13
21 november
Mikael Blomkvist kwam ook nu niet erg aan slapen toe. De gebeurtenissen van de afgelopen nacht achtervolgden hem, en om kwart over elf in de ochtend ging hij rechtop in bed zitten en gaf hij het op.
Hij liep naar de keuken, belegde twee sneetjes brood met cheddar en parmaham en deed yoghurt en muesli in een kom. Maar hij at niets. Hij gaf de voorkeur aan koffie, water en pijnstillers. Hij dronk een stuk of vijf, zes glazen bronwater met twee paracetamolletjes, pakte een notitieboekje en probeerde samen te vatten wat er was gebeurd. Hij kwam niet ver, want er brak een hels kabaal los. De telefoons gingen over en het duurde niet lang voordat hij begreep wat er was gebeurd.
Het nieuws was opeens tot de buitenwereld doorgedrongen, en het saillantste detail was dat ‘topjournalist Mikael Blomkvist en acteur Lasse Westman’ het middelpunt waren van een ‘mysterieus’ moorddrama; mysterieus omdat niemand kon begrijpen waarom, of all people, nu juist Westman en Blomkvist, samen dan wel apart, ter plaatse waren geweest toen een Zweedse professor met twee kogels in zijn hoofd was doodgeschoten. De vragen hadden iets insinuerends en dat was waarschijnlijk de reden waarom Mikael tamelijk openlijk vertelde dat hij daar, ondanks het late tijdstip, naartoe was gegaan omdat Balder hem iets dringends te vertellen had.
‘Ik was daar voor mijn werk,’ zei hij.
Hij hoefde zich niet te verdedigen, maar hij voelde zich beschuldigd en hij wilde het uitleggen, ook al kon dat meer verslaggevers ertoe brengen in hetzelfde verhaal te gaan graven. Verder zei hij ‘geen commentaar’, maar dat bleek ook geen ideale reactie. Het enige voordeel van die woorden was in elk geval dat ze direct en duidelijk waren. Daarna zette hij zijn mobieltje uit, trok hij zijn vaders oude bontjas weer aan en liep de stad in, naar de Götgata.
De drukte op de redactie deed hem aan oude tijden denken. Overal, in elk hoekje, zaten collega’s geconcentreerd te werken. Erika had waarschijnlijk een vurige toespraak gehouden en iedereen was zich bewust van de ernst van de situatie. Ze hadden nog maar tien dagen tot de deadline. Boven hen hing de dreiging van Levin en Serner, en de hele ploeg was kennelijk bereid de strijd aan te gaan. Toch vlogen ze natuurlijk allemaal overeind toen ze hem zagen en wilden ze alles horen over Balder en de afgelopen nacht en ook wat hij vond van de manoeuvre van de Noren. Maar hij wilde niet voor de anderen onderdoen in ijver.
‘Later, later,’ zei hij, en hij liep naar Andrei Zander.
Andrei was zesentwintig, de jongste medewerker van de redactie. Hij had stage gelopen bij het blad en was blijven hangen, soms als invaller, zoals nu, soms als freelancer. Mikael vond het vervelend dat ze hem niet vast in dienst konden nemen, vooral omdat ze Emil Grandén en Sofie Melker wel een aanstelling hadden gegeven. Eigenlijk had hij liever Andrei aangenomen, maar hij had nog geen naam gemaakt en schreef ook nog niet goed genoeg.
Hij was een geweldige teamspeler, en dat was goed voor het blad, maar niet per se goed voor hemzelf. Niet in deze zelfzuchtige branche. Die jongen was niet ijdel genoeg, al had hij daar alle reden voor. Hij zag eruit als een jonge Antonio Banderas en was sneller van begrip dan de meeste anderen. Maar hij deed niets om zich op te werken. Hij wilde alleen maar meedoen en goede journalistiek bedrijven. Hij hield van Millennium en Mikael hield van mensen die van Millennium hielden. Hij zou ooit iets terugdoen voor Andrei.
‘Hoi Andrei,’ zei hij. ‘Hoe gaat het?’
‘Gaat wel. Druk.’
‘Ik had niet anders verwacht. Wat heb je gevonden?’
‘Heel wat. Het ligt op mijn bureau en ik heb er een samenvatting van gemaakt. Maar mag ik je een advies geven?’
‘Een goed advies is precies wat ik nodig heb.’
‘Ga nu meteen naar de Zinkensväg en ga praten met Farah Sharif.’
‘Met wie?’
‘Een heel knappe professor in de informatica die daar woont en de hele dag vrij heeft genomen.’
‘Je bedoelt dat ik op dit moment behoefte heb aan een mooie, intelligente vrouw?’
‘Dat niet. Maar professor Sharif belde net. Ze had gehoord dat Frans Balder je iets wilde vertellen. Ze denkt te weten wat dat was en ze wil je graag spreken. Misschien voer je daarmee zijn eigen wens uit. Het klinkt als een ideale start, vind ik.’
‘Heb je nog iets over haar uitgezocht?’
‘Jazeker. Natuurlijk kunnen we niet uitsluiten dat ze een eigen agenda heeft, maar ze was een goede bekende van Balder. Ze hebben samen gestudeerd en samen een paar wetenschappelijke artikelen geschreven. Er bestaan ook een paar partyfoto’s waar ze op staan. Ze is een grote naam in haar vakgebied.’
‘Oké, ik ga erheen. Meld jij dat ik weg ben?’
‘Doe ik,’ zei Andrei, en hij gaf Mikael het precieze adres.
En toen ging het net als de dag ervoor: Mikael verliet de redactie alweer voordat hij er goed en wel was. Hij las het onderzoeksmateriaal terwijl hij over de Hornsgata liep. Een paar keer botste hij tegen iemand op. Maar hij was zo geconcentreerd dat hij zich nauwelijks excuseerde, en het verbaasde hem dat hij onbewust niet direct naar het huis van Farah Sharif was gelopen. Hij stopte even bij Mellqvist Kaffebar en dronk staande aan de bar twee dubbele espresso’s. Dat was niet alleen om de vermoeidheid uit zijn lijf te jagen.
Hij dacht ook dat een cafeïne-injectie tegen de hoofdpijn zou helpen. Maar even later vroeg hij zich af of dat wel het juiste medicijn was geweest. Toen hij het café uit ging was hij er slechter aan toe dan toen hij er binnenging, maar dat kwam niet door de espresso. Dat kwam door alle imbecielen die over het nachtelijk drama hadden gelezen en allerlei idiote dingen tegen hem zeiden. Ze zeggen dat jonge mensen niets liever willen dan bekend worden. Hij moest hun eens uitleggen dat dat niet de moeite waard was. Je wordt er alleen maar gek van, vooral als je niet hebt geslapen en dingen hebt gezien die mensen niet zouden moeten zien.
