8
20 november ’s avonds
August zat op zijn knieën op de schaakveldenvloer in de slaapkamer. Hij keek naar het stilleven met een kaars op een blauw schaaltje, twee groene appels en een sinaasappel, dat zijn vader voor hem had uitgestald. Maar er gebeurde niets. August keek alleen maar met een lege blik naar buiten, waar het noodweer was, en Frans vroeg zich af of het dom was om dit zo te doen.
Als zijn zoon maar naar iets keek, stond het blijkbaar in zijn geheugen gegrift, dus waarom zou uitgerekend zijn vader bepalen wat hij moest tekenen? Waarschijnlijk had August duizenden eigen beelden in zijn hoofd, en misschien waren een schaaltje en wat fruit wel het stomste en saaiste wat er was. August interesseerde zich misschien voor heel andere dingen, en weer vroeg Frans zich af of de jongen iets speciaals wilde zeggen met zijn verkeerslicht. De tekening was geen onschuldige waarneming. Het stoplicht straalde als een lichtend boos oog, en wie weet, misschien voelde August zich wel bedreigd door die man op het zebrapad.
Frans keek voor de zoveelste keer die dag naar zijn zoon. Was het eigenlijk niet bizar? Vroeger vond hij August vreemd en onbegrijpelijk. Nu vroeg hij zich af of zijn zoon en hij eigenlijk niet heel erg op elkaar leken. In Frans’ tijd stelden de diagnoses van de artsen niet veel voor. Toen werden mensen eerder afgedaan als raar of niet goed snik. Zelf was hij beslist anders: veel te serieus en met een emotieloze mimiek, en op het schoolplein vond niemand hem erg boeiend. Daar stond tegenover dat hij de andere kinderen ook niet leuk vond – hij vluchtte in zijn cijfers en vergelijkingen en gebruikte niet meer woorden dan nodig was.
Hij zou waarschijnlijk niet als autistisch zijn bestempeld in de zin waarin August dat was, maar ze hadden vandaag de dag ongetwijfeld het etiket ‘asperger’ op hem geplakt. Of dat goed of slecht voor hem was geweest maakte nu niet veel meer uit. Waar het om ging, was dat Hanna en hij hadden gedacht dat ze baat zouden hebben bij de vroegtijdige diagnose van August. Toch was er sindsdien maar heel weinig gebeurd, en nu pas, nu zijn zoon acht was, besefte Frans dat de jongen bijzonder begaafd was en mogelijk ruimtelijk én wiskundig inzicht had. Waarom hadden Hanna en Lasse dat niet eerder opgemerkt?
Lasse was dan wel een klootzak, maar Hanna was in wezen gevoelig en lief. Frans zou hun eerste ontmoeting nooit vergeten. Het was op een feest van de Koninklijke Academie voor Ingenieurswetenschappen in het stadhuis van Stockholm. Hij had een of andere prijs gekregen die hem niet kon schelen, had zich tijdens het diner gruwelijk zitten vervelen en verlangde naar zijn computer thuis, toen er een mooie vrouw, die hij vaag herkende – Frans’ kennis van Bekende Zweden was uitermate beperkt –, naar hem toe kwam en tegen hem begon te praten. Frans zag zichzelf nog altijd als de nerd van de Tappströmsschool in Ekerö, naar wie meisjes alleen verachtelijk keken.
Hij snapte niet wat een vrouw als Hanna in hem zag, en in die tijd – ontdekte hij al gauw – stond ze op het toppunt van haar carrière. Maar ze verleidde hem en vrijde die nacht met hem zoals geen vrouw dat ooit met hem had gedaan. Daarna volgde de gelukkigste tijd van zijn leven, maar toch ... de binaire codes wonnen het van de liefde.
Hij maakte met zijn werk zijn huwelijk kapot en daarna ging alles bergafwaarts. Lasse Westman nam zijn plaats in en Hanna kwijnde weg, en August waarschijnlijk ook, en daar moest Frans natuurlijk woedend om zijn, maar hij wist dat hij medeschuldig was. Hij had zich vrijgekocht en zich niets van zijn zoon aangetrokken, en misschien klopte het wel wat er in de voogdijzaak over hem was gezegd: dat hij aan de droom over kunstmatig leven de voorkeur gaf boven zijn eigen zoon. Wat een halvegare was hij toch geweest!
Hij pakte zijn laptop en googelde naar meer informatie over talenten van savants. Hij had al een stel boeken besteld, onder andere het grote standaardwerk Islands of Genius van professor Darold A. Treffert. Zoals gewoonlijk wilde hij alles weten wat er over dit onderwerp bekend was. Geen psycholoog of pedagoog zou hem verdomme op de vingers mogen tikken of vertellen wat August op dit moment nodig had. Hij zou het veel beter weten dan zij, en dus zette hij zijn zoektocht voort. Ditmaal bleef hij hangen bij een stuk over het autistische meisje Nadia.
