9

De nacht van 20 op 21 november

Lisbeth lag diagonaal op het grote tweepersoonsbed toen ze wakker werd en ze realiseerde zich dat ze over haar vader had gedroomd. Een dreigend gevoel legde zich als een mantel over haar heen. Maar toen herinnerde ze zich de dag van gisteren en besefte ze dat het ook een chemische reactie in haar lichaam kon zijn. Ze had een enorme kater, stond wankelend op en liep naar de grote badkamer met de jacuzzi, het marmer en al die andere idiote luxe om over te geven. Maar het enige wat er gebeurde, was dat ze moeizaam ademend op de grond zakte.

Na een tijdje stond ze op en keek ze in de spiegel, maar daar werd ze ook niet bepaald opgewekter van. Haar ogen waren bloedrood. Aan de andere kant: het was nog maar kort na middernacht. Ze kon niet meer dan een paar uur hebben geslapen. Ze pakte een glas uit het badkamerkastje en vulde het met water. Op hetzelfde moment kwamen de beelden uit haar droom terug, en toen kneep ze het glas kapot, vloekte daarover en begreep dat ze niet meer zou kunnen slapen.

Zou ze proberen het versleutelde bestand te kraken dat ze gisteren had gedownload? Nee, dat zou zinloos zijn, op dit moment althans, dus ze draaide een handdoek om haar hand, liep naar haar boekenkast en haalde er een nieuw boek van de Princeton-natuurkundige Julie Tammet uit, die beschreef hoe een grote ster uiteenvalt tot een zwart gat, en daarmee ging ze op de rode bank bij het raam zitten, met uitzicht op Slussen en de Riddarfjärd.

Toen ze begon te lezen knapte ze een beetje op. Het bloed drupte wel van de handdoek op de pagina’s en haar hoofd bleef zeer doen, maar ze raakte steeds meer verdiept in het boek en af en toe maakte ze een aantekening in de marge. Eigenlijk was het geen nieuws voor haar. Ze wist als geen ander dat een ster in leven wordt gehouden door twee elkaar tegenwerkende krachten: kernexplosies binnenin, die de ster naar buiten duwen, en de zwaartekracht, die hem bij elkaar houdt. Ze beschouwde het als een evenwichtsoefening, een tweekamp, die lang in balans blijft maar uiteindelijk eindigt wanneer de kernbrandstof opraakt, de explosies in kracht afnemen en er onherroepelijk een winnaar komt.

Wanneer de zwaartekracht de overhand krijgt, trekt het hemellichaam zich samen als een ballon waar de lucht uit gaat en wordt het steeds kleiner. Een ster kan zo tot niets slinken. Buitengewoon elegant uitgedrukt in de formule

formule.TIF

waarin G de zwaartekrachtconstante is, had Karl Schwarzschild al tijdens de Eerste Wereldoorlog het stadium beschreven waarin een ster zo wordt samengedrukt dat zelfs het licht er niet meer uit kan en dan is er geen weg meer terug. In zo’n situatie is het hemellichaam gedoemd in te storten. Alle atomen worden naar binnen getrokken, naar een singulier punt waarop tijd en ruimte ophouden te bestaan en er misschien nog vreemdere dingen gebeuren, trekjes van irrationaliteit midden in het aan wetten gebonden universum.

Deze singulariteit, die misschien niet zozeer een punt is als wel een soort gebeurtenis, een eindstation voor alle bekende natuurkundige wetten, wordt omgeven door een gebeurtenishorizon en vormt daarmee tezamen een zogeheten zwart gat. Lisbeth hield van zwarte gaten. Ze voelde zich ermee verwant.

Toch was ze, net als Julie Tammet, in eerste instantie niet geïnteresseerd in de zwarte gaten op zichzelf, maar in het proces dat ze tot stand brengt, en dan vooral in het feit dat de collaps van de sterren begint in het wijde, uitgestrekte deel van het universum dat we doorgaans verklaren vanuit de relativiteitstheorie van Einstein, maar eindigt in het minuscule wereldje dat gehoorzaamt aan de beginselen van de kwantummechanica.

Lisbeth was ervan overtuigd dat ze, als ze dat proces kon beschrijven, twee onverenigbare talen kon samenbrengen: de kwantumfysica en de relativiteitstheorie. Maar dat ging haar vermogens waarschijnlijk te boven, net als die verdomde encryptie, en onherroepelijk begon ze weer aan haar vader te denken.

Toen Lisbeth jong was, had die klootzak haar moeder heel vaak verkracht. Daar bleef hij mee doorgaan totdat haar moeder er geestelijk onherstelbaar door was beschadigd. Op haar twaalfde sloeg Lisbeth met verschrikkelijke kracht terug. In die tijd had ze er nog geen idee van dat haar vader een overgelopen topspion van de Russische militaire inlichtingendienst gru was, laat staan dat hij door een speciale afdeling van de Zweedse veiligheidsdienst, de zogeheten Sectie, ten koste van alles werd beschermd. Toch begreep ze toen al dat er een raadsel om haar vader heen hing, een duister geheim waar je niet bij in de buurt mocht komen, waarvan je zelfs niet mocht zeggen dat het er was.

Op alle brieven en officiële post stond ‘Karl Axel Bodin’ en alle buitenstaanders werden ook geacht hem Karl te noemen. Maar het gezin in de Lundagata wist dat dat een valse naam was en dat hij eigenlijk Zala heette, of preciezer: Alexander Zalachenko. Hij was iemand die mensen met kleine dingetjes de stuipen op het lijf kon jagen. Het ergste was dat hij een onkwetsbaarheidsmantel droeg; die indruk had Lisbeth in elk geval.

