28
24 november ’s middags
Professor Charles Edelman stond op de parkeerplaats van het Karolinska Instituut en vroeg zich af waar hij in hemelsnaam mee had ingestemd. Hij kon het bijna niet geloven en had er ook helemaal geen tijd voor, maar toch had hij ja gezegd tegen een regeling die hem zou dwingen een hele reeks vergaderingen, lezingen en conferenties af te zeggen.
Toch was hij merkwaardig vrolijk. Hij was in de ban geraakt, niet alleen van het jongetje, maar ook van de jonge vrouw, die eruitzag alsof ze rechtstreeks van een vechtpartij in een steegje kwam, maar die in een nieuwe bmw reed en met ijzige autoriteit sprak. Zonder dat hij zich er goed en wel van bewust was, had hij ‘Ja oké, ja hoor’ geantwoord op haar vragen, hoewel dat duidelijk onverstandig en overhaast was, en het enige greintje zelfstandigheid dat hij had getoond was dat hij haar aanbiedingen voor een vergoeding van de hand had gewezen.
Hij zou ook zijn reis en zijn hotelkamer zelf betalen, had hij gezegd. Waarschijnlijk voelde hij zich schuldig. Hij wilde de jongen helpen; hij had met hem te doen en bovendien was zijn wetenschappelijke nieuwsgierigheid gewekt. Een savant die niet alleen met fotografische precisie tekende, maar ook nog priemgetalfactorisaties maakte, fascineerde hem enorm en tot zijn eigen verbazing besloot hij zelfs het Nobeldiner te laten voor wat het was. De jonge vrouw had zijn verstand uitgeschakeld.
Hanna Balder zat te roken in de keuken in de Torsgata. Voor haar gevoel had ze niet veel meer gedaan dan daar zitten paffen, met een steen op haar maag. Ze had dan wel ongewoon veel hulp en steun gehad, maar daar stond tegenover dat ze ook ongewoon veel slaag had gehad. Lasse Westman kon niet tegen haar onrust. Waarschijnlijk ging dat ten koste van zijn eigen martelaarschap.
Hij vloog voortdurend op en schreeuwde dan: ‘Kun je niet eens op je eigen kind letten?’, en vaak had hij losse handjes en sloeg hij haar als een lappenpop door de flat. Hij zou nu ook wel weer woest worden. Met een onvoorzichtige beweging had ze koffie gemorst op de cultuurbijlage van Dagens Nyheter, waarover Lasse zich net had zitten opwinden, want er stond een toneelrecensie in die hij te positief vond voor een paar collega’s die hij niet mocht.
‘Verdomme, wat doe je?’ brieste hij.
‘Sorry,’ zei ze snel. ‘Ik veeg het even af.’
Ze zag aan zijn mondhoeken dat dat niet genoeg was. Ze besefte al dat hij haar zou slaan voordat hij het zelf wist en daardoor was ze zo goed voorbereid op zijn klap dat ze geen woord uitbracht en zelfs haar hoofd niet bewoog. Ze merkte wel dat haar ogen zich vulden met tranen en dat haar hart bonsde, maar dat was eigenlijk niet vanwege de klap. Die was slechts de aanleiding. Vanmorgen had ze een telefoontje gekregen dat zo verwarrend was dat ze het nauwelijks begreep: August was gevonden en weer verdwenen, maar ‘waarschijnlijk’ was hij ongedeerd. Waarschijnlijk. Hanna wist niet eens of ze nu meer of minder ongerust moest zijn door dit bericht.
Ze had haast niet kunnen luisteren en nu waren de uren verstreken en was er niets gebeurd en niemand leek er meer over te weten. Plotseling stond ze op, zonder zich erom te bekommeren of ze daardoor meer slaag zou krijgen. Ze liep naar de woonkamer en hoorde Lasse hijgend achter zich aan komen. Op de grond lag Augusts tekenpapier nog en buiten gilde de sirene van een ambulance. Ze hoorde voetstappen in het trappenhuis. Kwam er iemand aan? Er werd aangebeld.
‘Niet opendoen. Het is alleen maar weer zo’n klotejournalist,’ siste Lasse.
Hanna wilde ook niet opendoen. Ze voelde zich ongemakkelijk bij alle confrontaties. Maar ze kon het ook niet negeren, toch? Misschien wilde de politie haar nog een keer horen, misschien wisten ze nu meer, goed of slecht nieuws. Ze liep naar de deur en moest aan Frans denken.
