Had ze maar niet.

Zoveel gevallen van had-ze-maar-niet, dat ze niet meer kon zien wanneer de eerste keer geweest was.

Ze zeiden helemaal niets. Hij vroeg niet waar ze heen wilde en zij vroeg niet waar hij naartoe ging. Ze leunde met haar hoofd tegen de neksteun en deed haar ogen dicht. Een stille vrijplaats waar ze gevrijwaard was van verwijten.

Pas toen de auto bleef staan en de motor uitgezet werd, deed ze haar ogen open. Een pleintje waar je kon keren. Enkele geparkeerde auto’s. Huurflats. Ze wist wanneer ze hier eerder was geweest.

Met een wilsinspanning draaide ze haar hoofd naar hem om. Nam zijn warme glimlach in ontvangst en sloeg haar ogen neer, liet die rusten op zijn handen die op het stuur lagen. Ze herinnerde zich zijn onhandigheid, zijn frutselende vingers die over haar lichaam gekropen waren en ze verbaasde zich erover dat zij dat goedgevonden had.

Weer zo’n geval van had-ze-maar-niet.

‘Bedankt voor de lift.’

Ze maakte aanstalten om het portier te openen. De krachteloosheid deed pijn aan haar ledematen, het was een fysieke smeekbede om niet te hoeven bewegen.

‘Ga je niet even mee naar binnen?’

Ze liet haar hand op de deurkruk rusten, terwijl ze naar een antwoord zocht. Er klonk verwachting in zijn stem en dat was meer dan ze kon verdragen. Ze deed het portier open en door de kou die haar tegemoetkwam wist ze weer dat ze geen jas bij zich had en geen geld.

Niets had ze bij zich.

‘Ik heb perencider in huis. Kun je niet even een glaasje komen drinken? Je lijkt me daar eerlijk gezegd wel aan toe. Dan kan ik je later wel brengen waar je verder naartoe wilt.’

Waar je naartoe wilt. Waar was dat? Bestond zo’n plaats nog?

Had-ze-maar-niet.

Het was een hele keten van had-ze-maar-nieten geworden. Maar de eerste schakel van die keten was afkomstig van Henrik. Het verraad. Zijn lafheid. De tegen haar gerichte woede. Dat hij totaal geen rekening met haar hield.

Kerstins oordeel weergalmde door haar hoofd. Je moest altijd de verantwoording nemen voor je daden. Wat wist Kerstin van de manier waarop Henrik haar had behandeld? Van alles wat hij gedaan had om haar misdaden uit te lokken? Van de onmacht die ze had gevoeld? Maar ze zou nooit de kans krijgen zich te verdedigen. Tegenover niemand van al diegenen die vonden dat ze het recht hadden haar te veroordelen. Het vonnis was geveld en de straf ten uitvoer gebracht.

Paria.

En Henrik dan? Had hij dan helemaal geen schuld? Hij had toch die hele keten van had-ik-maar-nieten mogelijk gemaakt?

Hij stapte uit de auto en ze zag door de voorruit dat hij onderweg was naar haar geopende deur. Daar aangekomen wilde hij haar een hand geven.

‘Kom maar. Eén perencider maar, meer niet.’

Zo door en door moe. Tot op het bot. Gewoon mee kunnen gaan, geen beslissingen hoeven nemen.

‘Vooruit dan maar, één perencider.’

Hij knikte glimlachend.

‘Eén perencider.’

Ze stapte uit zonder zijn uitgestoken hand te pakken en liep om hem heen. Hij liet zijn arm iets te lang in de lucht hangen voordat hij die langzaam liet zakken, sloeg haar portier dicht en haalde een plastic tas uit de kofferbak.

‘Kom mee.’

Hij begon naar zijn portiek te lopen. Misschien was hij kwaad omdat ze zijn hand niet had willen pakken; dat was niet vervelend bedoeld geweest, ze wilde hem alleen niet op ideeën brengen, hem geen enkele hoop geven dat hij meer kon verwachten dan wat ze hadden afgesproken. Een perencider. Meer niet. Hij had het zelf gezegd en zij had het geaccepteerd.

Hij deed het licht in het trappenhuis aan en liet haar met een charmant gebaar voorgaan. Hij bleef een paar stappen achter haar. Ze vond dat geen prettig idee, aangezien ze goed besefte dat hij tegen haar achterste aankeek en zijn ogen goed de kost kon geven. Ze ging met haar rug naar de muur staan terwijl hij de deur van het slot deed. Vier sloten.

De vorige keer. Zo zenuwachtig als ze toen was; ze had zich tegen hem aan gedrukt om dat te verbergen. Het beeld van Henrik en Linda had haar ertoe gebracht over haar tegenzin heen te stappen.

Vijf dagen geleden.

Ze bleef vlak achter de deur staan, hoorde hem een sleutel in een van de sloten steken en omdraaien. Gerammel van de sleutelbos om de rest ook op slot te doen en het geritsel van de plastic tas die hij uit de kofferbak had gehaald.

Plotseling schoot haar te binnen dat hij dacht dat ze Linda heette. Dat die camouflage haar toen de moed gegeven had om haar plannen uit te voeren.

Had-ze-maar-niet.

Alweer.

Maar er was nu geen reden om te onthullen wat haar echte naam was. Dat zou alleen maar vragen oproepen die ze niet wilde beantwoorden.

