2
20 november
Mikael Blomkvist had maar een paar uur geslapen, enkel en alleen doordat hij een thriller van Elizabeth George had liggen lezen. Dat was natuurlijk niet erg slim. Deze ochtend zou krantengoeroe Ove Levin van Serner Media een nieuw plan van aanpak voor Millennium bekendmaken, en dan moest Mikael eigenlijk uitgerust en strijdvaardig zijn.
Maar hij had geen zin om verstandig te zijn. Hij was in een algeheel tegendraadse bui, stond met tegenzin op en maakte een extra sterke cappuccino op zijn Jura Impressa X7, een apparaat dat hem een keer was bezorgd met de begeleidende tekst ‘Ik kan er volgens jou toch niet mee omgaan’, maar dat nu nog slechts als een herinnering aan betere tijden in de keuken stond. Hij had geen contact meer met de gever en hij vond zijn werk ook al niet meer erg stimulerend.
Het afgelopen weekend had hij er zelfs over nagedacht of hij niet iets anders moest gaan zoeken, en dat was een heel radicaal idee voor een man als Mikael Blomkvist. Millennium was zijn leven, zijn passie; en het beste en meest dramatische wat hem ooit was overkomen, had alles te maken met dat tijdschrift. Maar niets duurt eeuwig, zelfs de liefde voor Millennium misschien niet, en daar kwam bij dat het geen gunstige tijd was voor tijdschriften op het gebied van onderzoeksjournalistiek. Alle bladen met ambitie bloedden dood. Zijn eigen visie op Millennium mocht vanuit een soort edel perspectief dan wel mooi en waarachtig zijn, bedacht hij, maar daar kon het blad ook niet op overleven.
Hij liep naar de woonkamer, nipte van zijn koffie en keek uit over de Riddarfjärd. Het stormde hevig. De Indian summer die de stad tot diep in oktober had verwend en de terrassen veel langer dan anders in bedrijf had gehouden was omgeslagen in een abominabel weertype vol windstoten en wolkbreuken, waardoor de mensen zich voorovergebogen door de straten haastten. Mikael was het hele weekend niet buiten geweest, al kwam dat niet alleen door het weer. Hij had grootse plannen voor een revanche, maar die waren allemaal verzand. Dat was geen van beide iets voor hem.
Hij was geen op wraak beluste underdog en in tegenstelling tot andere mastodonten in de Zweedse mediawereld had hij geen last van een opgeblazen ego dat voortdurend moest worden gestreeld en bevestigd. Aan de andere kant waren de laatste jaren lastig geweest en minder dan een maand geleden had de economisch journalist William Borg in de Serner-krant Business Life een column geschreven met als kop tijd van mikael blomkvist voorbij.
Het simpele feit dat dit stuk was geschreven en dat het zo groot werd gebracht gaf al aan dat Blomkvists positie nog sterk was en de column was ook niet bepaald goed geschreven of origineel. Hij had rustig kunnen worden afgedaan als een aanval van een jaloerse collega. Maar om de een of andere, achteraf niet geheel navolgbare reden groeide het artikel uit tot iets groters, iets wat in het begin kon worden beschouwd als een discussie over de onderzoeksjournalistiek als vak: moest je ‘de hele tijd op zoek zijn naar dingen die fout gaan in het bedrijfsleven, zoals Blomkvist, en blijven hangen in een achterhaalde jarenzeventigjournalistiek’ of moest je, zoals William Borg zelf, ‘al je jaloezie overboord zetten en de klasse erkennen van de succesvolle ondernemers die Zweden groot hebben gemaakt’.
Langzaam maar zeker liep het debat echter uit de hand en boze tongen beweerden dat het geen toeval was dat Blomkvist de afgelopen jaren had stilgestaan, ‘want hij lijkt ervan uit te gaan dat alle grote concerns geleid worden door schurken’ en dat hij zijn stukken daarom ‘te hard en te ver doorvoert’. Dat wreekt zich op den duur, werd er gezegd. Zelfs de aartsschurk Hans-Erik Wennerström, die naar men zei door Blomkvist de dood in was gejaagd, kon in deze aanval op enige sympathie rekenen. Hoewel de serieuze bladen zich buiten deze discussie hielden, stonden de social media bol van de scheldpartijen – en die kwamen niet alleen van economisch journalisten en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, die allemaal wel een reden hadden om zich op hun vijand te storten nu hij zwak leek. Ook een hele serie jongere prulschrijvers greep de kans om zich te profileren. Ze betoogden dat Mikael Blomkvist niet modern was, niet twitterde of facebookte en een relikwie uit het verleden was, toen er nog geld werd betaald om allerlei rare, stoffige stapels papier door te ploegen. Of ze maakten gewoon van de gelegenheid gebruik om grappige hashtags als #uitdetijdvanblomkvist en dergelijke te bedenken. Het was al met al een stortvloed aan stupiditeiten, waarover niemand zich minder druk maakte dan hijzelf; dat verbeeldde hij zich althans.
