***

Abbie was maar één keer eerder in San Francisco geweest, toen ze daar als twaalfjarige met haar ouders op vakantie was. Ze hadden toen in een hotel gelogeerd dat vol zat met mensen die herstelden van plastische chirurgie. Iedereen zat in het verband. Bij sommigen was her hele hoofd en gezicht omwikkeld en ze probeerden te eten door de openingen die voor hun mond vrijgelaten waren. Haar vader zei dat het op een auditie voor De onzichtbare man leek. Het was hartje zomer, maar ze zagen de zon nooit, want de stad was in een vochtige mist gehuld. Toch hadden ze het leuk gehad. Ze hadden alle toeristische dingen gedaan, zoals de trams en de kabelwagen, en ze hadden de stalletjes op Fisherman's Wharf afgestroopt en T-shirts gekocht.
Deze keer was het een beetje anders.
Ze stond in het vuile gangetje voor het kantoor van de bedrijfsleider, net voorbij de toiletten, op haar geld te wachten. Fr hing één kaal peertje en op de glanzend rode muren zaten een heleboel witte plekjes op de plaatsen waar mededelingen afgerukt waren en de verf met het plakband was meegekomen. Op de enige die er nog hing, stond: PRIVÉ, GEEN TOEGANG.
Aan het andere eind van de gang zag ze her rokerige rode schijnsel van de bar waar de jukebox, zoals gewoonlijk, door de heavy- metalliefhebbers was geconfisqueerd. Hij stond altijd zo hard dat
ze had moeten leren liplezen om de bestellingen van de klanten op te kunnen nemen. Wanneer haar dienst erop zat, duurde her meestal minstens een uur voordat haar oren niet meer tuitten.
Het was na middernacht en ze stond al vijf minuten re wachten. Achter de gesloten deur telde Jerry, de bedrijfsleider, een weerzinwekkend dikke kerel van zo'n honderdtwintig kilo, de fooi terwijl hij tegelijkertijd over de telefoon met een van zijn proleterige vrienden praatte. Daarom duurde het waarschijnlijk zo lang. Het was niet een van zijn talenten om verschillende dingen tegelijk te doen.
'Te gek,' zei hij, 'Oké, komt in orde, ouwe reus. Ik moet ophangen. Ja. Tot ziens.'
De deur werd van het slot gedaan en toen hij openzwaaide, zag ze dat Jerry op zijn stoel terugrolde naar het bureau waarop het geld in vijf stapeltjes lag tussen een verzameling halfopgegeren hamburgers en pizza's, koffiebekertjes en god mocht weten wat ertussen leefde. Het kantoor was, zoals alles bij Billy 'Z's, met inbegrip van de keuken, een gevaar voor de gezondheid. Abbie had geen idee wie Billy Z was of was geweest. Misschien was hij overleden nadat hij iets van de menukaart gegeten had. Of misschien had hij het overleefd en was hij daarom beroemd.
'Hallo, Becky. Sorry dat het zo lang duurde.'
Abbie knikte alleen maar. Hij pakte een van de stapeltjes bankbiljetten op en overhandigde het haar. Abbie telde het geld.
'Dit is maar achttien dollar.'
Hij nam een hap van de hamburger en haalde zijn schouders op.
'Her is rustig geweest.'
Ze ging er niet over in discussie. Ze stopte het geld in haar jaszak en draaide zich om.
'Gaat het wel goed met je?'
'Wat?'
'Je praat niet veel.'
'Nou, en? Daar word ik niet voor betaald.'
'Hé, rustig maar, schatje. Het maakt mij niet uit.'
Ze had hem het liefst iets naar zijn hoofd gegooid, maar ze keek hem alleen even aan, draaide zich om en liep weg.
ik hou ook van jou!' riep hij haar na.
Die dikke zak had haar zo lang laten wachten dat ze haar bus terug naar Oakland miste. Ze rende de heuvel af, maar hij reed al weg, dus ging ze op de muur zitten, stak een sigaret op en wachtte op de volgende. Behalve het verkeer op de snelweg was het enige teken van leven een zwarte kat die aan de overkant van de weg op het trottoir zat voor een sloperij vol platgedrukte auto's. Hij waste zich aan de rand van een poel van koud licht dat afkomstig was van een eenzame straatlantaarn. Af en toe verstijfde hij, richtte zijn gele ogen even op Abbie en ging daarna nonchalant verder met het likken van zijn poten.