Ze dacht eraan dat hij daar had gestaan en August wilde meenemen. Ze herinnerde zich zijn ogen, de afwezigheid van een baard, haar eigen verlangen naar haar oude leven vóór Lasse Westman, toen de telefoon niet stilstond, toen de aanbiedingen binnenstroomden en de angst zijn klauwen nog niet in haar had gezet. Toen deed ze de deur open, met de veiligheidsketting er nog voor. Eerst zag ze niets, alleen de lift en de roodbruine muren. Toen ging er een schok door haar heen en ze kon haast niet geloven wat ze zag, maar het was August! Zijn haar was één warrige bos, zijn kleren waren vuil en aan zijn voeten had hij een paar veel te grote gymschoenen, maar toch. Hij keek haar met hetzelfde ernstige, ondoorgrondelijke gezicht aan als anders, en toen rukte ze de veiligheidsketting eraf en deed ze de deur helemaal open. Ze had niet verwacht dat August alleen zou verschijnen, maar toch schrok ze. Naast haar zoon stond een stoere jonge vrouw in een leren jack met schrammen op haar gezicht en aarde in haar haar naar de grond te kijken. In haar hand had ze een grote koffer.
‘Ik ben hier om je zoon terug te brengen,’ zei ze zonder op te kijken.
‘O god,’ zei Hanna. ‘O god!’
Meer kon ze niet uitbrengen. Een paar seconden stond ze onbeholpen in de deuropening. Toen begonnen haar schouders te schokken. Ze zakte op haar knieën en trok zich er niets van aan dat August een hekel had aan omhelzingen. Ze sloeg haar armen om hem heen en mompelde ‘Mijn jochie toch, mijn jochie toch’ tot de tranen kwamen, en het gekke was: August liet haar gewoon begaan. Het leek wel alsof hij ook iets wilde zeggen – alsof hij op de koop toe ook nog had leren praten. Maar hij kreeg er de tijd niet voor. Lasse Westman verscheen in de deuropening.
‘Wel alle ... daar is hij toch weer,’ siste hij, en het leek alsof hij weer klappen wilde gaan uitdelen. Maar toen klaarde zijn gezicht op. Het was in feite een schitterende acteerprestatie. Van het ene op het andere moment straalde hij op de manier die altijd zoveel indruk maakte op vrouwen.
‘En we krijgen hem nog wel aan huis bezorgd,’ vervolgde hij. ‘Te gek! Gaat het goed met hem?’
‘Hij is in orde,’ zei de vrouw in de deuropening met een eigenaardig monotone stem, en zonder het te vragen stapte ze met haar grote koffer en haar smerige zwarte laarzen de flat binnen.
‘Ja, kom gerust binnen,’ zei Lasse zuinig. ‘Doe of je thuis bent.’
‘Ik ben hier om je te helpen pakken, Lasse,’ zei de vrouw nog steeds met die ijzige stem.
Dat was zo’n merkwaardige opmerking dat Hanna ervan overtuigd was dat ze het verkeerd had verstaan, en het was duidelijk dat Lasse het ook niet begreep. Hij staarde haar schaapachtig aan.
‘Wat zeg je?’ vroeg hij.
‘Je moet hier weg.’
‘Probeer je grappig te zijn?’
‘Helemaal niet. Je gaat nú het huis uit en je komt nooit meer in de buurt van August. Dit is de laatste keer dat je hem ziet.’
‘Jij bent echt helemaal geschift!’
‘Integendeel, ik ben bijzonder royaal. Ik heb overwogen om je gewoon hier de trap af te gooien en je iets vreselijks aan te doen. Maar ik heb toch maar een koffer meegenomen. Ik dacht dat je wel een paar overhemden en onderbroeken zou willen inpakken.’
‘Wat ben jij voor een gedrocht?’ beet Lasse haar toe, verbluft en woedend tegelijk, en hij kwam met zijn hele dreigende postuur op haar af, en even dacht Hanna dat hij haar ook te lijf zou gaan.
Maar iets bracht hem aan het twijfelen. Misschien waren het de ogen van de vrouw of het simpele feit dat ze niet reageerde zoals anderen. In plaats van terug te deinzen en angstig te kijken glimlachte ze koeltjes en haalde ze een paar verkreukelde velletjes papier uit haar binnenzak, die ze aan Lasse gaf.
‘Als jij en je maat Roger August gaan missen kunnen jullie altijd hier nog naar kijken,’ zei ze.