Mikael Blomkvist liep verder over de Hornsgata, langs McDonald’s en de Coop en stak de Ringväg schuin over. Hij wierp een blik naar rechts en verstijfde, alsof hij iets belangrijks had gezien. Maar wat was er hier voor belangrijks? Niets, toch? Het was een hopeloos kruispunt waar veel ongelukken gebeurden en te veel uitlaatgassen hingen, meer niet. Maar toen wist hij het.
Het was het verkeerslicht. Het verkeerslicht dat Frans Balder met meetkundige precisie had getekend. Mikael verbaasde zich opnieuw over het onderwerp. Zelfs de oversteekplaats was niet erg opvallend; die was afgesleten en simpel. Maar misschien ging het daar juist om.
Het onderwerp was onbelangrijk. Het was wat je erin zag. Het kunstwerk ontstaat in het oog van de beschouwer. Verder had het niets met de zaak te maken, hooguit dat het aangaf dat Frans Balder hier was geweest en misschien ergens op een stoel het stoplicht had zitten bestuderen. Mikael liep verder, langs het Zinkendamms Stadion, en ging toen rechtsaf de Zinkensväg in.
Inspecteur Sonja Modig had de hele ochtend hard gewerkt. Nu zat ze op haar kamer en keek ze even naar een ingelijste foto op haar bureau. Op de foto stond haar zesjarige zoon Axel, die juichte nadat hij een doelpunt had gemaakt bij het voetballen. Sonja was een alleenstaande moeder, en het was een hele klus om het leven met haar zoontje draaiende te houden. Ze ging ervan uit dat het de komende tijd ook een flinke klus zou worden.
Er werd op de deur geklopt. Daar was Bublanski eindelijk; nu kon ze de leiding van het onderzoek aan hem overdragen. Hij zag er overigens niet uit alsof hij de leiding van wat dan ook wilde hebben. Hij had ongebruikelijk nette kleren aan: een colbertje, een stropdas en een pas gestreken overhemd. Zijn haar was over zijn kale hoofd gekamd. Hij keek dromerig en afwezig. Hij leek aan iets totaal anders te denken dan aan moordonderzoeken.
‘Wat zei de dokter?’ vroeg ze.
‘De dokter zei dat het er niet om gaat of we in God geloven. God is niet kleinzielig. Het gaat erom dat we inzien dat het leven gewichtig en rijk is. Daar moeten we waardering voor hebben én we moeten proberen de wereld beter te maken. Wie daar het evenwicht tussen vindt, staat dicht bij God.’
‘Dus je was eigenlijk bij je rabbi?’
‘Klopt.’
‘Oké, Jan. Ik weet niet wat ik aan dat waarderen van het leven kan doen, behalve dan dat ik je een stukje Zwitserse chocola met sinaasappel kan aanbieden die ik toevallig in mijn bureaula heb liggen. Maar als we de kerel te pakken krijgen die Frans Balder heeft doodgeschoten maken we de wereld beslist een beetje beter.’
‘Zwitserse chocola en een onopgehelderde moord klinken als een goed begin.’
Sonja pakte de reep, brak er een stukje af en gaf het aan Bublanski, die er met enige toewijding op kauwde.
‘Voortreffelijk,’ zei hij.
‘Ja, hè?’
‘Stel je voor dat het leven af en toe zo kon zijn,’ zei hij, en hij wees naar de foto van de juichende Axel op het bureau.
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat je geluk met dezelfde kracht kunt voelen als verdriet,’ ging hij door.
‘Ja, stel je voor.’
‘Hoe gaat het met de zoon van Balder?’ vroeg hij. ‘August heette hij toch?’
‘Moeilijk te zeggen,’ zei ze. ‘Hij is nu bij zijn moeder. Een psycholoog heeft hem onderzocht.’
‘En wat weten we tot nu toe?’
‘Nog niet zoveel, helaas. We hebben het type wapen. Een Remington 1911 R1 Carry, waarschijnlijk pas gekocht. We zoeken het nog verder uit, maar ik ben er vrij zeker van dat we het niet zullen kunnen traceren. We hebben de foto’s van de bewakingscamera’s; die zijn we aan het analyseren. Maar hoe we ze ook draaien of keren, we zien het gezicht van de man niet en ook geen specifieke kenmerken, geen littekens, niets. Alleen op één sequentie is een horloge te zien dat nogal duur lijkt. De kleren van de man zijn zwart. Zijn petje is grijs, zonder tekst. Jerker zegt dat hij loopt als een oude junk. Op één still heeft hij een zwarte doos in zijn hand, waarschijnlijk een laptop of een gsm-station. Waarschijnlijk heeft hij daarmee het alarmsysteem gehackt.’
‘Dat hoorde ik. Hoe hack je een alarm?’
‘Daar heeft Jerker naar gekeken en dat is nog niet zo simpel, zeker niet bij een alarm van deze kwaliteit, maar het kan. Het systeem was aangesloten op internet en het mobiele telefoonnet en zond voortdurend informatie uit naar Milton Security bij Slussen. Het is niet onmogelijk dat die man met zijn apparaat een frequentie van het alarm heeft opgenomen en het langs die weg heeft gehackt. Of hij is Balder bij een wandelingetje tegengekomen en heeft elektronisch informatie gestolen van de nfc van de professor.’
‘Van zijn wát?’
‘Near Field Communication, een functie op de mobiele telefoon van Frans Balder waarmee hij het alarm aan kon zetten.’
‘Vroeger was alles zoveel simpeler. Toen hadden dieven nog een koevoet,’ zei Bublanski. ‘Geen auto’s in de omgeving?’
‘Honderd meter verderop stond aan de kant van de weg een auto geparkeerd die af en toe zijn motor liet draaien, maar de enige die die auto heeft gezien is een oude dame die Birgitta Roos heet, en zij heeft geen idee wat voor auto het was. Misschien een Volvo, zegt ze. Of zo een als haar zoon heeft. Haar zoon heeft een bmw.’
Bublanski zuchtte.
