17

 

 

 

 

 

De Slag om Engeland was begonnen, en JP bevond zich aan het front, op Biggin Hill Airport. De RAF-basis in het zuidoosten van Londen was aangelegd op een plateau en werd in het Fighter Commando ‘Biggin on the Bump’ genoemd – ‘Biggin op de Bult’. Het commando was verantwoordelijk voor het beschermen van de aanvliegroutes naar de hoofdstad, en her en der waren de sporen van de oorlog al te zien: kraters van bominslagen, wrakstukken van neergestorte Spitfires en Harvards op het gras, hangars die in de as waren gelegd. Maar JP hunkerde ernaar zich actief in de strijd te storten. Hij was inmiddels achttien en overtuigd van zijn eigen onsterfelijkheid. Hier had hij voor getraind. Hij had keihard gewerkt om zijn raf-vleugels te krijgen en hij popelde van ongeduld om zijn rol te gaan spelen. Ook al wist hij diep in zijn hart drommels goed dat het misschien wel zijn laatste zou zijn.

Bij het eerste licht liep hij met zijn eskader, waartoe ook Jimmy en Stanley behoorden, naar zijn Spitfire. Vergeleken met de Harvard leek het toestel bijna broos en teer, een mug in vergelijking met een dikke vlieg. Met zijn helm op en zijn parachute over zijn schouder voegde JP zich bij de twee man grondpersoneel, die de beschermhoes van het toestel hadden gehaald en de startwagen aangekoppeld. Het was zover. Dit was het moment waarnaar hij had uitgekeken sinds hij zich de vorige herfst bij de RAF had aangemeld. De adrenaline joeg door zijn aderen. Van opwinding, niet van angst. Hij was er klaar voor om al zijn woede om de onrechtvaardigheid van het leven, van de liefde op de Duitsers bot te vieren.

Het was vochtig, de hemel onbewolkt – een doodstille ochtend, alsof de wereld haar adem inhield voor de naderende strijd. Terwijl JP over het gras liep werden zijn laarzen nat van de dauw. Heel vluchtig kwam er een herinnering naar boven aan het gazon voor het White House in Ballinakelly, aan kleine jongensvoeten in veterschoenen.

Het geluid van Spitfires die werden gestart, verscheurde de stilte. De herinnering verdween als een spiegeling in water waarin een steen wordt gegooid. De motoren kwamen brullend tot leven, vuur spoot uit de uitlaatpijpen. De lucht trilde, het gras achter de toestellen werd door de schroefwind tegen de grond geslagen, de grond beefde. JP keek naar Jimmy, naar Stanley en naar de negen andere mannen van zijn eskader. Zouden ze allemaal veilig naar hun basis terugkeren?

Hij legde zijn parachute op de vleugel, klom in de cockpit en voerde een snelle inspectie uit: brandstof, remdruk, stuurknuppel, hoogteroeren, propeller. Daarop overlegde hij met de twee monteurs die stonden te wachten om hem de laatste aanwijzingen te geven. Na het voltooien van alle voorbereidingen liep hij terug naar de barak, trok zijn reddingsvest aan en ging op een brits liggen wachten tot het sein kwam om op te stijgen. Anderen lazen een tijdschrift of deden een dutje. Gepraat werd er nauwelijks. De stemming was gespannen, de sfeer geladen met verwachting. Het schelle gerinkel van de telefoon een paar uur later deed iedereen schrikken. Degenen die lagen te slapen, schoten met een ruk overeind. JP had het gevoel dat zijn hart in een ijsklomp veranderde. Hij keek naar Jimmy, maar die ontweek zijn blik.

‘Eskader opstijgen! Klimmen naar twaalfduizend voet,’ klonk de stem van de adjudant.

Het was zover.

JP rende naar zijn Spitfire. Het grondpersoneel was al bezig het toestel te starten. De vlammen sloegen uit de pijp. Hij griste zijn parachute van de vleugel en klom aan boord. Het grondpersoneel gespte zijn riemen vast. Hij zette zijn helm op, bevestigde het zuurstofmasker en voelde het vertrouwde trillen van de motor toen hij de rem losliet en de gashendel openzette. Het hele eskader begon tegelijk te taxiën. In navolging van zijn instructies koos JP positie, links naast Jimmy.

