***
Abbie leunde met haar pijnlijke rug tegen het witgeschilderde
muurtje van de weegpost en keek met halfdichtgeknepen ogen uit over
de uitgestrekte vlakke velden, waar honderden gebogen figuren die
in het minder fel wordende zonlicht lange zwarte schaduwen wierpen
nog steeds aan het plukken waren. Een vrachtwagen reed vanaf de
snelweg het land op met een wolk van lichtgevend goudkleurig stof
in zijn kielzog. Abbie keek op haar horloge en zag dat het tegen
zessen liep. Ze zou laat thuiskomen.
Er wachtten nog een stuk of tien plukkers voor haar in de rij
om hun laatste bak te laten wegen en hun geld te krijgen. Haar bak
stond voor haar voeten en terwijl de rij naar voren ging, schoof ze
hem met haar voet over de door de zon geblakerde aarde, tot een van
de opzichters tegen haar riep dat ze hem op moest pakken. Ze
vervloekte hem binnensmonds, maar deed wat hij zei. Hoe moe je ook
was na twaalf warme, slopende uren te hebben gewerkt, je mocht je
bak niet neerzetten omdat de aardbeien dan vuil konden worden.
Alsof ze al niet genoeg vervuild waren door al die giftige
bestrijdingsmiddelen waarmee ze bespoten waren. Ze zou haar hele
leven geen aardbei meer eten.
Het was begin september en drie hele weken geleden sinds ze
Rolf had gezien. Maar vanavond was het zover. Haar hart begon
sneller te kloppen bij de gedachte, en door wat ze hem te
vertellenhad. Ze had geen test gedaan, maar dat hoefde ook niet. Ze
wist het zeker. Ze was twee weken over rijd en dat gebeurde nooit.
En vanochtend was ze voor het eerst misselijk geworden. Ze wist
niet hoe hij erop zou reageren. Ze hoopte dat het hun relatie zou
verbeteren. Van één ding was ze echter wel zeker. Wat er ook
gebeurde, wat hij ook zou zeggen en hoeveel druk hij ook op haar
zou uitoefenen, ze zou het kind laren komen.
Ze moest natuurlijk het juiste moment afwachten om het hem te
vertellen. Misschien zouden ze naar de kust kunnen gaan, naar Big
Sur of zo, en ergens een leuk hotelletje nemen en wat van het geld
uitgeven dat ze verdiend hadden.
Het was Rolfs idee geweest dat ze een tijdje uit elkaar zouden
gaan. Hij zei dat hij ruimte nodig had en toen ze hem vroeg wat hij
bedoelde, was hij alleen maar kwaad op haar geworden. Hij werkte op
een bouwplaats in Fresno en verdiende twee tot drie keer zo veel
als zij in veel minder uren. Dat had hij haar airhans verteld toen
ze elkaar de laatste keer hadden gezien. Tegenwoordig wist ze het
nooit helemaal zeker. Ze had geen mobiele telefoon meer en bij de
drie gelegenheden dat ze hem had kunnen bellen, had hij niet
opgenomen. Abbie hoopte maar dat hij deze keer in een beter humeur
zou zijn, dat hij aardiger tegen haar zou doen en niet zo
gemakkelijk in woede uit zou barsten.
Ze had tijd gehad om erover na te denken waarom her nier meer
zo goed ging tussen hen. Ze wist dat het meer haar schuld was dan
de zijne. Ze was te bezitterig, te afhankelijk en te jaloers. Nadat
ze die eerste keer in Chicago ontdekt had dat hij vreemdging, had
ze heel erg haar best gedaan om te veranderen en het niet zo
belangrijk te vinden. Het was niet belangrijk voor hem, dus waarom
zou het dat dan voor haar wel zijn? Maar toen ze hem in Miami echt
op heterdaad in hun eigen slaapkamer had betrapt met die Cubaanse
sloerie waren al haar nobele voornemens vervlogen.
Als ze eerlijk tegen zichzelf was, moest ze toegeven dat ze
altijd al had geweten dat hij er andere vrouwen op na hield. Rolf
zei dat ze volwassen moest worden, dat ze het slachtoffer was van
haar eigen zielige, burgerlijke achtergrond. Ze waren elkaars bezit
niet, zei hij, en als ze zelf andere minnaars wilde hebben, vond
hij dat prima. Dat kwetste haar ook, hoewel ze niet precies wist
waarom. Ze wilde niemand anders. Vooral nu niet. Maar goed, ze zou
vanavond, morgen en alle weekends extra haar best doen. Ze zouden
elkaar weer vinden en het zou weer goed gaan tussen hen. En wanneer
hij van de baby wist, zou alles anders worden.
