***
Abbie was maar één keer eerder in San Francisco geweest, toen
ze daar als twaalfjarige met haar ouders op vakantie was. Ze hadden
toen in een hotel gelogeerd dat vol zat met mensen die herstelden
van plastische chirurgie. Iedereen zat in het verband. Bij sommigen
was her hele hoofd en gezicht omwikkeld en ze probeerden te eten
door de openingen die voor hun mond vrijgelaten waren. Haar vader
zei dat het op een auditie voor De onzichtbare man leek. Het was
hartje zomer, maar ze zagen de zon nooit, want de stad was in een
vochtige mist gehuld. Toch hadden ze het leuk gehad. Ze hadden alle
toeristische dingen gedaan, zoals de trams en de kabelwagen, en ze
hadden de stalletjes op Fisherman's Wharf afgestroopt en T-shirts
gekocht.
Deze keer was het een beetje anders.
Ze stond in het vuile gangetje voor het kantoor van de
bedrijfsleider, net voorbij de toiletten, op haar geld te wachten.
Fr hing één kaal peertje en op de glanzend rode muren zaten een
heleboel witte plekjes op de plaatsen waar mededelingen afgerukt
waren en de verf met het plakband was meegekomen. Op de enige die
er nog hing, stond: PRIVÉ, GEEN TOEGANG.
Aan het andere eind van de gang zag ze her rokerige rode
schijnsel van de bar waar de jukebox, zoals gewoonlijk, door de
heavy- metalliefhebbers was geconfisqueerd. Hij stond altijd zo
hard dat
ze had moeten leren liplezen om de bestellingen van de klanten
op te kunnen nemen. Wanneer haar dienst erop zat, duurde her
meestal minstens een uur voordat haar oren niet meer tuitten.
Het was na middernacht en ze stond al vijf minuten re wachten.
Achter de gesloten deur telde Jerry, de bedrijfsleider, een
weerzinwekkend dikke kerel van zo'n honderdtwintig kilo, de fooi
terwijl hij tegelijkertijd over de telefoon met een van zijn
proleterige vrienden praatte. Daarom duurde het waarschijnlijk zo
lang. Het was niet een van zijn talenten om verschillende dingen
tegelijk te doen.
'Te gek,' zei hij, 'Oké, komt in orde, ouwe reus. Ik moet
ophangen. Ja. Tot ziens.'
De deur werd van het slot gedaan en toen hij openzwaaide, zag
ze dat Jerry op zijn stoel terugrolde naar het bureau waarop het
geld in vijf stapeltjes lag tussen een verzameling halfopgegeren
hamburgers en pizza's, koffiebekertjes en god mocht weten wat
ertussen leefde. Het kantoor was, zoals alles bij Billy 'Z's, met
inbegrip van de keuken, een gevaar voor de gezondheid. Abbie had
geen idee wie Billy Z was of was geweest. Misschien was hij
overleden nadat hij iets van de menukaart gegeten had. Of misschien
had hij het overleefd en was hij daarom beroemd.
'Hallo, Becky. Sorry dat het zo lang duurde.'
Abbie knikte alleen maar. Hij pakte een van de stapeltjes
bankbiljetten op en overhandigde het haar. Abbie telde het
geld.
'Dit is maar achttien dollar.'
Hij nam een hap van de hamburger en haalde zijn schouders
op.
'Her is rustig geweest.'
Ze ging er niet over in discussie. Ze stopte het geld in haar
jaszak en draaide zich om.
'Gaat het wel goed met je?'
'Wat?'
'Je praat niet veel.'
'Nou, en? Daar word ik niet voor betaald.'
'Hé, rustig maar, schatje. Het maakt mij niet uit.'
Ze had hem het liefst iets naar zijn hoofd gegooid, maar ze
keek hem alleen even aan, draaide zich om en liep weg.
ik hou ook van jou!' riep hij haar na.
Die dikke zak had haar zo lang laten wachten dat ze haar bus
terug naar Oakland miste. Ze rende de heuvel af, maar hij reed al
weg, dus ging ze op de muur zitten, stak een sigaret op en wachtte
op de volgende. Behalve het verkeer op de snelweg was het enige
teken van leven een zwarte kat die aan de overkant van de weg op
het trottoir zat voor een sloperij vol platgedrukte auto's. Hij
waste zich aan de rand van een poel van koud licht dat afkomstig
was van een eenzame straatlantaarn. Af en toe verstijfde hij,
richtte zijn gele ogen even op Abbie en ging daarna nonchalant
verder met het likken van zijn poten.