Hoewel ze toen zijn geheim nog niet kende, besefte ze wel dat haar vader ongestraft van alles kon uithalen. Dat was ook een van de redenen waarom hij zo’n akelige grandeur uitstraalde. Hij was iemand die geen normale wegen bewandelde, en daar was hij zich maar al te zeer van bewust geweest. Andere vaders kon je bij de sociale dienst en bij de politie aangeven. Maar Zala werd gedekt door machten die daar ver boven stonden. Wat Lisbeth zich vannacht in haar droom had herinnerd, was de dag waarop ze haar moeder bewusteloos op de vloer had aangetroffen en besloot haar vader onschadelijk te maken.

Dat was haar echte zwarte gat. Samen met nog iets.

 

Het alarm ging om 1.18 uur af en Frans Balder werd met een schok wakker. Was er iemand in huis? Hij werd bevangen door een onverklaarbare angst en hij voelde met zijn hand naast zich in bed. Daar lag August. Hij was waarschijnlijk stiekem bij hem in bed gekropen, zoals gewoonlijk, en nu kreunde hij onrustig, alsof hij in zijn droom gilde. Och jochie, dacht Frans. Toen verstijfde hij. Waren dat voetstappen?

Nee, dat verbeeldde hij zich maar. Er was sowieso niets anders te horen dan het alarm, en hij keek ongerust naar buiten, waar het nog steeds noodweer was. Het leek nog harder te zijn gaan stormen. De zee zwiepte tegen de steiger en de oever. De ruiten trilden en leken bijna te buigen door de storm. Zouden de windvlagen het alarm hebben veroorzaakt? Misschien was dat het wel.

Toch moest hij er natuurlijk op reageren en zo nodig om hulp bellen, en kijken of die bewaking die Gabriella Grane had geregeld er nu was. Twee mensen van de politie waren al uren naar hem onderweg. Het was gewoon een farce. Ze waren de hele tijd gehinderd door het slechte weer en door allerlei tegenorders: kom hier- of daarmee helpen! Er was steeds weer iets anders en hij was het met Gabriella eens: het wekte een volkomen incompetente indruk.

Maar daar moest hij later maar iets aan doen. Nu moest hij eerst gaan bellen. Hij werd echter afgeleid omdat August wakker was geworden, of bezig was wakker te worden, dus Frans moest snel iets doen. Een hysterische August, die met zijn lichaam tegen het bed bonkte, was wel het laatste wat hij nu kon gebruiken. De oordopjes, bedacht hij. De oude, groene oordopjes die hij op het vliegveld van Frankfurt had gekocht.

Hij haalde ze uit het nachtkastje en stopte ze voorzichtig in de oren van zijn zoon. Toen stopte hij hem weer in, gaf hem een kusje op zijn wang en streelde hem over zijn rommelige, krullende haar. Daarna trok hij het kraagje van zijn pyjama recht en zorgde hij dat Augusts hoofd lekker op het kussen lag. Onbegrijpelijk dat hij hier nu aandacht voor had. Frans was bang en had haast. Dat zou hij in elk geval móéten hebben.

En toch waren zijn bewegingen traag en was hij bezig met zijn zoon. Misschien was het sentimentaliteit op een moment van crisis. Of hij wilde de confrontatie met wat hem buiten te wachten stond uitstellen. Even wilde hij toch dat hij een wapen had gehad. Al had hij niet geweten hoe hij dat moest gebruiken.

Hij was verdomme een programmeur die op zijn oude dag vadergevoelens had gekregen, dat was alles. Hij had niet in deze rotzooi terecht moeten komen. Ze konden doodvallen, Solifon en de nsa en alle criminele organisaties! Maar nu moest hij op zijn tanden bijten, en sluipend, onzeker, liep hij naar de hal; het eerste wat hij deed, zelfs voordat hij naar het pad voor het huis keek, was het alarm uitzetten. Het lawaai werkte hem op de zenuwen en in de plotselinge stilte die volgde, bleef hij stil in de hal staan, niet in staat tot enige actie. Toen ging zijn mobiele telefoon en hoewel hij een sprongetje maakte van schrik, was hij blij met de afleiding.

‘Ja?’ zei hij toen hij opnam.

‘Hallo, met Jonas Anderberg van Milton Security. Is alles in orde?’

‘Eh... ja, ik geloof van wel. Mijn alarm ging af.’

‘Dat weet ik, en volgens onze aanwijzingen moet u dan naar een speciale ruimte in de kelder gaan en de deur op slot doen. Bent u daar nu?’

‘Ja,’ loog hij.

‘Goed. Heel goed. Weet u wat er is gebeurd?’

‘Geen idee. Ik werd wakker van het alarm. Ik heb geen idee wat het heeft veroorzaakt. Kan het niet door de storm komen?’

‘Dat kan bijna niet ... wacht even!’

Jonas Anderberg klonk een beetje afwezig.

‘Wat is er?’ vroeg Frans nerveus.

‘Het lijkt wel ...’

‘Jezus, kom op man. Ik krijg de zenuwen van je.’

‘Sorry, rustig maar, rustig... ik loop de beeldsequenties van uw camera’s door en het lijkt er toch helaas op dat ...’

‘Dat wat?’

‘... dat u bezoek hebt gehad. Een man, ja, u kunt het straks zelf bekijken, een nogal lange slungel met een donkere bril en een petje op heeft op uw terrein rond lopen snuffelen. Hij is er twee keer geweest, lijkt het, maar zoals ik al zei ... Ik heb het net pas ontdekt. Ik moet er beter naar kijken om er meer over te kunnen zeggen.’

‘Wat is het voor type?’

‘Tja, dat is niet zo makkelijk te zeggen, hoor.’

Jonas Anderberg bestudeerde de beelden kennelijk opnieuw.

‘Maar misschien ... Ik weet niet ... Nee, ik mag nu niet speculeren,’ vervolgde hij.

‘Ja, doe dat maar wel, alsjeblieft. Ik moet iets concreets hebben. Als geruststelling.’