De stem van de Australiër klonk geruststellend uit de boordradio. ‘En, guppie? Ben je er klaar voor?’ Guppie was de bijnaam die Jim hem had gegeven.

‘Ik ben er klaar voor,’ antwoordde JP.

‘Oké, daar gaan we!’

De ogen van alle piloten waren op de leider van het eskader gericht terwijl de toestellen hoe langer hoe sneller over het veld joegen.

Eenmaal in de lucht klommen de Spitfires steeds hoger. Een onbewolkte hemel beloofde een stralende dag. De stem van de adjudant klonk uit de boordradio. ‘Gannic Leader, Sapper hier. Honderdvijftig plus naar Dungeness op twaalfduizend voet. Vector 120. Over.’ JP keek naar het stralende azuurblauw, de weidse baldakijn van schoonheid en sereniteit die elk moment kon veranderen in een hel van rook en vuur. Het voelde verkeerd, heel erg verkeerd, om Gods schitterende uitspansel te ontsieren door geweld. Maar JP had geen tijd om erover door te mijmeren. De vijand kwam eraan. Hij kon de toestellen al zien, als een zwerm horzels die het blauw zwart kleurden.

Het waren er meer dan honderdvijftig, vergezeld door Me 109’s die de bommenwerpers dekking verschaften. Hun aanblik was zowel angstaanjagend als adembenemend. Terwijl hij om zich heen keek, naar de elf kleine Spitfires, wankelde zijn vastberadenheid. Wat konden ze uitrichten tegen zo’n overmacht? Maar ze waren een team, ze hadden elkaar, en ze waren op dit moment de enigen die Engeland konden beschermen tegen de Duitsers.

‘Gannic Leader. Oké, mannen, eropaf. Meteen keihard toeslaan en wegwezen. En pas op voor de 109’s.’

Beneden zich zag JP de formatie Duitse Dorniers. Monsterlijk grote toestellen, maar bij lange na niet zo snel en wendbaar als de Spitfire. Toen hij zag dat een van de Dorniers iets afweek van de formatie, was zijn keuze gemaakt. Er waren geen 109’s in zicht, dus hij concentreerde zich op zijn doelwit en ging eropaf. Dichterbij, steeds dichterbij, toen vuurde hij. Zijn boordgeschut maakte een geluid als van katoen dat scheurde. De kogels sloegen gaten in de romp van het vijandelijke vliegtuig. Ik heb hem te pakken, dacht hij triomfantelijk, terwijl hij zag hoe het vliegtuig afboog, in een neerwaartse spiraal raakte en met een spoor van zwarte rook achter zich aan in zee stortte.

Het eskader vloog niet langer in formatie, het was ieder voor zich. JP vloog met bloedstollende snelheid, drieduizend voet onder de Duitsers. Hij trok de stuurknuppel naar achteren om terug te keren naar de strijd, zigzag vliegend om geen gemakkelijk doelwit te zijn voor de moffen. In het heetst van de strijd was de chaos enorm: overal vliegtuigen, piloten aan hun parachute, zwarte rook, explosies van vuur en geraakte kisten die als aangeschoten vogels de golven tegemoet doken.

JP vocht voor zijn leven, waarbij hij zich hield aan de gouden regel om na uiterlijk twintig seconden van koers te veranderen. Deed je dat niet, dan was je er geweest. Hij wist een Heinkel te raken, die met kogelgaten in de romp rechtsomkeert moest maken in de hoop zijn thuisbasis nog te bereiken. Hij miste er ook een paar, maar wist zelf buiten schot te blijven. Ondanks de heksenketel waarin hij zich bevond, gingen zijn gedachten naar Martha. Naar hun onmogelijke liefde. Roekeloosheid nam bezit van hem, hij kreeg een rood waas voor zijn ogen, bang was hij niet. Zelfs de dood boezemde hem geen angst in. Omringd door ten minste honderd vijandelijke vliegtuigen verwelkomde hij het respijt van de pijn om het verlies van de vrouw die hij liefhad.