Aan de andere kant hielp het ook niet echt dat hij geen goed verhaal meer had gehad sinds de affaire-Zalachenko en dat Millennium een crisis doormaakte. De oplage was nog steeds redelijk – eenentwintigduizend abonnees –, maar de advertentie-inkomsten liepen dramatisch terug en er kwamen ook geen extra revenuen meer uit succesvolle boeken. Omdat mede-eigenaar Harriët Vanger niet meer kapitaal kon investeren, had de directie van Millennium er tegen Mikaels zin mee ingestemd dat het Noorse krantenimperium Serner dertig procent van de aandelen kocht. Dat was niet zo merkwaardig als het leek, aanvankelijk tenminste. Serner was uitgever van serieuze weekbladen en roddelbladen, bezat een grote datingsite, twee betaaltelevisiezenders en een voetbalclub die uitkwam in de hoogste divisie in Noorwegen: een bedrijf waar een tijdschrift als Millennium totaal niet bij thuishoorde.
Maar de mensen van Serner, met mediadirecteur Ove Levin voorop, hadden verzekerd dat het concern behoefte had aan een prestigeproduct en dat ‘iedereen’ in de directie bewondering had voor Millennium en niets liever wilde dan dat het blad gewoon op de oude voet doorging. ‘We zijn hier niet om geld te verdienen! We willen belangrijk zijn,’ had Levin gezegd, en het duurde niet lang of hij zorgde ervoor dat het blad een aanzienlijke financiële injectie kreeg.
Aanvankelijk bemoeide Serner zich ook niet met het redactionele beleid. Het was business as usual, maar dan met iets meer geld, en er ontstond een nieuw gevoel van hoop op de redactie, zelfs bij Mikael Blomkvist, die merkte dat hij zich eindelijk weer eens aan de journalistiek kon wijden in plaats van aan de financiën. Maar net toen de aanvallen tegen hem begonnen – hij kon zich niet aan de indruk onttrekken dat het concern daarvan profiteerde –, veranderde de toon en kwam de eerste kritiek.
Natuurlijk, zei Levin, moest het blad doorgaan met zijn diepteonderzoek, zijn literaire beschouwingen, zijn sociale betrokkenheid en zo. Maar alle stukken hoefden toch niet over financiële onregelmatigheden, onrechtvaardigheden en politieke schandalen te gaan? Over de glamourwereld – beroemdheden en premières – was ook uitstekende journalistiek te maken, zei hij, en hij praatte bevlogen over Vanity Fair en Esquire in Amerika, over Gay Talese en zijn klassieke portret van Sinatra, ‘Frank Sinatra Has a Cold’, over Norman Mailer en Truman Capote, over Tom Wolfe en God weet wat allemaal.
Mikael Blomkvist had er eigenlijk niet veel tegen in te brengen, toen. Nog maar een halfjaar geleden had hij zelf een lang artikel geschreven over de paparazzi-industrie en als hij maar een goede invalshoek had, kon hij iedere sukkel portretteren. Niet het onderwerp bepaalt of iets goede journalistiek is, zei hij zelf ook altijd. Het gaat erom wat je ermee doet. Nee, waar hij bezwaar tegen maakte, was wat hij tussen de regels door vermoedde: dat dit het begin van een grotere aanval was en dat Millennium op het punt stond een doorsnee-uitgave te worden voor het concern, dat wil zeggen een blad waar je net zo lang aan kon sleutelen tot het rendabel was – en verwaterd.