'Hé, jongen,' riep ze zachtjes. 'Kom eens. Kom eens
hier.'
Maar natuurlijk deed hij dat niet.
Het was bijna april, maar het was een vochtige, koude nacht en
het leek wel winter. Misschien kwam het door het weer dat ze zo
neerslachtig was. Wanneer het helder en zonnig was, vond ze her
leven een stuk gemakkelijker, maar met dit soort weer raakte ze
terneergeslagen en wilde ze alleen nog maar haar moeder
bellen.
De laatste keer dat ze haar stem had gehoord, was toen ze
Abbie op tv smeekte om zich aan te geven. Het was behoorlijk zwaar
geweest om ernaar te kijken, hoewel Abbie zich er niet al te veel
van kon herinneren omdat ze een beetje versuft was door de pillen
die Rolf haar had gegeven. Het was net nadat ze in L. A. waren
aangekomen en toen ze zich schuilhielden bij een paar mensen die
hij kende. De dagen gingen ongemerkt in elkaar over en de weken
werden maanden. Ze lag daar alleen maar op bed, met de gordijnen
dicht en de tv altijd aan. Rolf bracht haar eren en iets te roken
en vrijde met haar.
Thanksgiving en Kerstmis herinnerde ze zich niet eens, maar ze
kon zich nog wel het beeld voor de geest halen van haar vader en
moeder en de arme Josh die daar zo bleek, nerveus en dapper voor al
die verslaggevers stonden. De camera's flitsten, er werden
microfoons onder hun neus geduwd en haar moeder zei dat ze wisten
dat ze onschuldig was en dat ze heel veel van haar hielden.
Als ze helderder in haar hoofd was geweest, zou ze hen toen
misschien direct gebeld hebben of zelfs een politiebureau zijn
binnengelopen en gezegd hebben wie ze was. Niet dat Rolf haar lang
genoeg uit het oog zou verliezen om haar daarvoor de kans te geven.
Ze wist dat hij bang was geweest dat ze zoiets doms zou doen. Hij
zei maar steeds dat ze de dingen de tijd moesten geven om over te
waaien en dat ze moesten wachten tot die hele media- gekte voorbij
was. En natuurlijk had hij gelijk gehad, zoals altijd.
Het eerste huis waar ze waren ondergedoken, was in Whittier,
in het eindeloze East-L.A. Het was een vervallen, maar niet
uitgesproken ruige buurt. De mensen daar bemoeiden zich met hun
eigen zaken en de politie bleef er weg tenzij er iemand vermoord
werd. Er woonden twee mannen en een vrouw in het huis en Abbie kwam
er nooit achter was ze precies deden. Twee van hen gingen elke
ochtend de deur uit, alsof ze naar hun werk gingen, maar de derde
bleef altijd thuis. Te oordelen naar de geregelde stroom bezoekers
waren het hoogstwaarschijnlijk dealers. Ze wist dat een van de
mannen een revolver had en ze vermoedde dat er nog meer wapens in
huis waren. Maar ze waren allemaal aardig tegen haar, veel aardiger
dan de engerds die ze in Rolfs kraakpand in Seattle had ontmoet. Ze
behandelden haar meelevend en zelfs met respect. Maar ze was dan
ook geen rijk studentenmeisje meer dat op wolfsmelkpatrouille
ging.
Geleidelijk begon de herinnering aan die gruwelijke nacht in
Denver zo niet te verdwijnen, dan toch tot rust te komen in wat
Rolf de 'context' ervan noemde. Wat er gebeurd was, was een
ongeluk, bleef hij haar voorhouden, en ze moest zich niets
aantrekken van de manier waarop de media dit soort dingen
verdraaiden. Hij zei - en Abbie geloofde hem - dat hij het erg vond
dat McGuigans zoon dood was. Omdat hij wist dat zijn ouders weg
waren, had de jongen kennelijk zijn vriendin mee naar huis genomen.