Lasse stond perplex. Hij bladerde verward door de papieren. Toen trok hij een kwade grimas en Hanna kon niet nalaten ook te kijken. Het waren tekeningen en op de bovenste stond ... Lasse. Hij zwaaide met zijn vuisten en zag er waanzinnig gemeen uit. Later zou ze het nauwelijks kunnen uitleggen. Niet alleen begreep ze wat er was gebeurd als August alleen thuis was met Lasse en Roger, ze zag nu ook haar eigen leven. Ze had het in jaren niet zo helder en nuchter bekeken.
Zo, met zo’n zelfde van woede vertrokken gezicht, had Lasse haar ook honderden keren aangekeken, een minuut geleden nog, en ze begreep dat niemand zoiets zou moeten hoeven ondergaan, August niet en zij ook niet, en ze deed een stapje terug. Ze dacht tenminste dat ze een stapje terug deed, want de vrouw keek haar met hernieuwde aandacht aan en Hanna keek voorzichtig terug; het zou overdreven zijn dit contact te noemen, maar op de een of andere manier moesten ze elkaar toch hebben begrepen.
De vrouw vroeg: ‘Nietwaar, Hanna? Hij moet toch weg?’
Dat was een levensgevaarlijke vraag. Hanna keek naar Augusts grote gymschoenen.
‘Wat voor schoenen heeft hij aan?’
‘De mijne.’
‘Waarom?’
‘We moesten vanmorgen een beetje snel weg.’
‘En wat hebben jullie gedaan?’
‘Ons verstopt.’
‘Ik snap niet ...’ begon ze, maar verder kwam ze niet.
‘Ga je die psychopaat hier nog uitleggen dat er hier maar één persoon is die weggaat, en dat zij dat is?’ brulde hij.
‘Ja ... jawel,’ zei Hanna.
‘Doe dat dan!’
Maar toen ... Ze kon het niet goed uitleggen. Misschien had het met Lasses gezichtsuitdrukking te maken, misschien was het de onverzettelijkheid die de jonge vrouw uitstraalde of waren het haar ijskoude ogen.
Opeens hoorde Hanna zichzelf zeggen: ‘Jij moet weg, Lasse! En kom nooit meer terug!’
Ze kon het nauwelijks geloven. Lasse hief zijn hand op om te slaan, maar er kwam geen klap, niet van hem. De jonge vrouw reageerde bliksemsnel, sloeg hem twee, drie keer als een getrainde bokser in zijn gezicht en velde hem toen met een schop tussen zijn benen.
‘Wel godver...’ bracht hij uit, meer niet.
Hij klapte tegen de grond. De jonge vrouw ging over hem heen staan en later zou Hanna zich steeds weer herinneren wat Lisbeth Salander toen zei. Het was alsof ze door die woorden iets van zichzelf terugkreeg, en ze begreep hoe hevig en hoe lang ze al wilde dat Lasse Westman uit haar leven verdween.
Bublanski verlangde naar rabbi Goldman.
Hij verlangde naar de sinaasappelchocola van Sonja Modig, naar zijn nieuwe Dux-bed en naar een ander jaargetijde. Maar nu had hij tot taak duidelijkheid te brengen in dit onderzoek, en dat zou hij doen.
Op één punt was hij tevreden: August Balder zou ongedeerd op weg zijn naar zijn moeder. De moordenaar van zijn vader was gegrepen, dankzij de jongen én Lisbeth Salander, al was het nog niet zeker of de moordenaar het zou overleven. Hij was zwaargewond overgebracht naar het Danderyds Ziekenhuis. Hij heette Boris Lebedev, maar gebruikte al lang de identiteit Jan Holtser en woonde in Helsinki. Hij was majoor en een oude elitemilitair uit het Sovjet-leger. Hij was eerder al in verschillende moordonderzoeken voorgekomen, maar nooit veroordeeld. Officieel was hij zelfstandig ondernemer in de beveiligingsbranche. Hij had zowel de Finse als de Russische nationaliteit; waarschijnlijk had iemand hem een valse identiteit verstrekt.