Haar leven was beschreven in Nadia: A Case of Extraordinary Drawing Ability in an Autistic Child van Lorna Selfe en in Oliver Sacks’ De man die zijn vrouw voor een hoed hield. Frans zat gefascineerd te lezen. Het eerste was een aangrijpend verhaal en in veel opzichten waren er overeenkomsten. Net als August leek Nadia bij de geboorte volkomen gezond en drong het slechts langzaam tot de ouders door dat er iets mis was.
Het meisje praatte maar niet. Ze keek mensen niet aan. Ze hield niet van lichamelijk contact en reageerde niet op glimlachjes of andere prikkels van haar moeder. Ze trok zich meestal stilletjes terug en zat dan dwangmatig papier in onvoorstelbaar kleine reepjes te knippen. Toen ze zes was, had ze nog altijd geen woord gezegd.
Maar ze tekende als Da Vinci. Al op haar derde begon ze zomaar ineens paarden te tekenen, en in tegenstelling tot andere kinderen begon ze niet met de vorm, met het totaal, maar met een klein detail, een hoef, een rijlaars, een staart. En wat het merkwaardigste was: ze tekende snel. In een razend tempo zette ze de delen in elkaar, een stukje hier, een stukje daar, tot een perfect geheel, tot een paard dat galoppeerde of stapte. Vanuit zijn eigen pogingen in zijn jeugd wist Frans dat niets zo moeilijk was als het tekenen van een dier in beweging. Hoe we ook ons best doen, het resultaat is vaak onnatuurlijk of stijf. Alleen een meester kan lichtheid in de sprong brengen. Nadia was al een meester toen ze drie jaar was.
Haar paarden waren perfecte stills, met speels gemak getekend, duidelijk niet het resultaat van lang oefenen. Haar virtuositeit kwam eruit als een doorbrekende dam en haar tijdgenoten waren gefascineerd. Hoe kon dit? Hoe was het mogelijk dat ze met een paar snelle handbewegingen eeuwen van kunsthistorische ontwikkeling oversloeg? De Australische onderzoekers Allan Snyder en John Mitchell bestudeerden de tekeningen en kwamen in 1999 met een theorie die langzaam maar zeker algemeen werd geaccepteerd: dat we een dergelijke virtuositeit in aanleg allemaal hebben, maar dat die bij de meeste mensen geblokkeerd is.
Als we een voetbal of iets dergelijks zien, begrijpen we niet meteen dat het een driedimensionaal voorwerp is. Wel interpreteren de hersenen razendsnel allerlei details, zoals schaduwen en verschillende dieptes en nuances, en daaruit trekken ze conclusies over de vorm. Daarvan zijn we ons niet bewust. Er is echter een analyse van de delen nodig voordat we het simpele feit bevatten dat dat voorwerp een bal is, en geen cirkel.
De hersenen bepalen de uiteindelijke vorm, en wanneer dat is gebeurd zien we al die details niet meer die we eerst waarnamen. We zien als het ware door de bomen het bos niet meer. Wat Mitchell en Snyder intrigeerde was dat we, als we dat oorspronkelijke beeld uit onze hersenen zouden kunnen halen, de wereld op een totaal andere manier zouden waarnemen en misschien zelfs gemakkelijker zouden kunnen weergeven, net zoals Nadia dat zonder enige oefening deed.
Het idee was dus dat Nadia toegang had tot het oorspronkelijke beeld, de basis van de hersenen. Ze zag het gewemel van details en schaduwen voordat die bewerkt waren en daarom begon ze ook altijd met een afzonderlijk onderdeel, zoals een hoef of een neus, en niet met het geheel, want het geheel zoals wij het zien, was bij haar nog niet gevormd.
Frans Balder had wel wat in te brengen tegen deze theorie, of in elk geval, zoals altijd, had hij een aantal kritische vragen, maar het idee sprak hem toch aan. Zo’n oorspronkelijke manier van kijken was in zekere zin wat hij in zijn onderzoek ook altijd had nagestreefd, een perspectief dat dingen niet als vanzelfsprekend aannam, maar achter het direct zichtbare de details zocht. Hij raakte steeds meer geobsedeerd door het onderwerp en las met stijgende fascinatie. Opeens huiverde hij. Hij vloekte zelfs hardop en staarde met een plotseling gevoel van angst naar zijn zoon. De rilling was echter geen gevolg van deze onderzoeksbevindingen, maar van de beschrijving van Nadia’s eerste jaar op school.
