34

 

 

Ik was het gebouw nog niet uit of ik pakte mijn telefoon al om mama te bellen. De afgelopen weken had ik voorzichtig weer contact met haar gezocht. Meestal was het zo dat als het contact met mijn ene moeder verwaterde, de andere belangrijker voor me werd. Toch had ik een nogal wee gevoel in mijn maag. En de dringende behoefte om haar om vergeving te vragen.

‘Het spijt me vreselijk dat ik al die jaren zo wantrouwend ben geweest,’ begon ik hakkelend toen ik haar stem hoorde aan de andere kant van de lijn. ‘Nu ik bij Jeugdzorg inzage heb gekregen in de dossiers ben ik me er pas bewust van geworden hoezeer ik heb geloofd in de leugens die ze me mijn leven lang hebben voorgeschoteld.’

Ook nu hoorde ik geen verbittering in mama’s antwoord. Het leek alsof ze in haar ruimdenkendheid wel wist dat ‘ze’ het waren geweest die haar dochter van haar hadden vervreemd.

‘Katrin,’ zei ze, en nu lukte het me wel om haar meteen te geloven, ‘jij was het enige pressiemiddel dat ze tegen me hadden. Ze wilden me onder druk zetten door te dreigen jou van me af te nemen.’ Mama gaf me de tijd om haar uitspraak op me in te laten werken. Kinderen in ruil voor aanpassing aan het systeem? ‘Maar dat heb ik niet toegelaten,’ voegde ze daaraan toe.

Nu schoot me weer te binnen wat mama me een keer had verteld en wat ik toen niet had willen geloven. Om haar tijdens haar gevangenschap tot medewerking te dwingen, hadden ze haar in 1972 onder aangescherpt regime in een isoleercel gezet. Op een ochtend werd ze naar de verhoorruimte gebracht, waar de verhoorofficier haar vormelijk had gevraagd of ze van gedachten was veranderd en mij ter adoptie wilde afstaan. ‘Over mijn lijk,’ had ze koppig geantwoord. ‘We hebben uw toestemming ook helemaal niet nodig, hier is het vonnis,’ was zijn afgemeten commentaar.

Mama had onthutst naar het document gekeken en niet goed kunnen zien wat er stond. Maar de officier nam, zo vertelde ze, iedere twijfel over de inhoud weg. ‘We hebben het al geregeld. De adoptie is al in gang gezet. We hebben uw toestemming niet nodig!’ Het getouwtrek om haar medewerking bleek een machtsspelletje te zijn geweest. Wellicht hadden haar kwelgeesten gehoopt dat ze mijn moeder nog tot een tegenprestatie konden verleiden, bijvoorbeeld in de vorm van spionagewerkzaamheden.

Tevergeefs. Want als reactie op deze verklaring was ze, zo beschreef ze me die dag, regelrecht uit haar vel gesprongen. Vanaf dat moment had ze immers niets meer te verliezen gehad. De kinderen voor wie ze moest zorgen waren in een tehuis ondergebracht, en nu zou de jongste van de twee haar ook nog voor de rest van haar leven worden afgenomen. Op dat moment moet mama zich tot in het diepst van haar ziel bedrogen hebben gevoeld. Wat had ze gedaan dat haar het ergste overkwam wat een moeder kon overkomen? Mama gaf toe dat ze op dat moment niet meer kalm en weloverwogen reageerde. Haar uitzichtloze situatie dreef haar tot een regelrechte aanval van razernij.

Het enige wat ze daarmee bewerkstelligde was aanscherping van haar eenzame opsluiting. Haar verzet was voor de verantwoordelijken aanleiding om hun gevangene nog erger te treiteren en te kwellen. Op een gegeven moment had de staat zijn doel bereikt: de levensmoed van mijn moeder was gebroken.

Het bestaan dat ze nu onder schamele omstandigheden leidde, kwam me voor als de echo van haar verwoeste leven. Het was duidelijk dat ze grote moeite had om andere mensen toe te laten, hen een blik in haar leven te laten werpen. Zelfs toen het onderdrukkingsapparaat al lang en breed geschiedenis was wilde ze niet over haar nare ervaringen praten. Hoewel we in die tijd weer regelmatig met elkaar telefoneerden, voelde ik duidelijk dat ze me absoluut niet met de feiten van haar treurige bestaan wilde belasten.

