18
Om het mortiervuur in noordelijk Koerdistan te ontlopen hield de Blackhawk een westelijk vluchtpad boven de Iraakse laagvlakte aan. Zodra ze Mosoel naderden, maakten ze een bocht naar rechts om de stad te mijden en zetten koers naar de volgende bestemming, die vijfendertig kilometer naar het noordoosten lag.
Terwijl Hazo uit het raampje naar de stad in de verte keek, voelde hij zich ineens intens verdrietig. Meer dan dertig jaar geleden had het regime van Saddam Hoessein honderdduizenden Koerden – onder wie de familie van Hazo – gedwongen Mosoel te verlaten en in kampen in de troosteloze woestijn te wonen. Degenen die niet hadden willen meewerken, kregen een wolk van het zenuwgas sarin over zich heen. Na deze volkerenmoord nam de Ba’athpartij de macht over de streek stevig in handen in een schaamteloze poging die te arabiseren.
In het kamp had Hazo’s aan astma lijdende moeder geen toegang tot gezondheidszorg. In de drukkende, droge hitte van de woestijn overleed ze algauw. Hazo’s vader, die voor de exodus een gezonde, joviale man was geweest en werkzaam als groothandelaar in tapijten, werd geëxecuteerd door een vuurpeloton en in een massagraf geworpen. Hazo’s twee oudere broers waren gedood door een zelfmoordterrorist toen ze samen per auto op weg waren naar Bagdad om daar werk te zoeken, kort na de Amerikaanse inval. Hun echtgenoten en kinderen trokken in bij Hazo’s oudste zuster Anyah.
Op dit moment liepen er weer volop Koerden door de straten van Mosoel. De onvrede van de Koerden die waren weggevoerd, resulteerde in gewelddadige wraakacties tegen Arabieren, zoals bomaanslagen in restaurants, aanslagen met bomauto’s en schietpartijen. Hoe kon Karsaz, na alles wat Hazo’s familie was overkomen, nog vraagtekens zetten bij de strijd voor een nieuw Irak? Hoe anders kon er ooit een einde komen aan deze cyclus van geweld? Zou er ooit een einde aan komen, vroeg Hazo zich af. De grimmige waarheid was dat de geschiedenis van Irak in bloed zou blijven worden opgetekend, vreesde hij.
Somber gestemd liet hij zijn blik dwalen over de brede bochten van de Tigris en de buitenwijken van Mosoel, waar heuveltjes en ruïnen, verspreid over een gebied van zevenduizend hectare, markeerden waar Nineveh ooit had gelegen. In de Bijbel wordt verhaald dat de profeet Jonas hier was geweest om het woord Gods te verspreiden onder de verdorven inwoners, nadat een grote vis hem had opgeslokt en weer uitgespuwd. Maar lang voor dit bezoek van Jonas was de stad een religieus middelpunt van de Ishtar-cultus. Hazo haalde de foto’s van de reliëfs in de grot tevoorschijn en bestudeerde de godin die op de muur stond afgebeeld. Was ze een levend mens geweest? Of was dit een eerbetoon aan de Assyrisch-Babylonische godin Ishtar, zoals Karsaz had geopperd?
Het symbool van Ishtar was een ster met acht punten, en de vrouw op de wand van de grot had om haar pols een rozet met acht punten. Was dat voldoende? Hij deed zijn best zich te herinneren of Ishtar ooit was afgebeeld met een voorwerp in haar handen waar stralen uit kwamen. Er schoot hem niets te binnen.
Zoals de meeste Irakezen was hij min of meer op de hoogte van de mythen rondom deze godin. Hij wist dat de sluwe verleidster op wrede wijze talloze minnaars had omgebracht. Ze had gefaald de held Gilgamesj in haar bed te krijgen, en vervolgens de oppergod Anu weten over te halen de grote hemelstier los te laten om dood en verderf te zaaien onder de bevolking. De koningin van de onderwereld, Ereshkigal, was zo woedend geworden om wat Ishtar allemaal uithaalde, dat ze haar had laten opsluiten en zestig kwalen op haar had losgelaten.
Zou dit werkelijk Ishtar zijn, vroeg hij zich af.
Nineveh verdween in de verte. De helikopter volgde een witte pijpleiding op de grond die in noordelijke richting naar de olievelden van Tawke liep. Er vloeide weer ruwe olie uit Irak, en dat deed Hazo eraan denken dat niet alleen Ishtar een hoer was.
