36.

De baby heeft zich mijn hele romp toegeëigend. Een priemende voet drukt tegen mijn longen, terwijl haar hoofd mijn blaas wegdrukt. Met volle kracht duwt ze met haar knieën tegen mijn huid, die als een strakke deken haar lijfje bedekt. Mijn innerlijke behuizing wordt te krap. Al die maanden heeft ze kunnen groeien met alles wat mijn lichaam bood. Ik ben uitgeput, maar rusten kan ik niet. Elise is doodziek. Zowel fysiek als mentaal.

‘Heel goed,’ zei de arts van het Kenniscentrum Infectieziekten na zes weken. ‘De kuur doet zijn werk.’

Maar sprake van verbetering is er nog niet. De antibiotica heeft Elises pijn verscherpt, de depressie verdiept, oude Lyme-klachten laten opleven, een voortdurende hoofdpijn veroorzaakt en een overheersende misselijkheid teweeggebracht. Het legt Elise volledig lam. In ons huis op het vakantiepark ligt ze afwisselend op het bed en de bank, terwijl ik loodzware emmers vol muurverf één voor één in de achterbak van de Beetle laad, boodschappentassen vol etenswaren naar ons nieuwe huis til, en ontbrekende klusbenodigdheden bij de plaatselijke bouwmarkt ophaal om de laatste taken te faciliteren die gedaan moeten worden in het nieuwe huis. Een handjevol familie en vrienden werkt zich voor ons in het zweet, zodat we nog voor de geboorte kunnen verhuizen. Eindelijk breekt de dag aan waarop de vrachtwagenchauffeur de opslagcontainers met onze huisraad op de stoep takelt. Onze behulpzame vrienden halen ze leeg, terwijl ik, met mijn handen gevouwen onder mijn loodzware buik om het gewicht enigszins te verlichten, uitleg waar alles moet komen te staan en Elise in de cottage haar pijn wegslaapt.

Als Elise aan het einde van de dag de ingerichte woonkamer binnenkomt, zucht ze merkbaar opgelucht, al staan haar ogen dof.

‘Al mijn spullen weer om mij heen.’

‘Wil je de rest van het huis ook zien? Iedereen heeft zo hard gewerkt. De slaapkamers zijn ook al ingericht. En alle overige dozen zijn opgeruimd achter de knieschotten op zolder. Het hele huis is klaar,’ zeg ik verwachtingsvol.

‘Sorry, nu even niet. Straks.’ En ze ploft neer op de bank en drukt op de afstandsbediening om de tv aan te zetten. ‘De pijn is onhoudbaar.’

Teleurgesteld ga ik naast haar zitten en ik voel hoe mijn baarmoeder samentrekt. Alsof mijn lichaam heeft gewacht op de definitieve verhuizing, lijken de harde buiken de laatste uren op beginnende weeën.

‘Elise, ik weet het niet zeker, misschien zijn het voorweeën, maar het zou best kunnen dat de baby vannacht komt.’

Verschrikt kijkt ze me aan.

‘O nee, niet vannacht,’ zegt ze kreunend.

Een vlaag van woede borrelt in mij naar boven.

‘Als ze komt, dan komt ze, Elise. Ik kan haar moeilijk in mij houden,’ zeg ik bozer dan ik wil.

Elise laat haar schouders zakken. Het kleine beetje energie dat ze nog in zich had, vliegt weg.

‘Dat weet ik, maar ik voel me zo beroerd en somber. Het spijt me.’

Een kort moment kijkt ze me aan. Dan sluit ze haar ogen. Uit schaamte. Haar hand ligt op haar been. Ik onderdruk de neiging om die hand vast te pakken om haar te troosten. Ik doe het niet. De klok tikt enkele secondes weg.

‘Ik wil dit niet, Marjolein. Ik voel me zo doods. Ik wil geluk voelen als onze dochter geboren wordt.’

Mijn hoofd wordt zwaar. De druk op mijn ogen neemt toe en de tranen van onmacht vinden een weg naar buiten. Ik wil Elise terug. De Elise die er voor mij was toen ik rouwde om Lila, de Elise met wie ik uren kon praten, met wie ik kon lachen en met wie ik de liefde vierde.

‘Ik wil stoppen met de antibiotica,’ zegt Elise plots.

De stem van de arts van het Kenniscentrum buldert denkbeeldig om ons heen: ‘Niet stoppen, Elise. Wees geen opgever.’

Gevolgd door de stem van Ancel: ‘Deze kans moet je aangrijpen, Elise. Als je nu stopt, zul je over een paar maanden wéér hierdoorheen moeten. En dan is alles nog zwaarder. Dan hebben jullie een baby te verzorgen. Zet door, Elise. Voor je dochter.’

Rot op, schreeuw ik in gedachten tegen ze. Het is niet jullie leven. Hoe moeten we zo ooit een kind op de wereld gaan zetten? Het is niet te doen. De strijd is gestreden. Het is klaar. Het enige wat ik wil, is mijn Elise terug.