'Volgende!'
Voor haar zwaaide haar nieuwe vriendin Inez haar bak op de
weegschaal en de chagrijnige lui aan de andere kant ervan
controleerde de inhoud en gooide alle aardbeien eruit die naar zijn
onbetwistbare mening beschadigd waren. Inez protesteerde een paar
keer bij aardbeien die er perfect uitzagen, maar hij keek haar
alleen maar uitdrukkingsloos aan en nam zelfs niet de moeite zich
te verdedigen. Hij schreeuwde alleen het gewicht naar de mannen die
achter hem aan een schraagtafel zaten, de ene met het klembord en
de andere met het geld, zwaaide de bak van de weegschaal en zette
hem op de stapel.
'Volgende!'
Abbie werd altijd een beetje nerveus bij de weegpost, net als
in postkantoren en banken en alle andere plaatsen waar ze het
gevoel had dat haar identiteit onder de loep werd genomen. Behalve
een handjevol studenten (ze gaf zich uit voor studente als iemand
vroeg wat ze deed) was ze de enige niet-hispanic en de mannen aan
de betaaltafel leken altijd aandachtiger naar haar te kijken dan
naar de andere vrouwen. Soms probeerden ze met haar te flirten,
maar ze hield haar ogen neergeslagen en ging er nooit op in. Ze
wist dat ze zich niet echt zorgen hoefde te maken. Alle plukkers
werkten hier illegaal. Niemand zou lastige vragen stellen. In elk
geval leek de man vandaag alleen geïnteresseerd te zijn in de
aardbeien.
'Deze zijn allemaal stoffig.'
'Ja, dag.'
'Wat zei je?'
ik zei dat ze dat niet zijn. En als ze het zijn, komt het door
die vrachtwagen die net langsreed. Je moet tegen de chauffeurs
zeggen dat ze vaart moeten minderen.'
De man gooide het grootste deel van de bovenste laag aardbeien
uit de hak en negeerde haar protesten. Daarna wierp hij haar een
dreigende blik toe en riep het gewicht af.
'Volgende!'
De man met het klembord vroeg haar naam.
'Shepherd.'
Hij noteerde haar laatste bak, drukte een paar toetsen op zijn
rekenmachientje in en telde toen haar loon van die dag uit:
achtenveertig dollar en twaalf cent. Hij schoof het geld over de
tafel en Ann-Marie Shepherd uit Fort Myers, Florida, pakte het op,
stopte het in de zak van haar rok en volgde Inez het doucheblok
in.
Inez' Engels was maar iets minder slecht dan Abbies Spaans,
maar ze waren toch vriendinnen geworden. Ze hadden elkaar leren
kennen op Abbies eerste plukdag, toen ze nog geen plek had gevonden
om te slapen. Die avond had Inez haar de laadbak van een overvolle
truck in getrokken, die hen de heuvels boven de Salinas Valley in
reed. Abbie kon haar ogen nauwelijks geloven toen ze er aankwamen.
Ze wist dat dit Steinbeck-land was, maar niet dat er zo weinig was
veranderd.
Er was een heel kamp van Mexicaanse fruitplukkers, allemaal
illegalen, die in de bossen leefden. De gelukkigen hadden onderdak
gevonden in grotten, maar de meesten sliepen gewoon in de openlucht
onder plastic vuilniszakken tegen de dauw. Ze kon er niet over uit
dat ze zo vriendelijk en gul waren. Ze gaven haar een deken, een
mat om op te liggen, een plastic zak en water en eten. Het was
vreemd dat degenen die het minst hadden altijd het meest leken te
geven. Ze bracht de nacht luisterend naar het gehuil van coyotes
door en daardoor moest ze aan Ty denken.
Na een paar dagen lukte her Inez een plek voor hen te vinden
die dichter bij de velden was, een garage met een eigen wasbak en
een toilet die ze deelden met tien anderen, die allemaal vier
dollar per nacht betaalden voor dat voorrecht. Inez was maar een
jaar ouder dan Abbie, maar ze had al twee kinderen, die bij haar
moeder in Santa Ana woonden. Ze miste hen heel erg. Hun vader was
ervandoor gegaan toen ze acht maanden zwanger was van het tweede
kind, maar ze leek geen wrok regen hem te koesteren.