Toen ontdekte hij een Me 109 die achter hem aan zat en al zijn bewegingen volgde. Het boordkanon van de Duitser glinsterde in het zonlicht. Nog steeds voelde JP geen angst. De dreiging van de dood hulde de wereld om hem heen in stilte. Het geluid van zijn motor klonk gedempt, alsof het van heel ver kwam. Hij had het gevoel dat hij buiten zijn lichaam was getreden, dat niet hij de stuurknuppel vasthield maar een ander. Dat een ander zijn tanden op elkaar zette en glimlachend zijn ogen tot spleetjes vernauwde. Ja, het moest een ander zijn die glimlachte, alsof hij plezier beleefde aan de mogelijkheid dat de dood hem kwam halen.

Toen keerde hij terug in zijn lichaam, en hij manoeuvreerde zijn kist in steeds kleinere cirkels, nog altijd dicht op de hielen gezeten door de Me 109. Omdat hij wist dat de Spitfire wendbaarder was dan de 109, vloog hij steeds kleinere rondjes om de Duitser uit te dagen risico’s te nemen. De kleine Spitfire trilde en schokte, maar liet zich gewillig manoeuvreren. Het zweet stond op JP’s voorhoofd. De hitte was bijna ondraaglijk, maar hij vocht voor zijn leven en genoot van het drama. De mof vuurde. En miste. JP slaakte een juichkreet. ‘Dat had je gedacht!’ schreeuwde hij, ook al wist hij dat de piloot hem niet kon horen. De Duitser probeerde kleinere cirkels te draaien, maar het lukte niet. Zijn grotere kist legde het af tegen de wendbare Spitfire, of misschien miste de piloot de durf van JP, die was bezeten van een wilde woede en werd gedreven door de onverzettelijkheid van de Deverills.

Net toen hij zich begon af te vragen of hij te veel van zijn toestel vergde, zag de Duitser zich genoodzaakt op te geven. Hij boog af, terug naar zee, waarschijnlijk omdat zijn brandstof begon op te raken. JP lachte wild, duivels. Deze krachtmeting had hij gewonnen. Hij haalde diep adem, schudde zijn hoofd en knipperde het zweet uit zijn ogen. Op zijn brandstofmeter zag hij dat ook hij terug moest naar de basis. Hij had zijn eerste treffen overleefd.

In tegenstelling tot Jimmy, ontdekte hij tot zijn afschuw toen hij zijn toestel weer aan de grond had gezet.

Het verlies van hun vriend was een zware slag voor Stanley en JP. Ze hadden zo’n hecht driemanschap gevormd; nu waren ze nog maar met z’n tweeën. En terwijl de gruwelijke werkelijkheid van Jimmy’s dood tot hem doordrong, besefte JP dat hij niet langer een ‘guppie’ was. Hij was een man geworden; een man in een mannenoorlog.

Toch bleef hij niet te lang stilstaan bij Jimmy’s dood. Dat deden ze geen van allen. Het verlies van kameraden werd al spoedig te vertrouwd om aan het verdriet toe te geven. Ze hadden geen andere keus dan proberen in leven te blijven. Later, wanneer het allemaal voorbij was, hadden ze tijd om te rouwen. Voorlopig moest er een oorlog worden uitgevochten, en daarvoor moest alles wijken.

 

JP was in de mess toen hij Kitty’s brief ontving. Pas toen hij begon te lezen, besefte hij hoezeer hij zijn familie miste.

 

Lieve JP,

Ik hoop dat het goed met je gaat. We missen je allemaal verschrikkelijk en we willen niets liever dan dat de oorlog voorbij is. Dat je weer naar huis komt en met je studie kan beginnen. Ik weet dat vliegenier worden je droom was, en ik begrijp hoe opwindend en avontuurlijk het voor je moet zijn, maar ik zie je liever op een paard. Afijn, genoeg geklaagd. Je bent natuurlijk nieuwsgierig naar nieuws over thuis.

