·35·

Knox ging laat op de avond naar het cia -hoofdkantoor in Langley om te praten met mensen die hij al heel lang kende. Hij vertrouwde die mensen zo goed als hij tegenwoordig nog iemand kon vertrouwen. En wat nog belangrijker was: ze moesten niets van Macklin Hayes hebben. Hij stelde de vragen die hij moest stellen en kreeg de antwoorden. Sommige verrasten hem, andere niet. Het was nog maar een begin, maar het was meer dan hij een paar uur eerder had gehad.

Ongeveer in de tijd dat John Carr was verdwenen had de cia een van haar mensen verloren. Max Himmerling, die door zijn collega’s ‘Einstein’ werd genoemd, had tegen zijn pensioen aan gezeten toen hij in het buitenland bij een helikopterongeluk om het leven was gekomen. Zijn lichaam was zo ernstig verbrand dat het aan de hand van tandartsgegevens werd geïdentificeerd. Dit interesseerde Knox omdat het sterk leek op een typische Carter Gray-manoeuvre om een agent te elimineren die een onvergeeflijke daad had begaan. Himmerling was bijna zeventig. Hij bezat de fysieke vermogens van een koe en had de afgelopen dertig jaar op het hoofdkantoor in Langley gewerkt. Daarom was het bijzonder vreemd dat hij opeens ergens in het Midden-Oosten in een helikopter zat die in brand vloog. Toch durfde niemand bij de cia en in de Amerikaanse regering de omstandigheden van zijn dood in twijfel te trekken. Wat Himmerling had gedaan, moest wel iets heel verschrikkelijks zijn geweest, want hij was een waardevolle medewerker van de cia en van Carter Gray geweest. En hoewel blijkbaar niemand het hardop wilde zeggen, kon dat ‘iets’ weleens met John Carr te maken hebben. En Knox had nog iets anders ontdekt. Precies zoals hij had gedacht, waren de gegevens van de divisie Triple Six niet vernietigd. De cia , die blijkbaar moeilijk afstand kon doen van enig gedocumenteerd deel van haar verleden, hoe politiek incorrect dat achteraf ook was, had die gegevens naar een andere plaats overgebracht.

En dat bracht Knox op de volgende fase van zijn ‘parallelle’ onderzoek.

Die fase bracht hem naar verschillende locaties en hij was zich ervan bewust dat Hayes’ mannen hem volgden bij elke stap die hij zette. Toch was hij vrij goed gedekt, want hij deed onderzoek in opdracht van de man zelf. Via allerlei omwegen bereikte hij zijn uiteindelijke bestemming. Het vrij nieuwe en ultrageheime ondergrondse archiefcomplex van de cia bevond zich midden in honderdtwintig idyllische vierkante kilometers in de buurt van Charlottesville in Virginia, dertig kilometer ten westen van het Monticello van Thomas Jefferson. De cia had de grond meer dan twintig jaar geleden voor een uitzonderlijk goede prijs gekocht; het had de Amerikaanse belastingbetaler maar elf miljoen dollar gekost. Dat was verreweg het goedkoopste deel van het project geweest.

Het complex had schuren, stallen, paardenweiden en zelfs een statig koloniaal landhuis dat zogenáámd eigendom was van een multinationale onderneming die haar hoofdkantoor in België had, die het zogenáámd gebruikte voor managementbijeenkomsten. Inderdaad kon je enkele keren per jaar lange konvooien van limousines en suv ’s met Vlaams sprekende managers, behangen met camera’s, over het kronkelende grindpad naar het landgoed zien rijden. De cia gaf een miljoen dollar per jaar uit om deze mythe in stand te houden en vond dat elke dollar goed besteed was.

Snelle liften in het landhuis en twee van de schuren gaven toegang tot een groot ondergronds labyrint van betonnen tunnels, bunkers en kamers die beschermd waren tegen elke vorm van afluisteren. Het klonk erg James Bond-achtig, en toch waren er nog meer van zulke faciliteiten in het land. Bij twee gelegenheden hadden nieuwsgierigen kans gezien een deur van zo’n complex open te krijgen – een keer in het noordwesten van het land en een keer in Nevada – en hadden ze gezien wat daarbinnen werkelijk gebeurde. Knox had nooit geweten wat er met die onfortuinlijke mensen was gebeurd. Desinformatieteams van de dienst zouden wel de mythe hebben verspreid dat ze ontvoerd waren door buitenaardse wezens. Dat was gewoon de prijs die moest worden betaald om het werk te kunnen doen en de Amerikanen veilig te houden. Nou ja, behalve dan degenen die de pech hadden deuren te openen die ze dicht hadden moeten laten.

