33.
Hoog in de lucht kristalliseert de regen door de dalende temperatuur. De vallende sneeuw legt een deken in het bosrijke landschap en ontneemt mij het zicht als ik in het donker over de smalle wegen met de Beetle vol boodschappen terugrijd naar het vakantiepark. Onder de carport breng ik de auto tot stilstand. De sneeuw kraakt onder mijn schoenen als ik naar de cottage loop. Door de verlichte ramen zie ik Elise op de bank zitten. Haar ogen gesloten. Onbewogen. Zo zal ze eruitzien als ze dood is, gaat het in een flits door mij heen. De vrieskou van buiten die mij omringt, wordt verdrongen door de opgestookte warmte als ik de woonkamer binnenkom. Elises oogleden schieten open. Gelukkig.
‘Marjolein.’
De intonatie die gepaard gaat bij het uitspreken van mijn naam verontrust mij.
‘Wat is er?’ vraag ik zo neutraal mogelijk om mijn bezorgdheid te verbergen.
‘Ik heb post ontvangen van de verzekeringsmaatschappij.’
‘En?’
‘Afgewezen.’
‘Wat?’ roep ik uit en ik voel mijn hart bonzen in mijn borst.
‘Ik heb de verzekeraar al gebeld om te vragen of er een uitsluitingsclausule mogelijk is, maar daar doen ze niet aan.’
‘Op basis waarvan ben je afgewezen?’ vraag ik, hoewel de betekenis van de woorden amper tot mij doordringt.
‘De hoogte van de medicatie vormt een te groot risico, vinden ze. De uitspraak is definitief, werd mij telefonisch benadrukt.’
Verslagen laat ik mij naast Elise op de bank zakken.
‘Godverdomme!’ krijst Elise, na een stilte waarin we het nieuws tot ons door laten dringen.
Ze grist haar glas van tafel en smijt het met volle kracht tegen de muur. Met mijn ene arm scherm ik mijn gezicht af, met mijn andere arm mijn buik, om mijzelf te behoeden voor de rondvliegende scherven.
‘Alles gaat mis! De nog altijd toenemende pijn, de dagelijks terugkerende chemische hel, een uitzichtloze situatie in alle opzichten. Ik durf niet meer naar bed, Marjolein. Elke avond ben ik bang voor de nieuwe dag. Ik kan niet meer.’ Ze trekt haar benen op en legt haar armen eromheen, terwijl ze haar hoofd laat steunen op haar knieën en haar schouders wild schokken.
Verschrikt kijk ik naar haar. Ze ontglipt mij. Ze verdwijnt meer en meer naar het donker. Alles doe ik om haar te ontlasten. Zwanger en al kook ik, houd ik het huis schoon, doe ik de boodschappen, zorg ik voor Valentijn en praat ik alle dagen urenlang met Elise om haar weg te trekken uit haar duisternis. Wordt dit niet te zwaar voor mij om te dragen? Is de afwijzing van de verzekeraar niet een vrijbrief om mijn eigen weg in te slaan? Is de situatie waarin we nu verkeren hopeloos? Zal de vrolijke, krachtige, liefdevolle Elise die ik een jaar geleden heb leren kennen, maar die de afgelopen maanden bijna onmerkbaar is overgenomen door deze depressieve schim van zichzelf, terug kunnen keren? Is er een weg terug? Hoeveel kans hebben wij op een gelukkig leven, ondanks de chroniciteit van haar ziekte en de beperkingen die die met zich meebrengt? Waar ligt de grens? De vragen struikelen over elkaar heen in mijn hoofd. Stop! schreeuw ik in mijzelf. Elise was er voor mij in de zwaarste tijd van mijn leven. Ik kan haar niet alleen laten. Ik hou te veel van haar. Mijn liefde voor Elise is groter dan de angst voor onze toekomst. Het is sterker dan de zwaarte van haar depressie. Ik wil er zijn voor haar.
‘Ik kan niet meer,’ snikt Elise.
‘Elise?’ vraag ik zacht.
Haar gezicht zit verborgen in het donkere zelfgecreëerde hol tussen haar dubbelgevouwen benen en haar armen die haar benen omsluiten.
‘Elise?’ zeg ik nadrukkelijker.
Ze heft haar hoofd en kijkt me wezenloos aan.
‘Beloof je dat je geen zelfmoord pleegt? Ik ben bang, elke keer als ik de sleutel in het slot steek. Bang om jou te vinden. Levenloos.’
Elise verstijft. Indringend kijkt ze me aan en ik zie hoe het leven in haar ogen terugkeert. Dan ontspant ze zich en haar blik verzacht.
‘Ik beloof het,’ antwoordt ze oprecht. ‘Echt. Je hoeft niet bang te zijn.’
Elise meent het. Ik weet het zeker en het stemt mij gerust.
‘Koffie? vraagt een onbekende, maar vriendelijke hypotheekadviseur een dag later, nadat hij ons binnen heeft gelaten in zijn kantoor.
‘Graag,’ antwoorden Elise en ik, en we hangen onze jassen over de rugleuning van de stoelen.
We hebben nog slechts een week te gaan voor het aflopen van de financieringstermijn. Om onder het koopcontract uit te kunnen komen moeten we noodgedwongen zo snel mogelijk een tweede afwijzing regelen bij een andere bank dan de onze. Een boete van 10% van het aankoopbedrag van de woning hangt ons anders boven het hoofd. De adviseur duwt de deur met zijn voet open en houdt een dienblad met drie koppen koffie vast.