Ook de beide andere mannen die bij het huis op Ingarö waren aangetroffen waren via hun vingerafdrukken geïdentificeerd. Het waren Dennis Wilton, een oude gangster van de Svavelsjö MC die vast had gezeten wegens gewelddadige beroving en zware mishandeling, en Vladimir Orlov, een Rus die in Duitsland was veroordeeld wegens pooierpraktijken en wiens beide echtgenotes onder ongelukkige en verdachte omstandigheden waren overleden. Geen van beide mannen had een woord gezegd over wat er was gebeurd, ze hadden sowieso nergens een woord over gezegd, en Bublanski koesterde geen overdreven verwachtingen dat ze dat alsnog zouden doen. Dat soort kerels was in politieverhoren meestal niet zo spraakzaam. Aan de andere kant: dat hoorde ook bij de spelregels.
Wat Bublanski werkelijk dwarszat, was het gevoel dat die mannen maar voetsoldaten waren en dat er boven hen nog iemand stond die het bevel voerde, kennelijk met relaties in de hoogste kringen van de samenleving, zowel in Rusland als in de Verenigde Staten. Bublanski had er geen problemen mee dat een journalist meer over zijn onderzoek wist dan hijzelf. Wat dat betreft had hij geen gevoel voor prestige. Hij wilde alleen maar meer weten en nam elke informatie dankbaar aan, van wie die ook kwam. Maar de diepgaande kennis van Mikael Blomkvist van deze zaak herinnerde Bublanski eens te meer aan hun eigen tekortkomingen, aan de lekken in het team en aan het gevaar waaraan ze het kind hadden blootgesteld. Zijn woede daarover zou nooit temperen, en misschien ergerde het hem daarom ook dat Säpo-baas Helena Kraft zo haar best deed om hem te pakken te krijgen. En niet alleen Helena Kraft, trouwens. De ict-jongens van de nationale recherche zaten ook achter hem aan, en hoofdofficier van justitie Richard Ekström, en een zekere Steven Warburton, een Stanford-hoogleraar van het Machine Intelligence Research Institute, het miri, die hem wilde spreken over ‘een aanzienlijk gevaar’. Dat en nog duizend andere dingen irriteerden Bublanski.
En nu klopte er ook nog iemand op zijn deur. Het was Sonja Modig, die er moe uitzag en helemaal niet opgemaakt was. Haar gezicht had iets wat hij nog nooit eerder gezien had, iets bloot.
‘Alle drie onze arrestanten worden geopereerd,’ zei ze. ‘Het zal even duren voordat we hen weer kunnen verhoren.’
‘Proberen te verhoren, bedoel je.’
‘Ja, misschien wel. Maar ik heb toch nog een kort gesprekje gehad met Lebedev. Hij was voor de operatie even bij bewustzijn.’
‘En wat zei hij?’
‘Dat hij een priester wilde spreken.’
‘Waarom zijn alle gekken en moordenaars tegenwoordig gelovig?’
‘Terwijl alle verstandige oude commissarissen aan hun God twijfelen, bedoel je?’
‘Nou zeg!’
‘Maar Lebedev wekte ook een berustende indruk, en dat is een goed teken, vind ik,’ ging Sonja door. ‘Toen ik hem de tekening liet zien, wuifde hij die gewoon verdrietig weg.’
‘Dus hij probeerde niet te zeggen dat het een verzinsel was?’
‘Hij deed alleen zijn ogen dicht en begon over die priester.’
‘Weet jij wat die Amerikaanse professor wil die de hele tijd belt?’
‘Hè? Nee ... Hij staat erop om met jou te praten. Ik geloof dat het over Balders werk gaat.’
‘En die jonge journalist, Zander?’
‘Daar kwam ik voor. Het ziet er niet goed uit.’
‘Wat weten we?’
‘Dat hij lang doorwerkte en laat op de avond langs de Katarinalift liep met een mooie vrouw met roodblond of donkerblond haar en dure, exclusieve kleren.’
‘Dat had ik nog niet gehoord.’
‘Iemand heeft hen gezien, een bakker uit Skansen, ene Ken Eklund; hij woont in het pand waar de redactie van Millennium zit. Hij vond dat ze er verliefd uitzagen, Zander in elk geval.’
‘Dus je denkt dat het een soort val was?’
‘Het is niet ondenkbaar.’
‘En die vrouw, is dat soms dezelfde als die op Ingarö is gezien?’
‘Dat zijn we aan het uitzoeken. Maar het baart me zorgen dat ze op weg leken naar Gamla Stan.’
‘Snap ik.’
‘Maar niet alleen omdat we het signaal van Zanders mobiele telefoon in Gamla Stan hebben opgevangen. Orlov, die kwal die alleen maar naar mij spuugt als ik hem probeer te verhoren, heeft een flat in de Mårten Trotzigsgränd.’
