29

25 november ’s morgens

In de flat van Vladimir Orlov in de Mårten Trotzigsgränd troffen ze niets onprettigs aan. Het was er schoon en netjes. De bedden waren pas opgemaakt en de lakens verschoond. De wasmand in de badkamer was leeg. Toch waren er tekenen dat er iets niet in orde was. De buren meldden dat er die ochtend verhuizers waren geweest en bij nader onderzoek vonden ze bloedvlekken op de vloer en aan de muur boven de korte kant van het bed. Het bloed werd vergeleken met speekselsporen in de flat van Andrei en het bleek van de jonge journalist te zijn.

De gearresteerden – de twee die nog konden communiceren althans – deden echter alsof ze niets wisten van die vlekken of van wat dan ook dat met Zander te maken had, dus Bublanski en zijn groep concentreerden zich erop meer informatie te verkrijgen over de vrouw met wie Andrei Zander was gezien. De media hadden niet alleen meterslange kolommen volgeschreven over het drama op Ingarö, maar ook over de verdwijning van Andrei. Svenska Morgonposten, Metro en de roddelbladen brachten grote foto’s van de journalist. Geen van de verslaggevers had het verband nog helemaal door, maar er werd al gespeculeerd dat Andrei wellicht vermoord was, en normaal gesproken verscherpte dat de herinnering van mensen; in elk geval schoot hun dan vaak iets te binnen wat er verdacht had uitgezien. Nu was het bijna andersom.

De getuigenverklaringen die binnenkwamen en als geloofwaardig werden beoordeeld, waren merkwaardig vaag en iedereen die iets verklaarde – behalve Mikael Blomkvist en de bakker uit Skansen – voelde zich gedwongen erop te wijzen dat ze niet geloofden dat de vrouw iets crimineels had gedaan. Iedereen die haar was tegengekomen had een overweldigend goede indruk van haar gekregen. Een barkeeper – een oudere man die Sören Karlsten heette – die Andrei Zander en de vrouw had bediend in restaurant Papagallo in de Götgata schepte zelfs op over zijn mensenkennis en beweerde zeker te weten dat die vrouw ‘geen mens kwaad’ kon doen. ‘Ze was het toonbeeld van klasse.’

Ze was een toonbeeld van van alles, als je de getuigen moest geloven, en Bublanski begreep dat het uitermate lastig zou worden om een compositietekening van haar te laten maken. Iedereen die haar had gezien leek een ander beeld van haar te hebben, alsof ze in plaats van haar te beschrijven hun droomvrouw op haar projecteerden. Het was haast komisch. Tot dusverre hadden ze nog geen beelden van bewakingscamera’s. Mikael Blomkvist zei dat de vrouw zeer beslist Camilla Salander was, de tweelingzus van Lisbeth, en er bleek inderdaad ooit iemand te zijn geweest die zo heette. Maar al jaren was er geen spoor meer van haar in enig register te vinden, alsof ze was opgehouden te bestaan. Als Camilla Salander nog leefde, was dat met een nieuwe identiteit, en dat stond Bublanski niet aan, vooral niet omdat er in het pleeggezin dat ze in Zweden had achtergelaten twee verdachte sterfgevallen waren geweest; de rechercheonderzoeken daarnaar waren ondermaats en zaten vol open einden en nooit beantwoorde vragen.

Bublanski had ze gelezen en schaamde zich voor zijn collega’s, die uit een soort respect voor de familie niet eens tot op de bodem hadden uitgezocht waarom de vader én de dochter vlak voor hun dood hun bankrekening hadden leeggehaald of waarom de vader een week voordat hij zich had opgehangen een brief was begonnen met de woorden: ‘Camilla, waarom is het zo belangrijk voor jou om mijn leven te verwoesten?’

Rondom de persoon die alle getuigen kennelijk betoverde, hing een verontrustende obscuriteit.

 

Het was nu acht uur in de ochtend en Bublanski zat in zijn kamer op het politiebureau, andermaal verdiept in oude onderzoeken waarvan hij hoopte dat ze nieuw licht op de gebeurtenissen konden werpen. Hij wist heel goed dat er honderd andere dingen waren waar hij niet aan toe zou komen en hij schrok geïrriteerd en schuldbewust op toen hij hoorde dat er een bezoeker voor hem was.