Je oudtante Hazel is gisteren gestorven, heel vredig in haar eigen bed. Maar je kunt je voorstellen dat Laurel volledig van de kaart is. Ze zegt dat het leven voor haar nu ook geen zin meer heeft, terwijl ze die ouwe schurk van een Ethelred nu helemaal voor zich alleen heeft! Vader gaat ter ere van Hazel een hazelaar planten. En van Laurel moet hij er een laurierstruik pal naast zetten wanneer het haar tijd is. Ethelreds naam heeft niks met struiken te maken, dus ik neem niet aan dat er voor hem ook iets geplant hoeft te worden.

Mama is razend omdat het leger Broadmere heeft gevorderd om er soldaten te verzorgen die gewond van het front zijn teruggekeerd. Voor iemand die niet tegen rommel kan, is dat natuurlijk een nachtmerrie. Alleen al de aanblik van al dat bloederige verband zal haar tot waanzin drijven. Ik moet er stiekem om lachen. En wie weet, misschien komt ze wel naar huis, iets wat papa zielsgraag zou willen. Waarom, dat is me een raadsel. Ik begrijp niet waarom hij denkt dat ze na al die jaren alsnog samen gelukkig kunnen worden. Maar zo is papa. Hij laat zich door niemand de wet voorschrijven.

Victoria staat te popelen om haar mouwen op te rollen en haar steentje bij te dragen aan de oorlogsinspanningen. Ik heb begrepen dat ze een groot aantal geëvacueerde kinderen in huis heeft genomen en dat ze die op de boerderij aan het werk heeft gezet. Wie had dat kunnen denken? De gravin van Elmrod die er niet voor terugschrikt haar handen vuil te maken? Charlotte schrijft vaak en klaagt dat Victoria iedereen als een generaal loopt te commanderen. Ze heeft duidelijk haar roeping gevonden en neemt het allemaal erg serieus. Bovendien schijnt een van de herstellende officieren een oogje op haar te hebben. Eric mag wel oppassen. Maar die heeft het druk met de burgerwacht en met de verdediging van onze kustlijn. Dus ik denk niet dat hij iets in de gaten heeft.

Lieve groeten van Robert. Hij is weer met een nieuw boek bezig. De oorlog valt hem extra zwaar omdat die hem herinnert aan de vorige, toen hij ook al niets kon doen vanwege zijn been. De arme schat. Hij voelt zich opnieuw volstrekt nutteloos. Volgens mij is dat ook het onderwerp van zijn nieuwe boek. En waarschijnlijk wordt dat zijn beste. Florence mist je. Ook al zijn we neutraal, de oorlog is hier duidelijk voelbaar. Er is van alles op rantsoen, en de Duitsers hebben Campile in het graafschap Wexford gebombardeerd. Er zijn drie doden gevallen. Een enorme schok voor iedereen, dat begrijp je. Niemand had verwacht dat de Luftwaffe ons zou aanvallen. Hoe dan ook, we houden ons staande. Het leven gaat door. Maar de angst zit er goed in.

Lieve JP, ik hoop dat je de teleurstelling inmiddels achter je hebt gelaten. Ik zal er verder maar niets meer over zeggen, maar weet dat je voortdurend in mijn hart en in mijn gedachten bent. En dat ik bid voor je veiligheid.

Je liefhebbende zuster Kitty.

 

PS Er kwam hier een leuk klein meisje aan de deur. Ze had een brief voor je. En toen ik vroeg hoe ze heette, zei ze ‘Alana’. Meer niet. Maar ze sprak met een buitenlands accent, dus ik neem aan dat ze de dochter is van Emer en Jack O’Leary. Hoe dan ook, ze vertelde dat je haar vriend was en ze vroeg of ik kon zorgen dat haar brief je bereikte. Volgens mij heb je een bewonderaarster!

 

JP genoot van Kitty’s brief, op het nieuws van Hazels dood na. Het was heerlijk om iets van thuis te horen. Ballinakelly leek zo ver van Biggin Hill, en zo’n andere wereld dan de zijne waarin hij dagelijks in het luchtruim boven Engeland strijd moest leveren. Het bombardement van Campile sterkte hem in zijn vastberadenheid om de Luftwaffe te vernietigen.