‘Nou, dan zou je kunnen zeggen dat er in elk geval één geruststellend feit is.’

‘En wat is dat?’

‘Zijn manier van lopen. Hij loopt als een junk, als iemand die net een flink shot heeft genomen. Zijn bewegingen hebben iets overdreven gewichtigs, iets houterigs. Dat zou erop kunnen wijzen dat het een gewone verslaafde is, een kruimeldief. Aan de andere kant ...’

‘Ja?’

‘... verbergt hij zijn gezicht verontrustend goed en verder ...’

Jonas zweeg weer.

‘Ga door!’

‘Wacht even.’

‘Je maakt me nerveus, weet je dat?’

‘Is niet mijn bedoeling. Maar weet u ...’

Frans’ lichaam spande zich tot het uiterste. Op zijn oprit was het geluid van een motor te horen.

‘U krijgt bezoek.’

‘Wat moet ik doen?’

‘Blijven waar u bent.’

‘Oké,’ zei Frans, en hij bleef staan, min of meer verlamd, op een heel andere plek dan waar Jonas Anderberg dacht dat hij zich bevond.

 

Toen om 1.58 uur de telefoon ging, was Mikael Blomkvist nog steeds wakker. Maar omdat zijn mobieltje nog in zijn spijkerbroek zat die op de vloer lag, was hij er toch niet op tijd bij. Bovendien was het een afgeschermd nummer; hij vloekte, kroop weer in zijn bed en deed zijn ogen dicht.

Hij wilde niet nog een doorwaakte nacht. Al sinds Erika in slaap was gevallen, kort voor middernacht, had hij liggen woelen en nadenken over zijn leven; er was niet erg veel waar hij een goed gevoel over had, zelfs niet over zijn relatie met Erika. Hij hield al tientallen jaren van haar en niets wees erop dat zij niet hetzelfde voelde voor hem.

Maar het was niet meer zo eenvoudig en Mikael had ook wel enige sympathie gekregen voor Greger. Greger Beckman was kunstenaar. Hij was ook de man van Erika en je kon hem bepaald niet afgunstig of bekrompen noemen. Integendeel, toen Greger begreep dat Erika Mikael nooit zou kunnen vergeten of zich ervan zou kunnen weerhouden met hem naar bed te gaan, ging hij niet door het lint en dreigde hij niet om met zijn vrouw naar China te verhuizen.

Hij had een afspraak met haar gemaakt: ‘Je mag bij hem zijn als je maar altijd terugkomt bij mij.’ En zo geschiedde. Ze vormden een ménage à trois, een onconventionele constellatie waarbij Erika meestal thuis in Saltsjöbaden sliep, bij Greger, maar soms hier bij Mikael in de Bellmansgata. Door de jaren heen had Blomkvist dat een geweldige oplossing gevonden; daar zouden meer mensen baat bij hebben die leefden onder de dictatuur van de tweezaamheid. Elke keer dat Erika zei ‘Ik hou meer van mijn man als ik ook bij jou kan zijn’, of als Greger bij een of andere cocktailparty zijn arm in een broederlijke omhelzing om hem heen sloeg, dankte Mikael zijn gelukkige gesternte voor deze regeling.

Maar de laatste tijd was hij gaan twijfelen, misschien omdat hij überhaupt meer tijd had gekregen om over zijn leven na te denken en hij had bedacht dat niet alles wat een afspraak heet ook per se een afspraak is. De ene partij kan ook iets doordrijven onder het mom van een gezamenlijk besluit maar in de loop der tijd kan blijken dat iemand daar toch door tekortgekomen is, ondanks alle bezweringen van het tegendeel, en eerlijk gezegd was Erika’s telefoontje aan Greger gisteravond laat niet direct met gejuich ontvangen. Wie weet, misschien lag Greger op dit moment ook wel wakker.

Mikael deed zijn best om aan iets anders te denken. Even probeerde hij zelfs te dagdromen. Maar het hielp niet erg en uiteindelijk stond hij op, vastbesloten om dan maar iets zinvols te doen, lezen over bedrijfsspionage of zo, of beter nog, een alternatief financieringsplan bedenken voor Millennium. Hij kleedde zich aan, ging achter zijn pc zitten en checkte zijn e-mail.

Het meeste was troep, zoals gewoonlijk, hoewel een deel van de mails hem wel wat moed gaf. Er waren aanmoedigingen van Christer en Malin, van Andrei Zander en Harriët Vanger voor het komende gevecht met Serner en hij reageerde vechtlustiger dan hij in wezen was. Daarna keek hij zonder veel verwachtingen in Lisbeths Laatje. Toen klaarde zijn gezicht op. Ze had geantwoord. Voor het eerst in eeuwen had ze een teken van leven gegeven: Balders intelligentie is absoluut niet kunstmatig. Hoe staat het trouwens tegenwoordig met je eigen intelligentie? En wat gebeurt er, Blomkvist, als we een machine creëren die slimmer is dan wijzelf?

Mikael glimlachte en dacht terug aan de laatste keer dat ze elkaar hadden gesproken, bij een kop koffie in de Kaffebar in de St. Paulsgata. Daarom duurde het even voordat het tot hem doordrong dat haar boodschap twee vragen bevatte, waarvan de eerste een vriendschappelijke steek onder water was die helaas niet geheel ongegrond was. Wat hij de laatste tijd in Millennium had geschreven miste intelligentie en werkelijke nieuwswaarde. Zoals zoveel journalisten had hij alleen beproefde middelen en gemeenplaatsen gebruikt. Maar daar was niets meer aan te doen en Lisbeths tweede vraag, haar raadseltje, amuseerde hem meer, niet zozeer omdat het hem overdreven interesseerde als wel omdat hij iets gevats terug wilde schrijven.

