***

Het was moeilijk om in Missoula te verdwalen, zelfs als je dat zou willen. Als je je wilde oriënteren, hoefde je, waar je ook was, alleen maar rond te kijken tot je de grote, witte letter M had gevonden die in reliëf was aangebracht halverwege de steile, met gras begroeide heuvel die op de zuidoever van de Clark Ford River verrees. Hoewel het maar een heuvel was, heette hij Mount Sentinel en als je de benen, de longen en de puf had om het pad te beklimmen dat er zigzaggend tegen omhoogliep, kon je naast de M gaan staan en over de stad heen uitkijken naar bossen en bergen die met een laagje vroege-herfstsneeuw bedekt waren en eruitzagen als een foto uit een reisbrochure. Aangenomen dat je je blik ervan kon losrukken, zag je, als je over de neuzen van je schoenen heen naar beneden keek, aan de voet van de heuvel de campus van de Universiteit van Montana.
Het was een rustige, aangename plek, hoewel de oudere gebouwen die een eeuw geleden uit rood baksteen opgetrokken waren, leken te streven naar een grandeur die door de modernere gebouwen geschuwd werd. Het centrum van de campus was een groot grasveld dat bekendstond als het Ovaal en waar de studenten in de zomer graag in de zon zaten en frisbeeden. Het werd in vieren gedeeld door paden die waren aangelegd met grijze stenen en rode keien uit de straten van het oude centrum van Missoula en het waseens gesierd geweest door statige Amerikaanse olmen, die een voor een aan ziekte ten prooi waren gevallen. Behalve een paar dappere ponderosadennen zagen hun opvolgers - esdoorns, rode eiken en christusdoorns - er nog jong en kwetsbaar uit. Om ze te beschermen stond bij de westelijke ingang van her Ovaal een standbeeld van een enorme grizzivbeer op een sokkel van grijs beton.
Hij stond op zijn achterpoten en keek boos in de verte, met zijn kaken opengesperd in een geluidloze bronzen grauw, alsof hij een aanval verwachtte. Degenen die hun recente geschiedenis kenden zouden de houding niet onterecht vinden, want in de dertig jaar dat hij daar stond had de universiteit regelmatig aan felle aanvallen blootgestaan. Conservatief Montana - en dat was het grootste deel - beschouwde de universiteit als een kolkende ketel waarin het liberale gif werd bereid, waarvan het krachtigste werd gebrouwen in het gebouw net achter de schouder van de beer.
Rankin Hall stond op een fundament van ruw uitgehakt rotssteen waarvandaan twaalf stenen treden naar een dubbele boogdeur leidden die werd geflankeerd door klassieke zuilen. In de gang, tussen de posters, cartoons en aankondigingen van concerten en tentoonstellingen, hing een ingelijste sepia foto van de vrouw naar wie het gebouw vernoemd was. Met haar gevederde hoed, haar blouse met hoge kraag en stemmige mantelpak zag Jeannete Rankin, suffragette, pacifiste en de eerste vrouw die ooit in her Huis van Afgevaardigden was gekozen, er veel te ingetogen uit om het symbool re zijn van zo'n broeinest van controversen, want Rankin Hall was het centrum van de beruchte faculteit milieustudies van de universiteit.
Die was ontstaan in de protestjaren van de Vietnam-oorlog en ging er prat op activisten te kweken die - dat beweerden criticasters althans - de economie van de staat hadden geruïneerd door die te beroven van duizenden banen in de mijnbouw en de houtkap, met het vermeende resultaat dat Montana nu wat het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking betrof in de Verenigde Staten op de zesenveertigste plaats stond. Dat de waarheid gecompliceerder was, had geen afbreuk gedaan aan de pogingen van conservatieven om de faculteit te laten sluiten. Er werd voortdurend geprobeerd om haar te beteugelen en de financiering ervan te kortwieken. Professoren werden ervan beschuldigd dat ze studiepunten gaven aan studenten die demonstreerden, spijkers in bomen sloegen of zich aan houttrucks vastketenden. Eén keer, in de heerlijk naïeve veronderstelling dat een wandkaart van de bossen van Montana waarop gekleurde punaises waren geprikt in werkelijkheid een officieel plan was om bomen vol te spijkeren, hadden federale agenten zwaaiend met revolvers het gebouw bestormd, om later weer beschaamd af te druipen.