Het meisje was in een klas met autistische kinderen gezet en het onderwijs was erop gericht haar aan het spreken te krijgen. Ze ging ook vooruit. De woorden kwamen. Maar tegen een hoge prijs. Toen ze begon te praten, verdween haar tekentalent. Volgens schrijfster Lorna Selfe werd de ene taal waarschijnlijk vervangen door de andere. Van een artistiek genie veranderde Nadia in een gewoon, zwaar gehandicapt autistisch meisje, dat wel een beetje kon praten, maar het talent dat de wereld versteld had doen staan had ze volkomen verloren. Was dat het waard? Om een paar woorden te kunnen zeggen?
Nee, wilde Frans wel schreeuwen, misschien ook wel omdat hij zelf altijd bereid was elke prijs te betalen om een genie op zijn eigen gebied te worden. Liever iemand die bij een diner geen zinnig gesprek met zijn tafelgenoot kon voeren dan iemand die middelmatig was. Alles was beter dan het gewone! Dat was zijn hele leven al zijn eigen leidraad, maar toch ... Hij was gelukkig wel zo verstandig om te begrijpen dat zijn eigen elitaire principes in dit geval misschien niet per se een goede norm waren. Misschien stonden geweldige tekeningen in geen verhouding tot het vermogen om zelf om een glas melk te kunnen vragen of een paar woorden te kunnen wisselen met een vriend of een vader; wie was hij om dat te kunnen uitmaken?
Toch weigerde hij zich voor die keus te laten stellen. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij het meest fantastische wat er in Augusts leven was gebeurd moest afwijzen. Nee, nee. Dat mocht niet. Geen ouder zou moeten kiezen tussen de alternatieven genie of geen genie. Niemand wist immers van tevoren wat het beste was voor zijn kind.
Hoe meer hij erover nadacht, hoe onredelijker hij het vond, en hij besefte dat hij het niet geloofde, of liever gezegd: het niet wílde geloven. Nadia was per slot van rekening slechts één case, en één case was geen wetenschappelijke basis. Hij moest meer te weten zien te komen, dus hij zocht verder op internet.
Toen ging zijn telefoon. Er was de afgelopen uren geregeld gebeld. Onder andere door een afgeschermd nummer en daarna door Linus, zijn vroegere assistent, met wie hij steeds meer moeite had en die hij misschien niet eens meer vertrouwde, maar met wie hij op dit moment in elk geval geen zin had om te praten. Hij wilde meer uitzoeken over wat er met Nadia was gebeurd.
Toch nam hij op – misschien alleen maar om ervanaf te zijn. Het was Gabriella Grane, die knappe analiste van de Säpo, en er verscheen ondanks alles een glimlach op zijn gezicht. Hij wilde het liefst iets met Farah Sharif, maar Gabriella was een goede tweede. Ze had schitterende ogen en was snel van begrip. Hij had een zwak voor scherpzinnige vrouwen.
‘Gabriella,’ zei hij. ‘Ik zou het heel leuk vinden om met je te praten, maar ik heb geen tijd. Ik ben met iets belangrijks bezig.’
‘Hier heb je vast wel tijd voor,’ zei ze ongewoon streng. ‘Je bent in gevaar.’
‘Onzin, Gabriella! Dat zei ik toch al. Ze proberen me er met een rechtszaak onder te krijgen, maar dat is alles.’
‘Frans, ik vrees dat we nieuwe informatie hebben gekregen, en wel uit zeer betrouwbare bron. Er is echt sprake van dreiging.’
‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij, een beetje afwezig.
Met de telefoon tussen zijn schouder en zijn oor geklemd probeerde hij door te gaan met zoeken naar informatie over Nadia’s verloren talent.
‘Het is moeilijk om de informatie te duiden, Frans, maar ik ben er toch niet gerust op. Ik denk dat we het serieus moeten nemen.’
‘Dan zal ik dat ook doen. Ik beloof je dat ik extra voorzichtig zal zijn. Ik zal binnenblijven, zoals gewoonlijk. Maar ik ben druk bezig, zoals ik al zei, en bovendien ben ik ervan overtuigd dat je het mis hebt. Bij Solifon ...’
‘Ja, natuurlijk. Ik kan het mis hebben,’ viel ze hem in de rede. ‘Dat kan heel goed. Maar stel je voor dat ik gelijk heb. Stel je voor dat er zelfs maar een heel, heel klein kansje is dat ik gelijk heb.’
‘Zeker, maar ...’