Mama nam iedere gelegenheid te baat om mij te verzekeren hoe trots ze op me was. Tegelijkertijd nam ze overduidelijk afstand van me. Juist aan mij wilde ze niet laten zien wat ze echt was: niet meer dan een schim van het beeld van mijn moeder dat ik sinds mijn jongste jaren in mijn herinnering had gehad, getekend door een zwaar leven. Ook al had ik mijn wantrouwen eindelijk overwonnen, onze twee verschillende levens konden niet zomaar bij elkaar komen.

Steeds als ik mezelf na een van deze telefoongesprekken voor ogen hield dat het de handlangers van een dictatuur waren geweest die ons uit elkaar hadden gehaald, steeds als ik voor me zag hoe ze in de isoleercel mama’s persoonlijkheid hadden proberen te breken, terwijl op hetzelfde moment andere dienaren van diezelfde staat mij de eed van trouw lieten opzeggen, werd ik door pure woede bevangen. Het schokkendst vond ik nog hoe gemakkelijk ik als adoptiekind te manipuleren was geweest.

Om mijn woede een uitlaatklep te bieden besloot ik de rode draad van mijn leven eindelijk eens offensief op te pakken. Na alle openbaringen vermande ik mezelf om ook de schaduwzijden van de DDR-realiteit onder ogen te zien. Voorzichtig, in behapbare porties, begon ik me in de geschiedenis van mijn land te verdiepen. Ik had de indruk dat ik een materie die in feite niet vreemd voor me was, van nul af opnieuw moest leren, aangezien ik er nu vanuit een voor mij ongebruikelijke invalshoek naar keek. Wat ik aan perfiditeit en minachting van de mens ervoer viel niet te rijmen met mijn persoonlijke DDR-ervaringen.

Natuurlijk had ook ik voor 1989 dingen meegemaakt die me stoorden, zoals mijn echtgenoot die zijn ondergeschikten op straat op vernederende wijze dwong te salueren. Dat soort voorvallen had me weliswaar bevreemd, maar niet mijn basisovertuiging aangetast dat ik in een vooruitstrevend land woonde dat positieve doelen nastreefde. Zelfs na de Wende twijfelde ik in eerste instantie nauwelijks aan de fundamentele rechtschapenheid van mijn republiek. Het trotse zelfbewustzijn waarmee de DDR zich bij leven in de wereld had weten te handhaven, de vlaggen, de uniformen, de uitingen van trouw aan de staat, dat voelde allemaal nog altijd zeer vertrouwd.

Hoe dieper ik in de materie dook, des te duidelijker bleek dat mijn beeld van de staat een waanbeeld was geweest. Ik begon in te zien dat de oppervlakte slechts een façade was geweest waarachter een kenmerkende karaktertrek school, in arrestatiecellen, verhoorkamers, kantoren. Mijn wereldbeeld kantelde: datgene waar ik vroeger heilig in geloofde wekte nu mijn wantrouwen.

 

Met groeiende nieuwsgierigheid zoog ik de weken die volgden alles in me op wat ik over het thema adoptie kon vinden. Al die jaren hadden mijn levensomstandigheden me zodanig in beslag genomen dat ik consequent alles had genegeerd wat mij persoonlijk aanging. In het Westen hadden de media al halverwege de jaren zeventig bericht over republiekvluchtelingen die door de DDR uit het ouderlijk gezag werden ontzet, waarna de staat zelf de regie over de zorg voor deze kinderen nam. De Spiegel bedacht voor deze praktijk de term ‘gedwongen adoptie’. In de westerse pers was destijds een reeks soortgelijke ervaringen, ontkenningen maar ook gedeeltelijke bekentenissen van de kant van de DDR-autoriteiten verschenen.

Nog niet zo lang geleden leverde wetenschappelijk onderzoek van adoptiedossiers het bewijs voor de van overheidswege geregisseerde kinderontvoering: kinderen van subversieve landgenoten werden zonder toestemming van de ouders overgeleverd aan een systeemconforme opvoeding in een tehuis of een adoptiegezin. Met andere woorden: gedwongen adoptie is geen uitvinding van de geruchtenmachine uit de tijden van het Oost-Westconflict, maar aantoonbare realiteit.

