25

 

H et was donker. Vanuit zee kwam er een zilte wind aanwaaien, die met koele vingers door Rosa’s haar streek. Met ogen die prikten van de tranen liep ze over het kiezelstrand. In de verte hoorde ze feestgedruis, een plotselinge schaterende lach – vrolijke geluiden die alleen maar wreed benadrukten hoe misnoegd ze zelf was. Ze ging zitten, trok haar vest om zich heen en keek uit over de zee. Sterren twinkelden als vuurvliegjes. De maan scheen helder en verlichtte de zee eronder, waardoor haar blik naar de horizon werd getrokken. Er moet een beter leven voor me weggelegd zijn, dacht ze. Het was helemaal niet de bedoeling dat ik in een klein stadje terecht zou komen en in het verborgene zou leven en sterven. Nu pikt Cosima het leven in dat ík had moeten leiden. Straks vertrekt ze naar Londen en reist ze de hele wereld over. Draagt dure kleren en diamanten. Gefrustreerd pakte ze een kiezel op en gooide hem in het water. Met een bevredigend plopje raakte hij het oppervlak.

Ze werd zich bewust van een schimmige gestalte aan de andere kant van het strand. Ze hield op met stenen gooien en tuurde ingespannen om het beter te kunnen zien. Een man, dacht ze. Hij leek geagiteerd, al kon ze zijn gelaatstrekken niet onderscheiden. Heel even vroeg ze zich ai of hij net als Cosima de zee in zou waden. Ze was niet van plan achter hem aan te gaan en maakte zich klein, zodat hij haar niet zou kunnen zien. Hij ijsbeerde op een klein stukje strand heen en weer, met zijn voeten in het water. Uiteindelijk liep hij weg in de richting van het paadje dat omhoog kronkelde de kliffen op naar het palazzo, via het tuinhuis.

Rosa krabbelde overeind en haastte zich om hem nieuwsgierig achterna te gaan. Ze kende dat paadje als haar broekzak, elke kronkel en elke bocht, elke hobbel en kuil. Terwijl ze ervoor zorgde dat ze niet te zien of te horen was, repte ze zich zo soepel als een kat onopvallend over de rotsen. Het leek wel of de man het pad eveneens goed kende. Hij aarzelde of struikelde niet, maar bewoog zich vlot door het donker.

Rosa volgde hem op veilige afstand. Haar zenuwen waren gespannen en ze was er klaar voor om zodra hij zich omdraaide weg te duiken in de struiken, maar hij liep als in trance verder. Niets leek hem van zijn doel af te kunnen houden.

Op het laatst verdween hij tussen de bomen. Rosa kroop achter een grote struik en wachtte af. Ze hoorde geschuifel van voetstappen rondom het tuinhuis, alsof hij door de raampjes keek of er iemand binnen was. Vervolgens het geluid van een sleutel in het slot. Ze hield haar adem in en haar borstkas barstte bijna uit elkaar van opwinding. Dit was haar kans op wat avontuur in haar leven. Valentina had tenslotte ook zelf voor sjeu gezorgd.

Langs de randen van de luiken kon ze de warme gloed van kaarslicht zien, dat naar buiten scheen en de indringer verraadde. Dus er was echt een indringer, en hij was geen spook. Maar wie was hij dan wel, en waarom was hij hier? Met bonzende slapen vouwde ze haar vingers om de deurkruk en opende de deur.

 

Cosima sliep onrustig, want haar verdriet was net zo’n trouwe metgezel als de herinnering aan haar overleden zoontje. Overdag schonk Luca haar moed en hoop, maar ’s nachts werd ze overmand door wanhoop en had ze het gevoel door een afgrond te worden verzwolgen. Luca had haar een reddingsboei toegeworpen, maar waar zou hij haar heen brengen? Ze kon Francesco niet alleen laten. Niets zou haar uit Incantellaria kunnen weghalen, waar al haar herinneringen in de grond begraven lagen. Ze zou er tot haar dood blijven wonen, met of zonder Luca.