Hij richtte zijn aandacht weer op de foto’s, en keek geconcentreerd naar eentje waarop een krijgsman stond afgebeeld die het afgehakte hoofd van de vrouw aanbood aan de aanvoerder. Hij kon zich niet herinneren dat Ishtar zo wreed was terechtgesteld. Er klopte zoveel niet. Maar als dit niet Ishtar was, wie was ze dan wel?
Het feit dat de foto’s in een grot waren genomen, riep nog meer vragen op. Aangenomen werd dat onder elk heuveltje in Irak de overblijfselen van een oude beschaving bewaard lagen. Om zulke overblijfselen in een grot aan te treffen, was ongebruikelijk. Het was echter bekend dat sommige beschavingen in het diepste geheim rituelen in een grot uitvoerden, dus deze grot kon best met de Ishtar-verering in verband staan.
De helikopter begon te dalen.
Hazo zag de berg Maqloeb al aan de rand van de vlakte oprijzen. Pas toen de helikopter dichter bij het zandsteen kwam, zag hij ook de hoekige contouren van het klooster Mar Mattai op de berg. Boven had het klooster een zuilengalerij in Arabische stijl, en er was een koepeldakje. Achter deze moderne façade bevond zich echter een van de alleroudste christelijke kerken, gebouwd in 363.
De Chaldeeuwse monniken die het klooster bewoonden, beweerden directe afstammelingen te zijn van de Babyloniërs. Ze waren een van de eerste volken die zich tot het christendom hadden bekeerd en hielden het Aramees in leven, de taal waarin Jezus had gesproken. Hier bewaakten ze de meest indrukwekkende verzameling Syrisch-christelijke manuscripten en oude codices ter wereld, een kroniek van het verleden van het Tweestromenland.
Niemand kende het oude Irak beter.
Net zoals de Koerden hadden de Chaldeeën geleden onder de vervolgingen in Noord-Irak. De Chaldeeuwse gemeenschap verkeerde nog in schoktoestand na de terechtstelling van aartsbisschop Paulos Faraj Rahho, die heftig had geprotesteerd tegen het voorstel islamitische wetten in de Iraakse grondwet op te nemen. Op 29 februari 2008 was hij door gewapende moslimmilitanten ontvoerd. Zijn lijk werd twee weken later in een ondiep graf buiten Mosoel gevonden.
De piloot vloog de Blackhawk over het verlaten parkeerterrein voor bezoekers en zette de helikopter bekwaam aan de grond.
Hazo zette de helm af, maakte de gordels los en sprong eruit. De copiloot was al uitgestapt en gebaarde dat hij zich moest bukken om onder de draaiende rotorbladen door te lopen.
Terwijl Hazo de steile trap naar het klooster op liep, haalde hij het kruis van olijfhout onder zijn galabia uit zodat het duidelijk zichtbaar was. Onder de uivormige koepel probeerde hij de deur te openen, maar die zat op slot.
Voordat hij kon kloppen, verscheen een jonge, brildragende monnik met een lange zwarte baard aan de andere kant van de ruit, die de grendel wegschoof. De monnik ging gekleed in het traditionele zwarte gewaad met witte priesterboord, met een ingewikkeld hoofddeksel op en msone-sandalen aan zijn voeten.
‘Shlama illakh,’ zei de monnik, en hij tuurde naar het merkwaardige schouwspel van een Blackhawk op het parkeerterrein. Vervolgens wierp hij een blik op het crucifix om Hazo’s hals en ging over op Engels. ‘Kan ik je ergens mee van dienst zijn, broeder?’
Hazo stelde zich voor en bood zijn verontschuldigingen aan omdat hij nog zo laat was gekomen. Vervolgens legde hij uit waarvoor hij kwam. ‘Ik hoop dat een van u me kan helpen. Ik heb namelijk foto’s...’ Hij stak het stapeltje naar de monnik uit.
Die hield zijn handen op de rug en keek alleen naar de bovenste foto.
‘Er is mij gevraagd erachter te komen wat deze afbeeldingen betekenen... En vooral wie deze vrouw kan zijn,’ zei Hazo.
‘En dat willen zíj weten?’ vroeg de monnik met een gebaar naar de Blackhawk.
‘Inderdaad.’