‘Ik sta achter je,’ zeg ik. ‘Stop maar.’

Elises mondhoeken krullen omhoog. Ik voel alle spanning uit mij wegglijden en ik vlij mijzelf tegen Elise aan. Ze slaat haar arm om mij heen en kust mij op mijn hoofd, terwijl haar hand op mijn buik rust en ik voel hoe mijn baarmoeder zich ontspant en de lichte weeën wegtrekken.

Vanaf het moment dat Elise de antibioticapillen niet meer slikt, knapt ze zienderogen op. Alle klachten van de afgelopen weken verdwijnen. Wat overblijft is de pijn in haar middenrif en de chemische hel, maar door de zware omstandigheden van de kuur zijn de oude klachten beter te verdragen. En als de bevalling zich enkele dagen later, diep in de nacht, aandient, is Elise er klaar voor om mij te ondersteunen. Ze rijdt mij naar het ziekenhuis en duwt mij in een rolstoel naar de verlosafdeling. In een flits zie ik de deur langs me gaan waar Lila in stilte ter wereld kwam. Richt je op dit kind, beveel ik mijzelf, terwijl ik in de rolstoel word voortgeduwd.

In de kraamkamer komt Elise naast mij zitten op het bed. Samen zuchten we de weeën weg. Ze masseert mijn rug als de pijn mij te veel wordt en ze voelt het aan als ze mij met rust moet laten als ik tijdens de pieken van de weeënstorm in mijn eigen cocon duik. Eerder dan ik verwacht, voel ik de persdrang. De natuur neemt de controle van mij over. Mijn baarmoeder trekt zich samen. Een oerkreun ontsnapt uit mijn mond. De drukkende beweging duwt mijn kind richting geboorte.

‘Ik ben zo trots op je. Je doet het zo goed,’ fluistert Elise in mijn oor en ze knijpt in mijn bovenarm.

Ik schrik als ik tussen twee persweeën door een vrouw de kraamkamer zie binnenkomen. Het gezicht dat ik maandenlang in mijn dromen heb gezien, terwijl ze de woorden sprak: ‘Het is niet goed. De baby leeft niet meer.’

Ditmaal komt ze opgewekt op mij af en geeft mij een hand.

‘Dag mevrouw Kramer, ik ben Ingrid, klinisch verloskundige.’ Even houdt ze stil en kijkt mij doordringend aan. ‘Heb ik u eerder gezien?’

‘Ja,’ stotter ik, ‘anderhalf jaar geleden bij de echo tijdens mijn vorige zwangerschap, toen u constateerde dat mijn baby niet meer leefde.’

Aan de haast onmerkbare mimische verandering in haar gezicht zie ik dat ze het zich herinnert.

‘O sorry. Wilt u dan wel dat ik deze bevalling begeleid?’ vraagt ze.

‘Graag,’ zeg ik impulsief. ‘Een positieve ervaring om de vorige te verwerken.’

Nog voordat ik er langer over na kan denken, neemt de volgende perswee met een oerkreun bezit van mij.

Ik pers en pers. Ik geef alles wat ik heb. Uit alle macht probeer ik mijn kindje de wereld in te duwen. Het schiet niet op. In mijn verwachting zou de uitdrijving van een tweede voldragen baby sneller moeten gaan dan bij de eerste.

‘Kijk Elise,’ zegt Ingrid, ‘de baby gaat de spildraai maken.’

Geïnteresseerd kijkt Elise met de verloskundige mee, terwijl ik lig te persen.

‘O nee,’ roept Ingrid uit. ‘Marjolein, zet je schrap. Je gaat een sterrenkijker baren.’

De pijn is ondraaglijk. De druk te groot. Alsof ik ieder moment van onderen uit elkaar kan scheuren. Ik wacht de persweeën niet meer af. Dit kind moet eruit. Het is niet vol te houden. Ik neem een nieuwe hap lucht.

‘Het schoudertje zit vast,’ seint Ingrid naar de verpleegkundige zonder woorden.

Er is geen tijd voor uitleg. Ze grijpen allebei een van mijn benen vast en buigen het in een vloeiende beweging richting mijn hoofd. Ik begrijp het niet. Verschrikt kijkt Elise van mij naar de verloskundige en terug. De baby moet eruit. Welke houding dan ook. Het maakt mij niet meer uit. En dan voel ik hoe mijn baby loskomt. Hoe ze mijn lijf verlaat en de druk afneemt. Ik reik met mijn handen naar mijn kind tussen mijn benen. Nat, glibberig, maar bovenal warm en vol leven. Ik pak haar op en leg haar op mijn buik. Ze is prachtig. Ik zoek Elises ogen en zie tranen rollen over haar wangen.

‘Nu ben je ook mama, Elise.’

Ze drukt haar lippen op de mijne en we kussen elkaar intens.

‘Gefeliciteerd met jullie dochter, dames,’ zegt Ingrid. ‘Hoe gaat ze heten?’

Tegelijkertijd spreken we trots haar naam uit.

‘Merel.’