Als we een machine creëren die slimmer is dan wijzelf, dacht hij, wat gebeurt er dan? Hij liep naar de keuken, maakte een fles bronwater open en ging aan de keukentafel zitten. Een verdieping onder hem hoestte mevrouw Gerner lelijk, en ver weg in de stad loeide een ambulance in de storm. Tja, beantwoordde hij zijn eigen vraag, dan krijgen we een machine die alle slimme dingen kan die wijzelf kunnen, plus nog een beetje meer, bijvoorbeeld ... Hij lachte hardop en begreep de strekking van de vraag: zo’n machine moest ook iets kunnen maken wat intelligenter was dan zichzelf, omdat wij dat ook konden, maar wat dan?

Natuurlijk kan die machine ook weer iets maken wat nog slimmer is, en de daaropvolgende ook weer, en de volgende en de volgende, en het duurt niet lang of de aanstichter van dat alles, de mens zelf, is voor de nieuwste robot net zo interessant als witte muizen. We staan op de rand van een oncontroleerbare intelligentie-explosie, net als in de Matrix-films.

Mikael liep grijnzend terug naar zijn computer en schreef: Als we zo’n machine creëren, krijgen we een wereld waarin zelfs Lisbeth Salander niet meer zo stoer is.

Toen zat hij een tijdje stil uit het raam te kijken, voor zover er iets te zien was in de sneeuwstorm. Af en toe wierp hij door de open deur een blik op Erika, die diep in slaap lag en geen weet had van machines die intelligenter worden dan de mens of zich daar op dit moment in elk geval niet om bekommerde. Toen pakte hij zijn telefoon.

Hij dacht dat die geluid had gemaakt, en inderdaad: er was een nieuw bericht ingesproken. Daar schrok hij van, al wist hij niet goed waarom. Maar afgezien van oude vriendinnen die dronken waren en met hem naar bed wilden, belden er ’s nachts alleen mensen met slecht nieuws, dus hij luisterde het bericht meteen af.

De stem op de voicemail klonk gestrest: Mijn naam is Frans Balder. Onbeschoft natuurlijk om zo laat te bellen. Mijn excuus daarvoor. Maar mijn situatie wordt een beetje kritiek, dat idee heb ik in elk geval, en nu hoorde ik dat u me zocht. Dat is ook toevallig! Er zijn een paar dingen die ik u toch al wilde vertellen, die u denk ik wel interesseren. Ik hoor graag zo gauw mogelijk van u. Ik heb het gevoel dat het haast heeft.

Vervolgens noemde hij een telefoonnummer en een mailadres. Mikael schreef ze op en bleef nog even zitten, terwijl hij met zijn vingers op het tafelblad trommelde.

 

Frans Balder lag in bed, nog steeds verhit en angstig. Toch was hij nu wel iets rustiger. De auto die zijn oprit op was gekomen bleek dan toch eindelijk de politiebewaking te zijn. Het waren twee mannen van in de veertig, een heel lange en een vrij kleine. Ze zagen er allebei een tikkeltje zelfgenoegzaam en dikdoenerig uit met hun ongeveer gelijksoortige korte, modieuze kapsel, maar ze gedroegen zich beleefd en boden keurig en respectvol hun excuses aan voor de vertraging.

‘We zijn door Milton Security en Gabriella Grane van de Säpo op de hoogte gebracht van de situatie,’ vertelden ze. Ze wisten dus al dat er een man met een petje en een donkere bril om het huis had gelopen en dat ze op hun hoede moesten zijn. Daarom sloegen ze het aanbod om in de keuken een kop warme thee te komen drinken af. Ze wilden het huis in de gaten houden, en Frans vond dat dat professioneel en verstandig klonk. Hij kreeg geen al te positieve indruk van hen, maar aan de andere kant ook geen al te negatieve. Hij had hun telefoonnummers gevraagd en was weer naar bed gegaan, naar August, die nog sliep, in elkaar gedoken, met zijn groene oordoppen in.

Maar natuurlijk kon Frans niet meteen weer in slaap komen. Hij luisterde naar geluiden in de storm. Na een tijdje ging hij rechtop zitten. Hij moest iets doen, anders werd hij gek. Hij luisterde naar zijn voicemail. Er waren twee berichten van Linus Brandell, die venijnig klonk maar tegelijk ook defensief, en eerst wilde hij zijn telefoon weer wegleggen. Hij had even geen zin in het gezeur van Linus.

Maar toen ving hij toch een paar interessante dingen op. Linus had gesproken met Mikael Blomkvist van het tijdschrift ­Millennium, en nu zocht die contact met hem. Frans verzonk in gedachten. ‘Mikael Blomkvist,’ mompelde hij. Zal hij mijn link met de wereld worden?

Frans Balder wist niet veel van het Zweedse journalistenkorps. Maar van Mikael Blomkvist had hij wel gehoord en voor zover hij wist was dat iemand die altijd diep doorgroef en niet toegaf aan pressie. Hij was misschien op zichzelf niet de juiste man voor deze zaak en Frans meende ook andere, minder vleiende dingen over hem gehoord te hebben, dus hij stond op en belde Gabriella Grane weer. Gabriella wist zo ongeveer alles over de media en ze had gezegd dat ze vannacht zou doorwerken.

Ze nam meteen op. ‘Hallo. Ik wilde net contact met je opnemen. Ik kijk nu naar die man op de bewakingscamera. We moeten je toch meteen ergens anders heen brengen.’

‘Maar verdorie, Gabriella, nu zijn die bewakers er net. Die zitten pal voor de deur.’

‘Die man hoeft niet per se door de hoofdingang te komen.’

‘Waarom zou hij überhaupt terugkomen? Hij zag eruit als een junk, zei die man van Milton.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van. Hij heeft een of ander doosje in zijn handen, iets technisch. We moeten het zekere voor het onzekere nemen.’