Toen hij hoorde dat Ove Levin een adviseur had aangesteld en allerlei marktonderzoeken had laten uitvoeren en dat hij daar maandag verslag van zou doen, was Mikael vrijdagmiddag dan ook, duidelijk zichtbaar voor iedereen, naar huis gegaan. Hij had een hele tijd, achter zijn bureau en in bed, argumenten bedacht waarom Millennium aan zijn eigen visie moest vasthouden. Er zijn rellen in de voorsteden. Er zit een openlijk xenofobe partij in de Rijksdag. De intolerantie neemt toe. Het fascisme ligt op de loer. Overal zijn daklozen en bedelaars. Zweden is in veel opzichten een beschamend land geworden. Hij formuleerde een heleboel mooie, plechtige zinnen en fantaseerde over grote triomfen waarbij hij zoveel rake en overtuigende dingen zei dat de redactie en zelfs het hele Serner-concern wakker geschud werd en als één man besloot hem te volgen.
Maar toen zijn gezonde verstand terugkwam, besefte hij hoe weinig zulke woorden voorstellen als niemand er financieel in gelooft. Money talks, bullshit walks en zo. Eerst moest het tijdschrift rendabel zijn. Daarna mocht het de wereld veranderen. Zo werkte het, en in plaats van boze toespraken voor te bereiden begon hij zich af te vragen of hij niet met een goed verhaal kon komen. Het vooruitzicht van een belangrijke onthulling zou de redactie zelfvertrouwen geven en maken dat niemand zich iets aan zou trekken van Levins onderzoeken over de achterhaaldheid van Millennium of zijn toekomstprognoses of wat hij hun ook maar aan wilde praten.
Sinds zijn grote scoop was Blomkvist een soort nieuwscentrale. Elke dag kreeg hij tips over onregelmatigheden en duistere praktijken. De meeste, moest hij toegeven, waren waardeloos. Betweters, complottheoretici, leugenaars en dikdoeners met uitzinnige verhalen die na een eerste oppervlakkig onderzoek al niet standhielden of in elk geval niet interessant genoeg waren voor een artikel. Soms ging er echter iets heel banaals of alledaags achter een uniek verhaal schuil. Achter een simpele verzekeringsclaim of een aangifte van vermissing kon een groot algemeen menselijk verhaal zitten. Dat wist je nooit zeker. Je moest het allemaal systematisch en onbevooroordeeld onderzoeken. Dus op zaterdagochtend was hij achter zijn laptop en zijn notitieboekjes gaan zitten om door te nemen wat hij had.
Dat hield hij vol tot vijf uur ’s middags, maar hij vond alleen dingen die hem tien jaar geleden nog in de benen hadden gekregen, maar waar hij nu niet meteen enthousiast van werd. Een klassiek probleem; dat wist hij als geen ander. Als je een paar decennia in de journalistiek hebt gewerkt, komt het meeste je bekend voor en ook al begrijp je puur verstandelijk dat iets een goed verhaal kan opleveren, je gaat er toch niet mee door. En terwijl een nieuwe ijskoude stortbui de daken geselde, stopte hij met werken en ging hij Elizabeth George lezen.
Dat was niet alleen maar escapisme, hield hij zichzelf voor. Soms komen de beste ideeën terwijl je uitrust, was zijn ervaring. Als je met iets heel anders bezig bent, vallen de puzzelstukjes soms zomaar op hun plaats. Maar andere constructieve gedachten dan dat hij vaker met een goed boek op zijn bed moest gaan liggen kwamen niet in hem op, en toen de maandagochtend arriveerde met nog meer guur weer had hij anderhalve George gelezen plus drie oude nummers van The New Yorker die nog op zijn nachtkastje slingerden.
Nu zat hij dus met zijn cappuccino in de woonkamer naar het noodweer buiten te kijken. Hij was moe en voelde zich uitgerangeerd, maar toen, met een ruk, alsof hij opeens had besloten weer daadkrachtig te zijn, stond hij op. Hij trok een paar stevige schoenen en zijn winterjas aan en ging de deur uit. Het was extreem guur weer.
IJskoude windstoten en regen sneden door hem heen en hij haastte zich naar de Hornsgata, die er ongewoon grauw bij lag. Heel Södermalm leek beroofd van kleur. Er dwarrelde zelfs geen fonkelend herfstblaadje in de lucht. Met zijn hoofd omlaag en zijn armen kruiselings over zijn borst liep hij langs de Maria Magdalenakerk naar Slussen en sloeg toen af naar de Götgatsbacke. Tussen modeboutique Monki en café Indigo ging hij naar binnen en liep hij de trap op naar de vierde verdieping, waar Millennium zat, recht tegenover het kantoor van Greenpeace. Al in het trappenhuis hoorde hij geroezemoes.