'Mannen,' zei ze op een avond toen ze buiten onder de sterren
een sigaret deelden. 'Ze kunnen er niets aan doen. Ze weten niet
wie ze zijn en waarom God hen geschapen heeft. Je kunt ze niet
haten om wat ze nier weten. Je kunt alleen maar medelijden met ze
hebben.'
Abbie had haar niet verteld dat ze zwanger was, hoewel de
ochtendmisselijkheid het nog moeilijk zou maken om het geheim te
bewaren.Omdat het vrijdagavond was en iedereen net geld had
gevangen, ging er een truck naar Salinas. Toen ze gedoucht en zich
aangekleed hadden, klommen ze achterin, waar ze tussen een stuk of
tien anderen, van wie de meesten mannen, in geklemd zaten. Abbie
wilde er voor Rolf zo goed mogelijk uitzien en ze droeg de mooie
zwart- met-rode katoenen jurk die ze op een markt in Miami had
gekocht. Ze keek tegenwoordig zelden in de spiegel, maar vanavond
had Inez haar ertoe gedwongen en Abbie was aangenaam verrast
geweest. Het leek alsof ze naar iemand keek die ze al in geen jaren
meer had gezien. Ze verfde haar haar niet meer, en het was nu
langer en werd blond door de zon. Ze was haar hele leven nog niet
zo bruin geweest. Het enige wat afbreuk deed aan het beeld, was de
toestand van haar handen. Ze waren eeltig en doortrokken van vuil,
met kort afgebeten nagels.
Inez had zich ook mooi aangekleed, net als de drie jongemannen
die tegenover haar zaten. Ze flirtten met haar. Abbie verstond niet
wat ze zeiden, maar het was zo ook wel duidelijk. Een van hen leek
meer geïnteresseerd in haar dan in Inez en hij bleef haar aangapen.
Hij zei iets tegen de anderen, die haar verlegen opnamen en daarna
knikten.
'Wat zei hij?' fluisterde ze tegen Inez.
'Dat je eruitziet als een filmster.'
Ze had om halfzeven met Rolf afgesproken in een bar in de
Oldtown-wijk, vlak bij de Fox-bioscoop, maar het was een halfuur
lopen vanaf de plaats waar de truck haar afzette, en tegen de tijd
dat ze er aankwam, was het al over achten. Hij was er niet. Ze ging
aan een tafel bij het raam zitten zodat ze de straat kon zien,
bestelde een frisdrank en pakte haar boek uit de oude plunjezak
waarin ze haar weinige aardse bezittingen bewaarde. Maar toen er
een uur was verstreken en het al donker was geworden, was hij er
nog steeds niet. Ze voelde zich inmiddels ongemakkelijk onder de
blikken van de mannen in de zaak, dus stond ze op, zei regen de
vrouw achter de bar dat ze terug zou komen, mocht er iemand naar
haar vragen, en ging een eindje wandelen.
Vlak voor tienen, toen ze half misselijk van bezorgdheid was
en ze zich afvroeg, waar ze zou moeten slapen, zag ze dat de kleine
Ford die ze met het laatste geld van haar opa in Florida hadden
gekocht aan de overkant van de straat stopte. Toen hij, in zijn
mobiele telefoon pratend, naar de overkant van de straat slenterde,
zag hij haar voor het raam zitten. Hij knikte naar haar, maar
glimlachte niet. Abbie stond op en liep naar buiten om hem te
begroeten, maar hij negeerde haar en liet haar naast zich wachten
tot hij klaar was met zijn telefoongesprek.
'Ja. Oké. Jij ook. Tot ziens.'
Hij klapte de telefoon dicht en liet hem in zijn jaszak
glijden. Ze sloeg haar armen om zijn nek en kuste hem op de
lippen.
ik dacht dat je nooit zou komen.'
ik moest nog wat dingen regelen.'
Hij zei niet dat ze er mooi uitzag en keek eigenlijk amper
naar haar. Hij liep langs haar heen de bar in en zei dat de zaak er
waardeloos uitzag en dat ze maar ergens anders heen moesten
gaan.
