wereld aan gene zijde. Aan de vloek die ze over Lord Deverill had uitgesproken, dacht ze nauwelijks. Het was al zo lang geleden, en Lord Deverill was haar inmiddels zo dierbaar geworden dat ze haar voornemen om zijn hart te vermorzelen bijna was vergeten.

Toen ze op een dag, tegen het eind van de zomer, door het woud dwaalde, hoorde ze dreunende paardenhoeven, gevolgd door het signaal van de jachtmeester die op zijn hoorn blies. Vogels vlogen op, kleine dieren zochten haastig dekking. Op een grazige heuvel ontdekte Maggie een hertenbok. Een majestueus, nobel dier dat zich in al zijn onschuld en ongerepte schoonheid hoog oprichtte. Maar Maggie zag nog iets: de loop van een musket. Een musket dat werd geheven door Lord Deverill. Afschuw vervulde haar bij de gedachte dat de schitterende hertenbok zou worden vermoord. Ze moest iets doen! Haastig tilde ze haar rokken op en rende ze de heuvel op. De hertenbok sloeg met soepele, sierlijke sprongen op de vlucht. Op hetzelfde moment drong de zon door de wolken, waardoor Maggie baadde in de heldere lichtschacht, alsof een hogere macht haar zijn dankbaarheid wilde tonen. Lord Deverill liet zijn musket zakken en nam haar verbaasd op. Er verscheen een blos op zijn wangen, zijn lippen weken, en tot Maggies verrassing begon haar hart te bonzen van begeerte, alsof het was vergeten dat hij de vijand was, de man die haar land had gestolen.

Ze schoof haar kap naar achteren, en terwijl hun blikken elkaar vonden, werd het doodstil om hen heen, alsof er een onzichtbare sluier over hen neerdaalde die hen verborg voor de wereld. Lord Deverill steeg af, bond zijn paard aan een boom en kwam doelbewust naar haar toe. Maggie zette het op een lopen, naar de achterkant van de heuvel, in de wetenschap dat hij haar zou volgen. Sterker nog, ze hóópte dat hij haar zou volgen. Toen ze zich omdraaide en hem op de top van de heuvel zag staan, schonk ze hem een uitnodigende glimlach, waarop ze zich nog sneller uit de voeten maakte.

Zo trokken ze steeds dieper het woud in. De bomen werden dikker, hun takken vormden een donkere baldakijn, hoog boven de grond. De vogels zwegen en slechts hier en daar wist een waterig straaltje licht door het gebladerte te dringen.

Toen had hij haar ingehaald. Hij greep haar, draaide haar naar zich toe en drukte haar tegen de stam van een eik. Zijn lippen vonden de hare, zijn tong drong tussen haar tanden, en ze liet toe dat hij haar mond verkende met een passie die haar betoverde. Het was voor het eerst dat ze door een man werd gekust, en het wekte gevoelens die nieuw voor haar waren. Ze was zich bewust van een brandende, verlangende sensatie tussen haar benen en snakte naar zijn aanraking. Hij ademde zwaar door zijn neus, als een paard na een lange, wilde rit, terwijl hij koortsachtig probeerde de veters van haar lijfje los te maken. Toen het eindelijk lukte, stroopte hij de jurk van haar schouders, zodat ze tot haar middel naakt was. Zijn handen sloten zich om haar zachte, blanke borsten, en het verlangen diep in haar buik werd zo vurig dat het haar tot waanzin dreef. Hij begroef zijn gezicht in haar hals, zijn tong liefkoosde haar huid, en een zacht gekreun steeg op in Maggies keel toen hij met zijn duimen over haar tepels streek en haar huiveringen van genot bezorgde. Ze hief haar gezicht naar hem op en sloot haar ogen. Zijn hand gleed onder haar rokken, zijn vingers vonden hun weg naar het duistere hart van haar begeerte. Zijn strelingen waren vochtig, ritmisch, haar verlangen werd nog vuriger tot ze zichzelf niet meer in de hand had, in de greep van een genot dat tegelijkertijd een kwelling was; een genot dat haar in vervoering bracht en steeds sterker, steeds intenser werd.

Ten slotte maakte hij zijn broek los, hij tilde Maggies been op en drong in haar, tussen haar benen, waar ze vurig en vochtig was. Kreunend, hijgend begon hij als een dier in haar te stoten, en de martelende sensatie in Maggies buik werd opnieuw sterker, intenser tot ze alles om zich heen vergat en nog slechts werd beheerst door het wanhopige verlangen naar de climax. Steeds sneller stootte hij in haar, en Maggie bewoog met hem mee, totdat ze begon te hijgen alsof ze het genot, de verrukkelijke sensatie die bezit van haar nam, ervoer als een wonder. Een scherpe kreet ontsnapte aan haar keel. Het was alsof haar hele lichaam in brand stond, en er trok opnieuw een huivering door haar heen toen Lord Deverill zijn zaad in haar stortte.

Langzaam kwamen ze tot bezinning. Verdwaasd. Blozend. Zich bewust van het bonzen van elkaars hart. Badend in het zweet. En in gelukzaligheid. Verzwakt door begeerte lieten ze zich op de zachte bosgrond vallen.

Op haar knieën gezeten duwde Maggie haar rokken omlaag, maar haar borsten bedekte ze niet. Haar bovenlijfje liet ze rond haar middel hangen. Zo keek ze hem aan. Haar blik verlamde hem, en in zijn ogen las ze dat hij verloren was, dat liefde en lust hem tot haar slaaf hadden gemaakt. Toen begon ze onbeheerst te lachen. ‘Nee maar! Heeft Lord Deverill me zijn hart geschonken?’ vroeg ze honend. Hij fronste zijn wenkbrauwen, want ze sprak een taal die hij niet verstond. Maar haar lach verontrustte hem. Onbewust schoot zijn hand naar zijn hart. En bij het zien van zijn gouden trouwring laaide Maggies woede opnieuw in volle hevigheid op en werd ze herinnerd aan de vloek die ze had uitgesproken, aan de gelofte die ze had afgelegd. Door het dolle heen trok ze haar dolk en drukte die tegen zijn keel. Ze kon er nu een eind aan maken. Ze kon de dief die haar land had gestolen, voorgoed het zwijgen opleggen. De man die háár had genomen, terwijl hij getrouwd was met een ander. Maar haar vastberadenheid wankelde door de angst die ze in zijn ogen las. Lachend om haar eigen dwaasheid, verbijsterd door haar lafheid, stopte ze de dolk weer weg. Het was niet uit medelijden dat ze zijn leven spaarde. Het was uit liefde.

Plotseling bang dat hij het mes tegen haar zou gebruiken, vluchtte ze het bos in.