‘Geen gemaar, Frans, nu geen gemaar. Luister naar me. Ik denk dat je analyse klopt. Niemand bij Solifon wil je fysiek iets aandoen. Dat is per slot van rekening een geciviliseerd bedrijf. Maar het ziet ernaar uit dat een of meer mensen binnen het concern contact hebben met een criminele organisatie, een vreselijk gevaarlijke bende met vertakkingen in Rusland en in Zweden, en daar komt de dreiging vandaan.’
Voor de eerste keer haalde Frans zijn ogen van het beeldscherm. Hij wist dat Zigmund Eckerwald van Solifon samenwerkte met een criminele groep. Hij had zelfs een paar codenamen van de leiders opgepikt, maar hij begreep niet waarom die bende het op hem gemunt zou hebben – of wel?
‘Een criminele organisatie?’ bromde hij.
‘Exact,’ ging Gabriella door. ‘En ligt dat in zekere zin ook niet voor de hand? Je hebt zelf ook aan de mogelijkheid gedacht, of niet? Als je eenmaal begint andermans ideeën te stelen en daar geld aan verdient, ben je een grens over gegaan en dan gaat het alleen nog maar van kwaad tot erger.’
‘Ik geloof toch dat een stel juristen wel genoeg is. Met een paar geslepen advocaten kun je met een gerust hart stelen wat je wilt. Dat zijn de boeven van onze tijd.’
‘Ja, misschien. Maar luister. Ik heb nog geen toestemming tot persoonsbescherming gekregen. Dus ik wil je op een geheime plek onderbrengen. Ik kom je zo meteen halen.’
‘Huh?’
‘Ik vind dat we onmiddellijk in actie moeten komen.’
‘Nooit van m’n leven,’ zei hij. ‘Ik ...’
Hij aarzelde.
‘Is er iemand bij je?’ vroeg Gabriella.
‘Nee, nee, maar ik kan op dit moment niet weg.’
‘Hoor je niet wat ik zeg?’
‘Dat hoor ik heel goed. Maar met alle respect, ik denk dat je vooral van vermoedens uitgaat.’
‘Van vermoedens uitgaan hoort bij de aard van dreigingen, Frans. Maar degene van wie ik de informatie kreeg ... ja, dat mag ik eigenlijk niet zeggen ... was een agent van de nsa die bezig is deze organisatie in kaart te brengen.’
‘De nsa,’ snoof hij.
‘Ik weet dat je daar sceptisch tegenover staat.’
‘Dat is nog zacht uitgedrukt.’
‘Oké, oké. Maar deze keer staan ze aan jouw kant, in elk geval de agent die belde. Dat is een goed mens. Zij heeft iets afgeluisterd wat weleens iets met het plannen van een moord te maken zou kunnen hebben.’
‘Op mij?’
‘Daar zijn aanwijzingen voor.’
‘“Weleens” en “aanwijzingen” ... Dat klinkt erg onzeker allemaal.’
Tegenover hem pakte August zijn potloden en op de een of andere manier concentreerde Frans zich daar volkomen op.
‘Ik blijf,’ vervolgde hij.
‘Dat meen je niet!’
‘Jawel. Als jullie meer informatie hebben, wil ik best verhuizen, maar nu niet. Bovendien werkt dat alarm van Milton uitstekend. Ik heb overal camera’s en sensoren.’
‘Meen je het serieus?’
‘Ja, en je weet dat ik een stijfkop ben.’
‘Heb je een wapen?’
‘Waar heb je het over, Gabriella? Ik en wapens! Het gevaarlijkste wat ik in huis heb, is mijn nieuwe kaasschaaf, denk ik.’
‘Frans, eh ...’ zei ze, en ze aarzelde even.
‘Ja?’
‘Ik zorg dat je bewaking krijgt, of je nu wilt of niet. Je hoeft je er niets van aan te trekken. Je zult het waarschijnlijk niet eens merken. Maar als je dan toch zo verdomd eigenwijs bent, heb ik nog een advies voor je.’
‘Wat dan?’
‘Go public. Dat zou een soort levensverzekering zijn. Vertel de media wat je weet. Dan wordt het in elk geval zinloos om je uit de weg te ruimen.’
‘Ik zal erover nadenken.’
Frans hoorde aan Gabriella’s stem dat ze werd afgeleid.
‘Ja?’ vroeg hij.
‘Wacht even,’ antwoordde ze. ‘Ik heb nog iemand aan de lijn. Ik moet ...’
Ze verdween en Frans, die eigenlijk iets anders aan zijn hoofd had moeten hebben, dacht op dat moment maar één ding: zou August zijn vermogen om te tekenen verliezen als ik hem leer praten?
