19

22 november ’s avonds

Jan Bublanski was alleen in zijn kantoor. Hans Faste had eindelijk toegegeven dat hij naar de veiligheidsdienst had gelekt en zonder zelfs maar naar zijn verdediging te luisteren had Bublanski hem uit het onderzoeksteam gezet. Maar hoewel het voor hem eens te meer bewees dat Hans Faste een onbetrouwbare carrièrejager was, kon hij zich niet voorstellen dat de man ook naar criminelen had gelekt. Bublanski kon zich sowieso niet voorstellen dat iemand dat zou doen.

Ook bij de politie werkten natuurlijk corrupte en verdorven mensen, maar een klein, gehandicapt jongetje uitleveren aan een koudbloedige moordenaar was toch iets anders, en hij weigerde te geloven dat iemand van het korps daartoe in staat was. Misschien was de informatie op een andere manier uitgelekt. Ze konden afgeluisterd zijn of gehackt, al wist hij niet of er ergens op een computer stond dat August Balder de dader kon tekenen, laat staan dat hij zich in Odens Kinder- en Jeugdopvang bevond. Hij had Säpo-baas Helena Kraft geprobeerd te bereiken om dit te bespreken, maar hoewel hij nadrukkelijk had gezegd dat het belangrijk was, had ze niet teruggebeld.

Hij had ook verontrustende telefoontjes gekregen van de Handels­raad en het ministerie van Economische Zaken, en ook al zei niemand het met zoveel woorden, de grootste bezorgdheid daar gold niet het kind of wat er nu verder zou gaan gebeuren na het drama op de Sveaväg, maar het onderzoek waarmee Frans Balder bezig was geweest en dat door de moord leek te zijn beëindigd.

Hoewel enkele van de deskundigste ict’ers van de politie en drie informatici van de universiteit van Linköping en de Technische Universiteit in Stockholm in het huis in Saltsjöbaden waren geweest, hadden ze geen spoor van zijn werk gevonden, niet in de computers en niet in de aangetroffen papieren.

‘Dus nu hebben we ook nog te maken met artificiële intelligentie,’ mompelde Bublanski voor zich uit, en om de een of andere reden moest hij denken aan een oud raadseltje dat zijn ondeugende neef Samuel zijn leeftijdsgenoten in de synagoge altijd voorhield om hen in verwarring te brengen.

Het was een paradox die hierop neerkwam: als God almachtig is, kan Hij dan iets scheppen wat knapper is dan Hijzelf? Ze vonden het raadsel respectloos, herinnerde Bublanski zich, en zelfs godslasterlijk, want het antwoord was altijd fout, wat je ook zei. Maar Bublanski kreeg niet de tijd zich daar verder in te verdiepen. Er werd op de deur geklopt. Het was Sonja Modig, die hem met een zekere plechtstatigheid nog een stuk Zwitserse chocola overhandigde.

‘Dank je,’ zei hij. ‘Wat heb je te melden?’

‘We denken te weten hoe de daders Torkel Lindén en de jongen naar de straat lokten. Ze stuurden valse mailtjes uit naam van Charles Edelman en ons, waarin stond dat we ergens anders bij elkaar zouden komen.’

‘Dus dat kunnen ze ook al?’

‘Het is niet eens zo moeilijk.’

‘Dat kan er ook nog wel bij.’

‘Ja, maar het verklaart nog altijd niet hoe de dader wist dat ze nu juist in de computer van Oden moesten zijn en hoe ze wisten dat professor Edelman erbij was gehaald.’

‘Ik neem aan dat we onze eigen computers ook moeten laten onderzoeken.’

‘Daar zijn ze al mee bezig.’

‘Was dit nu de bedoeling, Sonja?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Dat we nu niet eens meer iets durven te schrijven of te zeggen omdat we dan de kans lopen om te worden afgeluisterd?’

‘Ik weet het niet. Ik hoop van niet. Er zit buiten een zekere Jacob Charro te wachten om te worden verhoord.’

‘Wie is dat?’

‘Een goede voetballer van Syrianska FC. Maar ook de man bij wie die vrouw en August Balder zijn ingestapt.’

 

Sonja Modig zat in de verhoorkamer met een jonge, gespierde man met kort, donker haar en geprononceerde jukbeenderen. De man droeg een okerkleurige V-trui zonder overhemd en wekte een opgewonden en tegelijkertijd ietwat trotse indruk.

