8

Las Vegas

Zodra het gesmoord klinkende gebonk op de deur ophield, drentelde Randall Stokes naar het barretje en pakte een glas van de plank. Daarin schonk hij een dubbele whisky, een heel dure, exclusieve whisky. Vervolgens haalde hij een plastic pillendoosje uit zijn jaszak, klikte dat open en pakte er een helderwitte Zoloft uit.

      Nadat hij de pil op zijn tong had gelegd, hief hij het glas naar de kluisdeur.

      ‘Proost, Frank.’

      Hij nam een slok en spoelde daarmee de rustgevende pil weg. Vervolgens nam hij plaats achter zijn bureau.

      Het was pijnlijk wanneer anderen, trouwe mensen, werden opgeofferd voor het grote goed. In het leger werd erin gehamerd dat je trouw moest zijn aan je maten. Overleven was iets voor de eenling, een blijvende overwinning voor het grote geheel. Vechters werden niet gemaakt, ze werden zo geboren. En dat gold zeker voor Frank Roselli.

      Roselli was zeer waardevol gebleken. Hij had het project in Irak uitstekend gecoördineerd, en dat was gezien de complexe logistiek en de enorme reikwijdte niet gemakkelijk geweest. Het was dan wel allemaal door Stokes bedacht, maar Roselli had voor het talent gezorgd om het project te verwezenlijken. Van overal ter wereld had hij bekende archeologen en antropologen bij elkaar weten te halen, hij had hen naar een oorlogsgebied gebracht om de belangrijkste ontdekking van de menselijke geschiedenis te ontsluiten. Roselli had gezorgd voor de ingenieuze veiligheidsvoorschriften, hij had ervoor gezorgd dat iedere bij het project betrokken wetenschapper slechts een klein beetje op de hoogte was van de puzzel. Vooral indrukwekkend was de manier geweest waarop Roselli omging met Congresleden, de FBI en het leger, om fondsen te werven, en om technische kennis bereikbaar te maken. De beleggers dachten dat het ging om een anonieme inleg, ten behoeve van de nationale veiligheid. Zo gedegen was Roselli te werk gegaan dat als het kabinet er lucht van zou krijgen, ze het zouden beschouwen als iets in het nationaal belang en er verder geen aandacht aan zouden besteden.

      Stokes en Roselli hadden samengewerkt vanaf het begin. Ze hadden drie maanden trainingskamp op Parris Island doorstaan, en een uitputtende mars van twee dagen. Ze hadden naast elkaar gestaan tijdens de plechtigheid waarbij ze hun insignes hadden ontvangen, en bij de mariniersopleiding hadden ze alles geleerd over geheime gevechtsoperaties.

      Ze waren elkaars beste vriend, elkaars broer.

      Stokes keek uit het raam naar de weerspiegelingen in de glazen koepel van de kathedraal. De kleuren verschoven en liepen in elkaar over als bij een caleidoscoop. Hierdoor betoverd dacht hij terug aan de woestijn van Koeweit, waar de hoge vlammen van de brandende olievelden scherp afgetekend hadden gestaan tegen de pikdonkere nachthemel. De nachtelijke woestijn was bitter koud geweest wanneer de zon niet scheen, maar werd op dat moment toch verlicht. Hij voelde de zware bepakking nog op zijn rug, hij voelde de koude van het M40A1-geweer in zijn handen, hij voelde het zand ondanks de drie lagen tape rond de enkels in zijn laarzen lopen. Hij rook zelfs nog de stank van de brandende olie.

      En naast hem had Roselli gestaan, een heleboel lichter, een gespierd man. Roselli, de kleinste van de eenheid, en ook de gehaaidste. Hij had gezien dat Roselli een rekruut van een kop groter met een laars bewusteloos had geslagen omdat die hem met de kleine Napoleon had vergeleken. Roselli was een taaie die zich nooit gewonnen gaf. Hij had Stokes’ leven nog gered toen hij een Iraakse soldaat aan zijn bajonet reeg omdat die Stokes met een mes had aangevallen.

      En nu had Stokes Roselli daarvoor beloond door hem op te sluiten in een ruimte zonder lucht, het enige wapen waarover Stokes beschikte. Een wapen dat diepere wonden sloeg dan een bajonet. Hij had Roselli verraden. Daar stak niets edels in, en dat speet Stokes.

      Hij leegde zijn glas.

      Gauw onderdrukte hij het akelige gevoel van afschuw voor zichzelf en bracht zich in herinnering dat niets of niemand het succes van het project in de weg mocht staan. Er stond te veel op het spel. Er was een nieuw strijdtoneel ontstaan. Een nieuwe generatie van fanatici die voornamelijk bestond uit wanhopige, idealistische jongeren, verblind door radicale godsdienstige geschriften, zonder enig mededogen met menselijk leven, met ongelovigen en onschuldigen. De leiders die achter de schermen deze makkelijk te beïnvloeden jongens manipuleerden, waren de gevaarlijkste tegenstanders met wie hij ooit te maken had gehad. Ze waren als een kwaadaardig gezwel dat de samenleving wilde ontwrichten en te gronde richten. Een vijand die geen natie was, geen uniform droeg, niet over generaals of centraal gezag beschikte, en die werd gevoed door een diepgewortelde haat waar geen leger ooit tegenop kon. De geïndustrialiseerde wereld ontbrak het aan middelen en de durf om een betekenisvolle verandering in het Midden-Oosten te bewerkstelligen. Met conventionele oorlogvoering zou deze moderne strijd tientallen jaren kunnen duren, generaties lang. Toen Stokes bij antiterroristische acties betrokken was geweest, had hij weinig bewijs gezien voor een langdurige oplossing. Eén ding was echter zeker: uiteindelijk zou er slechts één partij overeind blijven.

      ‘Het gebeurt met de beste bedoelingen,’ hoorde hij een troostende stem achter zich.

      Verrast draaide Stokes zich om in zijn stoel.

      Er was niemand.

      Wanneer zou Hij zich laten zien?

      ‘Ja, het is met de beste bedoelingen,’ beaamde Stokes. ‘Het werk van Frank was uiterst belangrijk... Maar hij begreep het hogere doel niet waarnaar we streven.’

      ‘Er zijn er maar weinig die dat wel begrijpen, Mijn zoon.’

      Stokes keek heen en weer, op zoek naar een verschijning. ‘Ze hebben de grot ontdekt. Maar dat weet U natuurlijk al. Zal dat ons werk in gevaar brengen?’

      ‘Heb vertrouwen. Alles komt goed en gaat zoals het moet.’

      De stem leek van overal te komen.

      ‘Wanneer weet ik dat het is begonnen?’

      ‘Het is al begonnen. Heb je de tekenen niet opgemerkt?’

      Toeval bestaat niet, dacht Stokes. ‘Ja, ik zie de tekenen. En de Vervoering? Wanneer begint die?’

      Geen reactie.

      Stokes keek om zich heen. Hij voelde de aanwezigheid niet meer.