‘Fijn dat je er bent. Dat je er weer bent, kan ik misschien beter zeggen.’

Ze was er niet weer. Degene die hij voor zich had was hier voor het eerst.

Ze keek naar haar schoenen alsof het een onmogelijke opgave was om te bukken en ze uit te trekken. Hij volgde haar blik, ging op zijn hurken zitten en maakte voorzichtig de ritsen aan de binnenkant van haar schoenen los. Legde haar hand op zijn schouder om haar te laten steunen terwijl hij ze haar uittrok. Hij hield haar rechtervoet net iets te lang vast, ze kon hem plotseling horen ademhalen. Ze was te moe om er iets tegen te doen, ze bleef gewoon met haar hand op zijn schouder staan en liet hem begaan met haar rechtervoet. Ze zou weg moeten gaan.

Maar waarheen? En hoe zou ze dat voor elkaar krijgen?

Hij stond op en pakte haar behoedzaam bij haar elleboog, leidde haar het kleine keukentje binnen en liet haar op een van de stoelen plaatsnemen. Ze volgde hem met haar blik toen hij de twee stappen naar de koelkast zette en ving een glimp op van de inhoud ervan toen hij de deur opende. Alledrie de plankjes lagen vol met flesjes cider. Hij pakte er twee uit, haalde zijn sleutelbos uit zijn zak en maakte ze open met een rode flesopener die tussen de sleutels zat. Toen bleef hij staan met de flesjes, hield zijn hoofd schuin en nam haar op.

‘Hoe gaat het eigenlijk met je?’

Ze had niet de puf om te antwoorden.

‘Een bank heb ik niet, maar je mag wel op bed gaan zitten. Ik bedoel, dan zit je wat lekkerder, verder nergens om, het ziet er echt naar uit dat je dat wel kunt gebruiken, ik ga wel op de grond zitten.’

‘Ik zit hier goed.’

Hij liep naar de stoel aan de andere kant van de aan de wand bevestigde klaptafel, leunde naar voren en gaf haar een van de flesjes cider.

‘Proost maar weer, kunnen we wel zeggen.’

Hij glimlachte en zij hief het flesje en dronk.

‘Dit was toch jouw merk of niet?’

Ze keek op het etiket van het flesje. Ze kon niet zeggen dat deze cider beter of slechter smaakte dan andere ciders.

‘Klopt.’

‘Dat we elkaar weer tegen het lijf lopen, op deze manier nog wel. Dat kan haast geen toeval meer zijn, ik krijg bijna het idee dat het een betekenis heeft, alsof het zo moest zijn.’

Ze kon geen weerwoord verzinnen en glimlachte maar wat om niet bot te lijken.

Even zweeg hij. Toen stond hij op en liep naar het kleine aanrecht, pakte het vaatdoekje en veegde iets van het roestvrijstalen aanrechtblad. Hij wreef stevig en controleerde met regelmatige tussenpozen of de vlek weg was.

‘Kun je niet vertellen wat er gebeurd is?’

Hij spoelde het doekje uit en wrong het uit, spoelde het weer uit en herhaalde die procedure nog een keer voordat hij het drie keer opvouwde en over de kraan hing.

‘Waarom je zonder jas buiten loopt bijvoorbeeld en waarheen je op weg was?’

Hij hing het doekje goed door het met zijn wijsvinger een centimeter verder over de kraan te schuiven.

Ze nam een slok uit het flesje.

‘Sorry, daar kan ik niet over praten.’

Ze was niets aan hem verplicht. Hoefde hem nergens deelgenoot van te maken. Integendeel. Als ze het hem vertelde, zou de vrijplaats die ze had gevonden met de grond gelijkgemaakt worden, hij zou zich bij de jury voegen en haar veroordelen.

Linda op de intensive care. Als ze erbovenop komt zullen we haar vragen te blijven werken.

Als ze erbovenop komt.

Ze dronk weer. Op zoek naar rust in de roes waar ze naar verlangde.

Hij stond compleet roerloos met de rug naar haar toe. Toen draaide hij zich abrupt om.

‘Je mag wel een bad nemen als je wilt.’

Ze antwoordde niet, haar achterdocht was meteen gewekt.

Hij zette zijn flesje op tafel neer.

‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik zal een bad voor je vol laten lopen, blijf jij hier zolang maar zitten en ontspan je. Ik denk dat een bad je goed zou doen. Als iemand het waard is even uit te rusten, dan jij wel.’

En weg was hij. Meteen daarna hoorde ze het geluid van een kraan die opengedraaid werd.

Het stond haar tegen om zich in de flat uit te kleden, maar in de badkamer kon ze de deur op slot doen en zou ze geen vragen hoeven te beantwoorden. Ze zou helemaal niet hoeven praten. En ze zou de kans krijgen om na te denken. Misschien kon ze Sara of Gerd op het werk bellen en vragen of ze daar mocht logeren, ze zou een geloofwaardige reden kunnen verzinnen.

Zijn stem uit de badkamer en plotseling de welbekende geur.

‘Ik heb ook nieuw badschuim gekocht. Met eucalyptus.’

Dezelfde die ze thuis in de badkamer had staan. Die ze van Axel had gekregen. Ze vatte het op als een teken, had geen energie meer om nog langer weerstand te bieden, en stond het zichzelf toe om te ontspannen.