Abbie Cooper wist niets van deze reputatie toen ze haar zinnen erop had gezet om hier te gaan studeren. En als dat wel zo was geweest, zou ze er met niemand over gesproken hebben, vooral niet met haar grootvader, die haar keus niet simpelweg beschouwde als een grove beoordelingsfout, maar bijna als een persoonlijke belediging. Haar moeder had, zij het met enige aarzeling, zijn kant gekozen en praatte zijn standpunt na dat het zonde was dat iemand met Abbies talenten niet op zijn minst eerst een kijkje ging nemen op Harvard. Abbies vader had, zoals te verwachten viel, al haar kant gekozen. Als concessie aan haar moeder en grootvader stemde ze ermee in om met de rondleiding op Harvard mee te gaan, zodat ze in de grijze motregen en met een steeds langer wordend gezicht eerst in Cambridge en later (Ga nou alsjeblieft mee, schat, het is maar een klein stukje verderop) in Wellesley had rondgesjokt.
Die avond verklaarde ze tot niemands verbazing en met een zeker gevoel voor melodrama dat ze liever vakken zou gaan vullen bij de Wal-Mart dan dat ze naar een van die universiteiten ging. Op dat moment gaf haar moeder het op en was de zaak beklonken. Ze zou naar de Universiteit van Montana gaan, waar ze prompt een plaats toegekend kreeg voor de komende herfst. Ze zou natuurlijk als hoofdvak milieukunde kiezen.
De zomer van haar eindexamen aan de middelbare school was de fijnste van haar leven. Ze bracht twee weken met Ty in Wyoming door, waar ze op de ranch werkte. Ze was van plan geweest om langer te blijven, maar hij werd een beetje te gek op haar en hoewel ze hem heel graag mocht, was Abbie nog niet toe aan het soort relatie dat hij leek te willen. Twee weken eerder dan gepland vloog ze naar Vancouver om voor Greenpeace te gaan werken.
Het werk was niet zwaar en ook niet echt spannend, maar de mensen die ze leerde kennen maakten dat meer dan goed en ze sloot vele vriendschappen. De hoogtepunten waren de reisjes die ze per zeekajak maakten om de ruige inhammen verder langs de kust te verkennen. Ze zagen heren zalm opscheppen uit ondiep water en ze peddelden zo dicht tussen scholen orka's door dat ze ze hadden kunnen aanraken, 's Nachts kampeerden ze aan de oever en luisterden naar het spuiten van de walvissen in de baai en het verre gehuil van wolven in het bos boven hen.
Deze lange, idyllische dagen werden alleen overschaduwd doordat ze zeevogels vonden die dood of stervend in de getijdenpoelen lagen. Hun veren waren besmeurd met olie en modder. Ze redden er zo veel mogelijk, maar de meeste waren te ver heen. De aanblik van hun lijden leek een vlam van woede in Abbies hart te ontsteken.
Ze vloog in augustus naar huis en had nog maar net een week om zich gereed te maken voor de universiteit. Haar moeder was prikkelbaar en kwetsbaar en ze had iets treurigs dat Abbie daarvoor nooit gezien had. Haar vader leek op de een of andere manier ook anders. Hij was stiller en een beetje afwezig. Wanneer ze haar moeder ernaar vroeg, deed die er luchthartig over en zei dat ze allebei te hard gewerkt hadden en geen vakantie hadden kunnen nemen. Josh was net naar huis gekomen nadat hij een maand met de Brad stocks aan Lake Michigan had doorgebracht, en hij zat bijna de hele week met Katie te bellen of in zijn kamer te kniezen. Abbie vond het allemaal een beetje deprimerend.
De avond voordat Abbie naar Missoula zou vliegen, kwam haar moeder haar kamer binnen toen ze haar laatste spullen inpakte. Die aanblik leek haar moeder plotseling te veel te worden en ze barstte in tranen uit. Abbie sloeg haar armen om haar heen.
'Het spijt me, dit was niet de bedoeling,' snufte ze en ze probeerde haar stem opgewekt te laten klinken, ik stel me aan, maar ik denk dat moeders recht hebben op een paar tranen als hun dochters het huis uit gaan.'
'O, mam, ik kom toch terug?'
'Dat weet ik wel.'
'Is dat echt het enige?'
'Hoezo? Is dat niet genoeg dan? Luister, je gaat een geweldige tijd tegemoet. Ik ben gewoon jaloers, meer niet.'