Toen ze in een diepe slaap viel, bevrijdde een serene rust haar van het malen van haar gedachten. Ze werd omringd door wit, en in dat hemelse licht voelde ze de aanwezigheid van haar zoon. Hij verscheen voor haar zoals hij er bij zijn leven had uitgezien: zijn ogen groot en glimlachend, zijn huid glanzend bruin, zijn wangen met de kleur van een volmaakte zonsopgang. Hij nestelde zich tegen haar aan en zij sloeg haar armen om hem heen. Ze rook de melkachtige vanillegeur van zijn haar, voelde zijn gladde huid tegen haar lippen, de warmte van zijn lichaam tegen het hare, en voor het eerst in drie jaar voelde ze zich heel.

Uiteindelijk maakte Francesco zich van haar los. Hij keek haar aan met de liefdevolle blik van een wijze oude man. ‘Je moet terug.’

‘Zeg niet dat ik weg moet!’

‘Je moet. Het is je tijd nog niet.’

‘Maar ik wil bij jou blijven,’ smeekte ze.

Hij glimlachte, alsof het een absurde gedachte was dat ze gescheiden zouden worden. ‘Je weet dat ik altijd bij je ben.’

‘Maar ik kan je niet zien!’

‘Vertrouw erop, mamma’ Langzaam begon hij te vervagen. ‘Vertrouw erop.’

Door het wit reikte ze naar hem uit. ‘Ik hou van je, Francesco. Laat me niet alleen. Zonder jou kan ik niet leven. Laat me niet alleen! Alsjeblieft, kom terug!’

‘Het is in orde, lieverd. Je hebt een nachtmerrie.’ Alba boog zich in haar witte nachthemd over haar heen. In paniek keek Cosima rond. Francesco was verdwenen. Alba streelde haar over haar hoofd. ‘Het is goed. Je bent nu wakker.’

‘Ik wil niet wakker worden.’ Cosima sloot haar ogen en probeerde door louter walskracht terug te keren naar die merkwaardige witte hemel.

‘Het was een droom,’ suste Alba haar.

‘Nee. Het was echt. Hij was hier. Ik kon hem voelen, hem ruiken. Hij was echt!’ Ze begon te huilen. Alba knipte het licht aan en Cosima huiverde. ‘Doe uit!’ Alba negeerde haar en ging op het bed zitten.

‘Het was de geest van Francesco.’ Cosima pakte Alba bij haar schouders en sperde haar ogen wijd open. ‘Luca zei dat ik hem met geen mogelijkheid vast zou kunnen houden. Maar hij heeft mijn zoon onderschat. Francesco heeft toch een manier gevonden.’

Alba deed het licht weer uit en liet Cosima verder slapen. Hoe ouder ze werd, hoe meer ze ervan overtuigd raakte dat de wereld van de geesten altijd aanwezig was. Ze herinnerde zich nog het sterke gevoel dat de geest van Valentina in dit huis hing toen ze er al die jaren geleden was aangekomen, en hoe ze was verdergegaan toen Immacolata haar uiteindelijk had losgelaten.

Ze klom weer in bed naast Panfilo, die door de smekende kreten van zijn nicht heen had geslapen, en ging liggen. Terwijl ze haar best deed om weer in te dommelen, sprong ze in haar hoofd van de ene gedachte naar de andere. Opeens hoorde ze buiten geneurie. Het kon het gefluit van de wind zijn, of een uil, maar het klonk steeds harder naarmate het geluid het huis dichter naderde. Geïntrigeerd stapte ze het bed uit en liep naar het raam. Daar liep, met veerkrachtige tred, Rosa. Alba schrok. Haar eerstvolgende gedachte gold Eugenio. Als hij merkte dat zijn vrouw in de kleine uurtjes terug naar huis zwalkte, zou daar knetterende ruzie van komen. IJlings trok ze haar ochtendjas aan en schoot de trap af, net op het moment dat Rosa als een inbreker door de zijdeur naar binnen glipte.

‘Waar ben jij in vredesnaam geweest?’ wilde Alba weten; ze had haar handen in haar zij geplant en haar gezicht zag bleek in het maanlicht dat door de keukenramen naar binnen viel.

‘Even wandelen.’

‘Op dit uur?’

‘Dit is mijn favoriete tijdstip.’

‘Je bent dronken.’

‘Ik heb geen druppel gedronken. Ik ben alleen maar heel blij!’ Ze glimlachte geheimzinnig.