Hij had het beste met haar voor.

En dat had ze nou net even nodig.

Ze dronk het flesje leeg en hoorde dat de kraan boven de badkuip dichtgedraaid werd. Meteen daarna verscheen hij in de deuropening.

‘Ga je gang.’

Hij glimlachte en gebaarde naar de badkamer, maar ontdekte dat haar flesje leeg was. Meteen stond hij bij de koelkast om er een nieuwe uit te halen. Ze stond op, hij maakte aanstalten om haar arm vast te pakken, als om haar nog eens te ondersteunen, maar hij hield zich in en deed een stapje achteruit. Misschien uit consideratie, misschien wilde hij laten zien dat ze veilig was, dat hij geen andere bedoelingen had dan hij had gezegd.

Ze pakte het nieuwe flesje, liep de hal in naar de openstaande deur van de badkamer. De badkuip was tot de rand gevuld en het witte schuim knisperde uitnodigend. Ze voelde zich al beter. Ze zou even rust hebben.

‘Hier heb je een handdoek.’

Hij reikte haar een lichtblauw frotté badlaken aan. Netjes gevouwen, de uiteinden keurig op elkaar, op de centimeter nauwkeurig. Ze pakte hem bij het lusje vast en legde hem op het toiletdeksel. De handdoek verliet zijn geordende toestand node en er bleef een diepe vouw in de frotté stof achter. Ze draaide zich naar hem om. Hij stond nog in de deuropening. Ze maakte geen aanstalten om zich uit te kleden en kennelijk begreep hij haar stille wenk.

‘Ga lekker in bad en doe maar kalm aan. Neem alle tijd die je wilt.’

‘Dank je wel.’

Hij liep achteruit weg en trok de deur dicht, zij draaide het slot totdat het witte halvemaantje rood werd. Toen trok ze langzaam haar kleren uit en liet zich in het schuim zakken met het flesje op de rand van de badkuip. Ze kwam tot rust. De cider had zijn werk goed gedaan.

Nacka was het probleem. Daar moest ze weg. Het gaf haar nu al een gevoel van bevrijding dat ze de gemeentegrens over was. Hier kon ze op adem komen en weer helder genoeg gaan nadenken om in te zien dat het niet alleen haar schuld was, ook ai had ze wel fouten begaan. Wat zij had gedaan kwam ergens door. Het had zijn oorzaken als ze hun huis verkochten en als zij in de stad ging wonen en Axel naar een ander dagverblijf stuurde waar niemand hen kende.

Ze nam weer een slok.

Het zou kunnen. Er was toch een toekomst.

‘Is het lekker?’

Zijn stem vlak achter de deur.

‘Ja hoor, dank je.’

Net toen ze dacht dat hij weg was ging hij weer door. Hij klonk nu nog dichterbij, alsof hij zijn mond vlak bij de kier van de deur hield.

‘Ik wil je geen kwaad doen, integendeel. Dat begrijp je toch wel, hè?’

Een steek van onbehagen midden in het weldadige schuim van thuis.

‘Ja, hoor.’

‘Mooi.’

Ze was net weer gaan liggen met haar ogen dicht, toen ze het geluid hoorde. Ze draaide haar hoofd om en zag hoe de rode halvemaan op wit werd gedraaid en het volgende moment stond hij in de open deur. Ze zonk zo diep mogelijk weg om zich in schuim te hullen.

‘Ik wil graag met rust gelaten worden.’

Hij glimlachte naar haar.

‘Je hebt hier rust.’

Hij tilde het badlaken op, ging op het toiletdeksel zitten met het badlaken op schoot.

‘Ik bedoel dat ik alleen wil zijn.’

Hij glimlachte weer, bedroefd deze keer, alsof zij niet wist wat goed voor haar was.

‘Ben je niet lang genoeg alleen geweest?’

Opeens werd ze bang. Ze wilde opstaan en de flat uitgaan. Maar niet zolang hij haar kon zien.

‘Waarom kijk je zo bang? Ik weet immers al hoe mooi je bent. Dat heb je me al een keer laten zien en hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten?’

‘Ik zei toch dat ik alleen een perencider zou drinken.’

‘Ja, en nu hebben we er al twee op. En je kunt er zoveel krijgen als je wilt. Ik heb ze voor jou in huis gehaald.’

Er was niets bedreigends aan hem, hij straalde pure welwillendheid uit. Toch was er iets wat haar zei dat ze weg moest, zo snel mogelijk weg.

‘Wacht even, dan geef ik je iets moois om aan te trekken als je klaar bent met je bad.’

Hij stond op.

‘Dat hoeft niet, ik trek mijn eigen kleren aan.’

‘Je verdient iets mooiers dan dat.’

Hij griste snel haar kleren en het badlaken bij elkaar en nam ze mee de hal in. Zo snel ze kon kwam ze overeind en pakte de gastenhanddoek. Ze moest hier weg. Het schuim glibberde op haar huid onder de handdoek alsof die tegen vocht geïmpregneerd was.

Toen stond hij alweer in de deur.

Ze probeerde zich zo goed mogelijk te bedekken.