Abbies kamer aan de universiteit was in Knowles Hall, een keurig, maar onaantrekkelijk stenen gebouw waaraan het enige sierlijke een wit portiek met een geschulpte rand was dat vol fietsen stond. Het stond iets van het Ovaal vandaan aan een promenade met aan weerskanten suikerahorns die nu, na de eerste strenge vorst van de herfst, van vurig oranje rood werden. De kamer zelf lag halverwege een van de zes identieke gangen en was gemeubileerd met twee bedden, twee bureaus, twee stoelen en twee boekenkasten, die Abbie en haar kamergenote zo hadden opgesteld dat ze in elk geval de illusie van enige privacy hadden. Het was misschien enigszins verrassend, maar gelukkig konden ze het goed met elkaar vinden.
Melanie Larsen kwam uit een stadje dat net buiten Appleton in Wisconsin lag. Ze was een boerendochter en zo zag ze er ook uit: blond, met een roze gezicht en bovenbenen en schouders die de indruk wekten dat ze in haar eentje een ploeg uit de modder kon trekken. Ze had ook milieukunde als hoofdvak. Terwijl de muren in Abbies hoek van de kamer versierd waren met posters met bergen, wilde dieren en helden als John Lennon en Che Guevara, had Mei in de hare alleen drie mooi ingelijste foto's hangen van haar ouders, haar vier broers en zichzelf terwijl ze een Hereford-kalfje omhelsde dat op de plaatselijke veetentoonstelling alle prijzen had binnengehaald.
Mei was zo vrolijk en gezellig dat hun kamer binnen een paar maanden een soort sociaal epicentrum was geworden. De deur was zelden dicht. Maar vandaag was hij dat wel, en de blocnote met een potlood aan een touwtje dat ernaast hing, was een mozaïek van boodschappen. Hé, jongens, waar zijn jullie? Chuck/Rooster Hallo, Mei! Ik heb kaartjes voor bet concert! Bel me, Jazza Abigail, lekker ding dat je bent, wat doe je vanavond? B XXX. Enzovoort. Het was lunchtijd en gewoonlijk kwamen er dan vrienden langs met koffie en sandwiches die ze net gekocht hadden in La Peak, het kleine eetcafeetje aan de overkant van de promenade in het Lommasson Centre. Alleen of met zijn tweeën kwamen er om de paar minuten vrienden van hen de gang in, die dan zagen dat de deur gesloten was. Ze fronsten hun voorhoofd, klopten en luisterden even. Wanneer ze niets hoorden, haalden ze hun schouders op, krabbelden een boodschap op de blocnote en schuifelden door
de gang terug naar het trappenhuis. Abbie en Mei waren niet thuis en niemand wist waarom.
Abbie zou zo langzamerhand willen dat ze wel thuis was. De pijn werd zo hevig dat ze bang was dat ze het niet zou volhouden. Hij kwam in misselijkmakende golven, waardoor ze bijna in tranen uitbarstte, maar ze zou nog liever sterven dan dat ze zou laten merken dat ze huilde. Er was enkel plekje dat geen pijn deed. Ze had zelfs pijn in lichaamsdelen waarvan ze niet eens wist dat ze ze had.
Ze zat al vijf uur met haar nek aan een metalen hek geketend. Ze had het gevoel dat het vijf dagen waren. Het slot was van het soort dat ze voor fietsen gebruikten, U-vormig en van gehard staal, en de dwarsstang waaraan het was bevestigd was zo hoog dat haar rug aanvoelde alsof hij al een centimeter of vijf uitgerekt was. Telkens wanneer ze probeerde zich te ontspannen, probeerde het slot haar te wurgen. De blauwe plekken op haar nek waren kennelijk gezwollen, want het slot leek steeds strakker te gaan zitten. Ze moest zichzelf voortdurend blijven voorhouden dat ze niet in paniek mocht raken.
Her was een zonnige en voor eind oktober ongewoon zachte ochtend geweest, maar toen de wind naar het noorden was gedraaid en het bewolkt werd, was de temperatuur sterk gedaald. De vochtige kou van de onverharde weg waarop ze zat was uiteindelijk opgetrokken door het stuk zeildoek dat ze had gekregen om op te zitten en trok nu door alle lagen Gore-Tex en thermisch ondergoed heen als ijzige mist in al haar botten. Haar enige hoop was dat ze snel verdoofd zou raken.
'Hoe gaat het?' riep Hacker.