Het was een vrouw die Sonja Modig had verhoord, maar die er nu op stond hem te spreken. Later vroeg hij zich af of hij op dit moment misschien ontvankelijker was geweest dan normaal, juist omdat hij alleen maar rekende op nieuwe problemen en moeilijkheden. De vrouw die in de deuropening stond, was niet lang maar had een koninklijke houding en zeer felle ogen, die hem wat weemoedig aankeken. Ze was een jaar of tien jonger dan hijzelf en had een grijze jas en een sari-achtige jurk aan.

‘Mijn naam is Farah Sharif,’ zei ze. ‘Ik ben hoogleraar ict en ik was een goede vriendin van Frans Balder.’

‘Aha, aha,’ zei Bublanski, opeens gegeneerd. ‘Ga zitten alstublieft. Sorry voor de rommel.’

‘Ik heb wel erger gezien.’

‘O ja, echt? U bent niet toevallig Joods?’

Dat sloeg nergens op. Natuurlijk was Farah Sharif niet Joods, en wat maakte het trouwens uit wat ze wel of niet was. Maar het ontglipte hem gewoon. Vreselijk pijnlijk.

‘Huh? Nee ... Ik ben Iraanse en moslima, als ik al iets ben. Ik ben hier in 1979 gekomen.’

‘Natuurlijk. Ik klets maar wat. Wat verschaft me de eer?’

‘Ik was te naïef toen ik met uw collega Sonja Modig sprak.’

‘Hoezo?’

‘Ik heb nu meer informatie. Ik heb een lang telefoongesprek gehad met professor Steven Warburton.’

‘Aha. Die zocht mij ook al, maar het was hier zo chaotisch dat ik nog geen tijd heb gehad om hem terug te bellen.’

‘Steven is hoogleraar in de cybernetica in Stanford, een vooraanstaand onderzoeker van technologische singulariteit. Hij werkt tegenwoordig bij het Machine Intelligence Research Institute, een instelling die werkt aan kunstmatige intelligentie die óns helpt, en niet andersom.’

‘Klinkt goed,’ zei Bublanski, die zich elke keer wanneer dat onderwerp aan de orde kwam ongemakkelijk voelde.

‘Steven leeft een beetje in zijn eigen wereld. Hij hoorde pas gisteren wat er met Frans was gebeurd, en daarom had hij niet eerder gebeld. Maar hij vertelde dat hij Frans die maandag nog aan de telefoon had gehad.’

‘Waar ging dat over?’

‘Over zijn werk. U weet, sinds Frans naar Amerika ging, deed hij heel geheimzinnig. Zelfs ik, die toch heel close met hem was, wist niet waar hij mee bezig was, ook al was ik arrogant genoeg om te denken dat ik het toch wel een beetje begreep. Maar nu bleek dat ik het mis had.’

‘In welk opzicht?’

‘Ik zal proberen niet te technisch te worden, maar het lijkt erop dat Frans niet alleen zijn oude AI-programma verder ontwikkelde, maar ook nieuwe algoritmen en nieuw topologisch materiaal voor kwantumcomputers uitwerkte.’

‘Nu bent u me toch te technisch.’

‘Kwantumcomputers zijn computers die gebaseerd zijn op kwantummechanica. Tot nu toe is dat iets vrij nieuws. Google en de nsa hebben grote bedragen geïnvesteerd in een apparaat dat op sommige gebieden al meer dan vijfendertigduizend keer zo snel is als alle andere, gewone computers. Ook Solifon, waar Frans werkte, heeft zulke projecten lopen, maar zij zijn ironisch genoeg – als deze informatie klopt – nog niet zover.’

‘Oké,’ zei Bublanski onzeker.

‘Het grote voordeel van kwantumcomputers is dat de basiseenheden, de kwantumbits of qubits, zich kunnen superpositioneren.’

‘Zich kunnen wat?’

‘Ze kunnen niet alleen de toestanden één of nul aannemen, zoals traditionele computers, maar ook nul en één tegelijkertijd zijn. Het probleem is dat er speciale berekeningsmethoden en grondige kennis van de natuurkunde nodig zijn, vooral van wat wij kwantumdecoherentie noemen, om zulke apparaten behoorlijk te laten werken, en op dat punt zijn we nog niet zover. Kwantumcomputers zijn tot dusver te specialistisch en te log. Maar Frans – hoe kan ik dat nu het beste uitleggen? – had vermoedelijk methoden ontwikkeld die ze soepeler, beter hanteerbaar en zelflerend konden maken, en daarvoor stond hij kennelijk in contact met een aantal experimentalisten, dus mensen die zijn resultaten konden testen en verifiëren. Wat hij had bereikt was groots – dat kon het in elk geval worden. Toch was hij niet alleen trots, en daarom belde hij natuurlijk met Steven Warburton. Hij was ook ontzettend ongerust.’