Hij hield midden in een pas in en bleef stokstijf staan. Alsof hij vergeten was dat zij daar was en hij haar nu voor het eerst zag. Gegeneerd sloeg hij zijn ogen neer toen hij haar naaktheid zag.

‘Sorry.’

‘Geef mij die handdoek.’

Oneindig langzaam kwam zijn blik steeds dichterbij. Over de vloer, over de badmat, langs de badkuip omhoog, tegel voor tegel kwam hij op haar af. Toen hij haar naakte lichaam bereikte dat zij zo krampachtig achter het minieme handdoekje probeerde te verbergen, zag ze ongeveinsde bewondering op zijn gezicht. Hij hijgde toen zijn ogen haar dijen bereikten en zich langzaam over de handdoek haastten om weer uit te komen bij de huid boven haar borsten.

‘Goh, wat ben je mooi.’

Zijn stem trilde.

‘Geef mij die handdoek!’

Haar scherpe bevel rukte zijn blik los en hij staarde weer naar de grond. Toen legde hij iets op het toilet, liep achteruit weg en deed de deur achter zich dicht.

Snel was ze uit de badkuip en ze probeerde zich zo goed mogelijk af te drogen.

‘Geef me mijn kleren!’

‘Kijk maar op de wc.’

Ze schrok ervan hoe dichtbij zijn stem klonk, hij had zijn mond tegen de kier van de deur gedrukt.

Ze graaide naar wat het dan ook was dat hij op de klep had gelegd. Geen denken aan. Glanzende, gewatteerde stof die op de meest blootgestelde plaatsen was gaan pluizen.

Een oude, gebloemde ochtendjas.

‘Ik wil mijn kleren terug.’

‘Waarom zo boos? Ze liggen in het water, in de gootsteen. Trek die ochtendjas aan en kom eruit, dan kunnen we erover praten.’

Zijn stem was nog steeds vlak bij haar.

Er deugde iets niet aan hem, daar hoefde ze niet aan te twijfelen. Maar hoe gevaarlijk was hij, hoe bang moest ze zijn? Het enige wat ze zeker wist, was dat ze weg wilde en geen kleren had. En niemand op de hele wereld zou haar gaan zoeken. En ook al zou iemand dat onverhoopt willen, dan wist niemand waar ze was. Ze moest de badkamer uit durven. Naar buiten gaan en met hem praten. ‘Erover praten’, daar begon ze niet aan. Ze hadden absoluut niets met elkaar te maken en dat moest ze hem laten inzien.

Ze bekeek de ochtendjas met walging. Een vieze bruine rand aan de binnenkant van de hals. Ze slaagde erin haar afkeer te

overwinnen en trok hem aan, trotseerde de lucht van ingetrokken vuil en oude kleren.

Ze legde haar hand op de deurkruk en haalde diep adem.

‘Ik kom eraan.’

Er drong geen enkel geluid door.

Voorzichtig deed ze de deur op een kier. Het was donker daarbuiten, de lamp in de hal was uit. Volkomen impulsief deed ze het licht in de badkamer uit om zelf in het duister te kunnen verdwijnen. Ze duwde de deur wat verder open en toen ze naar buiten keek zag ze het schijnsel van kaarslicht in de kamer. Ze wierp een blik op de voordeur, terwijl ze maar al te goed wist dat ze de sleutels om had horen draaien in alle sloten. De sleutels die hij nu in zijn broekzak had.

Ze zette een stap in de richting van het kaarslicht. Alles was stil. Toen bleef ze staan. Nog een stap en dan zou hij haar door de deuropening kunnen zien. Ze schrok van het plotselinge geluid van zijn stem.

‘Kom hier.’

Ze kwam niet van haar plaats.

‘Alsjeblieft, kom hier. Het was niet mijn bedoeling om je te laten schrikken.’

‘Wat wil je dan? Waarom kan ik niet gewoon mijn kleren krijgen?’

‘Natuurlijk krijg je je kleren, maar die zijn nu nat. Kom hier, dan kunnen we wat praten terwijl ze drogen.’

Wat had ze voor keus? Ze zette de laatste stap en keek de kamer binnen. Hij zat op de rand van het bed. Van haar voeten in de deuropening tot aan het bed een heel pad van waxinelichtjes. Een uitgestippelde route door de kamer, die zijn verwachtingen maar al te duidelijk zichtbaar maakte. Ze wilde net tegenwerpingen maken en uitleggen dat, wat er de vorige keer dat zij bij hem was ook had plaatsgevonden, het nooit weer zou gebeuren. Maar toen zag ze zijn gezicht en raakte van haar apropos. Hij keek niet naar haar, zocht niet naar haar ogen. Hij keek naar de gebloemde ochtendjas. Toen, plotseling, uit het niets, vertrok hij zijn gezicht in een grimas en zijn hele lichaam kromp ineen, zakte in elkaar.

Hij keek weg en ze besefte dat hij dat deed in een poging om te verbergen dat hij huilde. Haar verwarring was compleet. Wat wilde hij eigenlijk?

Ze zei geen woord. Ze bleef hem vanuit de deuropening gadeslaan, en zijn hele lichaamshouding toonde een mislukte poging om zich tegen haar ongewenste blikken te verdedigen. Hij snikte een paar keer en bleef met neergeslagen ogen zitten, veegde met zijn hand over zijn gezicht en keek aarzelend naar haar, schuw en verlegen.