‘Zijn we daar al geweest?’
‘Nog niet. We zijn onderweg. We weten het nog maar net. De flat stond op naam van een van zijn bedrijven.’
‘Laten we dan maar hopen dat we daar niets vreselijks aantreffen.’
‘Ja, laten we dat hopen.’
Lasse Westman lag in het halletje in de Torsgata op de grond en begreep niet waarom hij zo bang was. Het was toch maar een grietje, een punkgrietje met piercings dat nauwelijks tot aan zijn borst kwam? Hij zou haar als een rat de deur uit moeten kunnen smijten. Toch was hij als het ware verlamd; dat kwam eigenlijk niet door de manier waarop het meisje vocht en al helemaal niet door haar voet op zijn buik. Het kwam door iets anders, iets ongrijpbaars in haar blik, in haar hele verschijning.
Een paar minuten lag hij gewoon stil, als een idioot, en hoorde hij haar aan: ‘Ik ben er net weer aan herinnerd,’ zei ze, ‘dat er iets vreselijk mis is in mijn familie. Het lijkt wel of we tot alles in staat zijn. Tot de meest onbegrijpelijke wreedheden. Misschien is het een soort genetische stoornis. Persoonlijk heb ik iets met mannen die vrouwen en kinderen haten; dan word ik levensgevaarlijk. Toen ik Augusts tekeningen van jou en Roger zag, wilde ik jullie echt iets aandoen. Ik zou er lang over kunnen praten, maar nu vind ik dat August genoeg heeft moeten meemaken en daarom is er een kleine kans dat ik jou en je vriend er wat beter vanaf laat komen.’
‘Ik ben ...’ begon Lasse.
‘Hou je mond,’ ging ze verder. ‘Dit is geen onderhandeling en ook geen gesprek. Ik stel gewoon de voorwaarden vast; dat is alles. Juridisch zijn er geen problemen. Frans is zo verstandig geweest om deze flat op naam van August te zetten. Maar verder geldt dit: je pakt je spullen in exact vier minuten en maakt dat je hier wegkomt. Als jij of Roger hier terugkomt of op de een of andere manier contact met August opneemt, zal ik jullie persoonlijk zo aftuigen dat jullie de rest van je leven nooit meer iets leuks kunnen doen. Intussen bereid ik een aanklacht tegen jullie voor wegens mishandeling van August, en daarvoor beschik ik, zoals je weet, niet alleen over de tekeningen. Er zijn ook getuigenverklaringen van psychologen en deskundigen. Ik neem ook contact op met de roddelbladen, en ik vertel ze dat ik materiaal heb dat jou in verband brengt met de mishandeling van Renata Kapusinski. Wat deed je ook weer, Lasse? Je beet haar wang kapot en schopte haar tegen het hoofd, toch?’
‘Dus je gaat naar de media.’
‘Ik ga naar de media. Ik zal jou en je vriend alle denkbare schade toebrengen. Maar misschien – ik zeg: misschien – kunnen jullie de ergste vernedering vermijden als jullie je nooit meer in de buurt van Hanna en August laten zien en nooit meer een vrouw kwaad doen. Eigenlijk kunnen jullie me geen zak schelen. Ik wil alleen maar dat August en wij jullie niet meer hoeven te zien. Dus je moet weg, en als je je gedeisd houdt als een brave monnik, dan hoef je je nergens zorgen om te maken. Ik betwijfel of je dat lukt, want je weet: er is een grote kans op recidive bij daders van vrouwenmishandeling en je bent in wezen een klootzak en een kwal, maar met een beetje mazzel ... Heb je dat begrepen?’
‘Ik heb het begrepen,’ zei hij, en hij vervloekte zichzelf.
Maar hij zag geen andere mogelijkheid dan akkoord te gaan en te gehoorzamen, dus hij stond op, liep naar de slaapkamer en pakte snel wat kleren in. Toen pakte hij zijn jas en zijn telefoon en ging hij de deur uit. Hij had geen idee waar hij heen moest.
Hij voelde zich beroerder dan ooit. Buiten viel een vieze, met sneeuw vermengde regen, die van opzij tegen hem aan sloeg.
Lisbeth hoorde de voordeur dichtslaan en de voetstappen de trap af gaan. Ze keek naar August. Die stond stil, met zijn armen strak langs zijn lichaam, en keek haar fel aan. Dat beklemde haar. Waar ze net nog de controle had, werd ze nu ineens onzeker. En wat was er toch met Hanna Balder?