‘Waarom?’

‘Op de lange duur omdat hij vreesde dat zijn creatie gevaarlijk kon zijn voor de wereld, neem ik aan. Maar op de korte termijn omdat hij dingen wist over de nsa.’

‘Wat voor dingen?’

‘Van sommige heb ik geen idee. Dat ging om inkijkjes in de smerigste onderdelen van hun bedrijfsspionage. Maar van andere ben ik heel goed op de hoogte. We weten op dit moment dat de nsa hard werkt aan de ontwikkeling van kwantumcomputers. Voor hen zou dat het paradijs op aarde zijn. Met een effectieve kwantumcomputer zouden ze op den duur alle encrypties, alle digitale beveiligingssystemen, kunnen kraken. Niemand zou zich dan meer kunnen verstoppen voor het wakend oog van de nsa.’

‘Wat ontzettend griezelig,’ zei Bublanski, zo nadrukkelijk dat het hemzelf verbaasde.

‘Maar er is een scenario dat nog erger is. En dat is dat zo’n apparaat in handen komt van zware criminelen,’ vervolgde Farah Sharif.

‘Ik begrijp waar u heen wilt.’

‘En daarom vraag ik me dus af wat u bij de opgepakte mannen hebt gevonden.’

‘Niets van dien aard, vrees ik,’ zei hij. ‘Maar die knapen zijn nu niet bepaald intellectuele hoogvliegers. Ik betwijfel zelfs of ze de wiskunde van de onderbouw zouden kunnen volgen.’

‘Dus het werkelijke computergenie is ontsnapt?’

‘Helaas wel. Hij en een verdachte vrouw zijn spoorloos verdwenen. Waarschijnlijk hebben ze meerdere identiteiten.’

‘Verontrustend.’

Bublanski knikte en keek in Farahs donkere ogen, die hem smekend aankeken, en misschien kwam het daardoor dat hij, in plaats van weer in wanhoop te verzinken, een hoopvolle gedachte kreeg.

‘Ik weet niet wat het betekent,’ zei hij.

‘Wat?’

‘We hebben een paar ict-jongens door Balders computers laten gaan. Dat was nog niet zo simpel, zoals u zult begrijpen, gezien zijn beveiliging, maar het lukte toch. We hadden mazzel, zou je kunnen zeggen, en we konden al snel vaststellen dat er waarschijnlijk een computer is gestolen.’

‘Dacht ik het niet!’ zei ze. ‘Verdomme!’

‘Rustig maar, ik ben nog niet klaar. We zagen ook dat verschillende apparaten aan elkaar gekoppeld waren en dat ze op hun beurt af en toe werden aangesloten op een supercomputer in Tokio.’

‘Klinkt aannemelijk.’

‘Daardoor konden we zien dat een groot bestand, in elk geval iets groots, onlangs was gewist. We hebben het nog niet kunnen herstellen, maar we hebben gezien dat het is gebeurd.’

‘U bedoelt dat Frans zijn eigen ontdekking zou hebben vernietigd?’

‘Ik trek geen conclusies. Maar ik bedacht het net, toen u me dit vertelde.’

‘Zou het niet de dader kunnen zijn die het heeft gewist?’

‘Dat die het eerst heeft gekopieerd, bedoelt u, en het daarna van zijn computer af heeft gehaald?’

‘Ja.’

‘Dat kan ik haast niet geloven. De moordenaar was maar heel kort in het huis. Hij had daar zeker geen tijd voor, laat staan de kennis.’

‘Oké. Dat klinkt ondanks alles toch bemoedigend,’ ging Farah Sharif aarzelend verder. ‘Alleen ...’

‘Ja?’

‘Ik kan het niet rijmen met Frans’ karakter. Hij was niet iemand die het belangrijkste wat hij heeft gemaakt zou wissen. Dat zou zijn alsof ... ik weet niet ... alsof hij zijn rechterarm zou afhakken. Of nog erger, alsof hij een vriend doodde, een potentieel leven.’

‘Soms moet je een groot offer brengen,’ zei Bublanski peinzend. ‘Vernietigen waar je van houdt en waar je mee leeft.’

‘Of er is ergens een kopie.’