Toen het voltooid was, had het ondergrondse labyrint het Amerikaanse volk niet meer dan een miljard dollar gekost, waarvan geen cent verantwoord werd in een budget van de Amerikaanse overheid. De bouwvakkers werden overgeplaatst zonder dat ze ooit precies hadden geweten waar ze waren geweest. Evengoed was geheimhouding een dure aangelegenheid en had de cia heel veel geheimen. En overheden hadden honderden miljarden dollars voor dit soort projecten beschikbaar. Op dat financiële niveau huurde je niet zomaar ergens kantoorruimte; je bouwde betonnen steden onder vervallen schuren.

Toen Knox met de lift naar beneden ging, nam hij zijn volgende stap voor de honderdste keer zorgvuldig door. Hij bezat zo ongeveer alle veiligheidsclearances die je maar kon hebben, maar niet de machtigingen die je nodig had om te komen op de plaatsen waar hij nu wilde komen. Iemand die hem zo’n machtiging zou kunnen geven was Macklin Hayes. Om de man tot medewerking te bewegen zou Knox de spionnenleider te slim af moeten zijn. Het zweet onder Knox’ oksels bleef zich verspreiden, terwijl de lift hem omlaag bracht naar een niveau waar de temperatuur constant zestien graden was.

Enkele ogenblikken later liep Knox rustig naar zijn bestemming toe. Op weg daarheen onderging hij nog meer identiteits- en fotocontroles, gevolgd door scans van netvlies en vingerafdrukken. Hij moest telkens weer zijn clearances en machtigingen laten zien. Mannen met strenge gezichten controleerden hem op alle mogelijke manieren voordat ze hem met tegenzin doorlieten. Blijkbaar vonden spionnen het niet eens prettig dat medespionnen bij hen op bezoek kwamen en hun gegevens doornamen. Knox had één voordeel. Hij had een vriend die hier werkte: Marshall Saunders. Nadat hij alle controles had ondergaan, zat Knox een halfuur in het kantoor van die man.

‘Tijdje geleden, Joe,’ zei de vriend. Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gaf zijn bezoeker een hand. Iedereen hier beneden droeg een trui en Knox huiverde ondanks zijn jasje.

‘Jullie hebben het zaakje opgedirkt sinds ik hier de vorige keer was, Marsh,’ zei Knox.

‘De bezuinigingsdrang is nog niet onze kant op gekomen. Alleen maar geluk gehad, denk ik.’

Het was meer dan een kwestie van alleen maar geluk, wisten beide mannen. Op iets waar je niets van wist kon je niet bezuinigen.

‘Ik zal onze tijd niet verspillen. Ik doe een geheim onderzoek voor Macklin Hayes.’

‘Dat is me verteld. Hoe gaat het trouwens met de generaal?’

‘Hetzelfde.’ Knox liet de interpretatie van die opmerking aan zijn vriend over. Marshall, die door iedereen Marsh werd genoemd, had drie jaar rechtstreeks onder Hayes gediend. Dat betekende dat hij niet voor al te grote verrassingen zou komen te staan als hij na zijn dood naar de hel ging.

Knox vertelde hem wat hij wilde inzien en zijn vriend trok een onbehaaglijk gezicht. ‘Dan moet ik de man bellen.’

‘Dat weet ik,’ zei Knox. ‘Ik dacht er pas aan toen ik al op weg hierheen was, anders zou ik het groene licht al hebben gekregen. Het zal geen probleem zijn.’ En met zo’n brede glimlach als hij maar kon produceren, voegde hij eraan toe: ‘Aan de andere kant: als ik verdwijn, weet je dat ik me daarin vergiste.’

Marsh grijnsde niet eens om die grove grap en Knox voelde dat zijn achterste zich plotseling samentrok.

De telefoonverbinding kwam tot stand en de man gaf de telefoon aan Knox.

Als een ver gerommel van de donder, voorbode van naderend onweer, blafte Hayes: ‘Wat is er, Knox?’

‘Ik bedacht net iets nieuws, generaal, maar ik moet nog een paar dingen uitzoeken.’

‘Leg dat eens uit. Maar zeg eerst tegen Marsh dat hij weg moet gaan.’

Knox keek naar zijn vriend, die de hint meteen begreep, opstond en wegging. Als hij al kwaad was omdat hij uit zijn eigen kantoor werd geschopt, liet de door de wol geverfde agent dat niet blijken.

Knox trok zijn schouders in en hield de telefoon stevig vast. ‘Ik moest aan iets uit Carrs verleden denken.’

‘Wat precies?’

Knox aarzelde niet. ‘Zijn Triple Six-tijd.’

‘Knox...’

‘Ik weet wat u al eerder hebt gezegd, generaal, maar mijn theorie is als volgt. Als Carr bij Triple Six was en als er vroegere collega’s van hem werden gedood...’