'Hé, jongen,' riep ze zachtjes. 'Kom eens. Kom eens hier.'
Maar natuurlijk deed hij dat niet.
Het was bijna april, maar het was een vochtige, koude nacht en het leek wel winter. Misschien kwam het door het weer dat ze zo neerslachtig was. Wanneer het helder en zonnig was, vond ze her leven een stuk gemakkelijker, maar met dit soort weer raakte ze terneergeslagen en wilde ze alleen nog maar haar moeder bellen.
De laatste keer dat ze haar stem had gehoord, was toen ze Abbie op tv smeekte om zich aan te geven. Het was behoorlijk zwaar geweest om ernaar te kijken, hoewel Abbie zich er niet al te veel van kon herinneren omdat ze een beetje versuft was door de pillen die Rolf haar had gegeven. Het was net nadat ze in L. A. waren aangekomen en toen ze zich schuilhielden bij een paar mensen die hij kende. De dagen gingen ongemerkt in elkaar over en de weken werden maanden. Ze lag daar alleen maar op bed, met de gordijnen dicht en de tv altijd aan. Rolf bracht haar eren en iets te roken en vrijde met haar.
Thanksgiving en Kerstmis herinnerde ze zich niet eens, maar ze kon zich nog wel het beeld voor de geest halen van haar vader en moeder en de arme Josh die daar zo bleek, nerveus en dapper voor al die verslaggevers stonden. De camera's flitsten, er werden microfoons onder hun neus geduwd en haar moeder zei dat ze wisten dat ze onschuldig was en dat ze heel veel van haar hielden.
Als ze helderder in haar hoofd was geweest, zou ze hen toen misschien direct gebeld hebben of zelfs een politiebureau zijn binnengelopen en gezegd hebben wie ze was. Niet dat Rolf haar lang genoeg uit het oog zou verliezen om haar daarvoor de kans te geven. Ze wist dat hij bang was geweest dat ze zoiets doms zou doen. Hij zei maar steeds dat ze de dingen de tijd moesten geven om over te waaien en dat ze moesten wachten tot die hele media- gekte voorbij was. En natuurlijk had hij gelijk gehad, zoals altijd.
Het eerste huis waar ze waren ondergedoken, was in Whittier, in het eindeloze East-L.A. Het was een vervallen, maar niet uitgesproken ruige buurt. De mensen daar bemoeiden zich met hun eigen zaken en de politie bleef er weg tenzij er iemand vermoord werd. Er woonden twee mannen en een vrouw in het huis en Abbie kwam er nooit achter was ze precies deden. Twee van hen gingen elke ochtend de deur uit, alsof ze naar hun werk gingen, maar de derde bleef altijd thuis. Te oordelen naar de geregelde stroom bezoekers waren het hoogstwaarschijnlijk dealers. Ze wist dat een van de mannen een revolver had en ze vermoedde dat er nog meer wapens in huis waren. Maar ze waren allemaal aardig tegen haar, veel aardiger dan de engerds die ze in Rolfs kraakpand in Seattle had ontmoet. Ze behandelden haar meelevend en zelfs met respect. Maar ze was dan ook geen rijk studentenmeisje meer dat op wolfsmelkpatrouille ging.
Geleidelijk begon de herinnering aan die gruwelijke nacht in Denver zo niet te verdwijnen, dan toch tot rust te komen in wat Rolf de 'context' ervan noemde. Wat er gebeurd was, was een ongeluk, bleef hij haar voorhouden, en ze moest zich niets aantrekken van de manier waarop de media dit soort dingen verdraaiden. Hij zei - en Abbie geloofde hem - dat hij het erg vond dat McGuigans zoon dood was. Omdat hij wist dat zijn ouders weg waren, had de jongen kennelijk zijn vriendin mee naar huis genomen. Hij moest naar buiten hebben gekeken, Abbie hebben gezien en met het geweer het huis uit zijn gegaan, waarbij hij recht langs Rolf was gelopen. Toen het huis in vlammen opging, had zijn vriendin gelukkig kans gezien naar buiten te komen. Dat de jongen gedood was, was een treurige en ernstige fout, zei Rolf, maar dit soort dingen gebeurden nu eenmaal in de frontlinie. En het was belangrijk dat ze voor ogen hield wat zijn vader Ty's ouders had aangedaan. Hij had hun leven en dat van talloze anderen verwoest. J.T. McGuigan was degene die, meer dan wie ook, verantwoordelijk was voor de dood van zijn zoon, niet zij.