Het leek of ze op het punt stond in tranen uit te barsten, en August ... die begon nu ook nog met zijn hoofd te schudden en onverstaanbaar te mompelen, geen priemgetallen deze keer maar iets heel anders. Lisbeth zou het liefst weggaan, maar ze besloot te blijven. Haar taak was nog niet volbracht. Ze haalde twee vliegtickets uit haar zak, een hotelvoucher en een dikke stapel bankbiljetten, kronen en euro’s.
‘Ik wil je uit de grond van mijn hart ...’ begon Hanna.
‘Stil,’ viel Lisbeth haar in de rede. ‘Hier zijn vliegtickets naar München. Jullie vertrekken vanavond om kwart over zeven, dus je moet opschieten. Jullie worden rechtstreeks naar Schloss Elmau gebracht. Dat is een mooi hotel, niet ver van Garmisch-Partenkirchen. Jullie krijgen een kamer bovenin, onder de naam Müller, en jullie blijven daar om te beginnen drie maanden. Ik heb contact gehad met professor Charles Edelman en hem uitgelegd dat het belangrijk is dat dit absoluut geheim blijft. Hij zal jullie regelmatig opzoeken en ervoor zorgen dat August zorg en hulp krijgt. Edelman zorgt ook voor geschikt en deskundig onderwijs.’
‘Dat meen je niet!’
‘Stil, zei ik. Dit is bloedserieus. De politie heeft de tekening en de moordenaar is gepakt, maar zijn opdrachtgevers lopen nog vrij rond en het is niet te voorspellen wat zij van plan zijn. Jullie moeten de flat meteen verlaten. Zelf moet ik iets anders doen, maar ik heb een chauffeur geregeld die jullie naar Arlanda brengt. Hij ziet er misschien een beetje maf uit, maar hij deugt. Jullie kunnen hem Plague noemen. Snappen jullie dat?’
‘Ja, maar ...’
‘Geen gemaar. Luister liever. Tijdens jullie hele verblijf mogen jullie geen creditcard gebruiken en je mag ook niet met jouw telefoon bellen, Hanna. Hier is een versleuteld mobieltje, een Blackphone, voor als jullie alarm moeten slaan. Mijn nummer is al ingeprogrammeerd. Alle hotelkosten komen voor mijn rekening. Jullie krijgen een paar honderdduizend kronen in contanten mee voor onvoorziene uitgaven. Nog vragen?’
‘Het klinkt waanzinnig.’
‘Nee.’
‘Maar hoe kun je dat betalen?’
‘Ik kan het betalen.’
‘Hoe moeten we ...’
Verder kwam Hanna niet. Ze was volkomen de kluts kwijt en leek niet te weten wat ze ervan moest denken. Toen begon ze opeens te huilen.
‘Hoe kunnen we je bedanken?’ bracht ze uit.
‘Bedanken?’
Lisbeth herhaalde het woord alsof het volkomen onbegrijpelijk was, en toen Hanna met uitgestrekte armen op haar afkwam, liep ze achteruit en zei, met haar ogen op de vloer van de hal gericht: ‘Sterk zijn! Je moet sterk zijn en ophouden met die troep die je gebruikt, die pillen of wat het ook is. Zo kun je me bedanken.’
‘Ja, natuurlijk, zeker ...’
‘En als iemand op het idee komt om August in een tehuis of een instituut onder te brengen moet je hard en meedogenloos terugslaan. Je moet op hun zwakste punt mikken. Je moet een soort strijder worden.’
‘Een soort strijder?’
‘Ja. Niemand mag ...’
Lisbeth viel stil en bedacht dat dat nu niet direct mooie afscheidswoorden waren. Maar het moest, dus ze draaide zich om en liep naar de voordeur. Ze kwam echter niet ver. August begon weer te mompelen en nu verstonden ze wat hij zei.
‘Niet weggaan, niet weggaan ...’ sputterde hij.
Daar had Lisbeth ook geen goed antwoord op. Ze zei alleen maar: ‘Je redt het wel’, en voegde er toen, alsof ze in zichzelf praatte, aan toe: ‘Bedankt voor je gil vanmorgen.’ Toen was het even stil en Lisbeth vroeg zich af of ze nog iets moest zeggen. Maar ze zag ervan af, draaide zich om en glipte de deur uit.
