41
Irak
‘Godallemachtig!’ riep Crawford uit. ‘Wat is hier verdomme aan de hand?’
De technicus hief haar handen. ‘Hier is alles in orde,’ zei ze, en ze wees naar het scherm met de gegevens van de robot.
‘Verdikkeme,’ mopperde Crawford. Hij knielde om alles eens goed te bekijken. Inderdaad was er niets veranderd aan de beelden die de robot doorstuurde. De ruimte in de grot was goed te zien, de stapels beenderen lagen er nog bij als daarnet.
‘Volgens mij kwam het uit de andere gang,’ riep Meat van bij de ingang van de grot.
Zwijgend sloeg Jason zijn armen over elkaar. Hij had zijn buik vol van Crawfords opvliegende karakter.
‘Oké,’ zei Crawford. ‘Laat die grasmaaier dan achteruitrijden en stuur hem díé gang in.’
De technicus liet de robot een draai van honderdtachtig graden maken en stuurde het apparaat de ruimte uit. Het terugrijden door de gang nam een minuut of drie in beslag.
‘Daar is hij,’ riep Meat. ‘Ik zie de lichten al.’
De technicus zag aan de linkerkant van het scherm licht. Daar moest de plek zijn waar de gang naar de ingang liep. Ze liet de robot rechtdoor gaan.
‘Ja, daar is-ie,’ zei Meat, die de ingang in tuurde. De robot was even zichtbaar en verdween toen in de gang naar links. Meat bleef het kabeltje met de optische lens inhalen.
‘Zet hem maar op nachtkijkerfunctie,’ zei Crawford tegen de technicus.
‘Doe ik,’ zei ze.
De robot reed door de smalle gang, waarvan de wanden groenig oplichtten. Er viel weinig te zien, maar het microfoontje pikte opeens geluid op.
‘Wacht eens...’ zei Jason. ‘Horen jullie dat ook?’
De technicus liet de robot stilstaan. Het geluid werd duidelijker.
Iedereen luisterde aandachtig. Ze hoorden een stem.
‘Er is daar iemand,’ zei ze, en ze stelde het geluid bij. ‘Het klinkt alsof...’ Ze probeerde iets van de zangerige geluiden te verstaan.
‘Hij is aan het bidden,’ merkte Hazo op. ‘Hij reciteert de maghrib. Het avondgebed dat moslims na zonsondergang uitspreken,’ legde hij uit.
‘Nou, daar is het anders knap laat voor,’ meende Crawford. ‘Maar goed, laat hem maar lekker bidden. Dat zal hij nog nodig hebben.’
‘Ik wil hem zien,’ zei Jason. ‘Ik wil weten wie het is. Indien nodig kunnen we gas gebruiken om hem naar buiten te krijgen.’
Crawford knikte. ‘Je hebt het gehoord,’ zei hij tegen de technicus. ‘Vooruit met de geit!’
De technicus stuurde de robot weer verder. Opeens flitste er na een bocht een helderwit licht op.
Dat werd gevolgd door een verschrikte kreet, waarschijnlijk van de biddende man.
‘Wat is dat nou weer?’ vroeg Crawford nors. ‘Waar komt dat licht vandaan?’
‘Ik weet het niet, kolonel,’ antwoordde de technicus.
Tegen de tijd dat de robot de bocht had genomen, was het geheimzinnige licht uitgegaan. En de microfoon pikte het geluid op van rennende voetstappen.
‘Hij vlucht,’ zei de technicus. ‘Zullen we een beetje gas loslaten?’
‘Nog niet. Rijd maar verder. En een beetje sneller, verdomme.’
De robot meerderde vaart. Een paar meter verder moest het apparaat klimmen en dalen over puin dat overal op de grond verspreid lag. Het beeld op het scherm werd wazig vanwege ronddwarrelend stof.
‘Wat een puinzooi,’ merkte de technicus op.
Maar Crawford was meer geïnteresseerd in de opgepikte geluiden, en vooral in die van de voetstappen. Ze klonken minder ver weg, zelfs al heel dichtbij. ‘Vooruit!’
Opeens kwamen er weer geluiden door van de man zelf. Hij hoestte.
‘Geen gas... Blijkbaar doet het stof al wat we wilden,’ zei Crawford, die zich dichter naar het scherm boog.
‘Hoe is het daar met de luchtkwaliteit gesteld?’ vroeg Jason.
De technicus bekeek de gegevens. ‘Niet giftig. Maar straks stikt hij nog in al dat stof.’
Plots hield het geluid van voetstappen op.
Het hoesten werd heviger.
En toen pikte de camera iets bewegends op.
‘Ik denk dat we hier het beste kunnen stoppen en even het licht moeten aandoen,’ zei Jason. ‘Ik wil het goed kunnen zien.’
Crawford beval de technicus dat te doen.
Zodra de schijnwerper aanfloepte, werd op het scherm een gestalte zichtbaar, een meter of drie van de camera verwijderd. Het was een man die in elkaar gedoken voor een berg puin lag, en dat puin sloot de verdere doorgang volledig af omdat het van de grond tot aan het plafond reikte. De man hield een punt van zijn hoofddoek voor zijn neus en mond, als bescherming tegen het stof.
‘Zo te zien kan hij niet weg,’ zei Crawford. ‘Is hij bewapend?’
De technicus zoomde in op de bebloede handen en liet de camera over het lichaam dwalen. ‘Nee, hij is niet bewapend, voor zover ik kan zien.’
‘Mooi zo.’ Crawford ging rechtop staan en riep naar een tweetal mariniers bij de ingang van de grot: ‘Holt! Ramirez! Zet je gasmasker op, ga naar binnen en haal die man eruit!’