‘Morgen wil ik wel verkassen. Dat is misschien ook wel goed voor mijn zenuwen. Maar vannacht doe ik niks. Die agenten van je wekken een professionele indruk, redelijk professioneel althans.’

‘Ga je nu weer dwarsliggen?’

‘Inderdaad.’

‘Oké, dan zal ik ervoor zorgen dat Flinck en Blom overeind komen en over je perceel gaan lopen om het in de gaten te houden.’

‘Mooi, mooi, maar daar bel ik niet voor. Go public, raadde jij me aan, weet je nog?’

‘Ja ... Jazeker ... Dat is nu niet direct wat de veiligheidsdienst mensen normaal gesproken adviseert, hè, maar op zichzelf vind ik dat nog steeds een goed idee. Maar eerst zou ik graag willen dat je óns vertelt wat je weet. Ik begin een slecht gevoel te krijgen over dit alles.’

‘Daar hebben we het morgenvroeg wel over, als we allebei geslapen hebben. Maar wat vind je van Mikael Blomkvist van ­Millennium? Zou dat iemand zijn om mee te praten?’

Gabriella schoot in de lach.

‘Als je mijn collega’s een beroerte wilt bezorgen moet je dat beslist doen.’

‘Is het zo erg?’

‘Hier bij de Säpo mijden ze hem als de pest. “Als Mikael Blom­kvist voor je deur staat, weet je dat je hele jaar naar de klote is,” zeggen ze. Iedereen hier, inclusief Helena Kraft, zou het je ten zeerste afraden.’

‘Maar ik vraag het aan jou.’

‘Dan zeg ik dat het een goed idee is. Het is een verdomd goede journalist.’

‘Maar er was toch ook kritiek op hem?’

‘Absoluut. De laatste tijd zeggen ze dat hij passé is en niet positief of vlot genoeg schrijft of zoiets. Hij is een ouderwets degelijke onderzoeksjournalist. Heb je zijn gegevens?’

‘Die heeft mijn assistent me gegeven.’

‘Mooi. Super. Maar voordat je contact met hem opneemt, moet je het ons vertellen. Beloof je dat?’

‘Ik beloof het, Gabriella. Nu ga ik een paar uur slapen.’

‘Doe dat, dan hou ik contact met Flinck en Blom, en regel ik een veilig adres voor je voor morgen.’

Toen hij had opgehangen probeerde hij weer tot rust te komen. Maar dat lukte nog steeds niet helemaal, en door het slechte weer haalde hij zich van alles in ’t hoofd. Het leek alsof er vanaf de zee iets naar hem toe kwam en ongewild luisterde hij gespannen naar alle afwijkende geluiden om hem heen, en na enige tijd werd hij steeds rustelozer en ongeruster.

Hij had Gabriella beloofd dat hij eerst met haar zou praten, maar nu had hij het gevoel dat niets meer kon wachten. Alles wat hij al zo lang had opgekropt, beukte om eruit te komen, ook al besefte hij dat dat irrationeel was. Niets was zo acuut. Het was midden in de nacht en ondanks wat Gabriella had gezegd mocht hij aannemen dat hij nu veiliger was dan hij in lange tijd was geweest. Hij had politiebewaking en een eersteklas alarm. Maar dat maakte zijn gevoel van urgentie niet minder. Koortsachtig zocht hij het nummer dat Linus hem had gegeven, en hij belde het, maar natuurlijk nam Blomkvist niet op.

Waarom zou hij ook? Het was veel te laat, dus Frans sprak een boodschap in, wat geforceerd fluisterend om August niet wakker te maken. Toen deed hij het lampje op het nachtkastje aan zijn kant aan. Hij keek even op het boekenplankje rechts van het bed. Daar stond wat lectuur die niets met zijn werk te maken had, en verstrooid en rusteloos bladerde hij door een oude roman van Stephen King, Dodenwake. Maar toen moest hij nog meer denken aan griezelige figuren die bij nacht en ontij onderweg waren. Hij bleef lang met het boek in zijn hand staan en in die tijd gebeurde er iets met hem. Hij kreeg een idee, een intens gevoel van gevaar, dat hij bij daglicht wellicht als onzin had afgedaan, maar dat op dit moment heel reëel leek, en opeens had hij zin om met Farah Sharif te praten of misschien nog liever met Steven Warburton in Los Angeles, die nu ongetwijfeld wakker was, en terwijl hij daarover nadacht en zich allerlei onplezierige scenario’s voorstelde, keek hij naar de zee en de nacht en de onstuimig langs de lucht voortjagende wolken. Op dat moment rinkelde zijn telefoon, alsof die zijn wens had gehoord. Maar het was natuurlijk niet Farah of Steven.

‘Met Mikael Blomkvist,’ zei een stem. ‘U wilde me spreken.’

‘Inderdaad. Neem me niet kwalijk dat ik zo laat belde.’

‘Geeft niet. Ik lag toch wakker.’

‘Ik ook. Hebt u nu tijd?’

‘Jazeker. Ik heb net een mailtje beantwoord van iemand die we geloof ik allebei kennen. Ze heet Salander.’

‘Hoe?’

‘Sorry, misschien heb ik het verkeerd begrepen. Maar ik meende te weten dat u haar had ingeschakeld om uw computers te checken op verdachte indringers.’

Frans schoot in de lach.

‘O god, ja, dat is een speciaal mens,’ zei hij. ‘Maar ze heeft me nooit haar achternaam verteld, hoewel we een tijdlang vrij veel contact hadden. Ik nam aan dat ze daar zo haar redenen voor had en ik heb er nooit op aangedrongen. Ik heb haar ontmoet bij een van mijn lezingen op de Koninklijke Technische Hogeschool. Daar vertel ik u graag later meer over; het was echt verbluffend. Maar wat ik wilde vragen was ... ja, u vindt het vast een belachelijk idee.’