‘Ben je er nog?’ vroeg Gabriella na een tijdje.
‘Natuurlijk.’
‘Ik moet helaas ophangen. Maar ik beloof je, ik zorg dat je zo snel mogelijk bewaking krijgt. Je hoort nog van me. Pas goed op jezelf!’
Hij hing op, zuchtte en dacht weer aan Hanna, en aan August, en aan de schaakveldenvloer die in de wandkasten werd weerspiegeld, en aan van alles wat op dit moment niet erg belangrijk was, en ongeconcentreerd, bijna verstrooid, mompelde hij: ‘Ze zitten achter me aan.’
Ergens zag hij wel in dat het niet onredelijk was, helemaal niet, ook al had hij tot nu toe steeds geweigerd te geloven dat het tot geweld zou komen. Maar wat wist hij daar eigenlijk van? Niets. En hij had ook geen zin er nu iets aan te doen. Dus hij zocht verder naar het lot van Nadia en welke betekenis dat kon hebben voor zijn zoon. Eigenlijk was het gek. Hij deed alsof er niets aan de hand was. Ondanks de dreiging zat hij daar maar te surfen. Het duurde niet lang of hij vond een professor in de neurologie, een vooraanstaand deskundige op het gebied van het savantsyndroom, een zekere Charles Edelman, en in plaats van meer over hem te lezen, zoals hij anders zou doen – Frans gaf altijd de voorkeur aan literatuur boven mensen – belde hij het centrale nummer van het Karolinska Instituut.
Toen drong het tot hem door dat het te laat op de avond was. Edelman zou vast niet meer op zijn werk zijn en zijn privénummer was geheim. Maar wacht, hij was ook hoofd van iets wat Ekliden heette, een instelling voor autistische kinderen met bijzondere vaardigheden, en Frans besloot het erop te wagen. De telefoon ging een paar keer over. Toen nam er een vrouw op die zich voorstelde als zuster Lindros.
‘Sorry dat ik zo laat op de avond nog stoor,’ zei Frans. ‘Ik zoek professor Edelman. Is hij er soms nog?’
‘Ja, toevallig wel. Niemand kan in dit weer naar huis. Wie kan ik zeggen dat ik aan de lijn heb?’
‘Frans Balder,’ zei hij. En, voor het geval dat het misschien zou helpen voegde hij eraan toe: ‘Professor Frans Balder.’
‘Een ogenblikje graag,’ zei zuster Lindros. ‘Ik zal kijken of hij tijd heeft.’
Frans keek naar August, die weer zijn potloden pakte en aarzelde. Het kwam hem op de een of andere manier voor als een slecht teken. ‘Een criminele organisatie,’ mompelde hij weer.
‘Met Charles Edelman,’ zei een stem. ‘Spreek ik echt met professor Balder?’
‘In eigen persoon. Ik heb een klein ...’
‘U hebt geen idee hoe vereerd ik ben,’ onderbrak Edelman hem. ‘Ik ben net terug van een conferentie in Stanford, en daar hadden we het juist over uw onderzoek naar neurale netwerken. We hebben er zelfs over gediscussieerd of wij neurologen niet indirect, via AI-onderzoek, iets over de hersenen kunnen leren. We vroegen ons af ...’
‘Ik voel me zeer vereerd,’ onderbrak Frans hem, ‘maar ik had eigenlijk een vraagje.’
‘O? Gaat het om iets wat u nodig hebt voor uw onderzoek?’
‘Nee, dat niet. Ik heb een autistische zoon. Hij is acht en heeft nog nooit een woord gezegd, maar laatst kwamen we langs een stoplicht in de Hornsgata, en daarna ...’
‘Ja?’
‘Daarna ging hij zitten en tekende het, in razend tempo, volkomen perfect. Verbluffend!’
‘En nu wilt u dat ik kom bekijken wat hij heeft getekend?’
‘Heel graag. Maar daar bel ik niet voor. Ik ben eigenlijk bezorgd. Ik heb gelezen dat zijn tekeningen misschien zijn taal naar de buitenwereld zijn en dat hij dat vermogen kan verliezen als hij leert praten. Dat de ene manier om te communiceren wordt vervangen door de andere.’
‘U hebt blijkbaar over Nadia gelezen.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Omdat zij er in deze gevallen altijd bij wordt gehaald. Maar wees gerust. Mag ik Frans zeggen?’
‘Natuurlijk.’