Er waren al heel veel mensen: de hele redactie, de voornaamste freelancers en drie mensen van Serner: twee adviseurs en Ove Levin, die voor deze gelegenheid iets informelers had aangetrokken. Hij zag er niet meer uit als een directeur en had zich blijkbaar ook een wat meer familiair taalgebruik aangemeten.
‘Ha die Micke, hoe gaat ie?’
‘Dat hangt van jou af,’ antwoordde Mikael, eigenlijk zonder dat hij het kwaad bedoelde. Maar hij merkte dat het werd opgevat als een oorlogsverklaring, knikte stijfjes, liep door en ging op een van de stoelen op de redactie zitten die rond een spreekgestoelte waren neergezet.
Ove Levin schraapte zijn keel en keek nerveus naar Mikael Blomkvist. De sterreporter die bij het binnenkomen nog zo strijdlustig leek, zag er nu beleefd geïnteresseerd uit en wekte niet de indruk uit te zijn op ruzie of discussie. Maar dat stelde Ove absoluut niet gerust. Blomkvist en hij hadden ooit samen stage gelopen bij Expressen. Toen schreven ze vooral korte berichten en een hoop onzin. Maar na werktijd, in het café, droomden ze urenlang van grote reportages en onthullingen, en zeiden ze tegen elkaar dat ze nooit genoegen zouden nemen met conventionaliteit of oppervlakkigheid, maar altijd dieper zouden graven. Ze waren jong en ambitieus en wilden alles tegelijk. Ove miste die tijd af en toe; niet het salaris of de werktijden natuurlijk en zelfs niet de vrije uren in bars of met meisjes, maar wel de dromen – de kracht daarvan. Hij verlangde weleens naar die vurige behoefte om de samenleving en de journalistiek te veranderen en zo te schrijven dat de wereld even stilstond en het gezag terugdeinsde; en vanzelfsprekend – dat was onvermijdelijk, zelfs voor een hotshot als hijzelf – vroeg hij zich soms af: Wat was er van al die dingen terechtgekomen? Waar waren die dromen gebleven?
Micke Blomkvist maakte ze wel allemaal waar, en niet alleen omdat hij de man achter enkele van de grootste onthullingen van deze tijd was. Hij schreef ook echt met de kracht en passie waarover ze toen fantaseerden, hij gaf nooit toe aan druk van bovenaf en deed nooit concessies aan zijn idealen, terwijl Ove zelf ... terwijl hij ... Maar eigenlijk was hij degene die carrière had gemaakt, toch? Tegenwoordig verdiende hij minstens tien keer zoveel als Blomkvist en daar genoot hij enorm van. Wat had Micke aan zijn scoop als hij er niet eens een fraaier buitenhuis van kon kopen dan dat optrekje van hem in Sandhamn? God, wat stelde dat kot voor vergeleken met Oves eigen nieuwe huis in Cannes? Niets! Nee, dan was hij, ja hij, toch degene die de juiste weg had genomen.
In plaats van in de dagbladjournalistiek te blijven hangen had Ove een baan als media-analyticus bij Serner gekregen en een persoonlijke band met Haakon Serner zelf ontwikkeld, en dat had zijn leven veranderd en hem rijk gemaakt. Momenteel was hij de hoogste mediadirecteur van een hele serie krantenbedrijven en televisiezenders, en dat vond hij heerlijk. Hij hield van macht, geld en alles wat daarbij hoorde, maar toch ... hij was grootmoedig genoeg om toe te geven dat hij soms ook van dat andere droomde, in beperkte mate weliswaar, maar toch. Hij wilde ook graag een goed schrijver worden gevonden, net als Blomkvist, en dat was waarschijnlijk de reden dat hij er zo voor had geijverd dat Serner Millennium zou overnemen. Een vogeltje had hem in het oor gefluisterd dat het tijdschrift in financiële problemen verkeerde en dat hoofdredacteur Erika Berger, op wie hij stiekem altijd al een oogje had gehad, haar twee meest recente aanwinsten, Sofie Melker en Emil Grandén, in dienst wilde houden, en dat zou vrijwel onmogelijk zijn als het blad geen kapitaalinjectie kreeg.
