81

‘Hé, maatje,’ zei Jason, en hij knielde bij Hazo neer. Met zijn mes sneed hij de binder los waarmee Hazo’s hand aan de reling was gebonden. Hazo zag grauw, en uit zijn neus en oren sijpelde bloed. ‘Zo te zien heb je het niet makkelijk gehad toen we weg waren.’

      ‘Ik voel me niet zo lekker, Jason,’ mompelde Hazo. Zijn ogen stonden glazig.

      ‘We gaan je hier weghalen. Kun je staan?’

      ‘Nee. Ik ben duizelig.’

      ‘Dan draag ik je.’

      ‘Nee... Nee.’

      ‘Ook goed,’ zei Jason. ‘Dan draagt Meat je wel.’

      Er verscheen een flauw glimlachje om Hazo’s lippen, maar hij wuifde Jasons voorstel weg. ‘Klopt het dat Al-Zahrani dood is?’ vroeg hij, en voor de eerste keer keek hij Jason echt aan.

      Jason wilde niet liegen. ‘Ja, dat klopt, maatje. Hij is dood.’

      ‘Is hij gestorven aan de pest? De ziekte die ik ook heb?’

      Even aarzelde Jason. ‘We waren niet op tijd bij hem. Er was geen tijd voor een behandeling.’

      ‘Bestaat er dan iets tegen, Jason?’ Hazo’s stem werd steeds zwakker.

      Jason wist niet goed wat hij moest zeggen. De hospik was dood, en volgens Tommy Flaherty had Stokes beweerd dat er nog geen vaccin was ontwikkeld. Met een brok in zijn keel schudde hij maar zijn hoofd.

      ‘Kan ik anderen besmetten?’

      Weer moest Jason iets wegslikken. Hij kon aan Hazo merken dat die eigenlijk het antwoord al kende, maar dat hij er nog geen vrede mee had. ‘Ja.’

      ‘Dan moet ik hier blijven. Dat weet jij net zo goed als ik.’

      Jason voelde zich volslagen hulpeloos. Het was afschuwelijk, hij had op deze dag al twee van zijn mannen verloren.

      ‘Jason, een probleem,’ zei Meat, die naar beneden keek. ‘De ratten. Ze komen dichterbij.’ Het was hem ook opgevallen dat het knipperende gele lichtje van Crawfords portofoon nog maar zwak oplichtte. ‘Volgens mij heeft dat apparaatje van Crawford een flinke klap gekregen bij de val. Het lijkt er de brui aan te geven.’

      Jason wierp een snelle blik op het scherm waarop werd afgeteld. Nog vijftien minuten en acht seconden. Het was onmogelijk om Hazo in die korte tijd helemaal naar buiten te dragen. En Crawford, met zijn gebroken ruggengraat, kon zeker de grot niet meer uit. Helaas was er ook geen tijd om de kolonel te ondervragen.

      ‘Hazo heeft gelijk,’ zei Meat. ‘We hebben nog maar weinig tijd. Bovendien mogen die ratten onder geen voorwaarde de grot uit. Laat die kernreactor zich maar opblazen. Dat is de beste manier om te voorkomen dat de ziekte zich verspreidt.’

      Jason knikte, en richtte vervolgens zijn aandacht weer op Hazo. ‘Je bent een goed mens, Hazo. Je familie zal trots op je zijn wanneer ik vertel wat je hebt gedaan.’

      Toen Meat nog eens naar Crawford keek, zette hij grote ogen op. Hoewel de kolonel het had opgegeven de M16 te pakken te krijgen, probeerde hij nu met zijn goede hand de granaat van zijn kogelwerend vest te krijgen. ‘O, klootzak die je bent,’ snauwde Meat met opgetrokken bovenlip. ‘Dat had je gedacht!’ Hij hief zijn geweer, richtte dat zorgvuldig op Crawford en loste toen drie salvo’s. Crawfords pols werd versplinterd, de andere kogels zonken weg in het kogelwerend vest.

      Crawford slaakte een kreet van pijn en schold Meat de huid vol.

      ‘Zo denk ik nou ook over jou,’ reageerde Meat met een grijns.

      ‘Dank je wel, Jason,’ zei Hazo. ‘Dank je wel dat je me hoop hebt gegeven toen ik wanhopig was. Wanneer ik mijn vader weer ontmoet, kan ik mijn hoofd waardig hoog houden. En nu moeten jullie hier weg. Ga, alsjeblieft.’