Hij moest naar buiten hebben gekeken, Abbie hebben gezien en met
het geweer het huis uit zijn gegaan, waarbij hij recht langs Rolf
was gelopen. Toen het huis in vlammen opging, had zijn vriendin
gelukkig kans gezien naar buiten te komen. Dat de jongen gedood
was, was een treurige en ernstige fout, zei Rolf, maar dit soort
dingen gebeurden nu eenmaal in de frontlinie. En het was belangrijk
dat ze voor ogen hield wat zijn vader Ty's ouders had aangedaan.
Hij had hun leven en dat van talloze anderen verwoest. J.T.
McGuigan was degene die, meer dan wie ook, verantwoordelijk was
voor de dood van zijn zoon, niet zij.
Rolf had dit allemaal gezegd voordat ze op het nieuws hoorden
dat de politie Ty had gearresteerd. Dat was het moment waarop Abbie
was ingestort en zich bijna had aangegeven. Ze had zelfs haar jas
al aangetrokken en op het punt gestaan de straat op re lopen om een
telefoon te zoeken, maar Rolf had haar onderschept en vastgehouden
terwijl ze schreeuwde en krijste en probeerde hem te slaan. Hoe
konden die stomme smerissen denken dat Ty er iets mee te maken had?
Rolf zei dat het waarschijnlijk een truc was van de FBI om haar
zover te krijgen dat ze zich aangaf. Hij bleek gelijk te hebben,
want een paar dagen later werd Ty vrijgelaten. Gelukkig had hij
verscheidene getuigen die konden verklaren dat hij in Sheridan was
op de avond dat de zoon van McGuigan was gedood. Toch hadden die
rotzakken van de FBI volgens de kranten nog steeds niet uitgesloten
dat hij van samenzwering beschuldigd zou worden.
Ze smeekte en smeekte hem of ze haar moeder mocht bellen, maar
Rolf stond haar dat niet toe. Binnenkort, zei hij, maar nu nog
niet. Het was niet veilig. Ze mocht echter wel een brief van hem
schrijven, die hij zorgvuldig doorlas voor het geval ze er iets in
zou verraden. Ze schreef eigenlijk alleen dat het goed met haar
ging, dat wat er was gebeurd een ongeluk was en dat ze het heel erg
vond dat ze dit allemaal vanwege haar moesten doormaken. Rolf zei
dat ze de brief niet in L.A. op de post konden doen. Hij stuurde
hem naar iemand in Miami die hij kende en die zou hem op zijn buurt
naar New York sturen. Of de brief ooit aangekomen was, wist Abbie
niet.
De kat aan de overkant zat zich nog steeds te likken. De toch
al geringe belangstelling die hij had getoond voor Abbies pogingen
hem te lokken, was nu helemaal verdwenen. De bus kwam eraan. Ze
stond op toen hij snelheid minderde en ze stapte in toen hij vóór
haar stopte en de deuren sissend opengingen. Er waren een stuk of
vijf andere passagiers. Pas toen ze naar achteren liep, zag ze dat
twee van hen politieagenten waren.
Het waren een man en een vrouw en ze zaten naast elkaar te
praten. Zo te zien hadden ze geen dienst en waren ze op weg naar
huis. De man keek Abbie even zonder veel interesse aan, maar het
was genoeg om haar hart op hol te doen slaan. Rolf had tegen haar
gezegd dat je er altijd voor moest zorgen dat je geen nerveuze of
verdachte indruk maakte, dat dat de ergste fout was die je kon
maken. Ze keek de man recht aan en glimlachte. Hij glimlachte terug
en wendde zijn blik af.
Abbie ging op de op twee na achterste bank zitten en keek naar
hun achterhoofden. Ze praatten nog steeds, maar ze kon niet
verstaan wat ze zeiden. Toen lachte de man en Abbie nam aan dat ze
veilig was.
Ze keek naar buiten en zag in de ruit haar eigen spiegelbeeld
waar ze, zelfs na al die maanden, nog van schrok. Het donkerbruine,
kortgeknipte haar dat stijf stond van de gel, de wenkbrauwen die in
dezelfde kleur geverfd waren, de kleine, rechthoekige bril met een
zwart montuur en vensterglas erin, het zilveren sierknopje in haar
linkerneusvleugel. Ze wist niet waarom ze nog steeds zo in paniek
raakte wanneer ze een politieman zag, want ze herkende zichzelf
amper. Je kon je niet voorstellen dat ze zelfs maar een verre nicht
zou zijn van de vrolijke blonde meid wier eindexamenfoto in alle
kranten had gestaan en avond na avond op tv was vertoond, voordat
ze genoeg van het verhaal kregen en er godzijdank mee
stopten.