Ze vonden verderop in de straat een restaurant, een donkere
zaak met houten zitjes en rode glazen potjes met kaarsen op de
tafels. Ze gingen in een hoek zitten en bestelden twee bier. Hij
dronk het zijne in twee lange teugen op en bestelde er nog een. Het
eten was slecht, maar Abbie wilde de stemming daar niet door laten
bederven en ze vertelde hem alles over het aardbeien plukken, de
aardige mensen die ze had ontmoet en de slechte omstandigheden
waaronder ze leefden. Rolf knikte alsof hij het allemaal al wist.
Hij zei amper een woord en leek soms niet eens te luisteren.
is alles goed met je?' vroeg ze ten slotte.
'Ja, hoor. Hoezo?'
ik weet niet. Je bent zo stil.'
ik ben moe, dat is alles.'
'Heb je me gemist?'
Zelfs terwijl de woorden over haar lippen kwamen, wist ze al
dat ze het niet had moeten vragen. Hij zuchtte en liet zijn ogen
minachtend rollen.
'Ja, schaaat, ik heb je vreselijk gemist.'
Hij zei het zo honend dat ze op haar lip beet en naar haar
bord keek, maar ze zei niets. Tranen waren voor Rolf alleen maar
een teken van zwakheid en ze was wel zo verstandig om niet te gaan
huilen. Maar hij moest gezien hebben hoe gekwetst ze was, want hij
stak schuldbewust zijn hand uit en pakte de hare.
'Het spijt me, maar je weet hoe ik over al die burgerlijke
onzin denk.''Zoals iemand missen om wie je geeft.'
Hij ging dichter bij haar zitten, sloeg een arm om haar heen
en kuste haar.
'Het spijt me. Ik heb je gemist. Oké?'
Ze knikte, slikte dapper en glimlachte.
'Kunnen we ergens heen gaan? Hen weekendje?'
'Waarheen dan?'
'Ik weet her niet. Ergens aan zee. Ik wil langs de oceaan
wandelen.'
ik moet zondag in Seattle zijn.'
'Mag ik mee?'
'Nee.'
Hij had haar nooit veel verteld, maar tegenwoordig vertelde
hij haar niets meer. Abbie wist uit de kranten dat er bepaalde
dingen gebeurden waarvan ze vermoedde dat hij erbij betrokken was.
Van de Canadese grens tot in Noord-Californië was er een reeks
branden gesticht, hoofdzakelijk bij hout- en biotechbedrijven, en
de schade liep in de miljoenen. Hij zei dat het te riskant was als
zij er nog aan mee zou doen, maar Abbie vermoedde dat de echte
reden was dat ze hem in Denver teleurgesteld had en had laten zien
dat ze zwak en bang was.
Vroeger zou zijn strenge oordeel haar pijn gedaan hebben, maar
nu niet meer. De waarheid was dat ze er niet bij betrokken wilde
zijn. Ze bewonderde zijn passie en vastberadenheid nog steeds, maar
dit soort acties, die ze eens zo heldhaftig had gevonden, leken
haar nu alleen nog maar zinloos en gevaarlijk. En ze werkten ook
nog averechts, want ze wekten alleen maar sympathie voor de
hebzuchtige bedrijven die er het doelwit van waren. Waarschijnlijk
had Rolf een andere jonge vrouw gevonden om hem te helpen en
vermoedelijk neukte hij haar ook, maar Abbie probeerde daar niet
over na te denken. Ze had hem nu meer dan ooit nodig. '
'Laten we dan alleen vanavond en morgen ergens heen gaan,' zei
ze. Ze kuste zijn nek en legde haar hand op zijn bovenbeen.
'Alsjeblieft, het is zo lang geleden.'
Ze reden een uurtje naar het zuiden en net voor Big Sur, waar
de weg hoog om de kliffen heen kronkelde, vonden ze een hotelletje
dat tot aan de oceaan uitzicht over de snelweg bood. Er hing een
blauw neonbord met KAMERS VRIJ voor het raam. Ze stopten en
parkeerden. Een oude vrouw zat achter de receptiebalie te slapen
voor een tv met slecht beeld. Ze maakten haar wakker en namen een
kamer.
Toen ze binnen waren, zette Abbie haar tas neer en draaide
zich naar hem om. Hij sloot de deur achter zich en ze zag een
duistere glinstering in zijn ogen die ze niet van hem kende.