Meer dan vijfenzeventigduizend zogenaamde ‘incognitoadopties’, waarbij de biologische ouders niet weten waar hun kinderen heen zijn gebracht, zijn inmiddels met bewijsstukken gestaafd. Maar die benaming zegt nog niets over de mate waarin tegen de wil van de betrokken personen gehandeld werd. Wat we namelijk ook zien is dat de ideologische onttrekking aan het ouderlijk gezag bij lange na niet op zulke grote schaal voorkwam als vaak wordt gedacht. Vaak zijn de grenzen tussen zorgplicht van de kant van de overheid enerzijds en doctrinair opgelegde dwang anderzijds in onze huidige tijd niet meer duidelijk te onderscheiden. Bij nader inzien lijkt menige zogenaamd politiek opgelegde beslissing om een kind te laten adopteren zeker in het belang van het kind te zijn geweest, bijvoorbeeld om het te behoeden voor verwaarlozing of misbruik. Daardoor valt het correcte aantal gedwongen adopties statistisch niet vast te stellen, wat de tragedie van ieder individueel lot echter op geen enkele wijze relativeert. Volgens actuele schattingen hebben de DDR-autoriteiten minstens enkele honderden kinderen bij hun biologische moeder weggehaald.

Formeel zagen de verantwoordelijke functionarissen er altijd op toe dat de maatregelen waartoe was besloten in overeenstemming waren met de heersende wetten. Ook in de grondwet van de DDR was de bijzondere bescherming van het gezin en het recht van ouders om hun kinderen op te voeden verankerd. Maar er was een groot verschil met het identiteitsgevoel in liberale samenlevingen: in de DDR was opvoeding geen privékwestie. Het was de staat die de richtlijnen aangaf met betrekking tot ‘de socialistische instelling ten opzichte van leven en werk’, ‘de naleving van de regels van de socialistische samenleving’ en het ‘socialistisch patriottisme en internationalisme’. Dienovereenkomstig was het de belangrijkste functie van het gezin kinderen te kneden tot ‘gezonde en levenslustige, vlijtige […] mensen, tot actieve opbouwers van het socialisme’.

Deze staatsburgerlijke opgave werd door het systeem alleen aan degenen gedelegeerd met het ouderlijk gezag zolang die aan de eisen voldeden. Alleen gezinnen die in socialistisch opzicht goed functioneerden konden de stabiliteit van de maatschappelijke orde waarborgen. Werd er getwijfeld aan de politiek-opvoedkundige basishouding van de ouders, dan was het aan de jeugdzorginstanties om maatregelen te nemen. Maar ook collega’s, buren en familieleden hadden het recht om opvallende zaken in het gedrag van ouders en kinderen te melden, zonder dat ze bang hoefden te zijn dat ze van schending van privacy beschuldigd zouden worden.

Onder plichtsverzuim viel onder andere de ‘bewust staatsvijandige beïnvloeding’ van kinderen, bijvoorbeeld door hen naar ‘opruiende westerse programma’s’ te laten luisteren of hen niet naar pioniersmiddagen te laten gaan. Wanneer de ouders zich weinig bereidwillig toonden om aan de verordeningen gehoor te geven, dreigden juridische consequenties, in het ergste geval onttrekking aan het ouderlijk gezag.

Bij dergelijke vergrijpen bleef het aan de autoriteiten voorbehouden om minderjarigen voor korte of lange tijd bij de ouders weg te halen en hen over te dragen aan pleeggezinnen of overheidsinstellingen die als kadersmederijen voor het socialistische nageslacht werden beschouwd. Daar moesten de kleintjes niet alleen vertrouwd worden gemaakt met het marxisme-leninisme en de ‘revolutionaire tradities van de arbeidersklasse’, ook werden ze onderwezen in de ‘liefde voor de Deutsche Demokratische Republik’ en de ‘hartgrondige haat jegens de imperialistische vijanden van ons volk’.

In geval van notoire hardleersheid kon de ouders het opvoedings- en zorgrecht zelfs voor altijd worden ontnomen. In laatste instantie was het altijd de staat die over het vermeende wel en wee van de kinderen beschikte. Een bijkomstig effect van de adoptiebemiddeling door de overheid was de stabilisering van het huwelijk van de adoptieouders, door de onverwachte vervulling van hun kinderwens.