‘Waar ben je zo blij om, terwijl je man alleen in bed ligt en je kinderen…’

‘Die worden ’s nachts toch nooit wakker.’

‘Er is altijd een kans dat dat wel gebeurt, en wat dan? Eugenio zal zich afvragen waar je bent.’

‘Ik maak zo vaak ’s nachts een wandelingetje.’ Rosa leunde tegen het dressoir en sloeg haar armen over elkaar. ‘Ik vind het prettig om in het donker over de kliffen te dwalen en beneden op het strand. Daar word ik blij van, mamma. Op die manier ontsnap ik even uit dit claustrofobische huis. Ik ben blijer dan ooit. Eerlijk gezegd had ik nooit gedacht dat ik zo blij zou kunnen zijn.’

Alba’s gezicht betrok. ‘Wie was er bij je?’

‘Niemand. Geesten.’

‘Waar heb je het over?’

‘Ik ben bij geesten geweest. Spoken.’ Ze schudde haar hoofd, alsof haar moeder te dom was om dat te begrijpen. ‘Maak je maar geen zorgen, ik doe een beetje dwaas. Ik ben nu moe. Als je het niet erg vindt, ga ik naar bed.’

‘Laat Eugenio je maar niet betrappen als je er midden in de nacht vandoor gaat.’

‘Die slaapt als een blok.’

‘Nou, een dezer dagen wordt dat blok misschien wel wakker, en dan zit je in de problemen.’

‘Ik weet heus wel hoe ik met mijn man om moet gaan. Mannen zijn allemaal hetzelfde.’

Gealarmeerd sloeg Alba de zorgeloosheid van haar dochter gade. ‘Het probleem met jou, Rosa, is dat je niet weet te waarderen wat je hebt.’

‘Hoe weet jij dat nou? Je vraagt nooit ergens naar. Het is altijd maar Cosima, Cosima, Cosima. Ik kan me niet heugen wanneer je me voor het laatst hebt gevraagd hoe het met míj was. Maar het geeft niet.’ Ze liep naar de trap. ‘Trouwens, Cosima en Luca hebben nu iets met elkaar.’

‘Dat weet ik.’

‘Natuurlijk weet je dat. Jullie zijn toch zulke dikke vriendinnen?’ Ze ging de trap op en liet Alba smeulend van woede achter.

‘Wat je ook denkt, ik ben je moeder en dit is mijn huis. Probeer eens iets verder te kijken dan je neus lang is, Rosa. Je bent altijd zo zelfzuchtig geweest!’

Rosa had het liefst de badkamerdeur achter zich dicht willen smijten, maar ze wilde Eugenio niet wakker maken. Ze pakte de wasbak vast en ademde diep in, briesend van kwaadheid. Hoe durfde haar moeder zo’n toon tegen haar aan te slaan? Ze was helemaal niet zelfzuchtig. Ze wilde alleen maar het middelpunt zijn van haar moeders wereld. Als dochter was dat toch zeker haar recht? Maar Cosima hield die plek bezet en had dat sinds Francesco was verdronken ook steeds gedaan. Ze staarde naar haar gezicht in de spiegel en zag Valentina naar haar terugstaren.

Het lag nu voor de hand dat Cosima met Luca naar Engeland zou verhuizen. Nou, hij kon wat haar betreft zijn gang gaan. Rosa zat niet langer op Luca te wachten om haar weg te halen; vanavond had ze ontdekt dat alles wat ze nodig had hier in Incantellaria te vinden was, en dat ook altijd was geweest.

Ze klom haar bed weer in, in de overtuiging dat haar man sliep, en ze vertrouwde erop dat hij het gesprek met haar moeder niet kon hebben gehoord. Maar voor de zoveelste keer bloedde Eugenio’s hart.

De volgende ochtend was het zondag. Met een geheimzinnig glimlachje op haar gezicht zat Rosa tijdens het ontbijt almaar te neuriën, terwijl Cosima in stilte zat te eten en zich met al haar zintuigen vasthield aan Francesco. Panfilo ging naar de kerk met Toto, Beata, Rosa, Eugenio en de kinderen en hun neven en nichten, en liet Alba thuis achter met Cosima, die plannen had gemaakt om Luca te treffen.