Rolf had dit allemaal gezegd voordat ze op het nieuws hoorden dat de politie Ty had gearresteerd. Dat was het moment waarop Abbie was ingestort en zich bijna had aangegeven. Ze had zelfs haar jas al aangetrokken en op het punt gestaan de straat op re lopen om een telefoon te zoeken, maar Rolf had haar onderschept en vastgehouden terwijl ze schreeuwde en krijste en probeerde hem te slaan. Hoe konden die stomme smerissen denken dat Ty er iets mee te maken had? Rolf zei dat het waarschijnlijk een truc was van de FBI om haar zover te krijgen dat ze zich aangaf. Hij bleek gelijk te hebben, want een paar dagen later werd Ty vrijgelaten. Gelukkig had hij verscheidene getuigen die konden verklaren dat hij in Sheridan was op de avond dat de zoon van McGuigan was gedood. Toch hadden die rotzakken van de FBI volgens de kranten nog steeds niet uitgesloten dat hij van samenzwering beschuldigd zou worden.
Ze smeekte en smeekte hem of ze haar moeder mocht bellen, maar Rolf stond haar dat niet toe. Binnenkort, zei hij, maar nu nog niet. Het was niet veilig. Ze mocht echter wel een brief van hem schrijven, die hij zorgvuldig doorlas voor het geval ze er iets in zou verraden. Ze schreef eigenlijk alleen dat het goed met haar ging, dat wat er was gebeurd een ongeluk was en dat ze het heel erg vond dat ze dit allemaal vanwege haar moesten doormaken. Rolf zei dat ze de brief niet in L.A. op de post konden doen. Hij stuurde hem naar iemand in Miami die hij kende en die zou hem op zijn buurt naar New York sturen. Of de brief ooit aangekomen was, wist Abbie niet.
De kat aan de overkant zat zich nog steeds te likken. De toch al geringe belangstelling die hij had getoond voor Abbies pogingen hem te lokken, was nu helemaal verdwenen. De bus kwam eraan. Ze stond op toen hij snelheid minderde en ze stapte in toen hij vóór haar stopte en de deuren sissend opengingen. Er waren een stuk of vijf andere passagiers. Pas toen ze naar achteren liep, zag ze dat twee van hen politieagenten waren.
Het waren een man en een vrouw en ze zaten naast elkaar te praten. Zo te zien hadden ze geen dienst en waren ze op weg naar huis. De man keek Abbie even zonder veel interesse aan, maar het was genoeg om haar hart op hol te doen slaan. Rolf had tegen haar gezegd dat je er altijd voor moest zorgen dat je geen nerveuze of verdachte indruk maakte, dat dat de ergste fout was die je kon maken. Ze keek de man recht aan en glimlachte. Hij glimlachte terug en wendde zijn blik af.
Abbie ging op de op twee na achterste bank zitten en keek naar hun achterhoofden. Ze praatten nog steeds, maar ze kon niet verstaan wat ze zeiden. Toen lachte de man en Abbie nam aan dat ze veilig was.
Ze keek naar buiten en zag in de ruit haar eigen spiegelbeeld waar ze, zelfs na al die maanden, nog van schrok. Het donkerbruine, kortgeknipte haar dat stijf stond van de gel, de wenkbrauwen die in dezelfde kleur geverfd waren, de kleine, rechthoekige bril met een zwart montuur en vensterglas erin, het zilveren sierknopje in haar linkerneusvleugel. Ze wist niet waarom ze nog steeds zo in paniek raakte wanneer ze een politieman zag, want ze herkende zichzelf amper. Je kon je niet voorstellen dat ze zelfs maar een verre nicht zou zijn van de vrolijke blonde meid wier eindexamenfoto in alle kranten had gestaan en avond na avond op tv was vertoond, voordat ze genoeg van het verhaal kregen en er godzijdank mee stopten.