Achter haar riep Hanna: ‘Ik kan niet beschrijven wat dit voor me betekent!’
Maar Lisbeth hoorde daar geen woord meer van. Ze rende de trap al af naar haar auto in de Torsgata. Toen ze op de Västerbrug was, belde Mikael Blomkvist op haar RedPhone-app. Hij vertelde dat de nsa haar op het spoor was.
‘Zeg maar dat ik hen ook op het spoor ben,’ kaatste ze terug.
Toen reed ze naar de woning van Roger Winter en joeg hem de stuipen op het lijf. Daarna ging ze naar huis en werkte ze aan het versleutelde nsa-bestand, maar ze kwam geen stap dichter bij de oplossing.
Ed en Mikael hadden de hele dag hard gewerkt op de kamer in het Grand Hôtel. Ed had een fantastisch verhaal voor hem en Mikael kon de scoop schrijven die Millennium, Erika en hij zo hard nodig hadden, en dat was mooi. Toch raakte hij zijn onrust maar niet kwijt, en dat kwam niet alleen doordat Andrei nog steeds vermist werd. Er was iets met Ed wat niet klopte. Waarom was hij überhaupt opgedoken en waarom stopte hij zoveel energie in het helpen van een klein Zweeds blaadje, ver van alle Amerikaanse machtscentra?
De deal was natuurlijk wel een uitwisseling van diensten. Mikael had beloofd dat hij de cyberaanval niet bekend zou maken en ook min of meer dat hij Lisbeth zou proberen over te halen om met Ed te praten. Maar dat kon haast niet de hele verklaring zijn, dus als Mikael naar Ed luisterde, was hij ook gespitst op wat die tussen de regels door zei.
Ed gedroeg zich alsof hij enorme risico’s nam. De gordijnen bleven dicht en de telefoons lagen op geruststellende afstand. Er heerste een gevoel van paranoia in de kamer. Op het hotelbed lagen geheime documenten die Mikael mocht lezen maar niet mocht kopiëren en waaruit hij niet mocht citeren. Af en toe onderbrak Ed zijn verhaal om bepaalde aspecten van bronbescherming te bespreken. Hij lette er bijna manisch op dat het lek niet tot hem zou kunnen worden herleid. Af en toe luisterde hij nerveus naar voetstappen in de gang en een paar keer keek hij door een kier in het gordijn naar buiten om te zien of iemand hen daar in de gaten hield. Maar toch ... Mikael kon de gedachte niet van zich afzetten dat het voornamelijk theater was.
Hij had steeds meer het idee dat Ed de situatie in feite volledig onder controle had en precies wist wat hij deed; de man was eigenlijk niet eens overdreven bang om te worden afgeluisterd. Waarschijnlijk had hij dekking van bovenaf, bedacht Mikael, misschien was hemzelf in dit toneelstuk wel een rol toebedeeld die hij nog niet doorhad.
Daarom was het interessante niet alleen wat Ed zei, maar ook wat hij níét vertelde en wat hij met de publicatie wilde bereiken. Er zat duidelijk een bepaalde woede in hem. ‘Een paar verdomde idioten’ van de afdeling Observatie van Strategische Technologieën hadden Ed ervan weerhouden de hacker die de aanval op zijn systeem had uitgevoerd op te sporen omdat ze zelf niet ontmaskerd wilden worden, en dat maakte hem gek, zei hij, en Mikael had geen reden om hem op dat punt te wantrouwen, laat staan te twijfelen aan Eds oprechte wil om die mensen een kopje kleiner te maken, ‘ze te verbrijzelen, ze onder mijn laarzen te vermorzelen’. Tegelijkertijd was er iets anders in zijn verhaal dat Mikael niet zo prettig vond. Soms leek het alsof Ed worstelde met een soort zelfcensuur.
Af en toe ging Mikael naar de receptie beneden, alleen maar om na te denken of om Erika en Lisbeth te bellen. Erika nam altijd na één signaal op en hoewel ze allebei enthousiast waren over het verhaal waren hun gesprekken ook een beetje somber en zwaarmoedig. Andrei werd nog steeds vermist.
Lisbeth nam helemaal niet op. Pas om 17.20 uur kreeg hij haar te pakken, en toen klonk ze geconcentreerd en afstandelijk. Ze meldde kort dat August nu veilig bij zijn moeder was.
‘Hoe gaat het met jou?’ vroeg hij.
‘Goed.’
‘Ongedeerd?’