‘Sorry.’

Ze zei er niets op. Ze besefte in alle consternatie dat de kamer veranderd was. De wanden waren kaal, met zwarte spijkergaten waar de eigenaardige schilderijen hadden gehangen.

Hij keek weer naar de vloer en naar de waxinelichtjes.

‘Ik heb jaren geen kaarsen durven branden, maar nu had ik ze toch gekocht voor het geval ik het zou durven als jij hier was.’

Hij sprak de woorden uit als een beschamende bekentenis, was even naakt voor haar als zij daarnet, in de badkamer, voor hem. Alsof hij zich als verontschuldiging voor zijn binnendringen ook wilde blootgeven. Haar angst nam af. Hij had het alleen maar verkeerd uitgelegd toen zij met hem meeging. Kon ze hem dat eigenlijk kwalijk nemen? Hij had natuurlijk gedacht dat zij iets van zich zou laten horen. Dat hun nacht samen een inleiding was geweest. Hij had haar als een kans beschouwd.

Ze moest gewoon nog even blijven en hem laten inzien dat hij geen kans maakte bij haar, dat wat er gebeurd was een vergissing was en dat het niet de bedoeling was geweest hem te kwetsen. Hij was niet gevaarlijk, hij was verliefd geworden en was vergeten na te gaan of zij hetzelfde voelde.

‘Waarom heb je jaren geen kaarsen durven branden?’

Een poging tot een gesprek. Voorzichtig dichterbij komen om hem langzaam tot inzicht te brengen.

Hij keek haar met een klein glimlachje aan.

‘Er is zoveel wat je niet van me weet, wat ik nog niet heb kunnen vertellen.’

Verkeerd spoor. Ze moest meteen duidelijk proberen te zijn.

Hij was haar voor, voordat ze opnieuw kon beginnen.

‘Ik zou jou om een gunst willen vragen.’

‘Wat voor gunst?’

Hij slikte.

‘Ik zou graag willen dat je even bij me komt zitten, met wat je nu aanhebt.’

Ze keek naar de weerzinwekkende ochtendjas.

‘Waarom?’

Hij aarzelde lang voordat hij verderging; ze zag dat de woorden van ver moesten komen, dat hij zichzelf overwon om zijn wens uit te durven spreken.

‘Ik wil gewoon graag even met mijn hoofd op jouw schoot liggen.’

Bijna niet te verstaan. Verlegen keek hij naar zijn handen die hij op zijn knieën hield.

Voor zo’n stakker kon je onmogelijk bang zijn. Ze kon beter meteen zeggen waar het op stond, dan kon ze weg.

‘Ik kan me voorstellen dat je dacht dat ik, of dat wij toen we... Ja, het was niet slecht of zo, maar wat er gebeurd is was een vergissing, ik was dronken en dacht niet na. Je had misschien gehoopt dat we elkaar weer zouden zien en zo, maar ik kan het maar beter meteen zeggen: ik ben getrouwd.’

Hij bleef uitdrukkingsloos zitten. Het uitblijven van een reactie moedigde haar aan om door te gaan. Waarom had ze dat niet meteen gezegd? Zij zou beter dan wie ook moeten weten dat eerlijkheid het langst duurt.

‘Misschien mag ik wat kleren van je lenen, dan stuur ik ze later terug. Mijn man wordt vast en zeker heel erg ongerust als ik niet gauw thuiskom.’

‘Waarom zou hij ongerust worden?’

De stem plotseling hard en koud. Alle welwillendheid verdwenen.

‘Het is toch logisch dat hij ongerust wordt als ik niet thuiskom.’

Ze hoorde zelf dat haar stem nu anders klonk. Voorzichtiger.

Hij schokschouderde.

‘Dat hangt ervan af wat voor soort huwelijk je hebt. Of je van elkaar houdt of niet. Of je vaker ontrouw bent.’

Gekwetst. Trots en gekwetst. Een gevaarlijke combinatie. Ze moest het behoedzamer aanpakken, zijn tijdelijke kwetsbaarheid had haar op het verkeerde been gezet.

‘Ik ben niet vaker ontrouw. Met jou was de eerste keer.’

Hij snoof.

‘Wat een eer.’

Verdorie. Weer fout. Ze moest haar woorden beter kiezen. Die man was een mijnenveld.

‘Het was helemaal niet de bedoeling om je te kwetsen. Ik bedoel, we zijn beiden volwassen mensen. We hebben elkaar even opgevangen.’

‘Je bedoelt dat ik jou even heb opgevangen. Dat je je door mij liet troosten, toen hij thuis niet meer voor je klaarstond. Of deed je het misschien om hem jaloers te maken, of wilde je wraak nemen om iets?’

Ze zweeg.

‘Wat had je gedacht dat er van mij moest worden, nadat je mij gebruikt had?’

Ze gaf geen antwoord. Ze kon geen andere verontschuldiging bedenken dan dat ieder mens de verantwoordelijkheid heeft voor zijn eigen leven, maar op dit moment vond ze niet dat ze het recht had die woorden uit te spreken. Verdomme. Ze moest hier weg.

‘Ik zei toch dat het een vergissing was. Wat kan ik, nog meer zeggen dan sorry?’

‘En je man? Hou je van hem?’

Nee.