‘Soms ben ik dol op belachelijke ideeën.’

‘U hebt zeker geen zin om hier nu meteen naartoe te komen? Dat zou ik heel erg waarderen. Ik zit met een verhaal dat volgens mij nogal explosief is. Ik wil wel een taxi heen en terug voor u betalen.’

‘Heel aardig van u, maar wij nemen onze onkosten altijd zelf voor onze rekening. Waarom moeten we nu, midden in de nacht, praten?’

‘Omdat ...’ Frans aarzelde. ‘Omdat ik het gevoel heb dat het haast heeft, of eigenlijk is het meer dan een gevoel. Ik heb net gehoord dat ik in gevaar ben en een paar uur geleden heeft er hier iemand om mijn huis heen lopen snuffelen. Ik ben bang, eerlijk gezegd, en ik wil mijn verhaal kwijt. Ik wil niet langer de enige zijn die alles weet.’

‘Oké.’

‘Hoezo oké?’

‘Ik kom eraan – als ik een auto kan regelen.’

Frans gaf hem het adres en hing op. Daarna belde hij professor Steven Warburton in Los Angeles. Hij sprak een minuut of twintig, dertig geconcentreerd en intensief met hem over een beveiligde lijn. Daarna trok hij een spijkerbroek en een zwarte kasjmieren polo aan en ging een fles Amarone halen, voor het geval dat Mikael Blom­kvist zin had in zoiets lekkers. Maar hij kwam niet verder dan de deur. Hij schrok.

Hij meende een beweging te hebben gezien, iets wat voorbijfladderde, en nerveus keek hij naar de steiger en de zee. Maar hij zag niets. Het was hetzelfde verlaten, door de storm geteisterde uitzicht als eerder, dus hij deed het af als verbeelding, een product van zijn zenuwachtige stemming. Dat probeerde hij althans. Hij ging de slaapkamer uit en liep langs het grote raam om naar de eerste verdieping te gaan. Maar toen overviel de angst hem weer. Hij draaide zich snel om en deze keer ontwaarde hij echt iemand bij het huis van de buren, van Cedervall.

Er snelde iemand voorbij, daar in de schaduw van de bomen, en hoewel Frans de persoon niet erg lang had gezien, kon hij wel vaststellen dat het een sterke man was, met een rugzak, in donkere kleren. De man rende voorovergebogen en zijn bewegingen hadden iets professioneels, alsof hij al vaak zo had gerend, in een oorlog ergens ver weg of zo; ze leken effectief, getraind en deden Frans denken aan thrillers, en misschien duurde het daardoor een paar seconden voordat hij zijn mobiele telefoon uit zijn zak had gehaald en had uitgemaakt welke nummers in de lijst van de politiemannen voor zijn huis waren.

Hij had ze nog niet in zijn contactenlijst gezet, maar hen alleen opgebeld om de nummers op zijn display te krijgen en nu werd hij onzeker. Welke waren nou toch van hen? Hij wist het niet, en met trillende handen probeerde hij een nummer waarvan hij dacht dat het er een was. Eerst werd er niet opgenomen. Drie, vier keer ging de telefoon over voordat een stem hijgde: ‘Met Blom. Wat is er aan de hand?’

‘Ik zag een man tussen de bomen bij het huis van de buren rennen. Ik weet niet waar hij nu is. Maar hij zou best eens bij jullie op de weg kunnen zijn.’

‘Oké, we gaan even kijken.’

‘Hij zag er ...’ vervolgde Frans.

‘Ja?’

‘Ik weet het niet ... snel uit.’

 

Dan Flinck en Peter Blom zaten in de politiewagen over hun jonge collega Anna Berzelius te praten en over de omvang van haar kont. Peter en Dan waren allebei net gescheiden.

De scheidingen waren aanvankelijk heel pijnlijk geweest. Ze hadden allebei kleine kinderen, een vrouw die zich in de steek gelaten voelde en schoonouders die hen in wisselende bewoordingen voor onverantwoordelijke klootzakken hadden uitgemaakt. Maar toen het allemaal wat tot bedaren was gekomen, de zorg voor de kinderen was geregeld en ze een nieuw, zij het pretentieloos huis hadden, waren ze allebei tot dezelfde conclusie gekomen: ze hadden het vrijgezellenleven gemist. De laatste tijd hadden ze in hun kinderloze weken gefeest als nooit tevoren en daarna namen ze, net als in hun tienerjaren, alle details van de avond door; ze beoordeelden de vrouwen die ze hadden gezien van top tot teen en recenseerden zorgvuldig hun lichaam en hun kwaliteiten in bed. Maar deze keer hadden ze zich nog niet zo lang in de billen van Anna Berzelius kunnen verdiepen als ze wel hadden gewild.

Peters mobieltje ging over, en ze schrokken er allebei van, voor een deel doordat Peter pas een nogal extreme uitvoering van Satisfaction als ringtone had gekozen, maar vooral omdat de nacht, de storm en de eenzaamheid hier hen nogal schrikachtig maakten. Bovendien had Peter zijn telefoon in zijn broekzak en omdat zijn broek nogal krap zat – het uitgaansleven had zijn buik wat doen opzwellen – duurde het even voordat hij hem te pakken had. Toen hij ophing, zag hij er bezorgd uit.

‘Wat was er?’

‘Balder heeft een man gezien, een snel type blijkbaar.’

‘Waar?’

‘Daarbeneden bij de bomen bij het huis van de buren. Maar waarschijnlijk komt hij hierheen.’

Peter en Dan stapten uit en weer sneed de kou door hen heen. Ze waren deze lange avond en nacht al vaak uitgestapt, maar ze hadden nog niet eerder zo gehuiverd. Even bleven ze staan en keken ze willekeurig naar links en rechts. Toen nam Peter, de langste, het commando en zei tegen Dan dat hij hier bij de weg moest blijven, terwijl hij zelf naar de waterkant zou gaan.