Rolf had alleen maar zijn baard laten staan en zijn haar bijgeknipt, en zelfs dat had hij niet hoeven doen. Toen de idioten er eenmaal achter waren gekomen dat Ty toch niet Abbie Coopers medeplichtige was, hadden ze een tekening van Rolf gemaakt die zo weinig leek dat het een lachertje was. Het enige wat hem ergerde, was dat ze zijn leeftijd hadden geschat op 'midden tot eind dertig'.
Binnen een week nadat ze in L.A. waren aangekomen, had hij nieuwe identiteitspapieren voor hen geregeld. Hij was nu Peter Bauer en Abbie was Rebecca Jane Anderson. Ze had het rijbewijs, het sofi-nummer en de creditcards om het te bewijzen, hoewel ze binnenkort weer zou moeten leren om iemand anders te zijn, omdat Rolf niet tevreden was over de kwaliteit van hun rijbewijzen en bezig was om nieuwe, duurdere te krijgen. Ze zouden meer dan duizend dollar per stuk kosten en daarom moest Abbie als serveerster bij Billy Z's werken.
Rolf deed er nog steeds geheimzinnig over hoe hij aan dergelijke papieren kwam. Hij had altijd ergens 'een vriend', maar in de drie maanden die ze in L.A. en in de tweeënhalve maand die ze hier hadden doorgebracht, was ze veel te weten gekomen door te luisteren en te kijken en doordat ze uiteindelijk zelf bepaalde dingen te doen kreeg.
Ze wist bijvoorbeeld dat je het beste aan een nieuwe identiteit kon komen door de overlijdensberichten in de krant te lezen. Ze had dit wel eens in een film gezien en toen gedacht dat ze het verzonnen hadden, maar het was echt waar. Je hoefde alleen maar iemand te vinden van dezelfde leeftijd en dan schriftelijk een officiële kopie van zijn of haar geboorteakte aan te vragen. Het was onvoorstelbaar, maar wanneer mensen overleden, kon het de autoriteiten maanden en zelfs jaren kosten om daarachter te komen.
En het was kinderspel om aan creditcards te komen. Veel mensen kregen voortdurend brieven waarin hun werd gevraagd of ze een nieuwe creditcard wilden en negen van de tien keer gooiden ze die gewoon in de vuilnisbak. Je hoefde alleen maar in een afvalcontainer te zoeken om er een te pakken te krijgen. Je vulde dan het formulier in, gaf een adreswijziging op en bingo, ze stuurden je de creditcard zo toe. Natuurlijk moest je die niet te lang houden, om te voorkomen dat je gesnapt werd, dus je moest het geld snel uitgeven en hem dan dumpen en voor een nieuwe zorgen. Rolf zei dat het riskant was om er geld mee te trekken bij pinautomaten omdat die allemaal met een camera uitgerust waren. Daarom kochten ze gewoon spullen en verkochten die dan. Het maakte niet eens uit wat ze kochten, omdat Rolf altijd wel wist hoe hij dingen van de hand kon doen, maar ze beperkten zich meestal tot elektronische artikelen zoals computers, camera's en telefoons, als het maar niet te groot of te zwaar was.
Her verbaasde haar en het choqueerde haar zelfs een beetje dat ze zich zo gemakkelijk had aangepast aan wat Rolf leven aan de zelfkant noemde. Als ze eerlijk tegen zichzelf was, moest ze zelfs toegeven dat ze het opwindend vond. Soms, op momenten dat ze haar fantasie de vrije loop liet, vond ze het leuk om hen te zien als een soort eco-versie van Bonnie en Clyde - al was ze wel zo verstandig om dat soort romantische onzin niet aan Rolf te vertellen. En het was niet zo dat ze de mensen echt schade berokkenden - in elk geval niet met de zwendel met creditcards. Rolf zei dat de houders ervan maar voor een bedrag van maximaal vijftig dollar aansprakelijk waren in her geval van fraude. Dus waren het de stinkend rijke creditcardbedrijven die de klappen kregen, niet hun klanten. En omdat die inhalige schoften zelf voortdurend iedereen bestalen, zei hij, hoefden ze met hen geen medelijden te hebben.