Om kort te gaan: Ove had een onverwachte mogelijkheid gezien om zich in te kopen in een van de grootste prestigebladen van de Zweedse mediawereld. Maar de directie van Serner was niet bepaald enthousiast geweest. Integendeel, men mopperde dat Millennium ouderwets en links was en de neiging had ruzie te maken met belangrijke adverteerders en partners, en als Ove de zaak niet zo hartstochtelijk had bepleit, zou het zeker op niets zijn uitgelopen. Maar hij had volgehouden. Investeren in Millennium was peanuts, had hij betoogd, een minieme uitgave, die misschien geen hoge winst zou opleveren, maar wel iets veel belangrijkers, namelijk credits, en je kon op dit moment over Serner zeggen wat je wilde, maar na alle bezuinigingen en inkrimpingen waren credits niet direct iets wat het bedrijf had; daarom was investeren in Millennium een teken dat het concern zich ondanks alles bekommerde om de journalistiek en de vrijheid van meningsuiting. De directie van Serner was niet dolenthousiast over de vrijheid van meningsuiting en ook niet over onderzoeksjournalistiek à la Millennium, maar een beetje meer credits konden geen kwaad. Dat begrepen ze uiteindelijk allemaal, dus Ove kreeg zijn aankoop, en lange tijd leek het voor alle betrokkenen een schot in de roos.
Serner kreeg goede publiciteit en Millennium kon zijn personeel aanhouden en zich richten op waar het blad goed in was – diepgravende, goed geschreven artikelen – en Ove zelf straalde en deed zelfs mee aan een debat in het perscentrum, waarbij hij in al zijn pretentieloosheid zei: ‘Ik geloof in deze goede onderneming. Ik heb me altijd al sterk gemaakt voor de onderzoeksjournalistiek.’
Maar toen ... Hij wilde er eigenlijk niet aan denken. De aanvallen op Blomkvist begonnen en dat vond hij aanvankelijk niet zo erg. Nu Mikaels ster aan de journalistieke hemel zo hoog was gestegen vond Ove Levin het stiekem wel leuk dat Blomkvist in de media zo werd gehoond. Die voldoening duurde echter niet erg lang. Serners zoon Thorvald kreeg via de social media lucht van de opschudding en maakte er een hoop stennis over. Niet omdat hij het belangrijk vond, natuurlijk. Thorvald was geen jongen die geïnteresseerd was in journalistieke opvattingen. Maar hij hield wel van macht.
Hij was dol op intriges en hier zag hij een kans om te scoren of zomaar wat te wroeten in de oudere bestuursgeneratie, en het duurde niet lang of hij wist president-directeur Stig Schmidt – die op dat moment al helemaal geen tijd had voor zulke futiliteiten – zover te krijgen te verklaren dat Millennium niet op oude successen mocht teren, maar zich moest aanpassen aan de nieuwe tijd, net als alle andere producten van het concern.
Ove, die Erika Berger net had bezworen dat hij zich niet anders dan als ‘vriend en adviseur’ met de redactie zou bemoeien, voelde zich op slag aan handen en voeten gebonden en verplicht tot allerlei hachelijke tactieken. Hij probeerde Erika, Malin en Christer op alle mogelijke manieren mee te krijgen met de nieuwe doelstellingen, die weliswaar niet duidelijk waren geformuleerd – dat is maar zelden het geval bij iets wat in paniek ontstaat – maar die hoe dan ook mikten op verjonging en vercommercialisering van Millennium.
Natuurlijk benadrukte Ove steeds weer dat er absoluut niet aan de ziel of de vrijmoedige instelling van het tijdschrift getornd zou worden, hoewel hij eigenlijk niet goed wist of dat wel het geval was. Wat hij wel wist, was dat hij meer glamour in het blad moest zien te krijgen om de directie tevreden te stellen en dat er minder van die lange onderzoeksartikelen over het bedrijfsleven moesten komen, omdat die de adverteerders en daarmee ook de directeuren tegen de haren in streken – maar dat zei hij natuurlijk niet tegen Erika.
