Eva.

Ze heette Eva.

Waarom had ze gelogen?

Waarom was ze met hem mee naar huis gegaan, had ze hem toegang verleend tot haar lichaam, had ze hem zover laten gaan dat hij haar zonder voorbehoud in zijn leven had toegelaten, zich aan haar had blootgegeven?

Hij lag op zijn rug naar het plafond te kijken, op het bed waar ze met elkaar gevreeën hadden. Waar hij met haar gevreeën had en zij hem had gebruikt, als een wegwerpartikel. Zonder enige consideratie was ze zijn leven binnengedrongen, had alles overhoopgehaald, had alle passie gestolen die hij zo lang met zoveel moeite had opgespaard.

Ze was een van hen.

Een van die vrouwen die zijn gezin in de vernieling hadden geholpen en zijn moeder van hem hadden afgepakt.

De kracht die hij van haar gekregen meende te hebben, was door drie letters veranderd in een open doel, een onverdedigd gat waardoor je zijn diepste angst kon zien. De angst waarvan het Controleren de enige gelijkwaardige tegenstander was. Zijn enige strijdkracht.

Als een fysieke aanval voelde hij hoe de dwang in hem binnendrong. Er was niemand meer die in staat was daartegen te vechten.

Nog maar een paar uur geleden zo sterk.

Wie was zij om hem dit aan te doen? Waar haalde ze het recht vandaan?

Hij had het telefoonnummer al opgezocht in het telefoonboek.

Nacka.

Tien minuten met de auto.

Maar hij kon met geen mogelijkheid de flat uit.

De eerste keer dat hij het nummer intoetste was het 23.44 uur. Hij zat naakt op bed en het toestel stond recht naast de rechterhoek van het kleed. De telefoon ging twee keer over. En toen haar stem die de leugen een geluid gaf.

‘Eva.’

Ze gaf het dus toe.

Hij hing op en voelde zijn woede stijgen. Een snelle druk op de nummerherhaaltoets.

‘Ja.’

Hij hing weer op. Waarom had ze ‘ja’ gezegd toen hij belde? Haar stem sneed door hem heen, wekte het verterende verlangen weer tot leven. De herinnering aan haar naaktheid deed al zijn bloed naar zijn kruis stromen, waar zijn begeerte groeide. Hij ging op bed liggen, niet in staat zich te bewegen. De drift was nu weer een vijand die zich honend oprichtte en hem aangrijnsde.

Je bent onwaardig. Niemand wil jou.

Misschien sliep hij een paar uur, misschien niet.

Toen hij weer belde was het zeven over zes.

Hij moest haar stem horen.

‘Hallo.’

Dat moest.

‘Hallo?’

Dat zou niemand hem afpakken.

‘Had je wat? Dan is het wel zo praktisch als je dat zegt, nu je ons toch wakker hebt gebeid.’

Zijn adem stokte.

Ons.

Nu je ons toch wakker hebt gebeld.

‘Lazer toch op, jij.’

Aan de andere kant legde zij de hoorn erop. Zij die twee nachten geleden met haar huid tegen de zijne geslapen had, zij die de wereld in een mogelijkheid had veranderd, alles tot verwachting had gemaakt.

Vannacht had ze met iemand anders geslapen die onder de benaming ons viel.

Wie?

Wie was diegene die wel waardig was?