‘Ja.’

‘En als hij jou ontrouw was? Wat zou je dan doen?’

Ze slikte.

‘Ik weet het niet goed. Ik zou waarschijnlijk proberen hem te vergeven. Iedereen kan een vergissing begaan. Zoals ik al zei.’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes.

‘Niemand die verraad pleegt verdient het om te worden vergeven. Verraad kun je nooit vergeven, dat vergeet je nooit, dat blijft in je zitten als een open wond. Iets scheurt kapot en kan nooit meer helen.’

Zij was niet de enige in het vertrek die wist hoe dat voelde, dat was een ding dat zeker was. Maar ze had geen zin om hem deelgenoot te maken van haar ervaringen.

Hij ging verder.

‘Als er een man was die jou boven alles liefhad, die alles voor je zou willen doen, die plechtig en heilig zou zweren jou nooit te verraden, er altijd voor jou te zijn, aan jouw kant te staan, zou je dan ook niet van hem gaan houden?’

Ze slikte weer en keek naar de grond. Haar blik bleef steken bij een van de waxinelichtjes.

‘Zo gaat het toch niet helemaal in de liefde?’

‘Hoe gaat het dan?’

‘Het gaat zijn eigen weg. Daar heb je zelf niets over te zeggen. Als je verliefd wordt, word je verliefd.’

‘Is het zo eenvoudig? Kun je er werkelijk zelf niets aan doen om de liefde te laten groeien of haar te behouden?’

Ze gaf geen antwoord. Kon het niet.

‘Kan dat niet?’

‘Dat weet ik niet, ik ben geen deskundige.’

‘Maar wat is dan verraad? En waarom doet het zo’n pijn als je toch weet dat degene die jou verraadt het zelf niet eens kan helpen. Dat het alleen de liefde maar is die gaat waarheen zij wil.’ Haar vermoeide hersenen deden een dappere poging om zijn logica te volgen.

‘Het verraad is dat je liegt. Dat degene op wie je vertrouwt je glashard voorliegt.’

‘Dus als hij met iemand anders slaapt en het vertelt, dan is het goed?’

‘Natuurlijk niet.’

‘Dat moet wel. Hij kan immers niet zelf beslissen of hij verliefd wordt of niet, dat zei je net zelf Als hij dan bekent, dan is alles toch goed?’

Ze zuchtte.

‘Het is één ding om verliefd te worden, wat je ermee doet is een tweede.’ ‘Dus dat hij van iemand anders houdt is geen verraad?’

Ze was zijn vragen nu echt beu. Neem zelf een leven, dan zul je eens zien hoe makkelijk het is.

‘Ik weet het niet. Kan ik nu wat kleren van je krijgen?’

‘Dus jij denkt dat als je niet meer houdt van degene van wie je zou moeten houden, dat je dan beter niets kunt zeggen, maar gewoon door moet gaan alsof er niets aan de hand is en net doen of alles koek en ei is?’

Ze zweeg.

‘Is dat niet ook een soort verraad? Dat degene van wie je denkt dat hij van je houdt in feite alleen maar bij je blijft uit plichtsbesef en consideratie?’

Ze keek weer naar de grond.

Hij ging verder: ‘Al die mensen die een heel leven samen gelukkig zijn dan? Als het klopt wat jij zegt, hebben ze dus gewoon geluk gehad? En staat het los van hoe ze zich gedragen hebben?’

Toen ze geen antwoord gaf, stond hij op en liep naar het raam. Bleef met zijn rug naar haar toe staan. Toen zuchtte hij diep, liep terug en ging weer zitten.

‘Dus jij denkt niet dat je van iemand anders kunt leren houden, dat je kunt besluiten dat je van hem wilt houden en er dan het beste van maakt?’

‘Nee, ik denk niet dat dat kan.’

Nu had hij zijn antwoord gekregen. Nu wilde ze weg.

Hij zat met gebogen hoofd, zijn handen op de knieën. Zo naïef Hij dacht dat hij van haar hield, maar hij kende haar niet eens, wist niet eens hoe ze heette.

‘Kan ik nu alsjeblieft wat kleren van je krijgen?’

Langzaam keek hij weer op. De teleurstelling stond duidelijk op zijn gezicht te lezen.

‘Heb je zoveel haast om weg te komen?’

In stilte ontmoetten hun blikken elkaar. Zij gaf het op, draaide zich om en liep naar de keuken. Hij had niet gelogen, hij had haar kleren echt in het water gelegd.

Wat een idioot.

Op de terugweg kwam ze hem in de hal tegen. In zijn uitgestrekte handen hield hij een opgevouwen spijkerbroek en een rode collegetrui. Ze nam ze dankbaar in ontvangst.

‘Fijn. Ik zal ze je weer opsturen.’

Op die mededeling gaf hij geen commentaar. Hij knikte in de richting van de badkamer.

‘Je kunt je daar verkleden.’

‘Dank je wel.’

‘Eén ding nog.’

Ze wilde net weglopen.

‘Ik wil je graag overal heen brengen waar jij naartoe wilt, maar ik zou je heel graag één ding willen laten zien voordat we gaan. Misschien zou je dat voor mij willen doen, bij wijze van afscheid. Het duurt maar een paar minuten.’