‘Fijn. Frans, ik ben heel blij dat je belt en ik kan je meteen vertellen dat je je geen zorgen hoeft te maken, integendeel. Nadia is de uitzondering die de regel bevestigt, meer niet. Al het onderzoek wijst erop dat taalontwikkeling het savanttalent eerder versterkt. Neem bijvoorbeeld Stephen Wiltshire. Over hem heb je dan ook zeker wel gelezen?’
‘Die heel Londen tekende?’
‘Precies. Hij heeft zich in alle opzichten ontwikkeld, zowel artistiek als intellectueel als talig. Hij wordt vandaag de dag beschouwd als een groot kunstenaar. Dus wees gerust, Frans. Het gebeurt inderdaad weleens dat kinderen hun savantvermogen verliezen, maar dat komt dan meestal door iets anders. Ze krijgen er genoeg van of er overkomt ze iets. Je hebt waarschijnlijk ook gelezen dat Nadia haar moeder in die tijd verloor?’
‘Jazeker.’
‘Misschien was dat de echte oorzaak. Dat kan niemand met zekerheid zeggen, ik ook niet. Maar het kwam waarschijnlijk niet doordat ze leerde praten. Er zijn geen andere voorbeelden van een soortgelijke ontwikkeling, en dat zeg ik niet ongefundeerd of omdat het toevallig mijn eigen hypothese is. Er bestaat heden ten dage grote consensus dat savants er alleen maar baat bij hebben om hun intellectuele vaardigheden in alle opzichten te ontwikkelen.’
‘Echt waar?’
‘Ja, heel zeker.’
‘Hij is ook goed met cijfers.’
‘O ja?’ vroeg Charles Edelman verbaasd.
‘Kijk je daarvan op?’
‘Ja, want een artistieke vaardigheid bij een savant gaat maar zelden samen met wiskundige begaafdheid. Het zijn twee verschillende talenten, die totaal niet aan elkaar verwant zijn en elkaar soms zelfs lijken te blokkeren.’
‘Toch is het zo. Zijn tekeningen hebben ook iets geometrisch exacts, alsof hij de verhoudingen heeft berekend.’
‘Zeer interessant. Wanneer kan ik hem zien?’
‘Dat weet ik niet precies. Ik wilde in eerste instantie alleen je advies horen.’
‘Dat is heel duidelijk. Ik zou zeggen: besteed tijd aan je zoon. Stimuleer hem. Laat hem zijn talenten op alle mogelijke manieren ontwikkelen.’
‘Ik ...’
Frans voelde een eigenaardige druk op zijn borst en had opeens moeite de juiste woorden te vinden.
‘Dank je wel,’ zei hij toen. ‘Heel hartelijk dank. Maar nu moet ik ...’
‘Het is een grote eer om met je te praten en ik zou het geweldig vinden om jou en je zoon te mogen ontmoeten. Ik heb een heel geavanceerde test ontwikkeld voor savants, als ik mezelf een beetje op de borst mag slaan. Samen kunnen we je zoon beter leren kennen.’
‘O ja, natuurlijk, dat zou mooi zijn. Maar nu moet ik ...’ mompelde Frans, zonder dat hij goed wist wat hij wilde zeggen. ‘Dank je wel, hoor. Dag!’
‘Ja, oké, goed. Ik hoop gauw weer van je te horen.’
Frans hing op en bleef even stil zitten, met zijn armen over elkaar, en keek naar August, die zijn gele potlood aarzelend vasthield en naar de brandende kaars keek. Toen ging er een rilling door Frans’ schouders en opeens kwamen er tranen, en je kon veel zeggen over professor Balder, maar niet dat hij om niets in huilen uitbarstte.
Hij kon zich niet herinneren wanneer het voor het laatst was geweest. Niet toen zijn moeder stierf en al helemaal niet wanneer hij iets aangrijpends las. Hij beschouwde zichzelf als een ijskonijn. Maar nu, tegenover zijn zoon en diens pennen en krijtjes gezeten, huilde de professor als een kind en liet hij zich gewoon gaan.
Dat kwam uiteraard door wat Charles Edelman had gezegd. Nu kon August leren praten en doorgaan met tekenen, en dat was geweldig. Maar natuurlijk huilde Frans niet alleen daarom. Het kwam ook door het drama bij Solifon. Door de dreiging. Door de geheimen die hij met zich meedroeg en door het gemis van Hanna of Farah of wie dan ook die de leegte in zijn borst zou kunnen vullen.
‘Och, jochie!’ zei hij, zo aangedaan en ontroerd dat hij niet merkte dat zijn laptop aanging en beelden liet zien van een van de bewakingscamera’s buiten. Daar, op zijn grond, in de vliegende storm, liep een slungelige man in een gewatteerd leren jack, met een petje zo ver naar beneden getrokken dat het zijn gezicht zorgvuldig aan het oog onttrok. Wie het ook was, het was een man die wist dat hij werd gefilmd; en al leek hij mager en tenger, zijn wiegende, wat theatrale manier van lopen deed denken aan een zwaargewicht op weg naar de ring.