Er liep een laantje met pas geplante bomen over een helling naar beneden langs een houten schutting. Er was sneeuw gevallen en het was glad, en onder aan de helling lag de zee, de Baggensfjärd, dacht Peter, en eigenlijk was het gek dat het water niet was bevroren. Misschien was de golfslag daarvoor te hevig. De storm ging waanzinnig tekeer en Peter vervloekte de wind, de nachtdienst die hem afmatte en zijn schoonheidsslaapje bedierf. Toch probeerde hij zijn werk te doen. Misschien niet van harte, maar toch.

Hij luisterde naar geluiden en keek om zich heen. Aanvankelijk viel hem niets bijzonders op. Maar het was ook donker. Op het hele terrein brandde slechts één lamp, vlak bij de steiger. Hij liep naar beneden, langs een grijze of groene tuinstoel die in de storm rondvloog en het volgende moment zag hij Frans Balder achter de grote ruiten.

Balder stond achter in het huis, over een groot bed gebogen, in een stramme houding. Misschien trok hij het dekbed goed; dat was niet duidelijk. Hij leek bezig te zijn met een kleinigheid bij het bed. Peter maakte zich er niet druk om. Hij moest hierbuiten opletten. Toch was er iets in Balders lichaamstaal wat hem fascineerde, en hij verloor een paar seconden zijn concentratie. Toen werd hij teruggezogen in de realiteit.

Hij had opeens het ijzige gevoel dat iemand hem bekeek. Hij draaide zich snel om en zijn blik dwaalde wild rond. Aanvankelijk zag hij niets, en hij begon net rustiger te worden toen hij twee dingen in één keer waarnam: een plotselinge beweging bij de glanzende verzinkte vuilnisbakken bij de schutting en het geluid van een auto boven, op de weg. De auto stopte en er ging een portier open.

Geen van beide was op zichzelf opmerkelijk. De beweging bij de vuilnisbakken kon best van een dier afkomstig zijn geweest en natuurlijk konden er ook zo laat in de nacht auto’s aankomen. Toch spande Peter al zijn spieren en even bleef hij staan, niet goed wetend wat te doen. Toen hoorde hij Dans stem: ‘Er komt iemand aan!’

Peter verroerde zich niet. Hij voelde zich bekeken, en haast onbewust peuterde hij aan het dienstwapen op zijn heup. Opeens dacht hij aan zijn moeder, en aan zijn ex en zijn kinderen, alsof er iets ergs zou gaan gebeuren. Maar langer kon hij er niet over nadenken.

Dan schreeuwde weer, en nu klonk hij wanhopig: ‘Politie! Blijf staan verdomme!’ Nu rende Peter naar de weg, hoewel het hem zelfs op dat moment geen voor de hand liggende keus leek. Hij kon zich niet aan de gedachte onttrekken dat hij daar bij de vuilnisbakken iets onaangenaams, iets dreigends achterliet. Maar als zijn collega zo schreeuwde, had hij geen keus, nietwaar, en stiekem was hij opgelucht. Hij was banger geweest dan hij wilde toegeven, dus hij stormde eropaf en bereikte struikelend de weg.

Verderop liep Dan achter een waggelende man met een brede rug in veel te dunne kleren aan en hoewel Peter bedacht dat deze figuur niet direct als ‘een snel type’ kon worden omschreven, rende hij achter hen aan, en even later kregen ze hem bij een greppel te pakken, vlak bij een paar brievenbussen en een lampje dat het hele spektakel met een mat licht bescheen.

‘Wie ben jij verdomme?’ vroeg Dan verbazend agressief – hij was misschien ook bang geweest – en toen keek de man hen verward en angstig aan. Hij had geen muts op en de rijp stond op zijn stoppelbaard en zijn haar. Hij had het zichtbaar koud en was er over het algemeen beroerd aan toe. Maar bovenal had zijn gezicht iets heel bekends.

Peter dacht even dat hij een bekende, gezochte schurk had gegrepen en beleefde enkele momenten van trots.

 

Frans Balder was teruggegaan naar de slaapkamer en had August ingestopt, misschien wel om hem onder het dekbed te verstoppen als er iets zou gebeuren. Toen kwam er uit het niets een gedachte in hem op die te maken had met het gevoel van gevaar dat hij net had ervaren en dat nog was versterkt door het gesprek met Steven Warburton. Eerst deed hij het af als iets ontzettend doms, wat zich alleen maar midden in de nacht kon voordoen, als je brein vertroebeld werd door opwinding en angst.

Maar vervolgens bedacht hij dat het eigenlijk geen nieuw idee was, maar dat het al in talloze slapeloze nachten in Amerika in zijn onderbewustzijn had liggen rijpen, dus hij pakte zijn laptop, zijn eigen kleine supercomputer, die verbonden was met een heleboel andere apparaten om voldoende capaciteit te hebben voor zijn AI-programma, waar hij zijn hele leven aan gewijd had, en toen ... Hij moest wel ...

Zonder er goed en wel over na te denken wiste hij domweg alle bestanden en back-ups. Hij voelde zich een kwade god die een leven beëindigde, en misschien was dat ook wel precies wat hij deed – wie kon het zeggen, hijzelf zeker niet. Even bleef hij zitten en vroeg zich af of hij in zou storten van spijt en berouw. Met het indrukken van een paar toetsen was zijn levenswerk verdwenen.

Maar eigenaardig genoeg werd hij juist rustiger, alsof hij zich nu tenminste op één punt had beschermd. Hij stond op en keek weer naar de nacht en het noodweer. Toen ging de telefoon. Het was Dan Flinck, de andere politieman.