‘Of er is ergens een kopie,’ herhaalde hij. Opeens deed hij iets eigenaardigs: hij stak zijn hand uit.

Farah Sharif begreep het duidelijk niet. Ze keek naar de hand alsof ze verwachtte dat Bublanski haar iets zou geven. Maar Bublanski besloot zich niet uit het veld te laten slaan.

‘Weet u wat mijn rabbi zegt?’

‘Nee,’ antwoordde ze.

‘Dat wat de mens kenmerkt, zijn tegenstrijdigheid is. We verlangen tegelijkertijd naar huis en naar elders. Ik heb Frans Balder niet gekend en misschien had hij me maar een oude zot gevonden, maar één ding weet ik zeker: we kunnen van ons werk houden en er bang voor zijn, net zoals Frans Balder kennelijk van zijn zoon hield en bij hem wegvluchtte. Leven, professor Sharif, is niet dat alles op één punt samenkomt. Het is een zich uitspreiden naar alle kanten, en ik vraag me af of uw vriend zich niet net op zo’n breekpunt bevond. Misschien heeft hij zijn levenswerk wel echt vernietigd. Misschien toonde hij tegen het einde van zijn leven al zijn tegenstrijdigheid en werd hij een ander mens in de beste zin van het woord.’

‘Denkt u dat?’

‘Ik weet het niet. Maar hij was veranderd, nietwaar? Hij was de voogdij kwijt omdat hij niet voor zijn zoon kon zorgen. En toch deed hij dat nu juist, en de jongen bloeide zelfs op en begon te tekenen.’

‘Dat is waar, commissaris.’

‘Zeg maar Jan.’

‘Goed.’

‘Soms noemen ze me ook wel Bubbel.’

‘Is dat omdat je een opgeblazen type bent?’

‘Ha, nee, dat geloof ik niet. Maar één ding weet ik heel zeker.’

‘En dat is?’

‘Dat jij ...’

Verder kwam hij niet, maar dat hoefde ook niet. Farah Sharif schonk hem een glimlach die in al zijn eenvoud maakte dat Bublanski weer in het leven en in God begon te geloven.

 

Om acht uur in de ochtend stond Lisbeth Salander op uit haar grote bed in de Fiskargata. Ze had wederom kort geslapen, niet alleen omdat ze weer volkomen tevergeefs had zitten zwoegen op het versleutelde nsa-bestand, maar ook omdat ze had geluisterd naar voetstappen op de trap en af en toe haar alarm en haar bewakingscamera’s in het trappenhuis had gecontroleerd. Zij wist net zomin als anderen of haar zus het land had verlaten.

Na de vernedering op Ingarö was het bepaald niet onmogelijk dat Camilla een nieuwe aanval voorbereidde, een nog grotere. Trouwens, ook de nsa kon de flat binnenstormen. Lisbeth maakte zich wat dat betreft geen enkele illusie. Maar nu, in de ochtend, zette ze die gedachten van zich af. Ze liep vastbesloten naar de badkamer, ontblootte haar bovenlichaam en controleerde haar wond. Ze vond dat die er beter uitzag. Dat was niet helemaal waar, maar in een idiote impuls besloot ze toch naar de club in de Hornsgata te gaan en een potje te gaan boksen.

Kwaad moest met kwaad worden verdreven.

 

Later zat ze afgepeigerd in de kleedkamer. Ze kon haast niet meer denken. Haar mobieltje zoemde. Het kon haar niet schelen. Ze ging onder de douche staan en liet het warme water over zich heen stromen. Pas na een tijdje begon ze helderder te denken, en toen drong de tekening van August weer tot haar bewustzijn door. Maar deze keer was het niet de weergave van de moordenaar die haar boeide, maar iets wat helemaal onder aan het vel stond.

Lisbeth had de tekening toen die af was maar heel kort gezien, daar in de kamer op Ingarö, en toen was ze er volledig op geconcentreerd hem te fotograferen en naar Bublanski en Modig te sturen; als ze er al bij had stilgestaan, zou ze net als alle anderen gefascineerd zijn door de details van de afbeelding. Maar nu ze het papier met haar fotografische blik weer opriep in haar geheugen was ze veel meer geïnteresseerd in de vergelijking die onder de tekening stond, en in opperste concentratie stapte ze onder de douche vandaan. Het probleem was echter dat ze haar eigen gedachten haast niet kon horen omdat Obinze zo’n kabaal maakte voor de kleedkamer.

‘Hou je kop,’ riep ze terug. ‘Ik probeer te denken!’

