14
Katie stond in volslagen duisternis, maar dat was niet het ergste. Nee, dat was dat ze aan alle kanten door rotsen was omgeven. Ze strekte haar handen uit en raakte de gladde, koude rots aan. Het vocht drong door in haar kleding. De rotswand en de bodem waren glibberig, de lucht kil en muf.
Katies lichaam reageerde onmiddellijk. Haar hart bonkte tegen haar ribben, net als de vorige dag toen ze in de lift was blijven steken. Haar verstand signaleerde: je bent opgesloten! Je komt hier niet meer uit! Ze deed een stap naar achteren en stootte met haar elleboog tegen de rots. De pijn verzachtte heel even het gevoel van angst, maar even later keerde de paniek met volle kracht terug. Katie wilde schreeuwen, maar een geluid hield haar tegen. Er klonk een donderend geraas dat werd teruggekaatst door de rots. Het leek alsof een trein met hoge snelheid door een tunnel raasde.
Ze stak haar handen uit, op zoek naar de uitgang. Ergens moest die toch zijn. Verdomme, waar was de spleet waardoor ze naar binnen was geklommen?
Om haar heen was het aardedonker, en alleen het donderende geluid leek nog te bestaan. Plotseling besefte ze wat het was. Ergens stroomde water. Maar waar? Dichtbij?
Dat maakte niet uit. Ze moest zo snel mogelijk naar buiten, maar zonder haar hoofdlamp was ze volledig aan de duisternis overgeleverd.
Ana had het over instinct gehad. Vertrouw op je instinct, had ze gezegd. Ergens links moest de doorgang zijn waardoor ze naar binnen gekomen was. Maar waar was links? Haar handen gleden over de rotswanden. Richels, spleten, steen. Ze voelde geen uitgang. Hier was gewoon niets. Ze duwde haar rug tegen de wand achter haar en gleed erlangs. Zo had ze zich door de spleet gewrongen, zo moest ze er ook weer uit komen. Het kon toch niet zo zijn dat er geen uitgang was. Er was altijd een uitgang. Altijd!
Plotseling voelde ze hoe de wand achter haar veranderde. Hoe glad hij plotseling aanvoelde. Alsof hij geslepen was. Ze draaide zich om, legde haar gezicht tegen de gladde steen, die hier binnen ijskoud was, bleef zo een paar seconden staan en kalmeerde langzamerhand.
Mensen hebben deze rots bewerkt, dacht Katie. Ooit. Waarom? Dat was nu niet belangrijk. Het enige wat nu telde was dat deze mensen een ingang hadden gemaakt en, wat nog belangrijker was, een uitgang.
Ze spreidde haar armen uit. Links tastte ze weer langs richels en oneffenheden, maar rechts was de rots volkomen glad. Langzaam en heel voorzichtig schoof ze in die richting. Ze was er helemaal op geconcentreerd om elke verandering te registreren en eindelijk greep haar hand in de leegte. Dat moest het zijn, de smalle doorgang tussen de berg en de pilaar waardoor ze zich gewrongen had. Ze klampte zich vast aan de rotswand en trok zich naar voren tot haar lichaam als vanzelf door de spleet gleed en na een ontzettend lang moment van absolute benauwdheid voelde ze de wind in haar haren.
Ze kneep haar ogen dicht. Na de duisternis in de grot was ze volledig verblind. Ze zag alleen lichtflitsen en hoorde iemand spottend giechelen.
‘Je hebt hem gevonden. Je hebt de weg helemaal alleen gevonden.’
Katie knipperde met haar ogen. Langzamerhand wende ze aan het licht en herkende Ana, die met haar veldfles in haar hand op een steen zat en breed naar haar glimlachte. ‘Waar heb je het over?’
‘Dat is hem, de weg naar de Ghost.’
Katie staarde naar haar. ‘De weg naar de Ghost?’
‘Ja. De tunnel die je daarnet hebt ontdekt.’
Katie hield haar adem in. ‘Dat meen je toch niet echt!’
Ana haalde haar schouders op. ‘Er is geen weg die veiliger is. En sneller. De tunnel achter de rotswand loopt onder de pas tussen de twee bergtoppen door. Als we aan de andere kant zijn, kunnen we over de achterflank naar de hut klimmen.’
Nooit, schoot het door Katies hoofd, ik ga daar nooit van mijn leven nog een keer naar binnen.
‘Dat kun je vergeten,’ zei ze. ‘Ik ga over de berg.’