‘Aanvang verhoor op 22 november om 18.35 uur, informatief, met getuige Jacob Charro, tweeëntwintig jaar, woonachtig in Norsborg. Vertel maar wat er vanmorgen is gebeurd,’ begon ze.

‘Ja, nou ...’ begon Jacob Charro. ‘Ik reed over de Sveaväg en zag dat er wat opwinding was op straat. Ik dacht dat er een ongeluk was gebeurd. Daarom minderde ik vaart. Maar toen zag ik een man van links over de straat rennen. Hij liep heel hard zonder op het verkeer te letten en ik dacht dat het een terrorist was.’

‘Waarom dacht je dat?’

‘Omdat hij een haast heilige woede uitstraalde.’

‘Kon je zijn gezicht zien?’

‘Dat niet, maar later bedacht ik dat er iets onnatuurlijks mee was.’

‘Hoe bedoel je dat?’

‘Alsof het niet zijn echte gezicht was. Hij had een ronde zonnebril op, die waarschijnlijk om zijn oren vastzat. En dan zijn wangen. Het was alsof hij iets in zijn mond had, ik weet niet, en dan zijn snor, zijn wenkbrauwen en de kleur van zijn gezicht.’

‘Denk je dat hij vermomd was?’

‘Zoiets. Maar ik had geen tijd om daar goed over na te denken. Het volgende moment werd het achterportier opengerukt en toen ... hoe moet ik het zeggen? Het was zo’n moment waarop er te veel tegelijk gebeurt, alsof de hele wereld op je hoofd valt. Opeens zaten er vreemde mensen in mijn auto, en de hele achterruit ging aan diggelen. Ik schrok me dood.’

‘Wat deed je toen?’

‘Ik gaf gas als een gek. Ik geloof dat het meisje dat in de auto was gesprongen naar me riep dat ik dat moest doen en ik was zo bang dat ik nauwelijks wist wat ik deed. Ik volgde gewoon haar bevelen op.’

‘“Bevelen”, zeg je?’

‘Zo kwam het op me over. Ik dacht dat we achtervolgd werden en ik zag geen andere mogelijkheid dan te gehoorzamen. Ik reed lukraak rond, waar het meisje me maar heen stuurde, en bovendien ...’

‘Ja?’

‘Er was iets met haar stem. Die was zo kil en geconcentreerd dat ik me eraan vastklampte. Het leek wel alsof haar stem het enige beheerste was in de hele waanzin.’

‘Je dacht dat je wist wie de vrouw was, zei je?’

‘Ja, maar toen nog niet, hoor. Toen was ik er vooral mee bezig dat alles zo geschift was, en ik was doodsbang. Bovendien stroomde er bloed op de achterbank.’

‘Van de jongen of van de vrouw?’

‘Dat wist ik eerst niet en zij wisten het blijkbaar ook niet. Maar toen opeens hoorde ik “Yes!”, een kreet, alsof er iets goeds was gebeurd.’

‘Waar ging dat over?’

‘Het meisje begreep dat zíj gewond was, en niet het jongetje, en daar heb ik wel even over na zitten denken. Zo van: hoera, ik ben gewond! En dan moeten jullie weten dat het geen kléín wondje was. Hoe ze het ook verbond, het bloed bleef maar komen. Het stroomde er gewoon uit en het meisje werd steeds bleker. Het ging slecht met haar.’

‘En toch was ze blij dat zij getroffen was en niet het jongetje.’

‘Exact. Als een moeder.’

‘Maar ze was niet de moeder van het kind?’

‘Absoluut niet. Ze kenden elkaar niet, zei ze, en dat werd ook steeds duidelijker. Het meisje had echt geen verstand van kinderen, leek het. Ze gaf het jochie geen knuffel en kwam niet met troostende woorden. Ze behandelde hem eerder als een volwassene en praatte tegen hem op dezelfde toon als tegen mij. Even dacht ik zelfs dat ze hem whisky wilde geven.’

‘Whisky?’ vroeg Bublanski.

‘Ik had een fles in de auto die ik aan mijn oom had willen geven, maar die gaf ik aan haar om haar wond te desinfecteren en wat te drinken. Ze dronk er heel wat van.’

‘Hoe vond je dat ze de jongen over het algemeen behandelde?’ vroeg Sonja Modig.