Om de toestemming voor adoptie van de biologische ouders te krijgen werden die in veel gevallen behoorlijk onder druk gezet. Vaak gebeurde dat in alle openheid, door met represailles tegen henzelf, hun familieleden of hun kinderen te dreigen. Maar zelfs als ouders standvastig bleven konden de verantwoordelijke instanties de voorgeschreven toestemming voor adoptie naast zich neerleggen, waarbij een verwijzing naar het welzijn van het kind volstond. En als je het grondgebied van de DDR illegaal had verlaten, waren je kinderen hoe dan ook aan de willekeur van het staatsapparaat overgeleverd. De door de autoriteiten toegestane gezinshereniging in het Westen slaagde slechts in enkele gevallen, gewoonlijk na bemiddeling van de Duits-Duitse diplomatie.

Natuurlijk hield het lot van mijn eigen moeder me bij mijn navorsingen het meest bezig. Wat was destijds voor de autoriteiten de aanleiding geweest om haar van haar kinderen te scheiden? Moest ik voor mijn eigen bestwil voor een slechte opvoeding worden behoed? Of had de alleenstaande moeder niet aan de staatsnorm voldaan? Ik verdiepte me in de wet op basis waarvan de rechtbank mijn moeder in 1972 tot twee jaar dwangarbeid had veroordeeld. ‘Wie het maatschappelijke samenleven van de burgers of de openbare orde in gevaar brengt door zich arbeidsschuw en hardnekkig aan regelmatige arbeid te onttrekken, hoewel hij in staat is te werken,’ stond er in paragraaf 249 van het Wetboek van Strafrecht van de DDR, ‘wordt bestraft met een voorwaardelijke veroordeling of met gevangenisstraf, dwangarbeid of een vrijheidsstraf tot twee jaar’.

In de taal van de autoriteiten werd dit vermeende delict met de term ‘asociaal’ bestempeld. Het begrip ‘a-socialistisch’ zou bij nader inzien toepasselijker zijn geweest. Het oordeel was van toepassing op personen die zich zogenaamd buiten de socialistische maatschappelijke orde bewogen. Die zogeheten ‘asocialenparagraaf’ was rekbaar genoeg om hem in de gangbare praktijk van de rechtspraak tegen ongewenste staatsburgers in het algemeen te kunnen gebruiken.

In het geval van mijn moeder vermoedde ik een noodlottige kettingreactie. Na alles wat ik van verschillende personen uit haar omgeving heb gehoord, heeft zij zich nooit aan willen passen. Ze provoceerde en stak haar mening niet onder stoelen of banken. Ze was al jong zwanger geraakt en haar rol als alleenstaande moeder zal haar zo nu en dan te veel zijn geworden. Aangezien ze geen diploma’s had en alleen maar erbarmelijk slecht betaalde baantjes kon vinden, moest ze in materieel opzicht menig obstakel overwinnen, wat wellicht de reden was voor het plegen van enkele kleine winkeldiefstallen. Ze was niet getrouwd en had kinderen van verschillende vaders. Daarmee voldeed ze noch aan de socialistische norm noch aan de ronduit verwrongen moraal van de DDR. Steeds weer kwam ze in botsing met justitie, maar ook met leidinggevenden en collega’s, wat haar diverse aantekeningen in haar kaderdossiers opleverde, waarin de afdeling Personeelszaken van een bedrijf alles bijhield.

Met het oog op ons, haar kinderen, weigerde ze om ploegendiensten te draaien. In de DDR bestond echter niet alleen het recht, maar ook de plicht om te werken. Blijkbaar verscheen mama niet altijd even trouw op haar werk, wat vast en zeker gedeeltelijk aan haar verplichtingen als moeder toe te schrijven zal zijn geweest. Ze werd maatschappelijk buitenspel gezet, er was voor haar geen ontkomen aan.

In deze periode begon ik mijn moeder als slachtoffer te erkennen. De staat had mama haar kinderen afgenomen omdat ze niet voldeed aan de eisen die diezelfde staat binnen het socialisme de ouders oplegde.