‘Ja, het ziet er nogal somber uit aan het onderzoeksfront,’ vervolgde Sonja Modig. ‘De daders profiteerden van de nacht en de storm. Ze konden zich ongestoord door de omgeving bewegen en afgezien van het getuigenis van Mikael Blomkvist hebben we eigenlijk maar één andere getuige: een dertienjarige jongen, Ivan Grede. Een niet erg vrolijk, mager ventje dat leukemie heeft gehad toen hij klein was en zijn hele kamer in Japanse stijl heeft gemeubileerd. Praat een beetje wijsneuzerig. Ivan moest midden in de nacht naar de wc en zag toen vanuit het raam van de badkamer een sterke man aan de waterkant. Die man keek uit over de zee en sloeg met zijn vuist een kruis. Dat zag er agressief uit, maar tegelijk ook religieus, zei Ivan.’
‘Geen beste combinatie.’
‘Nee, als religie en geweld samengaan, is dat meestal geen goed teken. Maar Ivan was er niet zeker van dat het een kruis was. Het zag eruit als een kruis met nog iets extra’s, zei hij. Of als een militaire eed of zo. Ivan was even bang dat de man het water in zou lopen en zichzelf van kant zou maken. De situatie had iets plechtigs, zei hij, iets agressiefs.’
‘Maar er volgde geen zelfmoord.’
‘Nee. De man holde verder naar het huis van Balder. Hij had een rugzak op en donkere kleren aan, misschien een camouflagebroek. Hij was krachtig gebouwd en goed getraind, en deed Ivan denken aan zijn oude speelgoed, zei hij, ninjakrijgers.’
‘Ook niet best.’
‘Helemaal niet, en waarschijnlijk was dat dezelfde man als degene die op Mikael Blomkvist schoot.’
‘En Blomkvist heeft zijn gezicht niet gezien?’
‘Nee, hij gooide zich al op de grond terwijl de man zich omdraaide en schoot. Bovendien ging het allemaal heel snel. Maar volgens Blomkvist was de man waarschijnlijk militair getraind; dat komt wel overeen met de waarnemingen van Ivan Grede en lijkt ook wel te kloppen. De snelheid en de effectiviteit van de operatie wijzen ook in die richting.’
‘Is het jullie trouwens duidelijk geworden waarom Blomkvist daar was?’
‘Jazeker. Als er vannacht iets goed is uitgevoerd zijn het zijn verhoren. Kijk hier maar.’ Sonja gaf hem een print. ‘Blomkvist heeft contact gehad met een van Balders vroegere assistenten, die zegt dat de professor slachtoffer is geweest van een cyberaanval en bestolen is van zijn technologie, en dat verhaal interesseerde Blomkvist. Hij had Balder willen spreken. Maar Balder had niets van zich laten horen. Dat deed hij nooit. De laatste tijd leefde hij geïsoleerd en had hij nauwelijks nog contact met de buitenwereld. Alle inkopen en boodschappen werden gedaan door een huishoudster die ... wacht ... die Lottie Rask heet. Mevrouw Rask had trouwens de strikte opdracht om geen woord te zeggen over het feit dat de zoon in huis was. Daar kom ik zo op terug. Maar vannacht gebeurde er iets. Ik denk dat Balder ongerust was en iets kwijt wilde wat hem dwarszat. Vergeet niet dat hij net te horen had gekregen dat er een ernstige dreiging tegen hem bestond. Bovendien was zijn alarm afgegaan en werd zijn huis door twee politiemannen bewaakt. Misschien had hij een voorgevoel dat zijn dagen geteld waren. Ik weet het niet. Maar midden in de nacht belde hij Mikael Blomkvist omdat hij hem iets wilde vertellen.’
‘Vroeger belde je in zulke omstandigheden een priester.’
‘Nu bel je blijkbaar een journalist. Maar goed, dat is allemaal pure speculatie. We weten alleen wat Balder op Blomkvists voicemail heeft ingesproken. Verder hebben we geen idee wat hij wilde vertellen. Blomkvist weet het ook niet, zegt hij, en ik geloof hem. Maar daar ben ik blijkbaar de enige in. Richard Ekström, die trouwens ontzettend zeurt, is ervan overtuigd dat Blomkvist iets achterhoudt wat hij in zijn tijdschrift wil publiceren. Maar dat kan ik haast niet geloven. Blomkvist is een sluwe vos, dat weet iedereen, maar hij is niet iemand die bewust een politieonderzoek saboteert.’
‘Zeker niet.’
‘Maar Ekström gaat als een idioot tekeer en zegt dat Blomkvist moet worden aangehouden wegens meineed en tegenwerking en God weet wat allemaal. Blomkvist weet meer, loopt hij te tieren. Ik denk dat hij iets gaat ondernemen.’
‘Dat kan haast niet goed aflopen.’
‘Nee, en gezien Blomkvists kwaliteiten denk ik dat het beter is dat we goede maatjes met hem blijven.’
‘We moeten hem nog een keer verhoren, denk ik.’
‘Ja, ik ook.’
‘En wat is dat met Lasse Westman?’
‘Hem hebben we net verhoord, en dat is niet bepaald een vrolijk verhaal. Westman was naar de Konstnärsbar, de Teatergrill, de Operabar en Riche en God weet waar nog meer geweest en daar had hij urenlang over Balder en zijn zoon gepraat. Zijn maten werden er gek van. Hoe meer Westman dronk en hoe meer geld er in rook opging, hoe irritanter hij werd.’
‘Waarom was hij daar zo mee bezig?’
‘Voor een deel was het vermoedelijk een hang-up, zo’n dronkenmansprobleem. Ik herken het van mijn oom, vroeger. Elke keer als hij bezopen was, had hij iets te mekkeren. Maar natuurlijk zat er meer achter. In het begin zeurde Westman de hele tijd over het voogdijvonnis, en als hij iemand anders was geweest, meer empathisch, had dat het voor een deel kunnen verklaren. Dan zou je kunnen denken dat hij het beste wilde voor het kind. Maar nu ... Je weet dat Lasse Westman is veroordeeld wegens mishandeling?’
‘Nee, dat wist ik niet.’
‘Hij woonde een paar jaar geleden samen met die modeblogster, Renata Kapusinski. Die heeft hij helemaal in elkaar geslagen. Ik geloof dat hij zelfs haar wang kapot heeft gebeten.’
‘Getver.’
‘Bovendien ...’
‘Ja?’
‘... had Balder een paar aanklachten opgesteld die hij nog niet had verstuurd, misschien in verband met de juridische situatie, maar daaruit blijkt duidelijk dat hij Lasse Westman ervan verdacht dat hij ook zijn zoon had mishandeld.’