'Rolf?'
Hij rukte de jurk van haar schouders, gooide haar op haar buik
op het bed en neukte haar zo gewelddadig en liefdeloos dat ze
schreeuwde dat hij op moest houden, maar dat deed hij niet. Het
lukte haar zich om te draaien en naar hem uit te halen. Hij sloeg
haar hard in het gezicht, eerst met de palm en daarna met de rug
van zijn hand. Het was de eerste keer dat hij haar ooit geslagen
had. Toen greep hij haar zo hard bij de keel dat ze even dacht dat
hij haar zou wurgen. Ze was zo bang, niet alleen voor zichzelf,
maar ook vanwege het kind dat ze in zich droeg, dat ze zich niet
meer verzette en hem liet begaan tot hij klaargekomen was. Hij lier
zich van haar af rollen en bleef languit naast haar liggen.
Hoe lang ze naar zijn ademhaling lag te luisteren wist ze
niet, maar toen ze er uiteindelijk zeker van was dat hij sliep en
ze genoeg moed vergaard had, schoof ze centimeter voor centimeter
van hem vandaan en liet zich van het bed glijden. Ze verzamelde
stilletjes haar spullen en verstijfde af en toe wanneer hij zich
bewoog. Ze pakte de autosleutels en een rol dollarbiljetten uit
zijn jasje en overwoog nog even om zijn telefoon ook mee te nemen,
maar dat deed ze niet. Zijn warme, natte sperma op haar dij deed
haar bijna kokhalzen. Ze liep op haar tenen naakt naar de deur en
stapte de gang in, waarbij ze bij elke bevende ademhaling had dat
de vloer niet zou kraken. Dat deed hij gelukkig nier.
Het maanlicht viel op de door de zon gebleekte houten
wandelgang buiten. Ze kleedde zich naast haar eigen schaduw op de
muur haastig aan en liep toen blootsvoets over het koele grijze
grind naar de auto. Hij stond ongeveer vijftig meter van de kamer,
op een helling onder een paar ruige dennenbomen. Zo dichtbij, dacht
ze, dat Rolf zou kunnen horen dat ze startte en nog op tijd bij
haar zou kunnen zijn. Er stond geen zuchtje wind en het enige
geluid was het geblaf van een hond in de verte. Ze gooide de tas
achterin, stapte stilletjes in en zette de versnelling in zijn
vrij. De auto reed zachtjes de helling af naar de snelweg terwijl
het grind onder de banden knerpte.
Toen ze vlak bij de snelweg was, draaide ze de sleutel om en
de motor kwam sputterend tot leven. Op de oceaan glinsterde een
spoor van gereflecteerd maanlicht tot aan de horizon. Ze reed de
snelweg op, trok langzaam op en nam dezelfde weg terug die ze
gekomen waren. Ze wist niet hoe lang de reis zou duren, maar ze
wist wel waar ze naartoe zou gaan.
Ze reed de hele nacht door naar het noorden tot ze op de 1-80
uitkwam. Ze vervolgde haar weg in oostelijke richting en zag de zon
nevelig, rood en onverbiddelijk uit de Sierras opstijgen. Net
voorbij Reno kreeg ze last van misselijkheid. Ze stopte bij een
truckers- restaurant, waar ze overgaf, zich waste en alle sporen
van hem van haar lichaam spoelde. Ze ging terug naar de auto,
klapte de rugleuning naar achteren en sliep tot ze door de hitte en
het felle zonlicht gewekt werd.
Het duurde acht uur voordat ze Nevada door was. De namen op de
borden flitsten voorbij, Lovelock, Battle Mountain en Elko -
terwijl de Humboldt River naast haar kronkelde en glinsterde. Om te
tanken, iets te eten of alleen de hypnotiserende monotonie van de
snelweg te onderbreken verliet ze de interstate en reed door
verlaten en uitgedroogde stadjes met dichtgetimmerde etalages,
uitgestrekte caravanterreinen en leeggehaalde autowrakken. Daarna
reed ze Utah in, waar de snelweg zo recht als een speer door de
vlakke woestijn sneed, die tot beide horizonnen roze glansde
wanneer er weer een avond naderde.