Panfilo had zijn vrouw teder gekust en haar aangeraden de woordenwisseling met Rosa te vergeten.

‘Ik heb geen idee van wie ze dat heeft,’ had hij lachend gezegd, terwijl de rimpels op zijn knappe gezicht zich scherper aftekenden.

‘Ik ben anders in de loop der jaren stukken milder geworden,’ had Alba gezegd, met tegenzin zijn glimlach beantwoordend.

‘En dat zal voor Rosa ook gaan gelden. Ze is nu nog jong en enthousiast. We praten er later wel over, maar misschien moest ze maar op zichzelf gaan wonen.’

‘Van het salaris van een politieman?’

‘Nee, van het mijne!’

De waarheid was dat Alba niet wilde dat Rosa en Eugenio het huis uit zouden gaan. Telkens als het ter sprake was gekomen, had ze alles uit de kast gehaald om het te voorkomen. Ze had tegen hen gezegd dat ze moesten wachten tot ze genoeg geld hadden om een mooi groot huis te kopen. Toen Panfilo had voorgesteld hen financieel bij te staan, had ze hem voorgehouden dat zijn aanbod Eugenio’s trots zou krenken. En was het trouwens niet handig om een kinderoppas bij de hand te hebben? Drie kinderen brachten handenvol werk met zich mee, maar die last werd met hun grootmoeder in de buurt een stuk lichter. Het hoorde bij de Italiaanse cultuur dat families bij elkaar woonden. Op die manier had Immacolata ook geleefd en zij hadden haar voorbeeld gevolgd. Stiekem was Alba bang dat het thuis eenzaam zou zijn zonder hen, zeker omdat Panfilo zo vaak weg was. Rosa en Eugenio maakten deel uit van het huishouden en ze genoot van hun gezelschap. Ze aanbad de kinderen en vond het leuk om hun elke avond voor te lezen en hen in bed te stoppen. Het deed haar erg goed hen te zien spelen in de olijfgaard.

Maar bovenal hadden ze haar geholpen het verlies van Francesco te verwerken. Als Rosa en haar gezin er niet waren geweest, zou Alba samen met haar nicht de afgrond in zijn gesleurd. Het geval wilde dat ze niet in staat was over haar eigen gebroken hart te praten, want als ze daar eenmaal aan begon, zou ze een weg inslaan vanwaar geen terugkeer meer mogelijk was.

 

Cosima stond bij de gootsteen af te wassen, met haar gedachten nog steeds bij haar droom, toen voor het raam Luca’s gezicht opdook. Hij kwam binnen, omhelsde haar en kuste haar op de wang. Alba wendde zich af, gegeneerd door hun intimiteit. ‘Ik wil je een dagje mee uit nemen, als je familie je kan missen.’

‘Natuurlijk, ga maar.’ Alba’s stemming klaarde op toen er een blos van plezier op Cosima’s gezicht verscheen. ‘Het komt je toe om een beetje plezier te maken.’

Luca liet haar los en leunde tegen het dressoir. ‘Mijn moeder is niet te genieten vanochtend. Ik móést gewoon weg.’

‘Wat is er dan met haar?’

‘Ze raakt helemaal van de leg door het vooruitzicht dat Panfilo foto’s van het palazzo komt nemen. Ze zit almaar in lotushouding op het terras om te proberen tot bedaren te komen. En dat is nog niet zo makkelijk met mijn vader en de professor die aan tafel vlak naast haar een verhitte discussie voeren over politiek!’ Hij slaakte een zucht. ‘Morgen trekt er een hele stoet bloemisten, stylisten, visagisten en assistenten naar het palazzo, dus dan moet ik ook maken dat ik wegkom.’

‘Je kunt ons komen helpen in de trattoria,’ stelde Cosima met een glimlach voor. ‘Rosa heeft aangeboden Panfilo te assisteren.’

‘Dat geloof ik graag.’

Alba dacht terug aan de middernachtelijke escapade van haar dochter en vroeg zich af of Cosima en Luca iets wisten wat zij niet wist. ‘Ik kan me niet voorstellen dat hij om haar hulp verlegen zou zitten,’ zei ze, hengelend naar informatie.