Rolf had alleen maar zijn baard laten staan en zijn haar
bijgeknipt, en zelfs dat had hij niet hoeven doen. Toen de idioten
er eenmaal achter waren gekomen dat Ty toch niet Abbie Coopers
medeplichtige was, hadden ze een tekening van Rolf gemaakt die zo
weinig leek dat het een lachertje was. Het enige wat hem ergerde,
was dat ze zijn leeftijd hadden geschat op 'midden tot eind
dertig'.
Binnen een week nadat ze in L.A. waren aangekomen, had hij
nieuwe identiteitspapieren voor hen geregeld. Hij was nu Peter
Bauer en Abbie was Rebecca Jane Anderson. Ze had het rijbewijs, het
sofi-nummer en de creditcards om het te bewijzen, hoewel ze
binnenkort weer zou moeten leren om iemand anders te zijn, omdat
Rolf niet tevreden was over de kwaliteit van hun rijbewijzen en
bezig was om nieuwe, duurdere te krijgen. Ze zouden meer dan
duizend dollar per stuk kosten en daarom moest Abbie als
serveerster bij Billy Z's werken.
Rolf deed er nog steeds geheimzinnig over hoe hij aan
dergelijke papieren kwam. Hij had altijd ergens 'een vriend', maar
in de drie maanden die ze in L.A. en in de tweeënhalve maand die ze
hier hadden doorgebracht, was ze veel te weten gekomen door te
luisteren en te kijken en doordat ze uiteindelijk zelf bepaalde
dingen te doen kreeg.
Ze wist bijvoorbeeld dat je het beste aan een nieuwe
identiteit kon komen door de overlijdensberichten in de krant te
lezen. Ze had dit wel eens in een film gezien en toen gedacht dat
ze het verzonnen hadden, maar het was echt waar. Je hoefde alleen
maar iemand te vinden van dezelfde leeftijd en dan schriftelijk een
officiële kopie van zijn of haar geboorteakte aan te vragen. Het
was onvoorstelbaar, maar wanneer mensen overleden, kon het de
autoriteiten maanden en zelfs jaren kosten om daarachter te
komen.
En het was kinderspel om aan creditcards te komen. Veel mensen
kregen voortdurend brieven waarin hun werd gevraagd of ze een
nieuwe creditcard wilden en negen van de tien keer gooiden ze die
gewoon in de vuilnisbak. Je hoefde alleen maar in een
afvalcontainer te zoeken om er een te pakken te krijgen. Je vulde
dan het formulier in, gaf een adreswijziging op en bingo, ze
stuurden je de creditcard zo toe. Natuurlijk moest je die niet te
lang houden, om te voorkomen dat je gesnapt werd, dus je moest het
geld snel uitgeven en hem dan dumpen en voor een nieuwe zorgen.
Rolf zei dat het riskant was om er geld mee te trekken bij
pinautomaten omdat die allemaal met een camera uitgerust waren.
Daarom kochten ze gewoon spullen en verkochten die dan. Het maakte
niet eens uit wat ze kochten, omdat Rolf altijd wel wist hoe hij
dingen van de hand kon doen, maar ze beperkten zich meestal tot
elektronische artikelen zoals computers, camera's en telefoons, als
het maar niet te groot of te zwaar was.
Her verbaasde haar en het choqueerde haar zelfs een beetje dat
ze zich zo gemakkelijk had aangepast aan wat Rolf leven aan de
zelfkant noemde. Als ze eerlijk tegen zichzelf was, moest ze zelfs
toegeven dat ze het opwindend vond. Soms, op momenten dat ze haar
fantasie de vrije loop liet, vond ze het leuk om hen te zien als
een soort eco-versie van Bonnie en Clyde - al was ze wel zo
verstandig om dat soort romantische onzin niet aan Rolf te
vertellen. En het was niet zo dat ze de mensen echt schade
berokkenden - in elk geval niet met de zwendel met creditcards.