Ze kwam even na middernacht langs Salt Lake City en toen,
zelfs terwijl de nu koelere en lekker naar salie ruikende
nachtlucht door de wijdopen ramen naar binnen stroomde, vielen haar
ogen langzaam dicht en zakte haar kin op haar borst. Ze wist dat ze
moest stoppen. Ze reed van de interstate af en vond een goedkoop
motel. Ze was zo moe dat ze bijna haar echte naam had opgegeven,
maar ze herstelde zich op tijd en de jongen achter de balie vroeg
gekscherend of ze was vergeten wie ze was. Abbie glimlachte en zei
dat dat waar was, dat was ze inderdaad vergeten.
Ze had zo'n vijftienhonderd kilometer gereden en toen ze de
volgende ochtend op de kaart keek, berekende ze dat ze er nog half
zo veel voor de boeg had. Ze had overwogen om van tevoren te
bellen, maar had besloten dat toch maar niet te doen. Misschien
werden hun telefoons nog steeds afgetapt. Bovendien zou hij
misschien niet thuis zijn en als zijn moeder opnam, zou Abbie niet
weten wat ze moest zeggen. Niet dat ze wist wat ze tegen Ty zou
moeten zeggen, na drie lange jaren en alle hartzeer en narigheid
die ze hem had bezorgd.
Ze stak vroeg in de middag de Continental Divide over en sloeg
bij Rawlins naar het noorden af naar Casper. Toen de zon in de
Bighorn Mountains weg begon te zakken, verliet ze de interstate en
reed eindelijk Sheridan in. Ze reed Main Street door en passeerde
het pleintje waar zij en Ty die dag hadden zitten praten, en waar
de bronzen cowboy nog steeds met het geweer over zijn schouder op
wacht stond. Ze vond een plekje om te parkeren en schreef op een
vel papier dat ze uit het motel had meegenomen het briefje dat ze
in de brievenbus aan het einde van de oprijlaan wilde achterlaten.
Ze gooide haar eerste twee pogingen weg. De verontschuldigingen
klonken te futiel en er sprak te veel zelfmedelijden uit. Bij de
derde poging schreef ze twee simpele regels:
Ty, ik ben maandag om twaalfuur bij de bronzen cowboy.
Als je er niet bent, begrijp ik het. Groeten, A.
Na zo'n lange afwezigheid was ze bang dat ze de ranch niet
meer zou weten te vinden en in de doolhof van grindwegen zou
verdwalen, maar zelfs in het zwakker wordende licht kwam het
allemaal weer terug. Ze passeerde een tegemoetkomende vrachtwagen
met op de zijkant het opschrift MCGUIGAN GAS & OLIE en door die
naam zag ze het beeld weer voor zich van de zoon van de man die
stervend op zijn knieën lag met het brandende huis achter zich.
Terwijl ze door de optrekkende stofwolk reed die de vrachtwagen had
opgeworpen, vroeg ze zich af hoe ze ooit in de betreurenswaardige
geestestoestand had kunnen komen waarin ze zo veel levens
beschadigd had.
Toen ze aan het begin van de oprijlaan van de ranch van de
familie Hawkins stopte, ving ze een witte flits op en toen ze door
het schemerlicht naar links tuurde, zag ze dat een kleine kudde
herten, moeders en kalfjes, onder een groepje espen naar haar stond
te kijken. Ze dacht dat ze tussen de bomen zouden vluchten, maar
dat deden ze niet. Ze bleven gewoon naar haar staren toen ze naar
de brievenbus liep. Ze bleef er een poosje voor staan, tikte met
haar vingers op de verzegelde envelop en staarde terug naar de
herten. Of het nu iets in hun blik was dat haar uitdaagde of alleen
de nadering van nog een eenzame nacht wist ze niet, maar in plaats
van het briefje in de brievenbus te stoppen, liep ze ermee terug
naar de auto, stapte in en reed naar het huis.
Zoals ze verwachtte, kwamen de honden blaffend naar haar toe
rennen. Nog voordat ze had geparkeerd, verscheen er een gezicht
voor het keukenraam en ging het buitenlicht aan. Toen ze het
portier opende, leken de honden haar direct te herkennen. Ze
hielden op met blaffen en sprongen tegen haar op. Toen ze
uitgestapt was, hurkte ze neer, aaide ze en liet ze haar gezicht
likken. Ze hoorde voetstappen op de veranda en toen ze opkeek, zag
ze dat Ty over her grind naar haar toe liep.
'Hallo, kan ik u helpen?'