Maar dat hielp niet erg. Obinze was totaal overstuur en ieder ander dan Lisbeth had dat waarschijnlijk al wel begrepen. Hij had zich verbaasd over de vermoeide en halfhartige manier waarop ze tegen de boksbal sloeg en hij werd ongerust toen ze haar hoofd liet hangen en haar gezicht van pijn vertrok. Op een gegeven moment was hij in een verrassingsmanoeuvre naar haar toe gestormd, had de mouw van haar T-shirt opgestroopt en de schotwond ontdekt. Toen was hij razend geworden, en blijkbaar was dat nog niet over.

‘Je bent idioot, weet je dat? Gek!’ schreeuwde hij.

Ze kon het niet opbrengen om te reageren. Alle kracht stroomde uit haar en wat ze op de tekening had gezien verbleekte in haar gedachten. Volkomen uitgeput ging ze op het bankje in de kleedkamer zitten. Naast haar zat Jamila Achebe, een stoer meisje met wie ze af en toe bokste en af en toe naar bed ging, meestal in die volgorde, want als ze eerst vreselijk vochten was het vaak net een wild voorspel. Een paar keer hadden ze zich in de douches niet geheel fatsoenlijk gedragen. Ze waren geen van beiden erg van de etiquette.

‘Ik ben het eigenlijk wel met die schreeuwlelijk eens. Je bent niet goed wijs,’ zei Jamila.

‘Misschien niet,’ antwoordde Lisbeth.

‘Die wond ziet er niet goed uit.’

‘Dat geneest wel.’

‘Maar je moest zo nodig boksen.’

‘Blijkbaar.’

‘Zullen we naar mijn huis gaan?’

Lisbeth gaf geen antwoord. Haar telefoon zoemde weer, en nu haalde ze hem uit haar zwarte tas en keek ze op het display. Het waren drie sms’jes met dezelfde inhoud van een geheim nummer en toen ze ze las, balde ze haar vuisten; ze zag er ineens levensgevaarlijk uit. Jamila bedacht dat het misschien beter was om een andere keer met Lisbeth Salander naar bed te gaan.

 

Al om zes uur in de ochtend was Mikael wakker geworden met een paar schitterende formuleringen in zijn hoofd en terwijl hij naar de redactie liep, groeide het artikel vanzelf in zijn gedachten. Toen hij bij Millennium was, zat hij uiterst geconcentreerd te werken en had hij nauwelijks oog voor wat er om hem heen gebeurde, al dwaalden zijn gedachten af en toe even af naar Andrei.

Hoewel ze nog steeds hoop hadden, vreesde hij dat Andrei het werk aan dit stuk met zijn leven had moeten bekopen, en hij probeerde zijn collega met elke zin die hij schreef te eren. Het artikel moest aan de ene kant gaan over de moord op Frans Balder, een verhaal over August Balder, een autistisch jongetje van acht jaar wiens vader voor zijn ogen was doodgeschoten, maar die ondanks zijn handicap een manier had gevonden om terug te slaan. Maar aan de andere kant wilde Mikael dat het een informatief stuk zou worden over een nieuwe wereld van observatie en spionage, waarin de grenzen tussen legaal en crimineel vervaagden, en het schrijven ging nog steeds gemakkelijk. Vaak kwamen de woorden vanzelf. Maar toch verliep niet alles zonder problemen.

Van een oud contact bij de politie had hij het onderzoek naar de onopgehelderde moord op Kajsa Falk in Bromma gekregen, de jonge vrouw die de vriendin was van een van de leiders van de Svavelsjö MC. Hoewel de dader nooit was gepakt en de mensen die bij het onderzoek waren verhoord niet erg spraakzaam waren geweest, kon Mikael er toch uit afleiden dat de motorclub aan gewelddadige ruzies ten onder was gegaan en dat er onzekerheid onder de bendeleden was ontstaan, een sluipende angst, gezaaid door een vrouw die door een van de getuigen ‘lady Zala’ werd genoemd.

De politie had erg haar best gedaan om erachter te komen naar wie die naam verwees, maar dat was niet gelukt. Mikael twijfelde er echter niet aan dat Camilla lady Zala was en dat zij ook achter een aantal andere misdrijven zat, in Zweden en in het buitenland. Hij kon er echter geen bewijs voor vinden en dat irriteerde hem. Hij gebruikte in het artikel voorlopig haar codenaam Thanos.