‘Het palazzo fascineert haar,’ zei Cosima. “Volgens mij piept ze er midden in de nacht tussenuit naar het tuinhuis.’

‘Waarom zou ze dat in ’s hemelsnaam doen?’

‘Voor een beetje avontuur?’

‘Daar in die ouwe bende?’

‘Voor haar leeft het.’

Alba schudde haar hoofd. ‘Dat zie je vast verkeerd.’

‘Nou,’ zei Luca. ‘Er is daar anders wel iemand binnen geweest, en mijn moeder heeft mij opgedragen om uit te zoeken wie het is.’

‘Rosa weet hoe ik over het palazzo denk.’ Alba zag bleek. Ze wilde niet over het palazzo praten, laat staan zich voorstellen hoe haar dochter zou zwelgen in de tragedie van het verleden. Rosa wist hoe heilig dat voor haar was.

‘Moeder heeft nog een stel uitgenodigd om te komen logeren,’ zei Luca, om over iets anders te beginnen.

‘Het lijkt daar wel een hotel,’ zei Alba. Haar stem klonk scherper dan haar bedoeling was.

‘Daar krijgt het inderdaad steeds meer van weg,’ beaamde Luca. ‘De professor en Ma Hemple horen zo’n beetje bij het meubilair; die blijven zeker de hele zomer. Ik snap niet dat mijn ouders ertegen kunnen om de hele tijd mensen om zich heen te hebben.’

‘Wie hebben ze dan deze keer uitgenodigd?’ vroeg Cosima, terwijl ze de borden die ze had afgedroogd wegborg.

‘Een charmante oude heer die Fitzroy Davenport heet.’ Luca zei het langzaam en nadrukkelijk, en voelde zich opeens schuldig dat hij deed of hij niets van Alba’s geschiedenis afwist. Hij zag haar mond openvallen van verrassing.

‘Fitzroy Davenport?’

‘Inderdaad,’ antwoordde Luca. ‘Ken je hem?’

‘Ja, we hebben iets met elkaar gehad.’

Cosima staarde haar tante aan. Haar oprechtheid was ontwapenend. ‘Iets met elkaar gehad? Wanneer dan?’

Alba lachte. ‘Lang voordat ik Panfilo leerde kennen. Toen jij nog een klein meisje was. Ik maakte destijds een heel verstandige keus, en daar heb ik nooit een moment spijt van gehad. Het was ofwel jij, Cosima, ofwel Fitz – ik kon jullie niet allebei hebben.’

‘Arme Fitz,’ zei Luca.

‘Nou, uiteindelijk is hij met iemand anders getrouwd. Wie is ze?’

‘Rosemary,’ antwoordde Luca. ‘Een heel… efficiënt iemand.’

‘Drammerig, bedoel je zeker. Die Fitz – dat hij uit alle beschikbare vrouwen nou net zo iemand heeft gekozen. Hij was altijd al gevoelig voor dat soort vrouwen! Wanneer komen ze?’

‘Volgend weekend.’

‘Ik kan bijna niet wachten. Na al die jaren! Zou hij niet verrast zijn?’

Luca dacht terug aan de melancholieke blik op Fitz’ gezicht en aan de tederheid waarmee hij over Alba had gesproken. ‘Aangenaam verrast,’ voegde hij er met nadruk aan toe. Heel even had hij met Rosemary te doen, want Alba was stukken knapper dan zij, maar daar zei hij maar niets over. In plaats daarvan liep hij met Cosima naar buiten de zon in. Hij had Alba gewaarschuwd dat Fitz zou komen; hij had zich er al genoeg mee bemoeid.

Samen gingen ze op het gras liggen onder de oude uitkijktoren. Cosima was er niet helemaal bij, alsof ze met haar gedachten elders zat. Luca woelde met zijn hand door haar haar, kneedde het tussen zijn vingers en streek met zijn lippen over haar huid. ‘Waar denk je aan?’

‘Ik heb vannacht gedroomd,’ antwoordde ze met een aarzelende glimlach. ‘Ik weet niet wat ik ervan moet denken.’

‘Waar droomde je dan van?’

‘Van Francesco.’