Vervolgens maakte hij Alana’s brief open. Ze had een keurig, rond handschrift. Hij grijnsde bij de gedachte aan het kleine meisje dat hij had thuisgebracht toen ze verdwaald was geraakt in de heuvels. De herinnering aan de vredige rust in dat wilde, groene landschap stemde hem weemoedig. Die weken voordat Martha naar Ballinakelly kwam, waren zo onschuldig geweest; zo vol optimisme en gespannen verwachting. Maar toen was alles van de ene op de andere dag veranderd. Martha was teruggegaan naar Amerika, de oorlog brak uit en de wereld was uit het lood geraakt, waardoor alles nu anders leek. Grimmig. Verwrongen.

Het was een lange brief die Alana hem had geschreven. Hij liet zijn blik vluchtig over de bladzijden gaan. Het gebabbel van een verliefde elfjarige. Hij schudde geamuseerd zijn hoofd. Om haar een plezier te doen zou hij terugschrijven. Bovendien had hij tijdens het wachten voordat ze in actie kwamen, weinig anders te doen.

De zomer ging voorbij, de strijd in de lucht werd steeds intensiever. De Duitsers verhevigden hun aanvallen op Britse vliegvelden en radarstations, de RAF vocht met man en macht, maar zag zich geconfronteerd met een numeriek overwicht van vier tegen een. In september veranderde de vijand van tactiek, en terwijl de Duitsers hun volledige aanvalsmacht op Londen richtten, kleurde de hemel boven de stad zwart van de bommenwerpers.

 

Harry had nooit gedacht dat het zover zou komen. Dat de vijand zou toeslaan in het hart van Londen. Tot op dat moment was de strijd altijd gevoerd boven zee, maar inmiddels woedde de oorlog overal om hem heen. De aanvallen vonden ’s nachts plaats, en de Londenaren kropen als dieren onder de grond, waarna ze de volgende morgen onwennig met hun ogen knipperend weer boven kwamen en de schade in ogenschouw namen.

De geluiden die bij de luchtaanvallen hoorden, waren het meest angstaanjagend. Het dreigende gedreun van de naderende vijandelijke vliegtuigen, hoog in de lucht; het gefluit van de vallende bommen; het geknal van de explosies; het geratel van het luchtafweergeschut; het gekletter van vallende dakpannen; het gerinkel van verbrijzelend glas; het gegil van paarden; het gehuil van honden; de angstkreten van mensen; het geknetter van uitslaande branden. En daarna de stilte. De gruwelijke stilte in de verduisterde stad, waar miljoenen oren gespannen afwachtten en geluiden hoorden die er niet waren.

In de kerstperiode leek het even rustig. Sommige geëvacueerde kinderen kwamen voor de feestdagen naar huis, en de kerken zaten vol gelovigen die het feest vierden zoals ze dat altijd hadden gedaan. Harry bracht de dag door in Broadmere, waar hij met Charlotte en de kinderen de dienst bijwoonde in het kleine familiekerkje op het landgoed. Van daar schreef hij Kitty en bracht hij verslag uit over Maud en haar hilarische reacties op de oorlogssituatie; en over Victoria, die duidelijk tot over haar oren verliefd was op de inmiddels zo goed als herstelde officier. Op tweede kerstdag ging Harry terug naar Londen, waar hij met Boysie had afgesproken.

‘Het klinkt in een tijd als deze misschien raar, ouwe jongen,’ zei hij tegen Boysie tijdens het diner in het Savoy Hotel. ‘Maar dit is het gelukkigste jaar van mijn leven.’

Boysie grijnsde. ‘Voor mij ook. Laten we daarop drinken.’ Ze hieven hun champagne. ‘Hoe moet dat met ons als alles weer normaal wordt?’

‘Gaat dat ooit gebeuren, denk je?’ vroeg Harry.