Onnodige conflicten wilde hij vermijden en nu hij de redactie moest toespreken had hij zich voor de zekerheid wat informeler gekleed dan anders. Hij wilde niet provoceren met de schitterende kostuums en stropdassen die op het hoofdkantoor zo in zwang waren. In plaats daarvan droeg hij een spijkerbroek, een eenvoudig wit shirt en een donkerblauwe trui met V-hals, die niet eens van kasjmierwol was, en had hij zijn lange, golvende haar – altijd zijn kleine, rebelse gimmick – in een paardenstaart gebonden, net als die hippe televisiejournalisten.
Maar het belangrijkste was dat hij begon met alle nederigheid die hij in managementcursussen had geleerd: ‘Hallo allemaal,’ zei hij. ‘Wat een ellendig weer! Ik heb het al een paar keer gezegd, maar ik herhaal het graag: wij van Serner zijn er ontzettend trots op dat we dit avontuur samen zijn aangegaan en voor mij persoonlijk geldt dat nog sterker. Betrokken zijn bij een tijdschrift als Millennium maakt mijn werk zinvol en herinnert me eraan waarom ik dit beroep ooit heb gekozen. Weet je nog, Micke, dat we in de Operabar zaten te dromen van alles wat we samen zouden gaan doen? We bleven er niet helemaal nuchter bij! Haha!’
Mikael Blomkvist zag er niet uit alsof hij het zich herinnerde. Maar Ove Levin liet zich niet uit het veld slaan.
‘Nee hoor, ik word niet nostalgisch,’ ging hij door, ‘en daar is ook geen reden voor. Want in die tijd groeiden de bomen in onze branche tot in de hemel. Zelfs voor een moord in een afgelegen gehucht huurden we een helikopter en boekten we een hele verdieping in een eersteklas hotel, en voor het feest na afloop lieten we champagne aanrukken. Toen ik mijn eerste buitenlandse reis ging maken, vroeg ik topreporter Ulf Nilson naar de koers van de D-mark. “Geen idee,” zei hij, “wisselkoersen bepaal ik zelf.” Haha! Dus we dikten onze reiskosten een beetje aan in die tijd, weet je nog, Micke? Misschien waren we toen wel op ons creatiefst. We rammelden gewoon onze stukjes uit de typemachine en verkochten toch ontzettend goed. Maar sindsdien is er veel veranderd, zoals we allemaal weten. De concurrentie is moordend geworden en het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer om geld te verdienen aan journalistiek, zelfs niet als je over de beste redactie van Zweden beschikt, zoals jullie, en ik wilde het vandaag hebben over de toekomstige uitdagingen. Niet dat ik me ook maar één ogenblik verbeeld dat ik jullie iets kan leren. Ik wil alleen wat discussiestof aandragen. Serner heeft onderzoek laten doen naar jullie lezerspubliek en wat dat van Millennium vindt. Van sommige uitkomsten zullen jullie misschien schrikken. Maar laat je daar niet door uit het veld slaan. Zie het eerder als een uitdaging. Vergeet niet dat er een te gek veranderingsproces aan de gang is in de branche.’
Ove laste even een pauze in en vroeg zich af of de uitdrukking ‘te gek’ verkeerd was, een overdreven poging om jeugdig en ontspannen over te komen, en of hij misschien in het algemeen een iets te luchtige, schertsende toon had aangeslagen. ‘Onderschat nooit het gebrek aan humor bij onderbetaalde moralisten,’ zou Haakon Serner hebben gezegd. Maar nee, besloot hij. Dit gaat me lukken. Ik krijg ze wel mee!
Mikael Blomkvist hield ongeveer op met luisteren toen Ove zei dat ze allemaal moesten nadenken over hun ‘digitale rijpheid’ en daarom hoorde hij niet dat de jongste generatie Millennium en Mikael Blomkvist niet kende.
Ongelukkigerwijs was dat net het moment waarop hij de vergadering verliet en naar de kantine ging, en daarom had hij er ook geen idee van dat de Noorse adviseur Aron Ullman openlijk zei: ‘Wat zielig nou. Is hij bang om in vergetelheid te raken?’