Abbie forceerde een glimlach. Zelfs dat deed pijn.
'Prima,' zei ze.
'Krijg je het niet koud?'
'Nee, hoor.'
Het was inmiddels behoorlijk druk geworden. Behalve Abbie en haar tien mededemonstranten waren er waarschijnlijk zo'n veertig a vijftig mensen, en een hele verzameling voertuigen die allemaal op de heuvel geparkeerd stonden. Terwijl ze ernaar keek, stopte er weer een. Er waren agenten van Bosbeheer, de sheriff van de County met een hele rits hulpsheriffs, mensen van het houtbedrijf, krantenverslaggevers en fotografen, die allemaal pratend stonden toe te kijken en te wachten tot er iets zou gebeuren. Zelfs het energieke mannetje van Bosbeheer dat de hele ochtend alles op video had vastgelegd, leek geen ideeën meer te hebben. Hij leunde nu op de motorkap van zijn pick-up en keek net zo verveeld als de anderen. De ijskoude lucht was gevuld met het gekraak en de gespreksflarden van een stuk of tien kortegolfradio's en het constant aanwezige geluid van de helikopter die de hele ochtend gevelde bomen uit het dal omhoog had gebracht. De tv-wagen die net was gearriveerd, was van een lokaal station. De verslaggeefster en de cameraman slenterden nu de heuvel op. Hacker zette de slogan weer in.
Ho-Ho! Hé-Hé! Illegale houtkap door de plee!
Ho-Ho! Hé-Hé! Illegale houtkap door de plee!
'Kom op, mensen, laat je horen!'
Op een geniepige manier was het roepen van de slogan nu bijna even pijnlijk als het slot om haar nek, maar Abbie dwong zichzelf mee te doen. Terwijl ze zo weinig mogelijk spieren probeerde te gebruiken, draaide ze haar hoofd een klein stukje opzij om naar Mei en Scott te kunnen kijken, die een eindje verderop aan het hek geketend waren. God, wat zagen ze er sterk, onverzettelijk en zelfs vrolijk uit, en ze scandeerden de slogan zo hard ze konden. Abbie voelde zich bij hen vergeleken een ontzettend watje.
Ho-Ho! Hé-Hé! Bosbeheer, weg ermee!
Ho-Ho! Hé-Hé! Bosbeheer, weg ermee!
Vanuit haar ooghoek zag ze dat Todd en P.J. aan de andere kant van het hek weer in hun reusachtige papier-maché forellenkostuums waren gestapt en belachelijk ronddansten voor de camera's. Ze zagen eruit als een paar dronken kajaks met pootjes. Zes meter boven hen begon Eric, die nog steeds in zijn tuig naast het spandoek hing dat ze tussen de bomen aan de overkant van de weg hadden gespannen, weer op zijn accordeon te spelen. Hij raakte door zijn repertoire van vier nummers heen. Op het spandoek stond: STOP DE MOORD OP DE BOSSEN VAN MONTANA.
Ho-Ho! Hé-Hé! Inhalige bedrijven door de plee!
Ho-Ho! Hé-Hé! Inhalige bedrijven door de plee!De tv-verslaggeefster was vijftig meter beneden haar op de weg blijven staan om met de sheriff en de mensen van Bosbeheer te praten, terwijl de cameraman naar het hek toe kwam om de dansende forellen Abbie, Mei en Scott te filmen. Abbie deed haar best er flink en uitdagend uit te zien en ze was ijdel genoeg om te hopen dat ze geïnterviewd zou worden en haar vijftien seconden roem zou krijgen. Maar toen de verslaggeefster de heuvel op kwam, wilde ze alleen maar met Hacker praten.