Rolf zei dat de houders ervan maar voor een bedrag van maximaal
vijftig dollar aansprakelijk waren in her geval van fraude. Dus
waren het de stinkend rijke creditcardbedrijven die de klappen
kregen, niet hun klanten. En omdat die inhalige schoften zelf
voortdurend iedereen bestalen, zei hij, hoefden ze met hen geen
medelijden te hebben.
Ze waren in januari naar San Francisco verhuisd en nadat ze
een tijdje in een afschuwelijk kraakpand in de Mission hadden
gewoond, waren ze ten slotte naar Oakland vertrokken, waar ze een
eigen woning hadden, al was het niet veel soeps. Het was een
appartement met één slaapkamer in een afschuwelijke buurt, maar
Abbie had het schoongemaakt, geschilderd en leefbaar gemaakt, net
als ze in Missoula had gedaan. Rolf lachte haar uit en zei dat ze
wanhopig burgerlijk was, maar ze had geantwoord dat het haar niet
kon schelen wat hij ervan vond (wat niet waar was) en had hem
gevraagd waarom het burgerlijk was om niet in een smerig huis te
willen wonen waar het krioelde van de vlooien en luizen. Met war
meer geld had ze er echt iets moois van kunnen maken.
Ze waren gelukkiger nu ze minder gebukt gingen onder hun
traumatische ervaring en ze weer met zijn tweeën waren. Ze vond het
fijn om voor hem te zorgen, te koken en hem cadeautjes te geven.
Elke vrijdag kocht ze zonder uitzondering bloemen en zette die in
een kan op de keukentafel. Hoewel hij zei dat het geldverspilling
was en net deed of hij niets met dat soort triviale dingen op had,
wist ze dat hij het stiekem best leuk vond. De weekends vond ze het
fijnst. Ze reden dan de stad uit en wandelden uren in de heuvels of
het bos langs de kust. Ze praatten, lachten en vrijden. Ze had al
vaak tegen hem gezegd dat ze van hem hield, hoewel hij dat tegen
haar nog niet gedaan had. Het lag gewoon niet in zijn aard om dat
soort dingen te zeggen, maar ze wist zeker dat het wel zo was. Twee
weken geleden had hij op een koud en winderig strand een hart in
het zand getekend en er hun met elkaar verbonden initialen in
geschreven.
Om hun nieuwe papieren te kunnen betalen, had Rolf nu ook een
baantje genomen. Hij werkte in een bar op Fisherman's Wharf en
hoewel zijn salaris niet hoger was dan dat van Abbie, verdiende hij
toch vijftig keer zo veel. Ze wist daar niets van tot ze een paar
ochtenden geleden een vreemd apparaatje op de vloer van de
slaapkamer had zien liggen. Het was zwart en zag eruit als een
pieper of een luxe mobiele telefoon. Toen ze hem vroeg wat het was,
glimlachte hij alleen maar en het duurde lang voordat hij het haar
vertelde. Ze weigerde het aan hem terug te geven en hij zat haar
door het hele appartement heen achterna, tot ze dreigde het door
het toilet te spoelen als hij haar niet vertelde wat het was.
'Oké,' zei hij. 'Het is een skimmer. Geef hem nu terug.'
Hij kwam naar haar toe, maar ze hief een hand op en liet
het
ding met de andere in de toiletpot zakken tot hij bleef
staan.
'En wat is een skimmer?'
Hij zuchtte en wees op het gleufje in de zijkant ervan. Als je
er een creditcard doorheen haalde, zei hij, downloadde de skimmer
alle informatie die op de magneetstrip ervan stond. Als je wist
waar je moest zijn, kon je de informatie voor vijftig dollar per
creditcard verkopen. Rolf wist uiteraard waar hij moest zijn. Hij
zei dat hij er haar ook een kon bezorgen om bij Billy Z's te
gebruiken, maar Abbie zei dat ze dat niet wilde. Het was
schaamteloos en te brutaal en te persoonlijk, zei ze, om mensen zo
te bestelen wanneer je hen net glimlachend had bediend om een
fatsoenlijke fooi te krijgen. Rolf schudde lachend zijn
hoofd.
De bus kwam nu in Oakland aan en bij de volgende halte zou hij
in Abbies buurt zijn. Iedereen was uitgestapt, behalve de agenten.
De vrouw keek nu voor het eerst naar haar om en Abbie werd opeens
paranoïde. Misschien hadden ze haar herkend en zelfs als dat niet
zo was, mochten ze niet weten waar ze woonde. Misschien moest ze in
de bus blijven tot ze uitstapten en dan een andere bus terug nemen.