Abbie kwam overeind en ze zag aan zijn gezicht dat hij schrok
toen hij haar herkende. Hij bleef abrupt staan.
'Mijn god,' zei hij zacht.
'Het spijt me. Als je wilt dat ik wegga, doe ik dat.'
ik kan het niet geloven.'
ik wist niet waar ik anders... Luister, ik ga wel weg.'
Maar hij kwam nu naar haar toe en ze bleef naar hem staan
kijken, niet in staat zich te verroeren. Zonder iets te zeggen
sloeg hij zijn armen om haar heen. Ze stond te trillen op haar
benen en zou waarschijnlijk gevallen zijn als hij haar niet
vastgehouden had. Hij streelde haar haar en liet haar huilen. Het
enige wat ze kon uitbrengen was zijn naam en ze bleef maar zeggen
dat het haar speet, dat het haar zo verschrikkelijk speet, tot hij
haar zachtjes suste en langzaam met haar naar het huis liep. Zijn
moeder wachtte op de veranda, maar Abbies blik was te troebel door
de tranen en het licht was te zwak om te kunnen zien of ze welkom
was of niet. Toen stapte Martha naar voren, nam haar van Ty over,
omhelsde haar alsof ze haar eigen kind was, klopte haar op haar rug
en troostte haar.
'Arm kind,' fluisterde ze. 'Arm, arm kind.'
Het werd Abbie bijna te veel. Haar eerste warme bad in jaren,
schone handdoeken en de geuren en geluiden van het avondeten dat
klaargemaakt werd - door al die gewone dingen, vertrouwd, maar
vergeten, werd de cel geopend waarin ze alle herinneringen aan
thuis en haar familie had weggestopt. Martha gaf haar schone kleren
en schepte meer eten op haar bord dan Abbie normaal gesproken in
een week te zien kreeg. Pas toen ze geen hap meer door haar keel
kon krijgen, de tafel was afgeruimd en ze met zijn drieën met een
liefdevol, maar behoedzaam ongeloof naar elkaar zaten te staren,
begonnen ze te praten over wat er gebeurd was en over war er nu zou
gaan gebeuren.
Abbie had Rays lege stoel voor de tv al gezien en Ty vertelde
haar nu dat zijn vader bijna twee jaar geleden was overleden en dat
zijn dood een zegen voor hen allemaal was geweest. Na zijn beroerte
had hij geen woord meer gezegd. Abbie zei dat ze het heel erg vond
en dat ze wou dat ze hem beter had gekend. Daarna haalde ze diep
adem en begon hun te vertellen over die nacht in Denver van drie
jaar geleden. Ze probeerde het sober te vertellen, zonder
zelfmedelijden en zonder het mooier re maken of zichzelf te
rechtvaardigen. Ze vertelde eenvoudigweg wat hun bedoeling was
geweest en hoe alles zo tragisch uit de hand was gelopen.
Ty en zijn moeder luisterden naar haar en stelden maar af en
toe een vraag. Daarna luisterden ze naar het gecensureerde verhaal
over het leven dat ze daarna had geleid. Abbie zei dat het nu een
mist leek in een dal waar ze nog maar net uit geklommen was. Hoewel
ze hun de ergste details bespaarde en over Rolf sprak alsof hij
maar een fantoom in die mist was, zei ze dat ze was gaan inzien wat
een waanzin het was en dat ze er niet meer mee kon leven.
Toen stond Martha op, liep naar het dressoir en kwam terug met
iets wat eruitzag als een plakboek.
'Ma,' zei Ty. 'Niet nu, alstublieft.'
ik vind dat Abbie dit moet zien.'
Ze legde het voor haar op tafel. Abbie opende het en zag
onmiddellijk wat het was. Het was een plakboek met bladzijde na
bladzijde knipsels uit kranten en tijdschriften over Ty's
arrestatie en gevangenschap en politiefoto's van hem, waarop hij er
bleek en gekweld uitzag en een plaatje met zijn naam en nummer om
zijn nek had. Abbies eindexamenforo, waar ze stralend op stond, was
er steeds naast afgedrukt. De koppen schreeuwden zijn schuld uit:
ARRESTATIE TERREURAANSLAG DENVER. MAN UIT SHERIDAN IS MINNAAR
TERRORISTE ABBIE. TERRORIST TYLER VASTGEHOUDEN WEGENS MOORD. Er
stonden ook foto's bij van Ray en Martha, die door de familieband
ook besmet waren. Zelfs in de latere artikelen over Ty's vrijlating
- veel kleiner en ergens op de binnenpagina's weggestopt omdat het
nieuws minder sensationeel was - werd er nog steeds met een
beschuldigende vinger naar hem gewezen.