‘Vertel, wat kan ik voor jullie doen?’ vraagt hij en één voor één haalt hij de kopjes van het dienblad.
Afwisselend brengen Elise en ik ons verhaal.
‘Natuurlijk wil ik voor jullie een afwijzing proberen te regelen, dat zal ik sowieso doen, maar daarnaast stel ik voor om een aanvraag te doen bij een andere verzekeringsmaatschappij die iets minder streng is in het accepteren van een overlijdensrisicoverzekering voor chronisch zieken. Als de verkopende partij bereid is tot uitstel van de financieringstermijn, geeft dat jullie, hoewel klein, een kans op de woning.’
‘Maar de bank waar we onze hypotheek moeten onderbrengen, omdat dat de enige bank is die Elises uitkering volledig meerekent, doet wat betreft overlijdensrisicoverzekeringen alleen zaken met de maatschappij die Elise al heeft afgewezen,’ leg ik uit.
‘Ogenblik,’ zegt de hypotheker en hij draait zich naar zijn beeldscherm toe. Zijn vingers dansen over het toetsenbord.
In Elises ogen zie ik een vertwijfelde blik als ze naar mij kijkt. Onze handen zoeken elkaar en onze vingers verstrengelen zich.
‘Ik lees hier dat het ongebruikelijk is bij jullie bank om een verzekering via een andere maatschappij af te nemen, maar mogelijk is het wel,’ zegt de adviseur. ‘Als jullie de financieringstermijn nog een maandje zouden kunnen rekken, dan hebben jullie in ieder geval nog een kans.’
Na een overleg van een uur waarin wij alle gegevens die de hypotheekadviseur van ons nodig heeft aandragen, geeft hij ons een hand.
‘Zodra ik meer hoor, laat ik het jullie weten.’
‘Het is akkoord. De financieringstermijn wordt verlengd met een maand,’ zegt de makelaar van de verkopende partij door de telefoon aan mijn oor een paar dagen later.
Elise en ik bereiken op dat moment glibberend door de drassige sneeuw de trap van de verslavingszorg. De gladde zool van mijn linkerlaars glijdt weg door een scheefliggende stoeptegel en ik grijp de arm van Elise vast om mijn balans te hervinden, terwijl ik de telefoon steviger tegen mijn oor druk.
‘Mijn cliënten hebben het moment van overdracht van hun aangekochte woning kunnen verschuiven. En die verkopers op hun beurt ook weer. Een domino van vier koopwoningen. Alles moest worden opgeschoven. Een hoop geregel, maar het is gelukt.’
De consequentie overvalt me. Zo veel betrokkenen die indirect wachten op een definitief akkoord van ons, terwijl wij weten dat de kans onnoemelijk klein is dat we de hypotheek krijgen toegewezen. De verantwoordelijkheid voelt loodzwaar als ik besef dat wij niet de enigen zullen zijn die benadeeld gaan worden.
‘Wat een geweldig nieuws,’ zeg ik en ik probeer positief te klinken om geen argwaan te wekken. ‘Als alle bankzaken rond zijn, neem ik opnieuw contact met u op.’
Het voelt als een leugen.
De elektronische schuifdeuren openen zich en gearmd stappen Elise en ik de hal binnen.
‘Goedemorgen,’ zegt de baliemedewerkster van de verslavingszorg opgewekt en ze kijkt naar het computerscherm. ‘Ja, Elise. Ik zie je in de agenda staan. Jullie worden zo opgehaald.’ Ze drukt op de knop, waarmee ze ons binnen laat en we plaats kunnen nemen in de wachtruimte.
Het goede nieuws van de makelaar wordt overschaduwd door de spanning voor het gesprek dat gaat komen. Elise neemt mijn hand in de hare, als we in stilte in de wachtruimte zitten tot we worden opgehaald.
‘Ben je suïcidaal?’ vraagt Ancel bezorgd, nadat Elise hem op de hoogte heeft gebracht van haar verslechterende situatie.
Kristel draait haar hoofd abrupt om.
‘Ancel!,’ roept ze, verbolgen over de directheid van haar collega.
‘Eenmaal per week krijgt Elise een extreme hoeveelheid medicatie van de apotheek. Die ík voorschrijf,’ rechtvaardigt Ancel zijn vraag, terwijl hij Kristel aankijkt.
‘Nee, ik ben niet suïcidaal,’ stelt Elise hem gerust. ‘Ik heb Marjolein beloofd het nooit meer te doen. Ik vecht mij hier doorheen. Maar er moet wel iets veranderen.’
‘Zou het gebruik van antidepressiva Elise kunnen helpen?’ vraag ik.
‘Elise heeft in het verleden alle versies al uitgeprobeerd, Marjolein. De medicatie heeft helaas geen vat op haar depressie. Het enige wat we nog kunnen doen,’ en hij richt zijn blik op Elise, ‘is opnieuw de Lyme aanvechten. Uiteindelijk is dat de grote boosdoener. Ik zou het Kenniscentrum Infectieziekten van het UMC Benedictus aan kunnen schrijven. Misschien kunnen zij nog iets betekenen in de genezing of in ieder geval in de verbetering van je gezondheid.’
Ancels toezegging om deze week nog contact te zoeken met het Kenniscentrum in de hoop dat ze nog iets voor Elise kunnen doen en het intensiveren van Elises gesprekken met Kristel om de depressie aan te pakken, zorgen ervoor dat we positiever gestemd het pand van de verslavingszorg verlaten.