‘Ik weet niet goed wat ik daarop moet antwoorden, eerlijk gezegd. Het was niet bepaald een sociaal wonder. Ze behandelde mij als een stomme bediende en ze had geen bal verstand van omgaan met kinderen, zoals ik al zei, maar toch ...’

‘Ja?’

‘Toch geloof ik dat ze een goed mens was. Ik zou haar niet als kindermeisje hebben aangenomen, als jullie begrijpen wat ik bedoel, maar ze was oké.’

‘Dus je denkt dat het kind veilig is bij haar?’

‘Ik zou zeggen dat dat grietje levensgevaarlijk is of knettergek. Maar dat jongetje, August heet hij toch?’

‘Inderdaad.’

‘August zal ze met haar leven beschermen als het nodig is. Die indruk kreeg ik.’

‘Hoe zijn jullie uit elkaar gegaan?’

‘Ze wilde dat ik hen naar het Mosebacketorg bracht.’

‘Woonde ze daar?’

‘Dat weet ik niet. Ze kwam helemaal niet met verklaringen. Ze wilde daar gewoon heen. Ik had het idee dat ze daar ergens een eigen auto had. Ze zei verder niet veel. Ze vroeg me wel mijn gegevens op te schrijven. Ze zou de schade aan de auto vergoeden, zei ze, plus nog wat extra.’

‘Kreeg je de indruk dat ze geld had?’

‘Tja ... als ik alleen op haar uiterlijk zou afgaan zou ik zeggen dat ze in een krot woonde. Maar de manier waarop ze zich gedroeg ... Ik weet het niet. Het zou me niet verbazen als ze goed bij kas zit. Ik had het idee dat ze gewend was om te doen wat ze wil.’

‘En hoe ging het verder?’

‘Ze zei tegen het jongetje dat hij uit moest stappen.’

‘En deed hij dat?’

‘Hij leek wel verlamd. Hij wiegde alleen maar met zijn lichaam heen en weer en kwam niet van zijn plek. Maar toen zei ze het strenger, dat het van levensbelang was of zo, en toen stapte hij uit, met heel stijve armen, alsof hij aan het slaapwandelen was.’

‘Zag je waar ze heen gingen?’

‘Alleen dat ze naar links liepen, richting Slussen. Maar dat meisje ...’

‘Ja?’

‘Het ging duidelijk heel slecht met haar. Ze maakte een misstap en leek elk moment te kunnen vallen.’

‘Dat klinkt niet goed. En het kind?’

‘Daar ging het niet veel beter mee. Zijn ogen stonden dof en de hele rit was ik bang dat hij in huilen uit zou barsten of zoiets. Maar toen hij uitstapte, leek hij de situatie te accepteren. In elk geval vroeg hij een paar keer: “Waarheen? Waarheen?”’

Sonja Modig en Bublanski keken elkaar aan.

‘Weet je dat zeker?’

‘Waarom zou ik dat niet zeker weten?’

‘Ik bedoel: je dácht misschien dat je het hem hoorde zeggen, omdat hij vragend keek bijvoorbeeld.’

‘Waarom zou ik dat alleen maar denken?’

‘Omdat de moeder van August Balder zegt dat de jongen helemaal niet praat,’ zei Sonja Modig.

‘Dat meen je niet!’

‘Jawel, en het zou wel raar zijn als hij in deze omstandigheden zijn eerste woorden zei.’

‘Ik heb gehoord wat ik heb gehoord.’

‘Oké. En wat zei de vrouw terug?’

‘“Weg”, geloof ik. “Ervandoor.” Zoiets. Toen viel ze bijna om, zoals ik al zei. Bovendien zei ze tegen mij dat ik weg moest rijden.’

‘En dat deed je?’

‘Als de bliksem. Ik scheurde gewoon weg.’

‘Maar toen bedacht je wie je in de auto had gehad.’