Ze waren in januari naar San Francisco verhuisd en nadat ze een tijdje in een afschuwelijk kraakpand in de Mission hadden gewoond, waren ze ten slotte naar Oakland vertrokken, waar ze een eigen woning hadden, al was het niet veel soeps. Het was een appartement met één slaapkamer in een afschuwelijke buurt, maar Abbie had het schoongemaakt, geschilderd en leefbaar gemaakt, net als ze in Missoula had gedaan. Rolf lachte haar uit en zei dat ze wanhopig burgerlijk was, maar ze had geantwoord dat het haar niet kon schelen wat hij ervan vond (wat niet waar was) en had hem gevraagd waarom het burgerlijk was om niet in een smerig huis te willen wonen waar het krioelde van de vlooien en luizen. Met war meer geld had ze er echt iets moois van kunnen maken.
Ze waren gelukkiger nu ze minder gebukt gingen onder hun traumatische ervaring en ze weer met zijn tweeën waren. Ze vond het fijn om voor hem te zorgen, te koken en hem cadeautjes te geven. Elke vrijdag kocht ze zonder uitzondering bloemen en zette die in een kan op de keukentafel. Hoewel hij zei dat het geldverspilling was en net deed of hij niets met dat soort triviale dingen op had, wist ze dat hij het stiekem best leuk vond. De weekends vond ze het fijnst. Ze reden dan de stad uit en wandelden uren in de heuvels of het bos langs de kust. Ze praatten, lachten en vrijden. Ze had al vaak tegen hem gezegd dat ze van hem hield, hoewel hij dat tegen haar nog niet gedaan had. Het lag gewoon niet in zijn aard om dat soort dingen te zeggen, maar ze wist zeker dat het wel zo was. Twee weken geleden had hij op een koud en winderig strand een hart in het zand getekend en er hun met elkaar verbonden initialen in geschreven.
Om hun nieuwe papieren te kunnen betalen, had Rolf nu ook een baantje genomen. Hij werkte in een bar op Fisherman's Wharf en hoewel zijn salaris niet hoger was dan dat van Abbie, verdiende hij toch vijftig keer zo veel. Ze wist daar niets van tot ze een paar ochtenden geleden een vreemd apparaatje op de vloer van de slaapkamer had zien liggen. Het was zwart en zag eruit als een pieper of een luxe mobiele telefoon. Toen ze hem vroeg wat het was, glimlachte hij alleen maar en het duurde lang voordat hij het haar vertelde. Ze weigerde het aan hem terug te geven en hij zat haar door het hele appartement heen achterna, tot ze dreigde het door het toilet te spoelen als hij haar niet vertelde wat het was.
'Oké,' zei hij. 'Het is een skimmer. Geef hem nu terug.'
Hij kwam naar haar toe, maar ze hief een hand op en liet het
ding met de andere in de toiletpot zakken tot hij bleef staan.
'En wat is een skimmer?'
Hij zuchtte en wees op het gleufje in de zijkant ervan. Als je er een creditcard doorheen haalde, zei hij, downloadde de skimmer alle informatie die op de magneetstrip ervan stond. Als je wist waar je moest zijn, kon je de informatie voor vijftig dollar per creditcard verkopen. Rolf wist uiteraard waar hij moest zijn. Hij zei dat hij er haar ook een kon bezorgen om bij Billy Z's te gebruiken, maar Abbie zei dat ze dat niet wilde. Het was schaamteloos en te brutaal en te persoonlijk, zei ze, om mensen zo te bestelen wanneer je hen net glimlachend had bediend om een fatsoenlijke fooi te krijgen. Rolf schudde lachend zijn hoofd.
De bus kwam nu in Oakland aan en bij de volgende halte zou hij in Abbies buurt zijn. Iedereen was uitgestapt, behalve de agenten. De vrouw keek nu voor het eerst naar haar om en Abbie werd opeens paranoïde. Misschien hadden ze haar herkend en zelfs als dat niet zo was, mochten ze niet weten waar ze woonde. Misschien moest ze in de bus blijven tot ze uitstapten en dan een andere bus terug nemen. Maar jezus, het was laat en ze was doodmoe. Ze hield zichzelf voor dat ze niet zo dom moest doen.