Gabriella Grane zat nog in haar kamer bij de Säpo. Ze zocht op internet en in de overheidsregisters. Toch werd ze er niet veel wijzer van, en dat kwam vooral doordat ze niet goed wist wat ze zocht. Maar er knaagde iets nieuws, iets onrustbarends in haar, iets vaags en onduidelijks.
Haar gesprek met Balder was onderbroken. Het was Helena Kraft, het hoofd van de Säpo, en ook nu weer had ze dezelfde mededeling. Alona Casales van de nsa wilde haar spreken en deze keer klonk Alona een stuk rustiger en ze leek zelfs weer met haar te flirten.
‘Hebben jullie de computers weer onder controle?’ vroeg Gabriella.
‘Haha ... ja, het was ook een beetje overdreven. Niet veel aan de hand, geloof ik. Het spijt me dat ik de vorige keer een beetje cryptisch was. Misschien moet dat nu ook nog voor een deel, maar ik wil je meer informatie geven en nogmaals benadrukken dat ik de dreiging tegen professor Balder als reëel en ernstig beschouw, ook al weten we niets met zekerheid. Heb je er al iets mee gedaan?’
‘Ik heb hem gesproken. Hij weigert zijn huis te verlaten. Hij zei dat hij druk met iets bezig was. Ik regel nu bewaking.’
‘Heel goed. Zoals je misschien al had vermoed, heb ik meer gedaan dan alleen jou naspeuren. Je bent heel indrukwekkend bezig, mevrouw Grane. Zou iemand als jij niet bij Goldman Sachs moeten werken en miljoenen moeten verdienen?’
‘Niet mijn stijl.’
‘De mijne ook niet. Ik zou geen nee zeggen tegen het geld, maar dit onderbetaalde speurwerk ligt me beter. Nou, schat, het zit zo. Wat de nsa betreft is dit geen belangrijke zaak, helemaal niet – wat volgens mij overigens een verkeerde inschatting is. Niet alleen omdat ik ervan overtuigd ben dat deze bende een bedreiging vormt voor onze nationale economische belangen. Ik denk ook dat er politieke banden bestaan. Een van die Russische ict-ingenieurs die ik noemde, iemand die Anatoli Chabarov heet, heeft ook banden met een berucht lid van de Russische Doema, een zekere Ivan Gribanov, tevens grootaandeelhouder bij Gazprom.’
‘Ik begrijp het.’
‘Maar het zijn voorlopig nog vooral losse draadjes. Ik ben een hele tijd bezig geweest de identiteit te achterhalen van de leider.’
‘De man die zich Thanos noemt.’
‘Of de vrouw.’
‘De vrouw?’
‘Ja, maar waarschijnlijk heb ik het mis. Dit soort criminele bendes maakt meestal misbruik van vrouwen en geeft ze niet de leiding en meestal wordt deze figuur ook aangeduid met “hij”.’
‘Waarom denk je dan dat het toch een vrouw zou kunnen zijn?’
‘Er is een soort eerbied, zou ik haast zeggen. Ze praten over deze persoon zoals mannen van oudsher praten over vrouwen die ze begeren en bewonderen.’
‘Een schoonheid?’
‘Vermoedelijk. Maar het kan natuurlijk ook gewoon een beetje homo-erotisch zijn, en niemand zou blijer zijn dan ik als Russische gangsters of machthebbers daar wat meer tijd aan zouden besteden.’
‘Haha, zo is het!’
‘Maar eigenlijk zeg ik het alleen omdat ik vind dat je overal voor open moet staan als deze troep op jouw bureau terechtkomt. Je begrijpt wel dat er nogal wat advocaten bij betrokken zijn. Er zitten altijd advocaten bij, hè? Met hackers kun je stelen en met advocaten kun je de diefstal legitimeren. Maar wat zei Balder zelf ook weer?’
‘We worden hetzelfde behandeld als we hetzelfde betalen.’
‘Zo is het. Wie geld heeft voor een sterke verdediging kan tegenwoordig alles krijgen. Je kent Balders juridische tegenhanger in Washington, het bureau Dackstone & Partner?’
‘Jazeker.’
‘Dan weet je ook dat dat bureau vaak in de arm wordt genomen door grote technische ondernemingen om uitvinders en vernieuwers kapot te procederen die een kleine vergoeding willen hebben voor hun creatie.’