‘Dat is verboden terrein.’

Knox zei: ‘Ik weet dat Finn en zijn achtergrond verboden terrein zijn, maar om Carr te kunnen opsporen moet ik weten waar die kerel vandaan komt.’

‘Het lijkt me niet relevant...’

Knox had die tegenwerping verwacht en onderbrak hem. ‘Met alle respect, maar als u gaat bepalen wat in deze zaak relevant is en wat niet, moet u iemand anders zoeken om het voor u op te knappen.’

‘Ik wil niet...’

‘Als u resultaten wilt, generaal, moet ik zeggenschap hebben over mijn eigen onderzoek. U hebt mij erbij gehaald om een karwei op te knappen. Laat me dat dan doen!’

Knox wachtte op het antwoord van de man en deed zijn best normaal adem te halen. Hij gokte erop dat Hayes met de gewenste reactie zou komen, maar deze insubordinatie zou Knox ook lelijk kunnen opbreken. Heel lelijk. Bijvoorbeeld dat hij als de gesmeerde bliksem naar Afghanistan werd gestuurd om daar gezellige onderonsjes met Osama’s jongens in de bergen aan de Pakistaanse grens te hebben.

‘Ik luister.’

Knox vloog op de automatische piloot. ‘Carr weet dat we achter hem aan komen. Hij is al zo lang op de vlucht. Zoals u al zei blijft hij zijn vrienden trouw. Hij zal zo ver mogelijk bij hen vandaan willen zijn. Evengoed heeft hij dekking nodig. Hij heeft hulp nodig.’ Knox zweeg even om de woorden tot de generaal te laten doordringen. Hij wilde dat Hayes het zei. De man moest het zelf zeggen.

‘Denk je dat hij een vroegere Triple Six-collega om hulp gaat vragen?’

Dank je, God. ‘Nou, generaal, bekijkt u het eens vanuit mijn standpunt. Hij maakt Gray en Simpson koud en gaat er dan vandoor. Hij houdt zich verre van zijn vrienden uit het burgerleven. Hij weet dat het hele apparaat achter hem aan zit en moet dus ergens dekking zoeken. Die kerels zullen inmiddels gepensioneerd zijn, en diep ondergedoken. Als ik ex-agenten op het spoor kan komen met wie Carr een nauwe band had en als ik hen kan schaduwen of het uit hen kan slaan, kunnen we misschien vat op die kerel krijgen. Het is een bot middel, maar misschien werkt het. Ik weet dat het u niet kan schelen hoe we ons doel bereiken, zolang we het maar bereiken. U weet net zo goed als ik dat hoe langer Carr vrij rondloopt des te groter de kans is dat hij iets doet wat óns schaadt.’

Als Knox ‘ons’ zei, bedoelde hij natuurlijk ‘u’.

Hij wachtte weer. Hij kon bijna horen hoe de vonken tussen de synapsen van de generaal oversloegen. De man zou bijna alle denkbare aspecten overwegen van wat Knox hem zojuist had voorgesteld.

Bíjna alle denkbare aspecten. Hopelijk niet het aspect waar het om draaide.

‘Misschien is het de moeite waard om het na te gaan,’ zei Hayes ten slotte.

‘En voor alle duidelijkheid: dat is maar een bijkomstig onderzoek.’ Knox wilde de man een bot toewerpen waarmee hij zich tevreden kon stellen. ‘Ik volg intussen ook andere sporen. We kunnen alleen maar hopen dat er iets uit voortkomt.’

‘Geef me Marsh, dan kan ik hem de noodzakelijke machtigingen geven.’

‘Dank u, generaal.’ Klootzak.

Hayes praatte met Marsh en twintig minuten later werd Knox naar een van de geheimste gedeelten van een van de geheimste complexen van de Verenigde Staten gebracht.

De rechtvaardigen
titlepage.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_0.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_1.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_2.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_3.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_4.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_5.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_6.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_7.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_8.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_9.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_10.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_11.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_12.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_13.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_14.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_15.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_16.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_17.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_18.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_19.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_20.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_21.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_22.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_23.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_24.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_25.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_26.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_27.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_28.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_29.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_30.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_31.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_32.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_33.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_34.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_35.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_36.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_37.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_38.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_39.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_40.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_41.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_42.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_43.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_44.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_45.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_46.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_47.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_48.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_49.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_50.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_51.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_52.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_53.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_54.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_55.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_56.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_57.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_58.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_59.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_60.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_61.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_62.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_63.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_64.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_65.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_66.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_67.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_68.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_69.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_70.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_71.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_72.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_73.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_74.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_75.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_76.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_77.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_78.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_79.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_80.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_81.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_82.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_83.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_84.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_85.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_86.xhtml
awb_-_De_rechtvaardigen_split_87.xhtml