Alles was best, als hij daarna de deur maar opendeed. ‘Natuurlijk. Wat is het?’

‘Het is buiten.’

Des te beter.

Ze ging naar de badkamer om zich te verkleden. Ze hoorde gerammel van sleutels in de voordeur en deed zo snel mogelijk. Hij had zijn schoenen en zijn jas al aan toen ze uit de badkamer kwam en ze bukte snel om haar schoenen aan te trekken. Hij wachtte op haar bij de voordeur, met in zijn hand de plastic tas die hij uit de kofferbak had gehaald.

‘Ben je zover?’

Ze knikte.

‘En je belooft dat ik het je mag laten zien?’

Ze knikte weer.

‘Erewoord?’

‘Ja.’

Laat me er nu uit, verdorie!

Hij deed het licht in het trappenhuis aan. Drukte vier keer op het lichtknopje, hoewel het licht al na de eerste keer aanging, en draaide toen de sleutel om in het bovenste slot. Toen weer naar het lichtknopje om dat nog eens in te drukken voordat hij het volgende slot erop deed. Ze sloeg de merkwaardige procedure met verwondering gade en maakte tevens gebruik van de gelegenheid om te bedenken waar ze heen gebracht wilde worden. Het was allemaal veel eenvoudiger geweest als ze in ieder geval haar portemonnee maar had gehad.

Ze liepen zwijgend de trappen af. Zij voorop en hij achter haar aan. Op de begane grond haalde hij haar in en ze zag hoe hij de mouw van zijn trui ter bescherming over zijn hand heen trok voordat hij de klink aanraakte.

Toen stonden ze buiten.

‘Het is hier, aan de andere kant van het plantsoen naar beneden.’

Ze aarzelde. Een wandeling door een stuk bos.

‘Je hebt het beloofd.’

Iets in de toon van zijn stem deed haar inzien dat ze zich aan haar belofte moest houden.

‘Wat is het voor iets?’

‘Dat zie je zo. Maar het is iets heel moois.’

Ze liepen verder. De weg ging naar beneden en algauw zag ze water tussen de bomen door. Hij zei geen woord. Aan de andere kant van het plantsoen, had hij gezegd, maar hun wandeling was een heel stuk langer. Ze wilde net zeggen dat ze niet verder wilde, dat het te koud was, maar zover kwam het niet.

‘Hier. Hier is het.’

Een gebouw en een bordje, maar het was te donker om te kunnen zien wat erop stond. Een ijzeren poort en een afrastering rondom. Hij week af van het wandelpad, liep naar het gaas en tilde het op, zodat er ruim een halve meter ruimte kwam tussen de grond en de onderkant van de afrastering. Hij knikte naar haar ten teken dat ze eronderdoor moest kruipen.

‘Mag dit wel?’

‘Geen probleem, ik ben hier al zo vaak geweest. Het geeft niks als er vlekken op je broek komen.’

Ze wilde niet, maar ze had het beloofd. Als ze nu weigerde, moest ze naar de stad lopen. Ze zuchtte, ging op handen en voeten zitten en kroop onder het hek door, stond op en klopte haar knieën af

Hij kwam achter haar aan.

Ze keek om zich heen. Boten afgedekt met dekzeilen. ‘Verboden toegang.’ Ze kon nu lezen wat er op het bordje stond: Årstadals Watersportvereniging.

‘Waar gaan we naartoe?’

‘Naar de steiger, daarginds. Aan de rechterkant.’

Het was koud zonder jas en ze rilde toen ze tussen de boten door liep naar waar de steiger begon. Ze deed wat hij had gezegd en liep de rechtersteiger op. Hij kwam vlak achter haar aan. Toen ze aan het eind van de steiger was, bleef ze staan en ze keek om zich heen. Aan haar rechterhand bos, aan haar linkerhand de wijk Södermalm, aan de overkant van het water.

Ze draaide zich om.

‘Wat wilde je nou laten zien?’

Hij keek uit over het zwarte water, alsof hij het antwoord zo lang mogelijk uit wilde stellen.

‘Iets wat je nog nooit eerder hebt gezien of meegemaakt.’

‘Wat is het dan?’

Ze werd ongeduldig en ze kreeg het koud.

Hij bleef doodstil staan. Toen legde hij zijn hand op zijn hart.

‘Hier.’

‘Hou toch op, zeg. Nu wil ik weg. Als je niet van plan bent mij een lift te geven, dan ga ik wel lopen.’

Een rimpel tussen zijn wenkbrauwen.

‘Waarom heb je altijd zo’n haast?’

‘Ik heb het koud.’

Van die woorden had ze meteen spijt, ze konden worden opgevat als een uitnodiging om haar te verwarmen.

Hij keek weer uit over het water.

‘Ik zal je laten zien wat echte liefde is.’

Toen keek hij weer in haar ogen.

‘Als je daar tenminste tijd voor hebt.’

Het begon onplezierig te worden, maar haar ergernis was groter dan haar angst.

‘Ik heb het toch al uitgelegd. Ik ben al getrouwd. Ik dacht dat we daarover uitgepraat waren.’ ‘Echte liefde, begrijp je wel, dat is wanneer je zoveel van iemand houdt dat je er alles voor wilt doen om degene van wie je houdt te krijgen.’

‘Alsjeblieft, zeg...’

Hij viel haar in de rede.