Toen de bus vaart begon te minderen, stond ze op en liep naar voren, maar in haar nervositeit vergat ze de stoplichten onder aan de heuvel. Die stonden op rood en de bus stopte, zodat ze de deur veel te vroeg bereikte en recht voor hen moest blijven staan. Ze staarden naar haar en ze probeerde te kijken alsof ze het niet merkte of het haar niet kon schelen. Ze zette de kraag van haar jas op.
Toen zei de man iets en hoewel ze hem niet kon verstaan, wist ze dat hij het tegen haar had. Ze keek hem aan.
'Pardon?'
ik zei: maak je geen zorgen. Het wordt snel lente.'
'O. Ja. Ik hoop het.'
De bus was weer in beweging gekomen. Abbie glimlachte, wendde haar blik af en hoopte dat de conversatie afgelopen zou zijn.
'Laat gewerkt?'
Ze knikte en probeerde er vermoeid en opgewekt berustend uit te zien.
'Ja, dat klopt. U ook, hè?'
'Ja, maar morgen niet. Morgen ga ik op de golfbaan patrouilleren.'
'Leuk.'
De bus stopte nu, hoewel het een eeuwigheid leek te duren voordat de deuren met een luid gesis opengingen.
'Goedenavond,' zei ze toen ze uitstapte.
'Goedenavond.'
De lichten in de huiskamer waren uit toen ze thuiskwam en ze zag door de deuropening van de slaapkamer alleen het schijnsel van de tv. Ze riep zijn naam toen ze deur achter zich op slot deed, maar er kwam geen antwoord. Ze liep de slaapkamer in en zag dat hij op het matras lag dat ze uit een afvalcontainer hadden gehaald. Hij werkte op zijn nieuwe laptop, maar hij klapte hem dicht zodra ze binnenkwam.
'Hoi,' zei ze.
'Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat je me geen Rolf moet noemen?'
'Sorry, maar jij noemt me nog steeds Abbie.'
ik weet wanneer ik dat niet moet doen en ik zal me er niet in vergissen.'
Ze trok haar jas uit en knielde naast hem op het bed neer.
'Hoe kom je erbij dat ik me wél zal vergissen?'
'Je hebt hier geen ervaring mee. Je moet dit soort dingen oefenen.'
'Ja, baas.'
Ze kuste hem op zijn voorhoofd en daarna vol op de mond, maar er kwam geen enkele reactie.
'Er is hier iemand met het verkeerde been uit bed gestapt,' zei ze. 'Wat heb ik verkeerd gedaan?'
Het duurde even voor hij antwoordde. Hij staarde alleen naar de tv, die op een krat naast de deur stond. Het geluid was uitgezet. President Bush wandelde ergens, gekleed als cowboy, op een ranch terwijl er een belachelijk klein, zwart hondje naast hem draafde.
'We moeten hier weg,' zei hij.
'Waarom? Ik bedoel, wat mankeert er aan dit huis?'
'Ik bedoel natuurlijk de stad uit. Jezus.'
'Weg uit San Francisco?'
'Heb je soms gedronken? Het lijkt verdomme wel of je achterlijk bent.'
'Jezus, wat is er met jou aan de hand?'
Hij wendde zich af, stond op en liep de hadkamer in.
'Rolf... Ik bedoel... Vertel me alsjeblieft wat er aan de hand is.'
iemand heeft gepraat. Ik weet niet wie. Misschien jij wel.'
'War?'
ik weet het niet. Ik heb het vandaag gehoord. De FBI heeft vragen gesteld. Hoe dan ook, we moeren hier weg. Morgen.' 'Waar moeten we dan naartoe?' 'Dat weet ik niet. Chicago of misschien Miami.' 'Heb je de nieuwe identiteitspapieren gekregen?' 'Dat is ook misgelopen. En we hebben geen geld. Je zult moeten proberen om wat van die rijke ouders van je los te krijgen.'