‘Ik wilde even zeggen dat we de man hebben opgepakt die u zag,’ zei hij. ‘U kunt dus weer gerust zijn. We hebben de situatie onder controle.’

‘Wie is het?’ vroeg Frans.

‘Dat kan ik niet zeggen. Hij is stomdronken en we moeten hem eerst tot bedaren brengen. Ik wilde het alleen even doorgeven. We melden ons straks weer.’

Frans legde de telefoon op het nachtkastje naast zijn laptop en probeerde zichzelf op te peppen. De man was opgepakt en zijn onderzoek kon dus niet in verkeerde handen vallen. Toch hielp het niet. Eerst begreep hij niet waarom, maar toen drong het tot hem door: dat van die dronkenschap klopte niet. De man die tussen de bomen door sprintte, was allesbehalve dronken.

 

Het duurde een paar minuutjes voordat Peter Blom besefte dat ze helemaal geen beruchte, gezochte misdadiger hadden gegrepen, maar de acteur Lasse Westman, die wel vaak een bandiet of een afperser speelde op tv, maar voor wie nu niet bepaald een opsporingsbevel gold, en van die wetenschap werd Peter niet direct geruster. Niet alleen omdat hij weer het gevoel had dat het een vergissing was geweest om bij de bomen en de vuilnisbakken daarbeneden weg te gaan, maar ook omdat hij meteen begreep dat dit voorval tot schandalen en krantenkoppen zou kunnen leiden.

Hij wist niet veel van Lasse Westman, maar wel dat hij maar al te vaak in de roddelbladen stond, en de acteur zag er niet direct vrolijk uit. Hij stonk en vloekte en probeerde overeind te komen, en Peter probeerde te begrijpen wat die vent hier in vredesnaam midden in de nacht te zoeken had.

‘Woont u hier?’ vroeg hij.

‘Ik voel er geen ruk voor om jou ook maar iets te vertellen,’ snauwde Lasse Westman, waarop Peter zich omdraaide naar Dan om erachter te komen hoe dit hele drama was ontstaan.

Maar Dan stond een eindje verderop al te bellen, waarschijnlijk met Balder. Hij wilde laten zien hoe goed hij was en vertellen dat ze de verdachte hadden opgepakt, als het tenminste de verdachte was.

‘Wat doet u hier op het terrein van professor Balder?’ vervolgde Peter.

‘Hoorde je niet wat ik zei? Ik zeg geen ruk tegen jullie. Verdomme nog aan toe, ik loop hier volkomen vreedzaam rond en dan komt die idioot en begint met een pistool te zwaaien. Schandalig. Weten jullie wel wie ik ben?’

‘Ik weet wie u bent en als we iets verkeerd hebben gedaan bied ik u daarvoor mijn excuses aan. Er komt vast nog wel een gelegenheid om daarover door te praten. Maar we hebben hier op dit moment een uiterst gespannen situatie en ik wil dat u onmiddellijk vertelt wat u bij professor Balder te zoeken had. Nee, nee, nu niet proberen ervandoor te gaan!’

Lasse Westman was eindelijk overeind gekrabbeld en probeerde er waarschijnlijk helemaal niet vandoor te gaan; hij had gewoon moeite zijn evenwicht te bewaren. Hij schraapte zijn keel een beetje melodramatisch en spuugde voor zich op de grond. De fluim kwam niet ver, maar vloog als een projectiel terug en bevroor op zijn wang.

‘Zal ik je eens wat vertellen?’ zei hij, terwijl hij zijn gezicht schoonveegde.

‘Nou?’

‘Ik ben hier niet de schurk.’

Peter keek ongerust naar het water en het bomenlaantje en vroeg zich opnieuw af wat hij daar had gezien. Toch bleef hij staan, als verlamd door de absurde situatie.

‘Wie dan wel?’

‘Balder.’

‘Waarom?’

‘Hij heeft de zoon van mijn vriendin meegenomen.’

‘En waarom zou hij dat hebben gedaan?’

‘Dat moet je mij niet vragen. Vraag het dat computergenie daar maar! Die zak heeft helemaal niet het recht om hem te hebben,’ zei Lasse Westman, en hij rommelde wat aan de binnenzak van zijn jas alsof hij iets zocht.

‘Hij heeft daar geen kind, hoor, als u dat denkt,’ zei Peter.

‘Jazeker heeft hij daar een kind, verdomme.’

‘Echt waar?’

‘Echt waar!’

‘En nu had u bedacht om hier midden in de nacht en ladderzat heen te komen om het kind te halen,’ vervolgde Peter, en hij wilde nog iets zeggen, maar dat werd verhinderd door een geluid, een zacht rinkelend geluid van de kant van het water.

‘Wat was dat?’ vroeg hij.

‘Wat?’ vroeg Dan, die nu weer naast hem stond en die niets leek te hebben gehoord. Het was ook geen erg hard geluid geweest, hiervandaan niet tenminste.

Toch kreeg Peter er de rillingen van, net zo’n gevoel als zo-even bij de bomen en de vuilnisbakken. Hij wilde ernaartoe lopen, maar aarzelde weer. Misschien was hij bang, misschien gewoon besluiteloos en incompetent, hij wist het niet, maar hij keek ongerust om zich heen. En toen hoorde hij nog een auto aankomen.

Het was een taxi, die langs hen heen reed en bij Frans Balder voor het huis stopte. Dat gaf Peter een excuus om op de weg te blijven staan. Terwijl de chauffeur en zijn klant de betaling regelden, wierp hij nog een keer een ongeruste blik op het water, en daar meende hij weer iets te horen, ook al geen geruststellend geluid.

Maar hij wist het niet zeker en nu ging het portier open en er stapte een man uit die Peter na een kortstondige verwarring herkende als de journalist Mikael Blomkvist. Kwamen alle bekende Zweden nu verdomme midden in de nacht hierheen?