‘Echt waar?’
‘Balder had verdachte blauwe plekken op het lichaam van zijn zoon gezien, en hij werd gesteund door een psycholoog van het Autistisch Centrum. Dus Lasse Westman ...’
‘... werd niet bepaald door liefde en zorgzaamheid naar Saltsjöbaden gedreven.’
‘Nee, maar wel door geld. Nadat Balder zijn zoon had opgehaald, had hij de alimentatie die hij voor het kind moest betalen ingetrokken of in elk geval teruggeschroefd.’
‘Heeft Westman hem daarvoor niet aangeklaagd?’
‘Dat durfde hij waarschijnlijk niet, gezien de omstandigheden.’
‘Wat staat er verder nog in dat voogdijvonnis?’ vroeg Bublanski.
‘Dat Balder een hopeloze vader was.’
‘Was dat ook zo?’
‘Hij was in elk geval geen slecht mens, zoals Westman. Maar er was wel een incident geweest. Na de scheiding had Balder zijn zoon om het weekend, en in die tijd woonde hij in een flat op Östermalm met boeken van de vloer tot het plafond. In zo’n weekend, toen August zes was, zat hij in de woonkamer, terwijl Balder zoals gewoonlijk in de kamer ernaast volledig in gedachten voor zijn computer zat. Wat er precies is gebeurd weten we niet. Maar er stond een trapje tegen een boekenkast. August klom daarop, hield zich waarschijnlijk aan de bovenste boeken vast, viel, brak zijn elleboog en belandde bewusteloos op de grond. Maar Frans hoorde niets. Hij werkte gewoon door en ontdekte August pas uren later, jammerend op de grond tussen die boeken, en toen werd hij hysterisch en reed hij met de jongen naar de Spoedeisende Hulp.’
‘En toen raakte hij zijn bezoekregeling helemaal kwijt?’
‘En dat niet alleen. Er werd vastgesteld dat hij gevoelsmatig onvolwassen was en niet in staat om voor zijn kind te zorgen. Hij mocht niet meer alleen zijn met August. Maar eerlijk gezegd hecht ik niet veel waarde aan dat vonnis.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat er bij dat proces geen verdediging is gevoerd. De advocaat van zijn ex stelde zich keihard op, terwijl Frans Balder alleen maar het boetekleed aantrok en zei dat hij ongeschikt en onverantwoordelijk was, en niet in staat om te leven en God weet wat. De rechtbank heeft volgens mij erg bevooroordeeld vastgesteld dat Balder geen relaties aan kon gaan met andere mensen en altijd zijn toevlucht zocht tot apparaten. Ik heb zijn leven nu voor een deel kunnen bestuderen en ik betwijfel dat. Wat eigenlijk alleen maar schuldbewuste tirades en zelfbeschuldigingen waren, zag de rechtbank aan voor de waarheid. En Balder was eigenlijk heel coöperatief. Hij stemde in met een heel hoge alimentatie, veertigduizend kronen per maand, geloof ik, plus een eenmalig bedrag van negenhonderdduizend kronen voor onvoorziene uitgaven. Niet veel later vertrok hij naar Amerika.’
‘Maar toen kwam hij terug.’
‘Ja, en daar had hij waarschijnlijk verschillende redenen voor. Zijn technologie was gestolen en misschien was hij er wel achter gekomen wie dat had gedaan. Hij had een ernstig conflict met zijn werkgever. Maar ik denk dat zijn zoon ook een rol speelde. De vrouw van het Autistisch Centrum over wie ik het net had – ze heet trouwens Hilda Melin – was aanvankelijk heel optimistisch over de ontwikkelingskansen van het kind. Maar daar was niets van terechtgekomen. Bovendien had ze berichten gekregen dat Hanna en Lasse Westman hem aan de leerplicht onttrokken. Volgens het vonnis moest August thuis onderwijs krijgen. Maar de gespecialiseerde pedagogen die dat moesten geven werden tegen elkaar uitgespeeld en vermoedelijk heeft er ook fraude plaatsgevonden met een onderwijssubsidie en verzonnen namen van leraren, kortom alle denkbare ellende. Maar dat is een ander verhaal. Daar moet later maar iemand naar kijken.’
‘Je had het over die vrouw van het Autistisch Centrum.’
‘Ja, Hilda Melin. Zij vermoedde dat het niet klopte, belde met Hanna en Lasse, en kreeg te horen dat het allemaal prima in orde was. Maar iets zei haar dat dat niet waar was. Daarom ging ze er, tegen alle gewoonten in, onaangekondigd op bezoek, en toen ze eindelijk werd binnengelaten kreeg ze sterk de indruk dat de jongen het niet naar zijn zin had en dat zijn ontwikkeling stagneerde. Bovendien zag ze die blauwe plekken. Toen belde ze Frans Balder in San Francisco, en ze spraken lang met elkaar. Korte tijd later kwam hij terug naar Zweden en nam hij zijn zoon mee naar zijn nieuwe huis in Saltsjöbaden, waarbij hij het voogdijvonnis dus aan zijn laars lapte.’
‘Hoe ging dat? Als Lasse Westman zo gehecht was aan die alimentatie?’
‘Dat is niet duidelijk. Volgens Westman heeft Balder het kind min of meer gekidnapt. Maar Hanna heeft een andere versie. Zij zegt dat Frans ineens voor de deur stond. Hij leek veranderd en ze liet hem de jongen meenemen. Ze dacht zelfs dat August het bij hem beter zou hebben.’
‘En Westman?’
‘Westman was volgens haar dronken. En hij had net een grote rol in een nieuwe tv-serie gekregen en was daardoor over de hele linie opschepperig en overmoedig. Hij vond het ook goed. Hij mag nu dan klagen over het wel en wee van het kind, maar ik denk dat hij toen gewoon blij was dat hij van hem af was.’
‘Maar toen?’
‘Toen kreeg hij spijt en hij werd ook nog ontslagen bij die tv-serie omdat hij er niet in slaagde om nuchter te blijven, en toen wilde hij August opeens terug. Of eigenlijk niet hem, natuurlijk ...’
‘Maar de alimentatie.’
‘Precies. En dat wordt ook bevestigd door zijn kroegmaten, onder wie die evenementenmakelaar, Rindevall. Toen Westmans creditcard geblokkeerd bleek te zijn begon hij als een gek met zijn armen te zwaaien en onzin te praten over die jongen. Daarna troggelde hij een jong grietje in het café vijfhonderd piek af voor een taxi en ging hij midden in de nacht naar Saltsjöbaden.’