In werkelijkheid maakte Mikael zich op dat moment nergens druk om. Hij was kwaad omdat Ove Levin kennelijk heil verwachtte van opinieonderzoeken. Maar tijdschriften draaiden niet op marktonderzoek. Die werkten op bezieling en hartstocht. Millennium had zijn positie te danken aan het feit dat ze allemaal op zoek waren naar rechtvaardigheid en betekenis, en ongevoelig waren voor hypes. Hij stond zich een tijdje af te vragen hoe lang het zou duren voordat Erika uit de vergadering zou komen.
Dat bleek na ongeveer twee minuten te zijn. Uit het geluid van haar hakken probeerde hij af te leiden hoe kwaad ze was. Maar toen ze voor hem stond, glimlachte ze alleen maar gelaten.
‘Hoe is het met je?’ vroeg ze.
‘Ik kon het gewoon niet aanhoren.’
‘Je snapt toch wel dat mensen verrekt lastig worden als jij je zo gedraagt?’
‘Ja.’
‘En ik neem aan dat je ook begrijpt dat Serner helemaal niets kan beginnen zonder onze instemming? Wij hebben nog steeds de touwtjes in handen.’
‘Wij hebben geen enkel touwtje in handen. Ze hebben ons gegijzeld, Ricky! Snap je dat dan niet? Als we niet doen wat zij zeggen, trekken ze hun steun in en dan zitten wij in de problemen,’ zei hij wat al te hard en kwaad, en toen Erika ‘sst’ zei en haar hoofd schudde, voegde hij er iets voorzichtiger aan toe: ‘Sorry, ik ben net een klein kind. Ik wil naar huis. Ik moet nadenken.’
‘Je maakt de laatste tijd wel erg korte werkdagen.’
‘Ik neem aan dat ik nog wel wat overuren heb staan.’
‘Vast wel. Wil je vanavond bezoek hebben?’
‘Ik weet het niet. Ik weet het echt niet, Erika,’ zei hij, en toen ging hij weg.
De storm en de regen sloegen hem in het gezicht, hij had het koud en vloekte; even overwoog hij bij de Pocketshop naar binnen te gaan en nog een Engelse thriller te kopen om in te vluchten. Hij nam echter toch maar de St. Paulsgata. Toen hij de sushibar rechts van zich had, rinkelde zijn mobieltje. Hij was ervan overtuigd dat het Erika was, maar het was Pernilla, zijn dochter, die precies het verkeerde moment had gekozen om een vader te bellen die toch al een slecht geweten had omdat hij te weinig voor haar deed.
‘Dag schat,’ zei hij toen hij opnam.
‘Wat hoor ik voor geluid?’
‘De storm, denk ik.’
‘Oké, oké, ik zal het kort houden. Ik ben aangenomen op de schrijfopleiding van Biskops Arnö.’
‘O, dus nu wil je gaan schrijven,’ zei hij veel te onvriendelijk en op het randje van sarcastisch, en dat was natuurlijk heel unfair. Hij had haar gewoon moeten feliciteren en succes moeten wensen. Maar Pernilla had al zoveel moeizame jaren achter de rug waarin ze van de ene naar de andere christelijke sekte was gehopt en allerlei studies had opgepakt zonder er een af te maken, dat hij er vooral een beetje moe van werd dat ze nu alweer een nieuwe draai aankondigde.
‘Dat klonk nou niet direct enthousiast.’
‘Sorry, Pernilla. Ik ben mezelf niet vandaag.’
‘Wanneer wel?’
‘Ik wil gewoon graag dat je iets vindt waar je echt je ei in kwijt kunt. Ik weet niet of schrijven wel zo’n goed idee is, als je bedenkt hoe de branche er nu voor staat.’
‘Ik ga niet van die saaie journalistieke stukken schrijven zoals jij.’
‘Wat ga je dan doen?’
‘Echt schrijven.’
‘Oké,’ zei hij, zonder te vragen wat ze daarmee bedoelde. ‘Heb je genoeg geld?’
‘Ik werk extra in Waynes Coffee.’
‘Heb je zin om vanavond te komen eten? Dan kunnen we erover praten.’
‘Geen tijd, pap. Ik wilde het je gewoon even vertellen,’ zei ze, en ze hing op. En hoewel hij het positieve van haar enthousiasme probeerde te zien, raakte hij er toch door in een slechter humeur, en hij haastte zich via het Mariatorg en de Hornsgata naar zijn zolderappartement aan de Bellmansgata.