‘Zoveel hou ik van jou.’

‘Je kent me niet eens. Je hebt er geen idee van wie ik ben. En wat je ook zegt, je kunt mij niet dwingen om van jou te houden, zo werkt dat niet. Ik hou van mijn man.’

Plotseling keek hij bedrukt.

‘Ik wil alleen maar dat jij gelukkig bent. Waarom sta je mij niet toe jou gelukkig te maken?’

‘Nu wil ik echt weg.’

Hij zette een stap opzij en sneed haar de pas af. Ze probeerde aan de andere kant om hem heen te komen, maar hij bewoog mee.

Haar gevoel van onbehagen werd steeds sterker en ze besefte dat ze dat het beste toe kon geven.

‘Ik word bang van je.’

Hij glimlachte bedroefd en schudde zijn hoofd.

‘Hoe kun je nu bang voor me zijn? Ik heb toch gezegd dat ik van je houd. En dan wil je halsoverkop naar hém terug. Waarom laat je hem niet gewoon gaan? Of nog beter, vraag hem op te zouten.’

Ze wreef over haar armen om weer een beetje warm te worden.

‘Omdat ik van hem houd, bijvoorbeeld.’

Hij zuchtte.

‘Hoe kan iemand zoals jij van zo’n man houden? Je verdient veel beter. En Eva, als je echt eerlijk bent tegenover jezelf, dan weet je diep in je hart dat hij niet meer van jou houdt.’

Een plotselinge stoot door haar lichaam.

Eva? Verdorie, wat nu. Eva?

‘Hoe...’

Ze kon geen woorden vinden om de vraag te formuleren. De omstandigheden waren plotseling volledig veranderd.

‘Het is triest om te zien dat een vrouw als jij denkt dat ze net als

Linda moet worden om bemind te kunnen worden. Dat je zelfs haar naam gebruikt! Linda is een hoer, ze is niets vergeleken bij jou.’

Ze was met stomheid geslagen. Ze kon het allemaal niet meer plaatsen. Wie was de man tegenover haar? Hoe kon hij dat weten? Nu was ze bang, heel bang, de situatie absoluut niet meer meester. Iedere lichaamscel signaleerde dat ze zich moest verweren. Dat hij een grotere dreiging inhield dan ze ooit had kunnen denken.

‘Hoe kon je zo dom zijn te denken dat hij veranderd was, alleen om een paar rozen. Ik weet hoe zulke klootzakken in elkaar zitten.’

Hij hield de plastic tas die hij meegenomen had omhoog en leegde die boven haar hoofd. Instinctief sloeg ze haar handen voor haar gezicht om zich te beschermen. Ze voelde dat de inhoud op en over haar heen viel. Ze rook de geur. Ze keek naar haar voeten. Twintig rode rozen. Afgeknipt en meegenomen van haar tafel.

Ze keek hem verschrikt aan.

‘Nu krijg je ze daarentegen uit echte liefde. Maar ik mag nog niet eens even met mijn hoofd op jouw schoot liggen, terwijl ik echt van je houd, van je houd zoals je bent.’

Ze keek om zich heen. Aan alle kanten water. Geen mens. Er kwam een trein over de spoorbrug ver achter hem. Het geluid van de stad waar alles gewoon doorging. Vlakbij maar onbereikbaar.

‘Ik had je de tijd willen geven om in te zien dat je op mij kunt vertrouwen. Dat ik er altijd voor je zal zijn. Met Axel heb ik al kennisgemaakt, dus dat was geen probleem geworden als we gewoon rustig aan begonnen waren. Maar dat wil jij niet, jij dwingt mij te bewijzen hoeveel ik van je houd.’

Ze deed een stap naar achteren, voelde met haar voet achter zich en kwam tot de ontdekking dat ze gevaarlijk dicht bij de rand stond. Toen deed hij een stap in haar richting, legde zijn handen op haar schouders en keek haar recht in de ogen.

‘Ik hou van je.’

Ze merkte niet eens dat ze viel. Alleen dat een ijzige kou haar plotseling omringde en alle lucht uit haar longen perste. Haar lichaam kwam boven en haalde hijgend adem, een razende overlevingsdrang. Ze tastte naar de steiger, maar kon hem niet vinden. Het volgende ogenblik klemde zich iets om haar lichaam heen en trok haar naar beneden, onder water. Ze vocht uit alle macht om haar hoofd boven water te houden, zwaaiend met haar armen probeerde ze zich tegen het gewicht te verzetten. Toen voelde ze plotseling zijn lippen tegen de hare, zijn tong die haar mond binnendrong. Zijn benen hielden haar in een ijzeren greep omkneld en drukten haar naar beneden, het donker en de ijzige kou in. Tijd bestond niet. Alleen de verschrikking dat alles onvoltooid was, dat alles voorgoed te laat was. Toen voelde ze haar weerstand verslappen, ze merkte dat ze zich langzaam maar zeker voegde naar zijn wil en het opgaf.

Stilte. En in die stilte hoorde ze meer dan ze ooit eerder had gehoord.

Een grenzeloze stilte. Achter haar, voor haar, aan alle kanten.

Gewillig gaf ze zich over aan de vrede die haar omsloot.

Eindelijk.

Ze hoefde geen strijd meer te leveren.

Alles was goed.