Ana lachte kort. ‘Misschien lijkt het vanaf dit punt of dat mogelijk is, maar het wordt je dood als je het probeert. Gegarandeerd.’ Ana kwam overeind en stopte de veldfles in haar rugzak. ‘Dat is nu eenmaal het probleem van deze berg. Het gesteente is zo glad dat je alle haken en klemblokken kunt vergeten. Je hebt een steenboor nodig. Vanaf dit punt is de tunnel de enige weg naar de Ghost. Jij wilde tenslotte absoluut vanuit de vallei starten. Vanuit Fields is de gletsjer veel gemakkelijker te bereiken.’
‘Een tunnel? Dat vind ik wel prettig klinken. Dan blijven we in elk geval droog als het weer omslaat.’ Chris en de anderen doken uit de struiken op. Ze hadden de rugzakken bij zich. David droeg Katies rugzak en gooide hem naar haar toe.
De anderen keken naar Ana. Niemand leek aan haar autoriteit te twijfelen. En waarom zouden ze ook? dacht Katie. Ze is tenslotte opgegroeid in deze bergen.
‘Staat de tunnel op je kaart?’ Katie draaide zich naar Paul, die iets afzijdig stond en het tafereel spottend bekeek.
‘Niemand kent deze tunnel,’ antwoordde Ana in plaats van Paul. ‘Maar geloof me, het is de enige mogelijkheid.’
‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd?’ vroeg Katie woedend. ‘Ik heb je telkens weer verteld welke route ik wilde nemen, en je hebt geen woord over een tunnel gezegd.’
‘Waarom zou ik?’ Ana haalde onverschillig haar schouders op. ‘We nemen in principe precies de weg die jij wilde nemen. Alleen niet over de berg, maar onder de pas door.’
‘Verdorie! Dit moest een beklimming worden. Geen grottentocht!’
‘Je hoeft niet bang te zijn. Klimmen doen we vroeg genoeg. En de weg door de berg bespaart tijd en kracht, die we dringend nodig zullen hebben als we morgen via de gletsjer de Ghost beklimmen.’
Katie keek om zich heen. David en Chris waren het kennelijk eens met Ana. Benjamins gezichtsuitdrukking kon ze niet zien, omdat hij zich zoals altijd achter zijn camera verstopte. Alleen Julia leek iets van de angst van haar vriendin te voelen. Vooruit, vormden haar lippen, en haar lachje was niet spottend als dat van Paul, maar opbeurend.
Chris was uiteindelijk degene die het zwijgen verbrak. Hij maakte de riem van zijn rugzak los, zette hem neer en keek om zich heen: ‘Ana heeft gelijk. Wat staan we hier nog? Laten we gaan.’
‘Oké. Chris, jij gaat eerst,’ besloot Ana, en ze wees naar de spleet. ‘Daarna schuiven we de rugzakken naar binnen en pak jij ze aan. Als alle rugzakken binnen zijn, volgen de anderen een voor een.’
Chris knikte en liep naar de spleet, die inderdaad alleen te zien was als je wist dat hij bestond. Hij haalde diep adem, draaide zijn hoofd naar links en schoof zijdelings met zijn rechterschouder tussen de rots en de wand door.
Een tijdlang heerste er stilte en daarna klonk zijn stem zeldzaam dof uit de berg: ‘Oké, jullie kunnen beginnen. Geef de rugzakken maar aan. En haal jullie hoofdlampen er van tevoren uit. Je ziet hier geen hand voor ogen.’
Katie deed haar ogen dicht. Ze voelde zich hulpeloos en snakte naar adem. Dit was haar tocht, haar plan, maar niemand leek zich daar iets van aan te trekken. De expeditie was een eigen leven gaan leiden, erger nog, die ging in de enige richting waarvoor Katie doodsbang was. De anderen zochten al in hun rugzakken naar de hoofdlampen, en ook Katie haalde met tegenzin haar hoofdlamp uit het zijvak en zette hem op haar hoofd. Had ze een keus?
‘Hopelijk werken ze,’ zei Benjamin met een zenuwachtig lachje. ‘Maar mijn camera hou ik bij me.’
‘Denk je dat je daar binnen kunt filmen?’
‘Ik stuur nog livebeelden vanuit mijn kist.’ Opnieuw dat lachje, bijna alsof hij bang was dat hij in de nabije toekomst inderdaad in die situatie terecht zou komen.
‘Julia, mag ik je rugzak?’ David stond vlak bij de rotswand en strekte zijn hand uit. De een na de ander gaf hem zijn rugzak en hij duwde ze voorzichtig door de spleet. Katie hoopte dat het eeuwig zou duren. Haar gedachten volgden elkaar in een razend tempo op. Was er nog een mogelijkheid om de anderen ertoe te brengen hun plan op te geven?
‘En het water?’ probeerde ze.
De anderen staarden haar verbluft aan.
‘Welk water?’ vroeg Julia.
‘Daar binnen stroomt ergens water. Ik heb het duidelijk gehoord.’