Jan Bublanski liet het even op zich inwerken en keek opnieuw naar de foto van de juichende Axel.
‘Wat een zootje,’ zei hij.
‘Zeg dat wel.’
‘In normale gevallen zouden we nu dicht bij de oplossing zijn. Dan zou het motief daar ergens in die voogdijruzie en die scheiding van destijds liggen. Maar alarmsystemen hacken en mannen die eruitzien als ninjakrijgers passen niet in het plaatje.’
‘Nee.’
‘En dan vraag ik me nog iets af.’
‘En dat is?’
‘Als August niet kon lezen, wat moest hij dan met die boeken?’
Mikael Blomkvist zat met een kop thee aan de keukentafel tegenover Farah Sharif en keek uit op het grote park Tantolunden. Hij wist dat het een teken van zwakheid was, maar hij wilde het liefst dat hij geen verhaal hoefde te schrijven. Hij wilde hier het liefst alleen maar zitten, zonder haar ook maar een strobreed in de weg te leggen.
Ze leek het onprettig te vinden om te praten. Haar hele gezicht was ingevallen en haar felle, donkere ogen, die toen ze de deur opendeed dwars door hem heen hadden gekeken, leken nu heen en weer te schieten. Soms mompelde ze Frans’ naam als in een mantra of een bezwering. Misschien had ze van hem gehouden. Hij had vast en zeker van háár gehouden. Farah was tweeënvijftig jaar en zeer innemend, niet mooi in klassieke zin, maar met een koninklijke statuur.
‘Wat was hij voor iemand?’ probeerde hij.
‘Frans?’
‘Ja.’
‘Een paradox.’
‘In welk opzicht?’
‘In alle mogelijke opzichten. Maar misschien vooral omdat hij hard werkte aan iets wat hem meer dan wie ook verontrustte. Een beetje zoals Oppenheimer in Los Alamos. Hij was bezig met iets waarvan hij dacht dat het onze ondergang zou kunnen worden.’
‘Dat kan ik niet volgen.’
‘Frans wilde de biologische evolutie op digitaal niveau herscheppen. Hij werkte met zelflerende algoritmen – die zichzelf door trial-and-error kunnen verbeteren. Hij leverde ook bijdragen aan de zogeheten kwantumcomputers waarmee Google, Solifon en de nsa werken. Zijn doel was agi tot stand te brengen, Artificial General Intelligence.’
‘En wat is dat?’
‘Iets wat net zo intelligent is als de mens, maar tevens de snelheid en de mechanische precisie van een computer heeft. De creatie daarvan zou ons op alle onderzoeksgebieden enorme voordelen geven.’
‘Zeker.’
‘Het onderzoek op dit terrein is ontzettend omvangrijk en hoewel de meeste mensen niet uitgesproken de ambitie hebben om agi te maken, dwingt de concurrentie ons er wel toe. Niemand kan het zich veroorloven geen zo intelligent mogelijke applicaties te maken of de ontwikkeling ervan tegen te houden. Denk maar aan wat we tot nu toe al hebben bereikt. Denk maar aan wat er vijf jaar geleden in je telefoon zat en wat er nu in zit.’
‘Zeker.’
‘Frans schatte eerder in – voordat hij zo geheimzinnig ging doen – dat we over dertig, veertig jaar agi zouden kunnen hebben, en dat klinkt misschien ongeloofwaardig, maar persoonlijk vraag ik me af of hij niet te voorzichtig was. De capaciteit van computers verdubbelt elke achttien maanden en ons brein kan niet goed bevatten wat zo’n exponentiële ontwikkeling inhoudt. Het is een beetje zoals met rijstkorrels op een schaakbord, weet je. Je legt één rijstkorrel op het eerste veld, twee op het tweede, vier op het derde en acht op het vierde.’
‘En al gauw wordt de hele wereld bedolven onder de rijstkorrels.’
‘De toenamesnelheid stijgt alleen maar en wordt uiteindelijk onbeheersbaar voor ons. Het interessante is eigenlijk niet wanneer we agi hebben, maar wat er daarna gebeurt. Er zijn een heleboel scenario’s mogelijk, afhankelijk van de manier waarop we het tot stand brengen. Maar we gaan zeker programma’s gebruiken die zichzelf updaten en verbeteren. En vergeet niet dat we dan ook een nieuw begrip van tijd krijgen.’
‘Hoezo?’
‘We verlaten de menselijke beperkingen. We worden in een nieuwe ordening gestort waarin de machines zichzelf dag en nacht razendsnel updaten. Al een paar dagen nadat we agi tot stand hebben gebracht, zullen we asi hebben.’
‘En wat is dat?’
‘Artificial Super Intelligence. Iets wat intelligenter is dan wij. Daarna zal het steeds sneller gaan. Computers zullen zichzelf verbeteren in een accelererend tempo, misschien wel met een factor tien, en zullen honderd, duizend, tienduizend keer zo slim worden als wij. En wat gebeurt er dan?’
‘Nou?’
‘Dat is het nou juist. Intelligentie op zichzelf is niet voorspelbaar. We weten niet waar de menselijke intelligentie ons zal brengen. We weten nog minder wat er met superintelligentie zal gaan gebeuren.’
‘In het ergste geval zijn we voor computers niet interessanter dan witte muisjes,’ merkte Mikael op, en hij dacht aan wat hij Lisbeth had geschreven.
‘In het ergste geval? We hebben negentig procent van ons dna gemeen met muizen en we nemen aan dat we ongeveer honderd keer zo slim zijn. Honderd keer. Meer niet. Hier staan we voor iets totaal nieuws, iets waar volgens wiskundige modellen geen rem op zit, iets wat misschien wel miljoenen keren zo intelligent kan worden. Kun je het je voorstellen?’
‘Ik doe mijn best,’ zei Mikael met een voorzichtig glimlachje.
‘Ik bedoel ...’ vervolgde ze. ‘Hoe denk je dat een computer zich voelt als hij wakker wordt en merkt dat hij gevangen is genomen en onder de duim wordt gehouden door primitieve onderkruipsels als wij? Waarom zou hij überhaupt rekening met ons houden, laat staan ons in zijn binnenste laten rommelen om het proces stop te zetten? We lopen het risico op een intelligentie-explosie, een technologische singulariteit, zoals Vernor Vinge het noemde. Alles wat er daarna gebeurt, ligt achter onze gebeurtenishorizon.’