Hoewel hij er net vandaan kwam, kreeg hij het eigenaardige gevoel dat hij geen baan meer had en op weg was naar een nieuw bestaan, waarin hij zich niet meer hoefde te haasten, maar juist zeeën van tijd had. Even overwoog hij een beetje op te ruimen. Overal lagen kranten, boeken en kleren. Maar in plaats daarvan pakte hij twee flesjes Pilsner Urquell uit de koelkast, ging in de woonkamer op de bank zitten en overdacht alles nog eens wat nuchterder, voor zover je het leven tenminste nuchter kunt beschouwen met twee biertjes in je lijf. Wat moest hij doen?
Hij had geen idee, en wat misschien nog wel het meest verontrustend was: hij voelde zich ook niet strijdlustig. Integendeel zelfs: er had zich een vreemde berusting van hem meester gemaakt, alsof Millennium langzaam uit zijn belangstellingssfeer begon te glijden, en opnieuw vroeg hij zich af: wordt het geen tijd om iets anders te gaan doen? Daarmee zou hij Erika en de anderen natuurlijk gruwelijk in de steek laten, maar was hij de juiste man om een tijdschrift te runnen dat leefde van advertenties en abonnementen? Misschien paste hij ergens anders beter. Maar waar?
Ook de grote dagbladen bloedden tegenwoordig dood. De enige plek waar nog geld en middelen waren voor onderzoeksreportages was de publieke omroep, actualiteitenprogramma’s op radio en tv ... Tja, waarom niet? Hij dacht aan Kajsa Åkerstam, een zeer innemende vrouw, met wie hij op gezette tijden een paar glazen wijn dronk. Kajsa was chef van de belangrijkste actualiteitenrubriek van de svt. Zij probeerde hem al jaren in dienst te nemen. Maar hij was er nooit op ingegaan.
Wat ze hem ook bood en hoe plechtig ze hem ook ruggensteun en totale integriteit beloofde, hij wijdde zich met hart en ziel aan Millennium. Maar nu ... misschien moest hij nu toehappen, als het aanbod nog steeds stond, na al die shit die er over hem was geschreven. Want hij had veel gedaan als journalist, maar nooit tv, afgezien van zijn medewerking aan honderden discussie- en ontbijtprogramma’s.
Zijn mobieltje ging en even fleurde hij op. Of het nu Erika was of Pernilla, hij zou aardig zijn en goed luisteren. Maar nee, het was een geheim nummer en hij nam terughoudend op.
‘Spreek ik met Mikael Blomkvist?’ vroeg een jong klinkende stem.
‘Ja,’ zei hij.
‘Heb je even tijd voor me?’
‘Als je je voorstelt misschien wel.’
‘Mijn naam is Linus Brandell.’
‘Oké, Linus, waarom bel je?’
‘Ik heb een verhaal voor je.’
‘Laat maar horen.’
‘Ik zal het je vertellen als je naar me toe komt, schuin aan de overkant van de straat, in de Bishops Arms.’
Mikael raakte geïrriteerd. Dat kwam niet alleen door het bevelende toontje van de man, maar ook door diens ongevraagde aanwezigheid in Mikaels eigen buurt.
‘Ik vind de telefoon goed genoeg.’
‘Dit is niet iets om via een onbeveiligde lijn te bespreken.’
‘Waarom word ik zo moe van dit gesprek, Linus?’
‘Misschien heb je een slechte dag.’
‘Ik heb een slechte dag; daar heb je een punt.’
‘Zie je wel. Kom dan maar gauw naar de Bishops, dan krijg je een biertje van me en dan zal ik je iets heftigs vertellen.’
Mikael wilde eigenlijk het liefst snauwen: ‘Vertel me niet wat ik moet doen!’ Maar toch, zonder dat hij het zelf begreep of misschien omdat hij niets beters te doen had dan maar wat over zijn toekomst te zitten piekeren, zei hij: ‘Ik betaal mijn eigen biertje wel. Maar goed, ik kom.’
‘Verstandig van je.’
‘Maar Linus ...’
‘Ja?’
‘Als je me met allerlei wilde samenzweringstheorieën gaat vervelen, dat Elvis nog leeft of dat je weet wie Olof Palme heeft vermoord, en niet ter zake komt, ga ik meteen weer naar huis.’
‘Fair enough,’ zei Linus.