‘Dat dénk ik niet alleen. Dat wéét ik,’ antwoordde Boysie, en omdat hij een belangrijke functie bekleedde bij de inlichtingendienst, concludeerde Harry dat hij over geheime informatie beschikte. Ze sloegen de inhoud van hun glas achterover. Hun ogen glansden terwijl ze elkaar aankeken.

Harry legde een hand op zijn hart. ‘Ik ben emotioneel vanavond,’ zei hij. ‘Ik denk alleen niet dat ik het kan zeggen.’

‘Dan moet je het niet eens proberen.’ Boysie volgde zijn voorbeeld door ook een hand op zijn hart te leggen. ‘En ik zeg het ook niet.’ Ze schonken elkaar een begrijpende glimlach, allebei met hun hand op het hart. Voor de buitenwereld zag het eruit alsof ze een soort militaire groet brachten. Niemand zou hebben gedacht dat het een liefdesverklaring was.

Boysie keerde terug naar zijn geheime inlichtingenwerk in Bletchley Park, Harry naar zijn administratieve baan. Hij vroeg zich af of de luchtaanvallen voorbij waren. Misschien concentreerden de Duitsers zich inmiddels op een andere stad, in een ander land. Misschien moest Rusland het nu ontgelden. Er waren inmiddels in geen twee weken meer luchtaanvallen geweest. De situatie begon bijna weer normaal te lijken.

Tot 29 december.

De aanval begon aan het eind van de middag, om half zes.

De stad was zoals altijd verduisterd, maar die avond zouden de moffen heel Londen doen baden in een verblindende gloed.

Toen de eerste bommen vielen zat Harry met wat vrienden van zijn werk in de bioscoop, in West End, waar de nieuwe film met Charlie Chaplin draaide. De film werd onmiddellijk stopgezet, op het doek verscheen de oproep om zo snel mogelijk naar de schuilkelders te gaan. Terwijl ze zich daarheen haastten, ontdekten ze dat er geen gewone bommen waren afgeworpen maar brandbommen. De kleine projectielen vielen ratelend op de daken en in de straten, waarop ze met een gelig licht explodeerden en in brand vlogen. Harry gooide zijn jas eroverheen in een poging ze te doven. Anderen volgden zijn voorbeeld, gooiden alles wat ze te pakken konden krijgen op de vlammen en stampten ze uit. Maar hun inspanningen hadden nauwelijks effect. Het leek wel alsof de bommen met duizenden tegelijk werden afgeworpen. Elke bom die neerkwam, leidde tot brand, en het duurde niet lang of de hele stad stond in lichtelaaie.

Tegen half acht was de eerste fase van het bombardement voorbij. En nu Londen dankzij de honderden brandende gebouwen was veranderd in een baken van licht, kon de tweede golf bommenwerpers de stad moeiteloos aanvallen. Minstens dertig vliegtuigen waren op weg naar Londen. Harry keek omhoog, naar de in rook gehulde hemel, en zag de bommen vallen als reusachtige hagelstenen, gevangen in de gloed van de hoog oplaaiende vlammen. De adembenemende aanblik vervulde hem met afschuw en ontzag. En hij vroeg zich af of er de volgende morgen nog íéts van de stad over zou zijn.

Gedreven door plichtsbesef probeerde hij te helpen waar hij maar kon. Er moesten branden worden geblust, er moesten mensen worden gered uit ingestorte gebouwen. Ook de St. Paul’s zou in brand staan. De groene trucks van de brandweer, de Green Goddesses, werden overal ingezet om de branden die steeds verder om zich heen grepen, een halt toe te roepen. Tot overmaat van ramp wakkerde de wind aan.

En nog altijd gingen de aanvallen door. Nog altijd verscheen golf na golf van bommenwerpers boven de stad. Het leek alsof er nooit een eind aan zou komen.

Harry wist dat hij dekking moest zoeken, maar de gedachte om veilig onder de grond te wachten tot het voorbij was, stond hem tegen. Londen had hem nodig. Hij dacht aan de vele kinderen die van het platteland waren teruggekomen om thuis Kerstmis te vieren, en hij werd bezield door het verlangen Londen te redden van de totale verwoesting.