‘Dus zodra we superintelligentie creëren, zijn we de controle kwijt.’
‘De kans bestaat dat alles wat we over onze wereld weten niet meer geldig is en dat het afgelopen is met de menselijke existentie.’
‘Meen je dat nou?’
‘Ik weet dat het raar klinkt voor mensen die niet in dit vakgebied werken, maar het is een heel realistisch scenario. Er zijn momenteel duizenden mensen in de hele wereld aan het werk om die ontwikkeling te verhinderen. Velen zijn optimistisch of zelfs utopisch. Ze hebben het over friendly asi, over vriendelijke superintelligenties die van het begin af aan zo geprogrammeerd zijn dat ze ons alleen maar helpen. Ze denken aan iets in de stijl van wat Asimov zich voorstelde in zijn boek Ik, Robot: ingebouwde wetten die de apparaten verbieden ons kwaad te doen. De uitvinder en schrijver Ray Kurzweil ziet een prachtige wereld voor zich, waarin we met behulp van nanotechniek integreren met computers en onze toekomst met hen delen. Maar er zijn natuurlijk geen garanties. Wetten kunnen worden ingetrokken. De betekenis van initiële programmeringen kan veranderen en het is ontzettend gemakkelijk om antropomorfische fouten te maken, apparaten menselijke eigenschappen toe te kennen en hun intrinsieke energie verkeerd te interpreteren. Frans was geobsedeerd door deze vraagstukken, en zoals ik al zei: hij stond er ambigu tegenover. Hij verlangde naar intelligente computers en hij maakte zich er zorgen over.’
‘Hij kon niet nalaten zijn monsters te bouwen.’
‘Zo ongeveer, sterk uitgedrukt.’
‘Hoever was hij?’
‘Verder dan iemand zich maar kon voorstellen, geloof ik, en ik denk dat dat eens te meer een reden was om zo geheimzinnig te doen over zijn werk bij Solifon. Hij was bang dat zijn programma in verkeerde handen zou vallen. Hij was zelfs bang dat het programma met internet in contact zou komen en zich daarmee zou verenigen. Hij noemde het August, naar zijn zoon.’
‘En waar is het nu?’
‘Hij zette nooit een stap zonder het bij zich in de buurt te hebben. Waarschijnlijk stond het naast zijn bed toen hij werd doodgeschoten. Maar het griezelige is dat de politie zegt dat er geen computer was.’
‘Ik heb er ook geen gezien. Maar ik lette dan ook op iets anders.’
‘Dat moet akelig zijn geweest.’
‘Je weet misschien dat ik de dader ook heb gezien,’ ging Mikael door. ‘Hij had een rugzak op.’
‘Dat klinkt niet goed. Maar met een beetje mazzel is de computer ergens in huis opgedoken. Ik heb maar heel kort met de politie gesproken en kreeg het gevoel dat ze de situatie nog niet onder controle hadden.’
‘Laten we het hopen. Heb je enig idee wie zijn technologie de eerste keer heeft gestolen?’
‘Ja, dat heb ik inderdaad.’
‘Nu vind ik het heel interessant worden.’
‘Snap ik. Maar voor mij is het trieste van het verhaal dat ik daar persoonlijk een rol in heb gespeeld. Weet je, Frans was bezig zich over de kop te werken en ik maakte me zorgen dat hij overspannen zou raken. Hij had toen net de voogdij over August verloren.’
‘Wanneer was dat?’
‘Twee jaar geleden. Hij sliep niet, liep uitgeput rond en voelde zich schuldig. Toch kon hij zijn werk niet loslaten. Hij stortte zich erop alsof het het enige was wat hij nog had in het leven, dus ik zorgde ervoor dat hij een paar assistenten kreeg om hem te ontlasten. Ik kreeg mijn beste studenten zover en ik wist ook wel dat het niet allemaal engeltjes waren. Maar ze waren ambitieus en begaafd, en ze hadden een mateloze bewondering voor Frans; alles zag er veelbelovend uit. Maar toen ...’
‘Werd hij bestolen.’
‘Hij kreeg het zwart op wit toen het Amerikaanse octrooibureau in augustus vorig jaar een patentaanvraag van Truegames binnenkreeg. Alle unieke onderdelen van zijn technologie waren gekopieerd en uitgeschreven, en eerst dachten ze natuurlijk dat hun computers waren gehackt. Zelf was ik meteen al sceptisch. Maar omdat er geen andere verklaring mogelijk was, gingen ze daarvan uit, en op een gegeven moment geloofde Frans dat zelf ook. Maar dat was natuurlijk flauwekul.’
‘Hè?’ vroeg Mikael opgewonden. ‘De cyberaanval is toch bevestigd door deskundigen?’
‘Door een of andere idioot van de fra, ja, die aandacht wilde trekken. Maar verder was dat alleen maar een manier van Frans om zijn jongens te beschermen. Of dat niet alleen, vrees ik. Ik verdenk hem ervan dat hij ook detectivetje wilde spelen. Hoe kon hij toch zo dom zijn? Weet je ...’
Farah haalde diep adem.
‘Ja?’ zei Mikael.
‘Ik hoorde het een paar weken geleden. Frans kwam hier eten met de kleine August, en ik merkte meteen dat hij iets belangrijks wilde vertellen. Het hing in de lucht, en al na een paar glaasjes vroeg hij me mijn mobieltje weg te leggen en begon hij te fluisteren. Ik moet bekennen dat ik aanvankelijk vooral geïrriteerd was. Hij zeurde weer over die geniale jonge hacker.’
‘Geniale jonge hacker?’ vroeg Mikael, en hij probeerde neutraal te klinken.
‘Een meisje over wie hij zoveel praatte dat ik er hoorndol van werd. Ik zal je er niet mee vermoeien, maar het was een grietje dat uit het niets op zijn lezingen was opgedoken en praatte over het begrip “singulariteit”.’
‘Hoe?’
Farah verzonk in gedachten.
‘Hè? Eh ... nou ja, dat heeft hier eigenlijk niets mee te maken,’ antwoordde ze. ‘Maar het begrip “technologische singulariteit” is afkomstig van de gravitationele singulariteit.’
‘En wat is dat?’