Toch was Camilla niet het grootste probleem, en zelfs haar onduidelijke banden met de Russische Doema niet. Wat Mikael de meeste zorgen baarde, was het besef dat Ed Needham nooit naar Zweden zou zijn gekomen en geheime informatie zou hebben gelekt als hij niet iets nog groters wilde verbergen. Ed was niet dom en hij wist dat Mikael ook niet achterlijk was. Daarom was zijn verhaal op geen enkel punt geflatteerd. Integendeel, hij gaf een nogal akelig beeld van de nsa. Maar toch ... toen Mikael de informatie nog eens goed bekeek, zag hij dat Ed ondanks alles een spionagedienst schilderde die goed werkte en redelijk fatsoenlijk optrad, afgezien van het etterende gezwel van zware criminelen op de afdeling Observatie van Strategische Technologieën – toevallig dezelfde afdeling die Ed ervan had weerhouden zijn hacker aan de schandpaal te nagelen.

De Amerikaan wilde ongetwijfeld een paar individuele medewerkers flink beschadigen, maar hij leek niet zozeer de hele organisatie te gronde te willen richten als wel de onvermijdelijke val daarvan enigszins te willen verzachten. Mikael was dan ook niet erg verbaasd, zelfs niet kwaad, toen Erika opeens bij hem stond en hem met een bezorgd gezicht een persbericht van TT aanreikte.

‘Kunnen we nu naar ons verhaal fluiten?’ vroeg ze.

Het was een vertaald persbericht van AP en het begon zo:

 

Twee hooggeplaatste medewerkers van de nsa, Joacim Barclay en Brian Abbot, zijn aangehouden op verdenking van zware economische criminaliteit en, vooruitlopend op het proces, op staande voet ontslagen.

‘Het is een schande voor onze organisatie. We hebben kosten noch moeiten gespaard om de problemen op te lossen en de schuldigen ter verantwoording te roepen. Wie bij de nsa werkt, dient er hoge morele principes op na te houden. We zullen tijdens het juridische proces zo transparant zijn als onze nationale veiligheid toestaat,’ aldus nsa-directeur admiraal Charles O’Connor tegenover AP.

 

Afgezien van het vrij lange citaat van admiraal O’Connor stond er niet veel in het bericht; het maakte ook geen melding van de moord op Balder of iets anders wat aan de gebeurtenissen in Stockholm zou kunnen worden gelinkt. Maar Mikael begreep toch wel wat Erika bedoelde. Nu het nieuws bekend was, zouden The Washington Post, The New York Times en een hele horde befaamde Amerikaanse journalisten zich op het verhaal storten, en dan wist je maar nooit wat eruit kwam.

‘Niet goed,’ zei hij beheerst. ‘Maar het was te verwachten.’

‘O ja?’

‘Dit maakt deel uit van dezelfde strategie als waarom ze mij hebben opgezocht. Het is damage control. Ze willen het initiatief terugkrijgen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Er was een reden waarom ze dit allemaal naar mij lekten. Ik snapte meteen dat er iets niet klopte. Waarom zou Ed per se met mij hier in Stockholm willen praten, en dan nog wel om vijf uur ’s morgens?’

Erika was zoals gewoonlijk in het grootste geheim door Mikael geïnformeerd.

‘Dus jij denkt dat zijn optreden van hogerhand is georkestreerd?’

‘Dat vermoedde ik al vanaf het allereerste begin. Maar eerst snapte ik niet waar hij mee bezig was. Ik voelde alleen dat er iets mis was. Maar toen sprak ik Lisbeth.’

‘En toen begreep je het?’

‘Het drong tot me door dat Ed exact wist wat ze bij haar cyberaanval had gevonden, en dat hij alle reden had om te vrezen dat ik daar alles over te weten zou komen. Hij wilde proberen die schade zo goed mogelijk te beperken.’

‘Toch heeft hij je niet bepaald een succesverhaal verteld.’

‘Hij begreep ook wel dat ik geen genoegen zou nemen met iets wat ál te opgesmukt was. Hij gaf me precies genoeg om me tevreden te houden, denk ik, ik moest mijn scoop krijgen en dan zou ik niet verder graven.’

‘Maar daar heeft hij het toch mooi bij het verkeerde eind.’

‘Laten we het hopen. Maar ik weet niet hoe ik verder moet. De nsa heeft de deur dichtgedaan.’

‘Zelfs voor zo’n oude bloedhond als Blomkvist?’

‘Zelfs voor hem.’