De cameraman en zij wilden dat hij voor het hek ging staan, zodat de dansende forellen en het spandoek achter hem zichtbaar zouden zijn. Met zijn zelfverzekerde stem legde hij uit dat ze de weg blokkeerden om een illegale houtverkoop tegen te houden, en dat het houtbedrijf, hoewel her deed voorkomen dat het de brandgevaarlijke dode bomen opruimde, in werkelijkheid met stilzwijgende goedkeuring van Bosbeheer groene bomen kapte. Aan de manier waarop hij het deed was te horen dat hij dit wel vaker had gedaan. Joel 'Hacker' Hackman, die zich wel honderd keer had vastgeketend en bijna even vaak was gearresteerd, was een van Missoula's vele kleinere milieulegendes. Hij was kalend, had een baard en was gebouwd als een beer meteen bierbuik en wel vijftien tot twintig jaar ouder dan de andere demonstranten. Hij was in het begin van de jaren tachtig aan de Universiteit van Montana afgestudeerd in de bosbouwkunde en nooit meer teruggegaan naar Omaha, Nebraska. Waarom zou iemand dat willen? grapte hij altijd voordat een ander het deed. Hij had in de Bitterroots een blokhut voor zichzelf gebouwd en een kleine organisatie opgericht die 'Red het bos' heette en waarvan het belangrijkste, zo niet enige doel was Bosbeheer en de houtbedrijven her leven zo zuur mogelijk te maken. Abbie en Mei hadden hem bijna twee maanden geleden in hun eerste week aan de universiteit leren kennen toen ze bij de plaatselijke milieugroepen hun licht hadden opgestoken. Ze vonden hem charmant en inspirerend en hadden sindsdien vrijwilligerswerk voor hem gedaan, dat tot vandaag hoofdzakelijk had bestaan uit enveloppen vullen.Hacker was getrouwd geweest en hij had een zoon van veertien op wie hij dol was, maar die hij tegenwoordig niet vaak meer zag omdat de jongen met zijn moeder naar Santa Barbara was verhuisd. Of de vrouw nu genoeg van hem had gekregen omdat ze om de paar maanden borg voor hem moest betalen om hem uit de gevangenis re krijgen of omdat hij een onverbeterlijke rokkenjager was, wist niemand precies. Hij had al een paar keer geprobeerd om Abbie te versieren en de tweede keer, toen ze op een feest een beetje te veel gedronken had, had het niet veel gescheeld of ze was gezwicht. Ze vond hem beslist aantrekkelijker dan de jongens die ze tot nu toe aan de universiteit had ontmoet, zoals Scott en Eric, die leuk waren om mee om te gaan, maar naar haar smaak een beetje te onvolwassen. Uit de veelbetekenende blikken die Hacker haar sindsdien toewierp, leidde Abbie af dat hij nog niet met haar klaar was.
Als ze eerlijk tegen zichzelf was, moest ze toegeven dat het vooruitzicht haar niet tegenstond, en misschien was een verward en vaag schuldbewust gevoel van trouw aan Ty het enige war haar weerhield. In de twee maanden dat ze in Missoula was, hadden ze elkaar maar één keer gezien, toen hij helemaal met de auto uit Wyoming was gekomen om een weekend met haar door te brengen. Hoewel ze het leuk had gevonden om hem te zien, had hij, met zijn hoed en laarzen en zijn hoffelijke, ouderwetse manieren, een beetje onbeholpen en misplaatst geleken tussen haar hippere nieuwe vrienden van de universiteit.
De tv-verslaggeefster die Hacker nu interviewde was een vrouw van een jaar of dertig met een smal gezicht. Ze droeg een omvangrijke zwarte parka met een bonten capuchon, waardoor ze eruitzag of ze door een beer was verzwolgen. Ze luisterde naar Hackers monoloog met een glimlachje dat tegelijkertijd neerbuigend en afkeurend was, maar misschien verveelde ze zich gewoon en had ze het koud, net als Abbie.
'En wat hebben die dansende vissen te betekenen?'
'Deze kreek is een van de laatste goede paargebieden voor forellen,' zei Hacker. 'Het kaalkappen van deze hellingen, zoals ze daar nu doen, betekent dat al het water in de kreek loopt en de mineraalrijke aarde meevoert. De afzettingen hopen zich op en de vissen paren nier meer. Als je het bos vermoordt, vermoord je de vissen. Dat is nu typisch het soort hebzucht van bedrijven waarvan Montana al te veel re lijden heeft gehad.'
Net toen het interview bijna afgelopen was, hoorden ze een voertuig achter het hek de heuvel af komen, gevolgd door lang ge- claxonneer. Hacker draaide zich om en voor het eerst leek de verslaggeefster geïnteresseerd. Ze fluisterde tegen de cameraman dat hij moest blijven filmen. De sheriff, zijn hulpsheriffs en de mensen van Bosbeheer haastten zich allemaal de heuvel op. Abbie zette zich schrap tegen de pijn en toen ze zich omdraaide, zag ze nog net dat de dansende forellen opzij sprongen voor een met modder bespatte rode pick-up. Hij kwam een paar meter voor het hek met piepende banden tot stilstand.