‘Het “hart van de duisternis”, zeg ik altijd. Datgene wat er helemaal binnen in de zwarte gaten zit, wat het eindstation is van alles wat we weten over het universum en wat misschien zelfs openingen heeft naar andere werelden en tijdperken. Veel mensen zien singulariteit als iets volstrekt irrationeels en denken dat het daarom noodzakelijkerwijs moet worden beschermd door een gebeurtenishorizon. Maar dat meisje zocht naar kwantummechanische manieren om mee te rekenen en beweerde dat er heel goed naakte singulariteiten konden zijn zonder gebeurtenishorizon; nou ja, laat ik daar niet verder op ingaan. Maar ze maakte indruk op Frans en hij begon dingen aan haar toe te vertrouwen. Dat is misschien ook wel begrijpelijk. Zo’n aartsnerd als Frans had niet veel mensen met wie hij op zijn eigen niveau kon praten, en toen hij begreep dat het meisje ook hacker was, vroeg hij haar hun computers te onderzoeken. De hele installatie stond toen bij een van zijn assistenten thuis, een jongen die Linus Brandell heet.’
Mikael besloot weer niet te vertellen wat hij wist.
‘Linus Brandell,’ zei hij slechts.
‘Precies,’ vervolgde ze. ‘Het meisje kwam bij hem op Östermalm, gooide hem zijn eigen huis uit en stortte zich op de computers. Ze vond geen enkel bewijs voor een cyberaanval. Maar dat was nog niet genoeg voor haar. Ze had een lijst van Frans’ assistenten en vanuit de computer van Linus hackte ze die allemaal, en het duurde niet lang of ze begreep dat een van hen de kennis aan Solifon had verkocht.’
‘Wie?’
‘Dat wilde Frans niet vertellen, hoe ik ook aandrong. Maar blijkbaar belde dat meisje direct vanuit het huis van Linus. Frans was toen in San Francisco en je kunt je wel voorstellen: verraad van zijn eigen mensen! Ik had verwacht dat hij meteen aangifte tegen die knaap zou doen, hem zwart zou maken en er een vreselijke stampij over zou maken. Maar hij kwam op een ander idee. Hij vroeg het meisje te doen alsof er wel een cyberaanval was geweest.’
‘Waarom?’
‘Hij wilde niet dat er sporen of bewijzen zouden worden uitgewist. Hij wilde meer weten over wat er was gebeurd, en dat begrijp ik ook wel. Dat een van de voornaamste softwareproducenten ter wereld zijn technologie had gestolen was natuurlijk erger dan dat een of andere idioot, een of andere amorele klojo van een student, iets achter zijn rug om had gedaan. Solifon is immers niet alleen een van de meest gerenommeerde onderzoeksconcerns van de Verenigde Staten. Solifon had ook jaar in jaar uit geprobeerd Frans binnen te halen. Dat maakte hem razend. “Die klootzakken hebben me eerst ingepalmd en me vervolgens bestolen,” zei hij.’
‘Wacht even,’ zei Mikael. ‘Even voor de duidelijkheid. Dus je bedoelt dat hij de baan bij Solifon nam om uit te zoeken waarom en hoe ze hem hadden bestolen?’
‘Als ik in de loop der jaren iets heb geleerd, is het wel dat het niet zo gemakkelijk is de motieven van mensen te begrijpen. Het salaris en de mogelijkheden waren vast ook wel belangrijk. Maar verder: ja! Zo was het, denk ik. Al voordat dat grietje zijn computers had doorzocht, had hij begrepen dat Solifon met de diefstal te maken had. Maar dat meisje gaf hem meer specifieke informatie, en toen begon hij dieper te graven. Dat bleek natuurlijk veel lastiger te zijn dan hij had gedacht en het zorgde voor een hoop wantrouwen rondom hem. Ze hadden al gauw een ongelooflijke hekel aan hem en hij werd steeds teruggetrokkener. Maar hij vond wel iets.’
‘Wat dan?’
‘Dit is allemaal heel gevoelig. Ik zou het je eigenlijk niet moeten vertellen.’
‘Maar toch zitten we hier.’
‘En toch doe ik het, en niet alleen omdat ik altijd veel respect heb gehad voor je werk. Vanmorgen bedacht ik ineens dat het misschien geen toeval was dat Frans jou vannacht belde, en niet de afdeling Bedrijfsbescherming van de Säpo, waar hij ook contact mee heeft gehad. Ik denk dat hij begon te vermoeden dat er daar een lek zat. Dat kan natuurlijk pure paranoia zijn geweest. Frans vertoonde alle mogelijke tekenen van achtervolgingswaanzin. Maar jou belde hij wel, en nu hoop ik dat ik met een beetje mazzel zijn wil kan uitvoeren.’
‘Ik begrijp het.’
‘Bij Solifon is een afdeling die Y heet, kort en goed,’ vervolgde Farah. ‘Naar het voorbeeld van Google X, de afdeling bij Google waar ze zich bezighouden met “moonshots”, zoals zij dat noemen: wilde, vergezochte ideeën, zoals streven naar eeuwig leven of zoekmachines koppelen aan hersenneuronen. Als ze ergens agi of asi kunnen maken, dan is het daar wel. Frans kwam bij Y te werken. Maar dat was niet zo slim als het leek.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij van zijn hackermeisje had gehoord dat er bij Y een geheime groep omgevingsanalisten was, geleid door iemand die Zigmund Eckerwald heet.’
‘Zigmund Eckerwald?’
‘Ja. Ook wel Zeke genoemd.’
‘En wie is dat?’
‘Dat was nu net de man die met de verraderlijke assistent van Frans had gecommuniceerd.’
‘Dus Eckerwald was de dief.’
‘Dat kun je wel zeggen. Een dief op hoog niveau. Het werk van zijn groep was zo op het oog volkomen legitiem. Ze maakten profielen van vooraanstaande onderzoekers en veelbelovende projecten. Alle grote hightechondernemingen doen iets soortgelijks. Ze willen weten wat er gaande is en wie ze in dienst moeten nemen. Maar Frans begreep dat deze groep verderging. Zij beschreven niet alleen, ze stalen ook – door middel van hacking, spionage, mollen en smeergeld.’
‘Waarom deed hij geen aangifte tegen hen?’
‘Het was lastig te bewijzen. Ze waren natuurlijk voorzichtig. Maar uiteindelijk ging hij toch naar de eigenaar, Nicolas Grant. Die was ontzet, en volgens Frans liet hij een intern onderzoek uitvoeren. Maar dat leverde niets op, ofwel omdat Eckerwald de bewijzen had weggewerkt ofwel omdat het onderzoek alleen maar voor de show was. Frans kwam in een uiterst vervelende situatie terecht. Alle woede richtte zich op hem. Ik denk dat Eckerwald daarbij de drijvende kracht was, en waarschijnlijk was het niet moeilijk de anderen mee te krijgen. Frans werd toen al als paranoïde en wantrouwend beschouwd, en hij raakte steeds meer geïsoleerd. Ik zie het zó voor me. Hoe hij daar zit en steeds dwarser en onbuigzamer wordt, en weigert nog een woord met iemand te wisselen.’