Maar jezus, het was laat en ze was doodmoe. Ze hield zichzelf voor
dat ze niet zo dom moest doen.
Toen de bus vaart begon te minderen, stond ze op en liep naar
voren, maar in haar nervositeit vergat ze de stoplichten onder aan
de heuvel. Die stonden op rood en de bus stopte, zodat ze de deur
veel te vroeg bereikte en recht voor hen moest blijven staan. Ze
staarden naar haar en ze probeerde te kijken alsof ze het niet
merkte of het haar niet kon schelen. Ze zette de kraag van haar jas
op.
Toen zei de man iets en hoewel ze hem niet kon verstaan, wist
ze dat hij het tegen haar had. Ze keek hem aan.
'Pardon?'
ik zei: maak je geen zorgen. Het wordt snel lente.'
'O. Ja. Ik hoop het.'
De bus was weer in beweging gekomen. Abbie glimlachte, wendde
haar blik af en hoopte dat de conversatie afgelopen zou zijn.
'Laat gewerkt?'
Ze knikte en probeerde er vermoeid en opgewekt berustend uit
te zien.
'Ja, dat klopt. U ook, hè?'
'Ja, maar morgen niet. Morgen ga ik op de golfbaan
patrouilleren.'
'Leuk.'
De bus stopte nu, hoewel het een eeuwigheid leek te duren
voordat de deuren met een luid gesis opengingen.
'Goedenavond,' zei ze toen ze uitstapte.
'Goedenavond.'
De lichten in de huiskamer waren uit toen ze thuiskwam en ze
zag door de deuropening van de slaapkamer alleen het schijnsel van
de tv. Ze riep zijn naam toen ze deur achter zich op slot deed,
maar er kwam geen antwoord. Ze liep de slaapkamer in en zag dat hij
op het matras lag dat ze uit een afvalcontainer hadden gehaald. Hij
werkte op zijn nieuwe laptop, maar hij klapte hem dicht zodra ze
binnenkwam.
'Hoi,' zei ze.
'Hoe vaak moet ik je nog zeggen dat je me geen Rolf moet
noemen?'
'Sorry, maar jij noemt me nog steeds Abbie.'
ik weet wanneer ik dat niet moet doen en ik zal me er niet in
vergissen.'
Ze trok haar jas uit en knielde naast hem op het bed
neer.
'Hoe kom je erbij dat ik me wél zal vergissen?'
'Je hebt hier geen ervaring mee. Je moet dit soort dingen
oefenen.'
'Ja, baas.'
Ze kuste hem op zijn voorhoofd en daarna vol op de mond, maar
er kwam geen enkele reactie.
'Er is hier iemand met het verkeerde been uit bed gestapt,'
zei ze. 'Wat heb ik verkeerd gedaan?'
Het duurde even voor hij antwoordde. Hij staarde alleen naar
de tv, die op een krat naast de deur stond. Het geluid was
uitgezet. President Bush wandelde ergens, gekleed als cowboy, op
een ranch terwijl er een belachelijk klein, zwart hondje naast hem
draafde.
'We moeten hier weg,' zei hij.
'Waarom? Ik bedoel, wat mankeert er aan dit huis?'
'Ik bedoel natuurlijk de stad uit. Jezus.'
'Weg uit San Francisco?'
'Heb je soms gedronken? Het lijkt verdomme wel of je
achterlijk bent.'
'Jezus, wat is er met jou aan de hand?'
Hij wendde zich af, stond op en liep de hadkamer in.
'Rolf... Ik bedoel... Vertel me alsjeblieft wat er aan de hand
is.'
iemand heeft gepraat. Ik weet niet wie. Misschien jij
wel.'
'War?'
ik weet het niet. Ik heb het vandaag gehoord. De FBI heeft
vragen gesteld. Hoe dan ook, we moeren hier weg. Morgen.' 'Waar
moeten we dan naartoe?' 'Dat weet ik niet. Chicago of misschien
Miami.' 'Heb je de nieuwe identiteitspapieren gekregen?' 'Dat is
ook misgelopen. En we hebben geen geld. Je zult moeten proberen om
wat van die rijke ouders van je los te krijgen.'