·49·
Voor het eerst in lange tijd voelde Joe Knox zich goed. Hij had zijn volgers afgeschud en kon weer verder. Hij keek op de kaart, die op de stoel naast hem lag. De man van het busbedrijf had hem vrij nauwkeurig verteld waar Carr en zijn vriend uit de bus waren gestapt. Knox maakte een ruwe schatting. Waarschijnlijk was hij daar over een uur.
Toen hij daar aankwam, ging hij langzamer rijden en keek hij om zich heen. Je was hier echt ver van de bewoonde wereld. Maar misschien ook niet. Hij drukte op een paar toetsen van zijn navigatiesysteem en op het scherm verschenen de namen van plaatsen in de relatieve nabijheid. ‘Tanzburg, Mise, Divine, South Ridge,’ las hij hardop. Die plaatsen lagen in verschillende richtingen. Welke moest hij nemen? En wat deed hij als hij daar aankwam? Zijn ervaringen in het vorige kleine stadje waren niet zo gunstig geweest. Hij nam zich heilig voor om in elk geval niet meer met zijn federaal insigne te zwaaien. Omdat hij een vreemde was, zou hij toch al verdacht zijn. Als Carr nog in een van die plaatsen was, had hij zich misschien al bemind gemaakt bij de bewoners. Misschien kwam Knox terecht in iets wat hem uiteindelijk helemaal niet beviel. En de buschauffeur had gezegd dat Carr een jongeman bij zich had. Kwam die uit een van die plaatsen? Zo ja, dan had hij de chauffeur niet verteld uit welke.
Knox stopte langs de kant van de weg. Hij liet de motor draaien en keek naar het scherm van zijn navigatiesysteem. Hij zuchtte. Zelfs voor inlichtingenexperts kwam het soms op zoiets simpels neer.
Hij deed zijn ogen dicht en prikte met zijn vinger naar het scherm. Toen hij zijn ogen opendeed en zijn vinger terughaalde, zag hij de naam van de plaats. Hij had vijfentwintig procent kans dat hij goed zat.
Tanzburg, Virginia, ik kom eraan.
Hij zette de auto in de versnelling en reed de weg weer op.
Terwijl Joe Knox een zeldzaam moment van uitbundigheid beleefde, sloeg Annabelle met haar handen op het stuur. Ze hadden almaar in kringetjes gereden om het spoor op te pikken, maar toen ze voor de derde keer bij hetzelfde benzinestation stopten, was ze het parkeerterrein opgereden, had ze het busje met een ruk in de park -stand gezet en keek ze met een kwaad gezicht naar een hond die naast de pomp lag te zonnen en alleen nu en dan even overeind kwam om een onderzoekende blik op zijn geslachtsdelen te werpen.
‘Dit wordt niks, hè?’ zei Caleb.
‘Heel slim van jou!’ snauwde Annabelle.
‘Heb je nog een idee?’
Ze keek hem fel aan. ‘Waarom moet ik altijd met de ideeën komen, meneer de bibliothecaris?’
Caleb zei onverstoorbaar: ‘Ik vroeg het alleen maar omdat ik er zelf een heb. Een idee, bedoel ik.’
Ze trommelde met haar vingers op het stuur en keek hem afwachtend aan.
‘Wil je het horen?’ zei Caleb kribbig.
‘Ja!’ Ze schreeuwde het hem toe.
‘Ik hou er niet van als er tegen me wordt geschreeuwd.’
Ze boog zich naar hem toe. ‘Hou je er meer van als ik je uit deze roestbak sleur en je verrot schop?’
Caleb legde zijn hand op de portierhendel en deed alsof hij heel hard wilde wegrennen. ‘Als ik je nu eens gewoon mijn idee vertel?’
Annabelle pakte het stuur zo hard vast dat haar onderarmen trilden. ‘Dat zou ik heel erg fijn vinden,’ zei ze met haar tanden op elkaar.
‘Zie je wel? Een beetje beleefdheid is niet zo moeilijk.’ Toen hij haar woest naar hem zag kijken, ging hij vlug verder: ‘Oké, we gaan naar dat stadje terug waar ze hartaanvallen serveren in plaats van maaltijden. Jij gaat naar het busstation, dist je gebruikelijke portie leugens op, misschien trek je je rok een beetje omhoog, en dan koop je een kaartje en laat je je door de chauffeur op precies dezelfde plek afzetten als Oliver. Misschien heeft de man zelfs gehoord waar Oliver heen ging. Ik rij in het busje achter je aan, en als je daar bent, pik ik je op en zien we verder. Op zijn allerminst brengt het ons ongeveer in de buurt van waar Oliver is geweest. Hoe klinkt dat?’
Eigenlijk klonk het vrij goed, moest Annabelle toegeven. Ze zette het busje in de versnelling en reed de weg weer op om naar het stadje terug te gaan.
Calebs mobieltje zoemde. Het was Reuben. Hij sprak een paar minuten en verbrak toen de verbinding.
‘Nou?’ zei Annabelle.
‘Hij is hier ongeveer twee uur vandaan, zegt hij. Ik heb hem over het plan verteld en we zien hem daar.’
‘Goed.’
‘Dus je vindt het een goed idee van mij?’
‘Ik doe het, dus ik moet denken dat het énige waarde heeft,’ snauwde ze.
‘Annabelle, mag ik iets persoonlijks zeggen?’
Ze haalde diep adem. ‘Ga je gang.’
‘Je moet echt iets aan je woedeprobleem doen.’
Ze keek hem ongelovig aan. ‘Ik zit nu al zo lang in dit busje dat ik me niet eens meer de tijd kan herinneren dat ik niet in dit busje zat. Ik ben moe, ik ben vuil, ik maak me zorgen en ik voel me gefrustreerd. Oké? Ik heb geen woedeprobleem!’
Caleb glimlachte begrijpend. ‘Dat was een goede eerste stap om je gevoelens tot uiting te brengen. Alleen op die manier kun je echte vooruitgang boeken.’
‘Mag ik ook iets persoonlijks tegen jou zeggen?’ vroeg ze vriendelijk.
‘Natuurlijk.’
‘Of je wordt weer de lichtelijk amusante testosteron-Caleb, óf je gaat lopend terug naar Washington.’
Zoals te voorspellen was, reden ze nu in stilte.