‘Dus hij had geen harde bewijzen, denk je?’
‘Nou ja, hij had in elk geval het bewijs dat hij van dat hackermeisje had gekregen: dat Eckerwald zijn technologie had gestolen en doorverkocht.’
‘Dus dat wist hij zeker?’
‘Blijkbaar wel. Bovendien had hij inmiddels door dat Eckerwalds groep niet alleen werkte. Ze kregen steun en hulp van buitenaf, waarschijnlijk van de Amerikaanse inlichtingendiensten en ook ...’
Farah zweeg.
‘Ja?’
‘Hierover was hij cryptischer. Misschien wist hij wel niet zoveel, maar hij was wel een codenaam tegengekomen, zei hij, van de echte leider buiten Solifon. Die naam was “Thanos”.’
‘Thanos?’
‘Ja. Er heerste een flinke angst voor die figuur, zei hij. Maar meer wilde hij niet zeggen. Hij had een levensverzekering nodig, beweerde hij, voor als de advocaten achter hem aan kwamen.’
‘Je zei dat je niet wist wie van zijn assistenten hem had verraden. Maar daar heb je vast wel over nagedacht,’ zei Mikael.
‘Dat heb ik zeker. En soms ... ik weet niet ...’
‘Nou?’
‘... vroeg ik me af of ze het niet allemaal samen hebben gedaan.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Toen ze bij Frans begonnen, waren ze jong, talentvol en ambitieus. Toen ze er stopten, waren ze zwaarmoedig en zorgelijk. Misschien beulde Frans ze af, maar het kan ook zijn dat hen iets dwarszit.’
‘Heb je hun namen?’
‘Jazeker. Het zijn immers mijn jongens. Helaas, mag ik wel zeggen. Allereerst heb je Linus Brandell; die noemde ik al. Hij is nu vierentwintig en zwerft alleen nog maar wat rond, speelt computerspelletjes en drinkt veel te veel. Een tijdje had hij een goede baan als spelontwikkelaar bij Crossfire, maar die raakte hij kwijt omdat hij zich te pas en te onpas ziek meldde en zijn collega’s ervan beschuldigde dat ze hem bespioneerden. Verder heb je Arvid Wrange; je hebt misschien wel van hem gehoord. Hij was ooit een veelbelovende schaker. Zijn vader pushte hem onmenselijk hard en uiteindelijk had Arvid er genoeg van en kwam hij bij mij studeren. Ik had gehoopt dat hij nu allang gepromoveerd zou zijn, maar nee hoor, hij loopt de kroegen rond het Stureplan af en lijkt volkomen de weg kwijt. Bij Frans was hij een tijdje helemaal opgeleefd. Maar er was ook een hoop kinderachtige concurrentie onder die jongens, en Arvid en Basim, zoals de derde heet, kregen een gruwelijke hekel aan elkaar; in elk geval had Arvid een hekel aan Basim. Basim Malik is niet zo’n haatdragend type. Dat is een gevoelige, talentvolle jongen die vorig jaar bij Solifon Noord-Europa is aangesteld. Maar de fut was er al gauw uit bij hem. Momenteel ligt hij met een depressie in het Ersta-ziekenhuis. Vanmorgen belde zijn moeder zelfs nog – die ken ik een beetje – om te vertellen dat ze hem kalmeringsmiddelen geven. Toen hij hoorde wat er met Frans was gebeurd probeerde hij zijn pols door te snijden, en dat doet me uiteraard wel wat. Maar tegelijk vraag ik me natuurlijk af: Was het alleen verdriet? Of was het ook schuldgevoel?’
‘Hoe gaat het nu met hem?’
‘Puur lichamelijk bestaat er niet veel gevaar meer. En dan is er nog Niklas Lagerstedt, en die ... Ja, wat zal ik zeggen? Hij is in elk geval niet zoals de anderen, zo op het oog. Hij is niet iemand die als een ketter zuipt of op het idee zou komen om zichzelf iets aan te doen. Hij is een jongeman die morele bezwaren heeft tegen van alles en nog wat, zelfs tegen gewelddadige computerspelletjes en porno. Hij is actief in de oecumenische Kerk. Zijn vrouw is kinderarts en ze hebben een zoontje, Jesper. Bovendien is hij adviseur bij de nationale recherche voor het computersysteem dat ze daar vanaf volgend jaar gaan invoeren, en dat betekent natuurlijk dat ze een antecedentenonderzoek bij hem hebben gedaan. Maar ik weet niet hoe diep dat ging.’
‘Waarom zeg je dat?’
‘Omdat hij achter die prachtige façade een inhalig huftertje is. Ik weet toevallig dat hij een deel van het vermogen van zijn schoonvader en zijn vrouw erdoor heeft gejaagd. Het is een huichelaar.’
‘Zijn die jongens verhoord?’
‘De Säpo heeft met hen gepraat, maar dat heeft niets opgeleverd. In die tijd dachten ze ook nog dat Frans het slachtoffer was van een cyberaanval.’
‘Ik verwacht dat de politie hen nu wel weer zal verhoren.’
‘Ik neem aan van wel.’
‘Weet je trouwens of Balder in zijn vrije tijd veel tekende?’
‘Tekende?’
‘Of hij het leuk vond om dingen tot in detail na te tekenen?’
‘Nee, daar heb ik nooit iets over gehoord,’ zei ze. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Ik zag bij hem thuis een fantastische tekening van het verkeerslicht hier op het kruispunt Hornsgata-Ringväg, helemaal perfect, een soort snapshot in het donker.’
‘Dat vind ik vreemd. Frans kwam niet vaak in deze buurt.’
‘Wat raar.’
‘Ja.’
‘Die tekening heeft iets wat me niet loslaat,’ zei Mikael, en hij merkte tot zijn verbazing dat Farah zijn hand vastpakte.
Hij streelde haar troostend over haar hoofd. Toen stond hij op met het gevoel dat hij iets op het spoor was. Hij nam afscheid en liep naar buiten, het voetpad op.
Terwijl hij naar de Zinkensväg liep, belde hij Erika en vroeg haar een nieuwe vraag te noteren in Lisbeths Laatje.