Abbie sloeg het plakboek dicht en keek op. Ze staarden haar
allebei aan. Ze kon haar stem niet vinden.
ik vond dat je moest zien wat je ons aangedaan hebt,' zei
Martha.
Abbie knikte.
ik weet niet wat ik moet zeggen.'
Martha knikte, glimlachte treurig en pakte haar hand vast. Ty
beet op zijn lip. Hij pakte Abbies andere hand beet en ze bleven zo
een tijdje zitten, met elkaar verbonden, maar verzonken in hun
eigen gedachten, terwijl de oude wandklok de treurige stilte
wegtikte.
'Ik schaam me zo,' zei Abbie ten slotte.
'Dat weet ik, kind. Ty moet voor zichzelf spreken, maar ik
vergeef het je. Het enige belangrijke is nu wat je eraan gaat
doen.'
'Heeft Ray dit allemaal geweten?'
Ze doelde natuurlijk op Ty's arrestatie. Ze wilde weten of die
zijn dood versneld had, maar ze kon zich er niet toe brengen die
vraag met zo veel woorden te stellen.
ik denk het niet,' zei Ty zachtjes.
Martha stond op en pakte het plakboek op. ik ga naar bed.
Jullie zullen ongetwijfeld nog met elkaar verder willen
praten.'
Ze kuste Abbie op haar voorhoofd en liet hen alleen.
Abbie had behoefte aan frisse lucht. Ze liepen door de tuin,
langs de stallen en over de onverharde weg boven de weiden. Het was
bewolkt geworden en een briesje blies door het dal. Het voelde koel
aan op haar gezicht en het voerde de eerste vage geur van de
komende herfst mee. Ver weg boven de bergen flikkerden de wolken
blauw door een gedempte bliksem. Ty sloeg zijn arm om haar
schouders en ze liepen lange tijd zonder iets te zeggen. Ze bleven
bij een hek staan, leunden er naast elkaar op en keken uit over de
helling, waarop de contouren van de paarden zich donker en stil
aftekenden tegen het door de zon gebleekte gras van de wei. Met
zachte stem en zonder hem te durven aankijken, zei Abbie dat ze
wenste dat ze al het leed dat ze hem had berokkend kon uitwissen en
dat ze het op de een of andere manier kon goedmaken. Ze zei dat ze
wist dat zijn moeder wilde dat ze zichzelf zou aangeven, en dat ze
dat zelf ook wilde en vast zou doen, maar dat ze zich op dit moment
voelde als een kind hoog op een rots boven de zee dat met heel zijn
hart wilde springen, maar te bang was.
'Het is hier waarschijnlijk nog niet veilig voor je,' zei Ty,
terwijl hij nog steeds in het duister tuurde, in hoeverre ze zich
tegenwoordig nog met ons bezighouden, weet ik niet, maar ik
betwijfel dat ze ons vergeten zijn. Ik denk dat ze nog steeds onze
telefoon afluisteren.'
ik ga morgenochtend weg.'
'Nee.'
'Er is nog iets anders wat ik je moet vertellen, Ty.'
Hij keek haar aan.
ik ben zwanger.'
Hij bleef haar lang aankijken en zag het verdriet in haar
ogen, maar hij zag ook dat er een nieuwe emotie in groeide die hij
nog niet kon duiden.
Hij ging dichter bij haar staan en pakte haar bij haar
schouders.
'Er is in de afgelopen drie jaar geen dag geweest dat ik niet
aan je gedacht heb. Ondanks alles wat er gebeurd is, ben ik altijd
van je blijven houden, en wat er ook gebeurt, ik zal er altijd voor
je zijn. Het is goed dat je jezelf aangeeft en omwille van het kind
moet je dat ook doen, maar geef me eerst nog een paar dagen.
Alsjeblieft, Abbie.'
'O, Ty, hoe kunnen we...?'
'Een paar dagen maar, alleen wij tweeën. We kunnen bedenken
wat de juiste manier is om dit aan te pakken. Ik weet een plek waar
we heen kunnen gaan.'