‘Ik had al begrepen dat het jongetje de zoon van dat genie was over wie het op internet ging. Maar dat meisje ... haar herkende ik alleen vaag ergens van. Ze deed me aan iets denken, en op het laatst kon ik niet meer rijden. Ik trilde helemaal en stopte op de Ringväg, ter hoogte van Skanstull, rende bij hotel Clarion naar binnen, dronk een biertje en probeerde te kalmeren, en toen schoot het me te binnen. Het was dat meisje dat een paar jaar geleden voor moord werd gezocht, maar later overal van werd vrijgesproken toen bleek dat ze als kind slachtoffer was geweest van een heleboel psychisch geweld. Ik herinner me dat nog heel goed, want ik had in die tijd een vriend wiens vader in Syrië was gemarteld, en die had ongeveer dezelfde dingen doorstaan, een hoop elektrische schokken en dat soort ellende, alleen maar omdat hij niet tegen zijn herinneringen kon. Het leek wel alsof hij hier ook werd gemarteld.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Dat hij werd gemarteld?’

‘Nee, dat zij het was, Lisbeth Salander.’

‘Ik heb met mijn telefoon naar alle foto’s gekeken op internet, en er is geen twijfel mogelijk. Andere dingen kloppen ook, weet je ...’

Jacob aarzelde, alsof hij zich geneerde.

‘Ze ontblootte haar bovenlichaam omdat ze haar T-shirt als verband wilde gebruiken, en toen ze zich een stukje omdraaide om haar schouder te verbinden zag ik dat ze een grote tatoeage van een draak op haar rug had, tot aan haar schouderblad. Die tatoeage werd genoemd in een van die oude krantenartikelen.’

 

Erika Berger was in het vakantiehuis van Gabriella op Ingarö met twee tassen met eten, potloden en papier, een paar geavanceerde puzzels en nog wat spullen. August en Lisbeth waren echter nergens te bekennen, en ze had ze ook niet kunnen bereiken. Lisbeth reageerde niet op de RedPhone-app en ook niet op de versleutelde link, en dat maakte Erika ziek van ongerustheid. Hoe ze het ook bekeek, ze kon het alleen maar zien als uitermate onheilspellend. Lisbeth Salander was dan wel geen prater, maar nu had ze zelf om een veilige schuilplaats gevraagd. Bovendien had ze de zorg voor een kind. Als ze dan niet reageerde op hun telefoontjes, dan moest ze er wel slecht aan toe zijn. Misschien lag ze wel ergens dood te gaan.

Erika vloekte en liep het terras op, hetzelfde terras waar Gabriella en zij hadden besproken hoe ze zich zouden verstoppen voor de wereld. Dat was nog maar een paar maanden geleden. Toch leek het zo ver weg. Nu stond er geen tafel buiten, geen stoelen, geen flessen, nu was er geen lawaai achter hen, alleen door de storm hierheen gewaaide sneeuw, takken en rommel. Het leek wel of er hier niets levends meer was, en de herinnering aan het kreeftenfeest van toen leek de uitgestorvenheid van het huis nog te versterken. De geest van het feest hing als het ware nog in de muren.

Erika liep weer naar de keuken en legde eten in de koelkast dat in de magnetron kon worden klaargemaakt: gehaktballetjes, bakjes met spaghetti bolognese, beef stroganoff, gegratineerde vis, aardappelpartjes en een lading junkfood die Mikael haar had aangeraden te kopen: Billys Pan Pizza, pasteitjes, patat, Coca-Cola, een fles Tullamore Dew, een slof sigaretten en drie zakken chips, snoepjes, drie chocoladecakejes en dropstaven. Op de grote, ronde keukentafel legde ze tekenpapier, potloden, pennen, een gum, een liniaal en een passer neer. Op het bovenste velletje tekende ze een zon en een bloem en schreef ze in vier warme kleuren het woord welkom.

Het huis stond op een hoog punt aan de rotsachtige scherenkust, niet ver van Ingarö en je kon er niet naar binnen kijken. Het stond verscholen achter een paar naaldbomen en had vier kamers. De grote keuken met de glazen deuren naar het terras vormde het hart van het huis; daar stonden behalve de ronde eettafel een oude schommelstoel en twee versleten, doorgezakte bankjes, die er dankzij een paar nieuwe rode plaids toch fris en gezellig uitzagen. Het was een prettig huis.

Het was vast ook een goede schuilplaats. Erika liet de deur openstaan, legde de sleutels volgens afspraak in de bovenste la van de kast in de hal en liep de lange houten trap over de rotsige helling af; dat was de enige weg naar het huis voor iemand die met de auto was.