‘Zo goed als.’
Mikael haalde diep adem.
‘Heb jij het intranet van de nsa gehackt, Lisbeth?’
‘Heb je met Ed the Ned gepraat?’
‘Daar kan ik geen commentaar op geven.’
Hij mocht er zelfs tegenover Lisbeth geen commentaar op geven. Bronbescherming was heilig voor hem.
‘Dus die Ed is toch niet zo dom,’ zei ze, alsof hij iets heel anders had beweerd.
‘Dus je hebt het gedaan.’
‘Misschien.’
Mikael wilde boos op haar worden en vragen waar ze in godsnaam mee bezig was, maar hij zei zo beheerst mogelijk: ‘Ze zijn bereid je vrijuit te laten gaan als je hen ontmoet en vertelt hoe je het hebt gedaan.’
‘Zeg maar dat ik hen ook op het spoor ben.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Dat ik meer heb dan ze denken.’
‘Oké,’ zei Mikael nadenkend. ‘Maar zou je je een ontmoeting kunnen voorstellen met ...’
‘Ed?’
Verdorie, dacht Mikael. Ed had zichzelf aan haar willen bekendmaken.
‘Ed,’ herhaalde hij.
‘Een verwaande kwast.’
‘Best verwaand, ja. Maar zou je je een gesprek met hem kunnen voorstellen als we je de garantie geven dat ze je niet oppakken?’
‘Zulke garanties bestaan niet.’
‘Is het goed als ik mijn zus Annika bel en vraag of zij jou wil vertegenwoordigen?’
‘Ik heb iets anders aan mijn hoofd,’ zei ze, alsof ze het er niet meer over wilde hebben.
En toen kon hij niet nalaten te zeggen: ‘Dat verhaal waar we mee bezig zijn ...’
‘Wat is daarmee?’
‘Ik weet niet of ik het helemaal begrijp.’
‘Wat is het probleem?’ vroeg Lisbeth.
‘Om te beginnen snap ik niet waarom Camilla na al die jaren opeens opduikt.’
‘Ik neem aan dat ze het moment heeft afgewacht.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat ze altijd heeft geweten dat ze terug zou komen om wraak te nemen voor wat ik haar en Zala heb aangedaan. Maar ze wilde wachten tot ze op alle niveaus sterk genoeg was. Niets is belangrijker voor Camilla dan sterk zijn, en nu zag ze waarschijnlijk opeens een mogelijkheid, een gelegenheid om twee vliegen in één klap te slaan; dat denk ik tenminste. Dat moet je haar maar vragen als jullie weer eens samen een glaasje gaan drinken.’
‘Heb je Holger gesproken?’
‘Ik had het druk.’
‘Maar toch is het haar niet gelukt. Jij hebt het gered, goddank,’ vervolgde Mikael.
‘Ik heb het gered.’
‘Maar maak je je geen zorgen dat ze elk moment kan terugkomen?’
‘Het is in me opgekomen.’
‘Oké, goed. En je weet dat Camilla en ik alleen maar een klein stukje over de Hornsgata hebben gewandeld?’
Lisbeth antwoordde niet op de vraag.
‘Ik ken je, Mikael,’ zei ze slechts. ‘En nu heb je Ed ook ontmoet. Ik neem aan dat ik me tegen hem ook moet beschermen.’
Mikael glimlachte stilletjes.
‘Ja,’ antwoordde hij. ‘En je hebt gelijk, hoor. We zullen hem ons vertrouwen niet geven als het niet nodig is. Ik ben zelfs bang dat ik zijn nuttige idioot word.’
‘Klinkt niet als een geschikte rol voor jou, Mikael.’
‘Nee, dus ik zou graag willen weten wat je bij je aanval hebt ontdekt.’
‘Een hoop belastende rotzooi.’
‘Over de relatie van Eckerwald en de Spiders met de nsa.’
‘Dat en nog een beetje.’
‘Was je van plan om het aan mij te vertellen?’
‘Als je je netjes had gedragen, had ik dat wel gewild,’ zei ze zo sarcastisch dat het hem onwillekeurig een beetje plezier deed.
Toen begon hij te grinniken, want op dat moment begreep hij opeens waar Ed the Ned mee bezig was. Het drong met zo’n kracht tot hem door dat het hem moeite kostte zijn gezicht in de plooi te houden toen hij even later terugging naar de hotelkamer en daarna, toen hij tot tien uur in de avond met de Amerikaan bleef werken.