'Wat is er aan de hand?'
'Ren houthakkersploeg,' zei Hacker zacht.
De deuren van de pick-up gingen open en vier mannen stapten uit om beter te kunnen zien wat er aan de hand was. Ze droegen petten en hadden een uitdrukking van geamuseerde afkeer op hun gezicht. Behalve de man die aan zijn zwierige loop te zien de leiding had, waren ze allemaal ongeveer even oud als de demonstranten, maar dat was het enige wat ze gemeen hadden. Bij hen vergeleken zag zelfs Hacker er jongensachtig uit. Hacker stapte met een vriendelijke glimlach naar voren.
'Hallo, jongens. Sorry voor het ongemak. We protesteren alleen vreedzaam tegen de illegale houtkap die hier plaatsvindt.'
De voorman, als hij dat was, antwoordde niet. Hij keek hem alleen even aan, passeerde hem en liep om de andere kant van het hek heen. Hij droeg een oorring, had een paardenstaart en een baard en een snor die een cirkel vormden om zijn samengeknepen mond. Met zijn duimen in de riemlussen van zijn spijkerbroek slenterde hij langs Mei en Scott en keek op hen neer alsof ze een lagere levensvorm waren. Hij stopte voor Abbie, bleef kauwend staan en keek met een vreemd glimlachje op haar neer.
'Het moet prettig zijn om de hele dag niets anders te doen te hebben dan op je kont zitten,' zei hij.
'Het is in elk geval beter dan hersenloos groene bomen afslachten,' zei Abbie.
Ze zag dat Hacker zijn voorhoofd fronste en ze vroeg zich af waarom. De voorman kneep zijn ogen tot spleetjes. Hij zoog zijn wangen naar binnen, draaide zijn kin een klein stukje opzij en spuwde een straal zwart tabakssap vlak bij haar rechterschoen op de grond. Abbie voelde een sterke aandrang om hem voor zijn ballen te schoppen, maar ze besloot dat dat niet zo slim zou zijn.
'Wie noem je hersenloos, trut?'
Hacker stapte naar voren. De tv-camera draaide nog steeds. Je kon zien dat de verslaggeefster het bijna in haar broek deed van opwinding.
'Hé, jongens, rustig nou,' zei Hacker.
Abbies hart bonkte. Ze hoopte dat ze er niet half zo bang uitzag als ze zich voelde. Godzijdank arriveerden op dat moment twee hulpsheriffs en Iverson, die de leiding had over de mensen van Bosbeheer. Hij was lang, had een rossige snor en droeg een bril met een gouden montuur. Met zijn Stetson op was hij een veel imponeren- der verschijning dan de mollige, kleine sheriff die achter hem nog hijgend tegen de heuvel op ploeterde. Hij was de hele dag ferm, maar beleefd en goedgehumeurd met de demonstranten omgesprongen.
'Oké, mensen. Laten we het allemaal vriendelijk en rustig houden.'
'We hebben niets tegen jullie,' zei Hacker regen de voorman. 'Jullie doen gewoon je werk, dat weten wij ook wel. Het zijn jullie werkgevers die beter zouden moeten weten.'
De man draaide zich naar hem toe.
'Nu zeg jij dus ook dat we domme sukkels zijn.'
'Nee, zo bedoel ik her helemaal niet. We begrijpen heel goed dat jullie je brood moeten verdienen...'
'We hebben ons sinds vijf uur vanochtend uit de naad gewerkt en nu willen we naar huis, oké?'
'Het spijt ons, maar...'
'Maak verdomme dat hek open.'
'Oké heren, zo is het wel genoeg,' zei Iverson. Hij stapte met opgeheven handpalmen tussen hen in en stond nu tegenover de houthakker. 'Als u en uw collega's naar uw auto willen gaan, dan zullen we kijken of we hier iets kunnen regelen.'
Na twintig minuten onderhandelen kwam het moment waarnaar Abbie had gesnakt. Hacker werd ervan overtuigd dat hij met zijn demonstratie zijn doel had bereikt. Iemand haalde de sleutels van de fietssloten te voorschijn en Hacker maakte hen een voor een los, eerst Mei en Scott en daarna Abbie. Toen hij naast haar knielde, glimlachte ze. Ze verwachtte dat hij zou zeggen dat ze het goed had gedaan of zou vragen hoe ze zich voelde, maar hij zei geen woord en keek haar ook niet aan.