Even aarzelde de monnik. Terwijl hij nadacht, kneep hij zijn lippen op elkaar. Toen zei hij: ‘Over dit soort dingen kunt u het best met monseigneur Ibrahim praten. Ik zal u naar hem toe brengen. Wilt u me volgen?’ Hij schuifelde weg.
Zwijgend ging de monnik Hazo voor door de moderne gangen van het hoofdgebouw, en een achterdeur uit die hen bracht op een ruime binnenplaats met op twee verdiepingen een zuilengalerij.
Het eenvoudige, stenen gebouw dat ze vervolgens betraden, was veel en veel ouder. Ze liepen door een gang met gewelfd plafond waar het rook naar wierook en ouderdom, en een oud schip van een kerk in, met veel Arabische elementen: spitsbogen, gedraaide zuilen, en tegelmozaïeken.
Het oorspronkelijke klooster.
Het viel Hazo op dat de teksten op de geglazuurde en schitterend versierde tegeltjes niet in het Arabisch waren gesteld, maar in een taal die buiten deze muren als dood werd beschouwd: Aramees. Boven de bogen waren talrijke rozetten gebeeldhouwd.
De monnik boog zijn hoofd om onder een lage boog door te kunnen en liep toen een trap af. Het viel Hazo op dat de netjes gehouwen blokken plaatsmaakten voor steen met nog sporen van beitels erop, en dat de treden glad waren geworden door de voetstappen van eeuwen. Langs een muur liepen elektriciteitssnoeren van de ene lamp naar de andere. Hij voelde zich gedesoriënteerd; het leek net alsof de monnik hem voorging heel diep de berg in.
Het was een geruststelling voor Hazo toen hij door het glas van een deur met tralies licht zag schijnen.
Bij die deur bleef de monnik staan en toetste een code in op het paneel. Het slot klikte open. Vervolgens draaide hij aan de deurknop, duwde tegen de deur en hield die open voor Hazo. Het was warmer en droger in de kleine ruimte. Hazo hoorde een luchtverversingssysteem zoemen, ergens boven zijn hoofd.
Zonder iets te zeggen sloot de monnik de deur en zette koers naar een volgende deur, een metalen deur vol bouten. Weer werd een code ingetoetst, en toen ging de monnik Hazo voor door een enorme ruimte zonder vensters waar grote, hoge kasten in stonden. Het rook er droog, steriel. Terwijl Hazo achter de monnik aan langs de lange tafels in het midden liep, zag hij talloze ruggen van oude manuscripten achter glazen panelen.
Diep in de bibliotheek vonden ze een bejaarde geestelijke. Hij droeg een zwart gewaad en een hoofddeksel, en zat gebogen over een tekentafel met een led-lamp, en een loep zo groot als een schoteltje boven de bladzijden van een dikke codex.
Voordat ze hem hadden bereikt, draaide de monnik zich naar Hazo om en gebaarde dat hij moest blijven staan. ‘Momentje, graag.’
‘Uiteraard,’ reageerde Hazo.
Stilletjes liep de monnik om de tafel heen en boog om iets in het oor van de geestelijke te fluisteren. Die hield zijn hoofd schuin en keek achterdochtig over zijn leesbril heen naar Hazo. Vervolgens stuurde hij de monnik met een knikje weg, om daarna Hazo naar zich toe te wuiven.
Met zijn handen gekruist op de rug naderde Hazo de tafel en boog. ‘Dank u, monseigneur Ibrahim. Ik ben gevraagd om...’
‘Laat me die foto’s zien,’ viel de geestelijke hem kortaf in de rede. Hij stak zijn hand uit, en zijn door reumatiek vervormde vingers trilden.
Kennelijk houdt hij niet zo van formaliteiten, dacht Hazo toen hij de foto’s overhandigde.
Zodra de geestelijke de eerste foto bekeek, verschenen er nog diepere rimpels in zijn voorhoofd. Hij schraapte zijn keel en vroeg: ‘Hoe komt u hieraan?’
‘De foto’s zijn genomen in een grot in het Zagrosgebergte. Het zijn afbeeldingen van reliëfs op de wand. Er waren ook teksten, en...’
De geestelijke hief zijn hand. ‘U wilt zeker weten wie dit is?’ Het klonk beschuldigend. ‘Toch?’
‘Ja, graag.’
De geestelijke stond op en wierp een blik op Hazo’s crucifix. ‘Zoals u wilt. Kom, dan laat ik het u zien.’ Hij liep om de tafel heen en door het middenpad.