‘Natuurlijk. Dat heb ik al geleerd toen we bezig waren met de patentstrijd van de uitvinder Håkan Lans.’
‘Ja, dat was ook een afschuwelijke zaak, hè? Maar het interessante in dit geval is dat Dackstone & Partner ook voorkomt in een van de weinige conversaties die we van dit criminele netwerk hebben kunnen traceren en ontcijferen, al wordt het bureau dan vaak alleen D.P. of zelfs D. genoemd.’
‘Dus Solifon en die criminelen hebben dezelfde juristen.’
‘Daar lijkt het op. En dat is nog niet alles. Dackstone & Partner gaat een kantoor openen in Stockholm, en weet je hoe we daarachter zijn gekomen?’
‘Nee,’ zei Gabriella, die steeds opgewondener werd. Ze wilde dit gesprek zo snel mogelijk beëindigen en zorgen dat Balder politiebescherming kreeg.
‘Doordat we deze groep in de gaten hielden,’ vervolgde Alona. ‘Chabarov had het er toevallig in een bijzin over, en dat geeft aan dat er nauwe banden bestaan met het bureau. De groep wist van dat nieuwe kantoor voordat het officieel bekend was.’
‘O ja?’
‘Ja, en in Stockholm gaat Dackstone & Partner samenwerken met een Zweedse advocaat die Kenny Brodin heet, die eerder strafadvocaat was en er toen om bekendstond dat hij wel wat erg dicht bij zijn cliënten stond.’
‘Er bestaat onder meer een beruchte foto, die ook naar de roddelbladen is gegaan, waarop Kenny Brodin feest met zijn gangsters en zijn handen niet van een callgirl af kan houden,’ zei Gabriella.
‘Die heb ik gezien. Ik denk dat meneer Brodin een goeie is om mee te beginnen als jullie ook naar deze zaak gaan kijken. Wie weet, misschien is hij wel de link tussen het grote geld en deze groep.’
‘Ik zal het meenemen,’ antwoordde Gabriella. ‘Maar nu moet ik iets anders doen. We spreken elkaar wel weer.’
Daarna belde ze de dienstdoende man op de afdeling Persoonsbescherming van de Säpo, vanavond niemand minder dan Stig Yttergren, en dat maakte de zaak er niet gemakkelijker op. Stig Yttergren was zestig jaar, corpulent, behoorlijk aan de drank, en hij hield vooral van kaarten en patiencen op internet. Soms werd hij ‘meneer Kanniet’ genoemd, dus ze legde op zo gezaghebbend mogelijke toon uit dat professor Frans Balder in Saltsjöbaden dringend beveiligd moest worden door lijfwachten. Stig Yttergren verklaarde gewoontegetrouw dat dat heel lastig zou worden en waarschijnlijk niet zou lukken, en toen ze counterde met de opmerking dat het een bevel van de Säpo-baas zelf was, mompelde hij iets als ‘dat kreng’.
‘Dat heb ik niet gehoord,’ zei Gabriella. ‘Maar zorg dat het snel gebeurt.’ Natuurlijk gebeurde dat niet, en terwijl ze zenuwachtig met haar vingers op het bureaublad trommelend wachtte, zocht ze informatie op over Dackstone & Partner en over wat Alona nog meer had verteld, en toen bekroop haar een gevoel dat haar verontrustend bekend voorkwam.
Ze kon het echter niet plaatsen en voordat ze het had uitgezocht belde Stig Yttergren waarachtig terug, en uiteraard: er was niemand beschikbaar bij Persoonsbescherming. Het was vanavond heel druk met de koninklijke familie, zei hij, een of ander gedoe met het Noorse kroonprinselijk paar en verder had de partijleider van Sverigedemokraterna softijs in zijn haar gekregen zonder dat de bewaking had kunnen ingrijpen, waardoor ze gedwongen waren die te versterken voor zijn late toespraken in Södertälje.
Yttergren had daarom ‘twee fantastische jongens van de geüniformeerde dienst’ gecharterd: Peter Blom en Dan Flinck; en daar moest Gabriella het maar mee doen, ook al deden de namen Blom en Flinck haar denken aan Kling en Klang in Pippi Langkous. Even had ze een slecht voorgevoel. Toen werd ze kwaad op zichzelf.
Dat was nu echt haar snobistische achtergrond: mensen beoordelen op hun naam. Ze had eerder ongerust moeten zijn als ze Gyllentofs of iets anders chics hadden geheten. Dan waren ze vast slap en slecht geweest. Het gaat vast wel goed, dacht ze, en ze zette de bange vermoedens van zich af.
Toen ging ze aan het werk. Het zou een lange nacht worden.