‘Dat is een onderaardse rivier, die verder naar beneden in het meer uitmondt,’ antwoordde Ana. Ze pakte haar rugzak en duwde hem door de spleet. ‘De rivierbedding ligt op een halve kilometer afstand van de tunnelwand. Het klinkt alleen alsof hij dichtbij is. Waarschijnlijk is er daar ergens een waterval.’
De anderen accepteerden de uitleg zonder nog vragen te stellen.
Katie beet op haar onderlip. Ze moest hulpeloos toezien hoe Julia, Benjamin en David achter elkaar in de spleet verdwenen, waarna alleen zijzelf, Ana en Paul over waren.
‘Wie gaat er nu?’
Toen Katie en Paul allebei niet reageerden, schoof Ana door de spleet. Het zag er inderdaad net uit alsof ze door de rotswand liep. Katie dacht bliksemsnel na over de mogelijkheden. Ze had er geen idee van waar ze zich precies bevonden. Daarom was ze op Ana aangewezen. Ana, die de weg door de tunnel kende. Was dat niet voldoende bewijs dat ze wist wat ze deed?
‘Nee,’ zei ze met op elkaar geklemde tanden. ‘Ik laat de anderen niet in de steek.’
‘Heb je er al eens aan gedacht dat zij jou in de steek kunnen laten?’ antwoordde Paul, waarna hij naar de spleet liep. Het volgende moment was Katie alleen.
Moest ze de anderen volgen? Of omdraaien? Nee, dat kwam in geen geval in aanmerking.
Ze negeerde de spleet en betastte de rots. De steen was nog steeds heet. Ze kon hem nauwelijks aanraken, maar ze liet niet los. Haar vingers zochten naar een scheur waaraan ze zich kon vastklampen. Plotseling voelde ze een oneffenheid. Katie trok zich eraan omhoog, trok haar benen in, gleed naar beneden en viel op de grond. Het was onmogelijk. De rotswand was te glad en te heet. Hier omhoogklimmen was niet alleen gevaarlijk, maar ook volkomen uitzichtloos.
Ze haalde diep adem en staarde naar de spleet. Vooruit, Katie, je kunt het, sprak ze zichzelf moed in. Dit is niets vergeleken bij wat je al gedaan hebt. Je bent van een dertig meter hoge brug gesprongen. Je klimt free solo. Je kunt ook door dit gat.
Ze deed het gewoon. Ze voelde bijna onmiddellijk dat haar hartslag versnelde terwijl ze door de spleet schoof en het steeds donkerder om haar heen werd. Haar hand tastte naar haar voorhoofd. Ze zette de lamp aan en wrong zich door de smalle spleet. Ze werd overvallen door een golf van misselijkheid. Je had het tegen ze kunnen zeggen, schoot het door haar hoofd. Je had gewoon kunnen toegeven dat je aan claustrofobie lijdt. Maar wat had dat opgeleverd? Daarmee zou ze alleen zwakte tonen. Ze had al een keer toegegeven aan haar angst en destijds had ze gezworen dat haar dat nooit meer zou overkomen.
Het ruisen klonk weer in haar oren, maar deze keer wist ze niet zeker of het water was of het bloed dat door haar aderen stroomde. Ze voelde dat het zweet over haar ruggengraat naar beneden liep.
‘Je trilt helemaal,’ hoorde ze Pauls stem vlak naast zich. ‘Heb je het koud of ben je bang?’
Deze keer hoorde ze geen spot in zijn stem, maar eerder bezorgdheid. Of vergiste ze zich? Ze schraapte haar keel. Hemel, ze mocht gewoon niets laten merken. ‘Koud! Wat anders?’
‘Is het niet krankzinnig dat die rivier zoveel lawaai maakt terwijl hij zo ver weg stroomt?’
Ja, het was krankzinnig. Het was krankzinnig dat Katie in deze donkere tunnel stond, in plaats van ergens in de lucht te hangen. Ze deed haar ogen open en knipperde tegen het licht. Behalve Benjamin hadden ze allemaal hun hoofdlampen aangedaan. Hoewel ze net voldoende licht gaven om een fractie van de ruimte te verlichten, zag Katie dat ze in een natuurlijke onderaardse grot stonden, die uitmondde in een lange lage tunnel met ontelbare scheuren in de zijwanden. Het plafond werd ondersteund door houten balken.
Een nieuwe golf van misselijkheid overspoelde haar. Katie deed opnieuw haar ogen dicht. Denk aan iets anders, wat dan ook!
Nee, niet aan Korea. Niet aan de tuin van haar oma. Niet aan haar ouders en al helemaal niet aan Sebastien. Denk helemaal niet aan het verleden. Denk aan de toekomst. Stel je voor dat je morgen boven op de top van de Ghost staat en dat de zon schijnt.