De lucht zag er donker en onrustig uit, en het waaide weer hard. Ze was neerslachtig, en dat werd nog erger toen ze tijdens de rit naar huis aan de moeder moest denken, aan Hanna Balder. Erika had haar nooit ontmoet en eerder was ze geen fan van haar geweest. Vroeger speelde Hanna vaak vrouwen van wie alle mannen dachten dat ze hen konden verleiden, sexy en ietwat naïef onschuldig. Erika vond het typerend voor de filmindustrie dat juist zulke personages centraal stonden. Maar dat was nu niet meer zo, en Erika schaamde zich voor haar antipathie van toen. Ze had te hard geoordeeld over Hanna Balder; dat ging zo gemakkelijk bij knappe meisjes die op jonge leeftijd veel succes hadden.

Tegenwoordig – de weinige keren dat Hanna nog in grotere producties te zien was – straalden haar ogen eerder een ingehouden verdriet uit, waardoor haar rollen diepgang kregen; en misschien – dat wist Erika niet – was dat verdriet wel echt. Hanna Balder had het blijkbaar niet gemakkelijk gehad. Het afgelopen etmaal zeker niet, en vanmorgen had Erika voorgesteld om Hanna op de hoogte te stellen en naar August te brengen. Het leek haar een situatie waarin een kind zijn moeder nodig heeft.

Maar Lisbeth, die toen nog met hen communiceerde, was het daar niet mee eens. Niemand wist nog waar het lek zat, schreef ze; het was niet onmogelijk dat het zich in de kring rond de moeder bevond, met die Lasse Westman, die niemand vertrouwde en die voorlopig dag en nacht thuis scheen te zijn om de journalisten te ontlopen. Het was een hopeloze situatie, die Erika niet beviel. Ze hoopte vurig dat ze waardig en diepgaand over deze zaak zouden kunnen gaan schrijven, zonder dat het blad of iemand persoonlijk daar schade door leed.

Ze twijfelde er niet aan dat Mikael dat kon, zeker als hij er zo uitzag als nu. Bovendien had hij hulp van Andrei Zander. Erika had een zwak voor Andrei. Het was een knappe jongen, die soms ten onrechte voor homo werd aangezien. Niet lang geleden, tijdens een etentje met Greger en haar in Saltsjöbaden, had hij zijn levensverhaal verteld, en daardoor was hij niet bepaald in haar achting gedaald.

Toen Andrei elf was, verloor hij zijn ouders bij een bomexplosie in Sarajevo en daarna woonde hij bij een zus van zijn moeder in Tensta bij Stockholm, die geen enkel begrip had voor zijn intellectuele aanleg of voor de trauma’s die hij had opgelopen. Andrei was er niet bij toen zijn ouders omkwamen. Toch reageerde zijn lichaam alsof hij aan een posttraumatische stressstoornis leed en nog altijd kon hij niet tegen hoge geluiden en plotselinge bewegingen. Hij hield niet van tassen die onbeheerd in restaurants of openbare ruimten stonden en Erika had nog nooit iemand ontmoet die geweld en oorlog zo hartstochtelijk haatte.

In zijn jeugd was hij in zijn eigen wereld gevlucht. Hij dompelde zich onder in fantasyboeken, las gedichten, biografieën, hield van Sylvia Plath, Borges en Tolkien en leerde zichzelf alles over computers. Hij droomde ervan hartverscheurende romans over liefde en tragiek te schrijven. Hij was een onverbeterlijke romanticus, die hoopte zijn wonden te kunnen helen met grote passies en die zich totaal niet bezighield met wat er in de samenleving of in de wereld gebeurde. Op een avond, hij was toen een jaar of negentien, ging hij naar een openbare lezing van Mikael Blomkvist op de School voor Journalistiek in Stockholm, en dat veranderde zijn leven.

Iets in Mikaels bezieling maakte dat hij om zich heen ging kijken en een wereld zag die bloedde van onrechtvaardigheid, intolerantie en intriges, en in plaats van over liefdesromans begon hij te fantaseren over maatschappijkritische artikelen, en niet lang daarna klopte hij aan bij Millennium en vroeg hij of hij iets mocht doen, het maakte niet uit wat: koffiezetten, drukproeven corrigeren, loopjongen zijn. Hij wilde er koste wat het kost werken. Hij wilde bij de redactie horen en Erika, die al vanaf het begin de gloed in zijn ogen zag, liet hem wat kleine karweitjes doen: notities opstellen, research doen, korte portretten schrijven. Maar bovenal zei ze tegen hem dat hij moest gaan studeren, en dat deed hij met dezelfde energie als alles waar hij zich toe zette. Hij studeerde politicologie, communicatiewetenschappen, economie en polemologie, en werkte als invaller bij Millennium, en natuurlijk wilde hij een serieuze onderzoeksjournalist worden, zoals Mikael.