Hij was de hele nacht in touw, hij zocht met zijn blote handen in het puin naar overlevenden, hij trok ze onder de brokstukken vandaan, hij trapte branden uit, hij hielp brandweermannen en ziekenbroeders. De rook vulde zijn longen, de vlammen schroeiden zijn huid, maar hij ging door. Onvermoeibaar. Hij stond zijn mannetje, hij maakte zich nuttig. Dat gevoel van nuttig zijn had hij niet meer gekend sinds de Grote Oorlog toen hij in Frankrijk aan het front had vochten.

Van ergens klonk een hoge gil, een kreet om hulp, een kind dat riep om zijn moeder. De jonge stem steeg uit boven het oorverdovende geknetter van de branden en werd meegedragen op de wind die de vlammen steeds hoger deed oplaaien, als vurige oranje monsters die naar de donkere hemel reikten. Terwijl Harry begon te rennen in de richting van het geluid, hoorde hij boven zich het fluiten van een bom. Het geknetter en gebulder van de vlammen werd naar de achtergrond gedrongen, het enige geluid wat hij hoorde, was het fluiten. Toen werd het stil. De onheilspellende stilte van de naderende dood.

Harry keek niet op. Hij wist wat hij zou zien. In plaats daarvan rende hij door, maar ontwijken was onmogelijk. Hij dacht aan Boysie, aan zijn kinderen, aan Kitty en aan zijn vader, en hij werd overmand door spijt. Spijt omdat zijn leven voorbij was, net nu hij eindelijk de zin ervan begon te ontdekken.

De bom sloeg vlak vóór hem in, en hij werd meters de lucht in geslingerd. Tegen de tijd dat zijn lichaam de grond weer raakte, had zijn ziel het al verlaten. Hij stond ernaast en keek neer op het gebroken omhulsel van de man die hij ooit was geweest. Een man die zo dapper had geprobeerd goed te doen. Vervloekte oorlog!

Toen zag hij Adeline. Ze stond naast hem, verlicht door een gloed die geen deel uitmaakte van deze nacht vol wanhoop. Ze glimlachte naar hem, en hij glimlachte terug. ‘Dus dit was het.’ Hij kon nog altijd niet geloven dat het voorbij was. Want hij had zich nog nooit zo vol leven gevoeld.

‘Dit was het, lieverd. Je taak is volbracht.’

‘En nu?’ vroeg hij, maar voordat ze kon antwoorden, zag hij een helder licht, een stralende gloed die hij nooit eerder had gezien. Het was het licht van de liefde dat hem omhulde en omhelsde.

Adeline keek verbaasd toe. Als erfgenaam van het kasteel had Harry in het voorgeborchte moeten blijven, bij Barton en Egerton en alle andere erfgenamen die hem waren voorgegaan. Maar Harry werd omhuld door het licht, hij werd opgenomen in de eeuwigheid, en in de verblindende gloed kon Adeline nog net de gedaanten onderscheiden van Digby en Hazel, Rupert en George, Stoke en Augusta die hem verwelkomden. Heel even zwol haar hart in een overweldigend verlangen om zich bij hen te voegen. Heel even was het alsof het licht ook háár naar zich toe trok, was het alsof ze er al deel van uitmaakte. Maar ze weerstond de verleiding om eindelijk haar bestemming te volgen. Ze had nog veel te doen voordat ze deze dimensie achter zich kon laten.

Geen voorgeborchte voor Harry. Dat kon maar één ding betekenen. Er was maar één reden denkbaar waarom hij aan de vloek was ontsnapt. Hij was geen erfgenaam van kasteel Deverill, en dus was hij geen Deverill. Adeline ging jaren terug in de tijd en herinnerde zich Mauds affaire met Eddie Rothmeade. Ze had het kunnen weten! Harry was niet Berties zoon. Wat een zegen dat hij aan het verschrikkelijke voorgeborchte was ontsnapt, waarin haar Hubert en al die anderen gevangenzaten.

Ze keek Harry na. Toen keerde ze zich weer naar zijn gebroken lichaam, overmand door wanhoop en verdriet om de levenden die van hem hadden gehouden.