Toen ze opstond, leken haar gewrichten bevroren te zijn en ze viel bijna om, maar het was een heerlijk gevoel om vrij te zijn. Ze gingen allemaal opzij en toen de pick-up van de houthakkers langs hen reed, zag ze dat de voorman door het ruitje naar haar staarde. De blik in zijn ogen deed haar hopen dat ze elkaar nooit meer tegen zouden komen.
Het was een rit van drie uur terug naar Missoula. Ze stopten bij de eerste de beste eetgelegenheid en aren pizza, frites en chocoladetaart, die ze wegspoelden met veel hete koffie. De stemming zat er goed in en ze lachten en maakten grappen terwijl ze de gebeurtenissen van de dag de revue lieten passeren. Todd en P. j. plaagden Abbie met wat ze tegen de houthakker had gezegd en imiteerden haar oostkust-accent dat, zoals haar pas de laatste tijd te verstaan was gegeven, lichtelijk hooghartig was.
'Wegwezen jij, hersenloze bomenslachter,' gierde Todd.
Het was allemaal goed bedoeld en Abbie deelde net zo veel uit als ze te incasseren kreeg. Eric zei dat hij een nieuw nummer zou gaan schrijven waarin dit voorval bezongen werd en Abbie kaatste terug dat dat dan goed uitkwam, omdat hij hard aan wat nieuw materiaal toe was. Daarna begonnen ze erover dat ze volgende maand, na Thanksgiving, naar Seattle zouden gaan om te demonstreren bij de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie. Todd, die al spandoeken aan het maken was, zei dat het fantastisch zou worden en dat de hele wereld er zou zijn. Terwijl ze daar gezellig tussen deze nieuwe vrienden zat, die met elkaar verbonden waren door jeugd, avontuur en een duizelingwekkend idealisme, smolt de kou in haar botten weg en maakte plaats voor een warme, verkwikkende gloed. Abbie voelde zich blij, trots en lachwekkend heldhaftig.
Het was al donker toen ze vertrokken. Toen ze tussen de poelen van rood neonlicht op het parkeerterrein door naar hun auto's zigzagden, liep Abbie even alleen naast Hacker.
'Je hebt het vandaag goed gedaan,' zei hij.
'Bedankt.'
'Is je kont al ontdooid?'
'Bijna.'
'Maar wat je tegen die vent zei, was verkeerd. Je hebt hem tot je vijand gemaakt.'
'Hij zag er niet bepaald uit of hij vrienden met me wilde worden.'
'Misschien nier, maar het is beter om hem aan het lachen te maken dan hem te laten spugen. De regel is: bezweren, niet escaleren. Door die ene hatelijke opmerking veranderde de hele sfeer.'
ik zei alleen maar...'
'We hebben allemaal gehoord wat je zei. Het punt is dat je hem voor schut hebt gezet en dat maakte hem kwaad. We moeten juist proberen om mensen als hij aan onze kant te krijgen.'
'Het spijt me.'
'Het geeft niet. Ik zeg het maar, dan weet je het voor de volgende keer.'
Nu had Abbie zelf her gevoel dat ze voor schut gezet was. Toen ze samen met vijf anderen achter in Hackers oude VW-busje zat, dacht ze er een tijdje over na. Ze was altijd een trotse perfectioniste geweest en kon niet goed tegen kritiek, hoe goedbedoeld ook, maar ze zou haar dag er niet door laten bederven en Hacker ook niet laten merken dat hij haar beledigd had. Tegen de tijd dat ze Missoula bereikten, lachte ze alweer met de anderen.
Het plan was dat iedereen met Todd en Eric mee zou gaan naar hun bouwvallige huis in Fourth Street, dat met de achterkant naar de rivier stond. Maar toen ze bij de slijterij stopten om een vaatje bier kopen, zei Abbie dat ze nog wat moest doen en terugging naar het studentenhuis. Hacker bood aan haar af te zetten, maar ze zei dat ze liever ging lopen.
'Je bent toch niet boos, hè?' vroeg hij.
'Natuurlijk niet.'
Ze nam afscheid en bedankte Hacker beleefd dat ze mee had gemogen en voor de lift, maar ze mocht doodvallen als ze ooit nog een envelop voor hem zou vullen. En dat ze ooit met hem naar bed zou gaan, kon hij ook mooi vergeten.