Maar in tegenstelling tot veel andere speurende reporters was hij geen harde jongen. Hij bleef een romanticus. Hij droomde voortdurend over de grote liefde, en net als Mikael had Erika veel tijd besteed aan zijn liefdesperikelen. Vrouwen voelden zich aangetrokken tot Andrei, maar lieten hem net zo vaak weer zitten. Misschien was hij te wanhopig, misschien werden veel vrouwen afgeschrikt door de intensiteit van zijn gevoelens en waarschijnlijk biechtte hij te snel zijn tekortkomingen en zwakheden op. Hij was te open, te doorzichtig, te goed, zoals Mikael zei.

Maar Erika dacht dat Andrei op het punt stond die jeugdige kwetsbaarheid van zich af te schudden. Dat zag ze tenminste wel in zijn journalistiek. Die krampachtige ambitie om mensen te willen raken, waardoor zijn proza te geladen was, had plaatsgemaakt voor een nieuwe, effectievere zakelijkheid, en ze wist dat hij alles op alles zou zetten nu hij de kans kreeg Mikael te helpen met het verhaal over Balder.

Het was de bedoeling dat Mikael het grote basisverhaal zou schrijven. Andrei zou hem helpen met de research, maar ook met een paar toelichtende kleinere stukken en portretten, en Erika vond dat die er veelbelovend uitzagen. Toen ze haar auto in de Hökensgata had geparkeerd en de redactie op kwam, zaten Mikael en Andrei uiterst geconcentreerd te werken, zoals ze al had verwacht.

Maar Mikael mompelde af en toe wel iets voor zich uit en in zijn ogen zag ze niet alleen doelgerichtheid fonkelen. Ze zag er ook iets gekwelds in, en dat verbaasde haar niet. Hij had belabberd geslapen. De media pakten hem hard aan en hij was door de politie verhoord, waarbij hij precies dat had moeten doen wat de pers hem verweet, de waarheid achterhouden, en daar hield Mikael niet van.

Mikael Blomkvist was door en door gezagsgetrouw, een modelburger in zekere zin. Maar als er iemand was die hem over de grens kon krijgen van wat verboden was, dan was het Lisbeth Salander. Mikael liet zich liever te schande maken dan dat hij haar ook maar op één punt zou verraden, en daarom had hij bij de politie alleen maar gereageerd met: ‘Ik moet me op bronbescherming beroepen.’ Het was niet zo vreemd dat dat hem dwarszat en ongerust maakte voor de gevolgen, maar toch ... Het belangrijkste voor hem was zijn verhaal en net als Erika maakte hij zich veel meer zorgen om Lisbeth en August dan om hun eigen situatie, en nadat ze hem een tijdje had geobserveerd liep ze naar hem toe en vroeg ze: ‘Hoe gaat het met je?’

‘Hè? Eh ... ja, goed. Hoe was het daar?’

‘Ik heb de bedden opgemaakt en eten in de koelkast gezet.’

‘Mooi. En niemand heeft je gezien?’

‘Ik ben niemand tegengekomen.’

‘Wanneer laten ze nu toch eindelijk iets van zich horen?’ vroeg hij.

‘Ik weet het niet. Ik word er gek van.’

‘Laten we hopen dat ze uitrusten bij Lisbeth.’

‘Laten we het hopen. Wat heb je verder nog?’

‘Een paar dingen.’

‘Klinkt goed.’

‘Maar ...’

‘Ja?’

‘Het is net ...’

‘Nou?’

‘Ik heb het gevoel dat ik in de tijd teruggeworpen word, of ik ergens kom waar ik al eerder ben geweest.’

‘Dat moet je me uitleggen,’ zei ze.

‘Ik zal ...’

Mikael wierp een blik op het scherm van zijn pc.

‘Maar eerst moet ik verder zoeken. Ik vertel het je later wel,’ zei hij, en toen liet ze hem met rust en maakte ze zich klaar om naar huis te gaan, al was ze bereid om elk moment in actie te komen.