5

 

 

Het jaar 1972 liep even troosteloos op zijn eind als het was verstreken. Zelfs het obligate kerstcadeau dat alle meisjes in het tehuis kregen, een doosje met kraaltjes, kon me niet echt blij maken. Net als al het andere speelgoed moesten we het achteraf toch ter beschikking stellen van het collectief. Kerst voelde als een laf aftreksel van het lichtfeest uit mijn kinderjaren. In mijn geïdealiseerde herinneringen waren de momenten met mijn dierbaren voorzien van extra glans.

Het zal rond die tijd zijn geweest dat de volgende kandidate voor het pleegouderschap haar opwachting maakte in het tehuis. Uit bewaard gebleven documenten van de verantwoordelijke autoriteiten blijkt dat kinderarts Denzer mij sinds december 1972 regelmatig in de weekeinden mee naar huis nam. Hoe ik ook in mijn geheugen wroet, ik kan geen beelden van die vermeende logeerpartijen vinden. Wellicht heb ik ook deze fase van mijn leven uit mijn herinnering gewist. Of er werd een fictieve kennismakingsfase in de dossiers opgenomen, om de termijn voor goedkeuring van de geplande adoptie te verkorten.

Mijn eigen herinnering begint in elk geval pas op het moment dat diezelfde arts aan het begin van de zomer van 1973 naar ons kindertehuis kwam en me vroeg: ‘Heb je misschien zin om samen met mij te verhuizen?’ Dr. Denzer was destijds achter in de twintig. Met haar modieuze blonde kapsel en haar elegante mantelpakje zag ze er jong, modern en ondernemend uit en ze leek bovendien heel goed te weten wat ze wilde. Tot die tijd had ze in het plaatsje Stadtroda gewerkt, dertig kilometer ten westen van Gera, maar na haar scheiding wilde ze naar Gadebusch bij Schwerin verhuizen om daar als kinderarts in de plaatselijke polikliniek te gaan werken. Ik had weliswaar geen idee wat het woord ‘verhuizen’ daadwerkelijk inhield, maar na anderhalf jaar kindertehuis vond ik alles best, zolang het maar afwisseling betekende. Alleen al het vooruitzicht dat er iets zou veranderen was welkom. Voor het eerst sinds mijn tweedaagse uitstapje naar de sombere conciërgewoning lag een nieuw thuis binnen handbereik. De aangeboden verandering van woonplaats klonk naar vakantie en avontuur. Zo’n vierhonderdvijftig kilometer richting Oostzeekust, dat was een wereldreis voor mij; ik was Gera nog nooit uit geweest. Ik was al bijna vergeten hoe hoop voelde. Zonder enige aarzeling stemde ik in met het aanbod van deze vreemde vrouw, die meteen sympathiek en bovendien, doordat ze arts was, betrouwbaar op me overkwam.

Inmiddels weet ik dat ze als kandidate voor mijn adoptie eerst het vertrouwen van de autoriteiten moest zien te winnen. Wie namelijk van overheidswege de taak kreeg toebedeeld om kinderen ‘in de geest van het maatschappelijk belang’ op te voeden, moest volgens een richtlijn van Margot Honeckers ministerie van Volksonderwijs ‘instaan voor de belangen van de arbeiders- en boerenmacht’. De jeugd in socialistische zin opvoeden was een verheven doel van de DDR. Toestemming tot adoptie was daarom in de eerste plaats voorbehouden aan kandidaten die lid waren van of een functie bekleedden binnen de partij, de politie, het leger of een bedrijf van staatsbelang, bij voorkeur op het gebied van scholing van het volk. Degene die ervan verdacht werd tekort te schieten in zijn loyaliteit aan het systeem, kon het wel vergeten om te worden uitverkoren als opvoeder van de toekomstige fakkeldragers van de arbeiders- en boerenstaat.

Dr. Denzer moest dus eerst haar proeve van bekwaamheid afleggen, latere adoptie was niet uitgesloten. Tot die tijd was ze een soort peettante voor me. Na onze verhuizing in juni 1973 dook er af en toe ook een man in haar leven op, hoewel het bij bezoekjes bleef. Misschien was mijn geplande adoptie een eerste stap op weg naar het gezinnetje waarmee de kinderarts voor de dag kon komen. Nieuw huis, nieuw werk en een nieuw kind… maar met dat soort bijgedachten was ik in die tijd nog niet zo bezig.

Aanvankelijk had ik het gevoel dat ik in ons nieuwe appartement in Gadebusch in een sprookjeswereld was beland. De nieuwbouwwijk was, in het kader van het in die tijd doorgedreven woningbouwoffensief, neergezet in het boerenland. Wat voelde ik me trots toen ik voor het eerst in mijn leven met kriebels in mijn buik in een lift omhoogzweefde. Het appartement was licht, ruim en voor toenmalige begrippen comfortabel ingericht; zo was de vloer voorzien van kamerbreed tapijt. In de werkkamer van de vrouw des huizes had ik een rijkje voor mij alleen. Overdag werd mijn bed teruggetoverd in een bank. Bureau, kasten en planken stonden vol boeken, blijkbaar was mijn nieuwe pleegmoeder nogal belezen.

Dr. Denzer leek oprecht verheugd over mijn komst, behandelde me attent en deed in het begin haar best om mijn wensen te vervullen. Ze was voor mij een soort welwillend familielid, daarom noemde ik haar al snel tante. Maar als het ook maar even ging vermeed ik het om haar direct aan te spreken. In geen geval wilde ik mezelf in verlegenheid brengen door haar mama of moeder te moeten noemen. Zover mocht het nieuwe nestgevoel nu ook weer niet gaan.

Veruit het beste beviel me het ontbijt op het balkon, dat in vogelperspectief een blik bood op de omringende nieuwbouwwijken, maar vooral op de pasgeopende school ertegenover. Met grote belangstelling volgde ik vanuit de hoogte het vrolijke gekrioel op het schoolplein. Wat een contrast met het donkere hol van de conciërge!

Maar wat ik nog veel belangrijker vond, was dat pal naast ons een jongen van ongeveer mijn leeftijd woonde. Eindelijk had ik weer een speelkameraadje. Manfred accepteerde me zoals ik was, en ik voelde me niet langer zwak en afhankelijk. Want nu had ik, in ieder geval voor de buitenwereld, weer een moeder, waardoor ik me veel minder kwetsbaar voelde. Binnenkort zou ze mij, als ik de volwassenen tenminste mocht geloven, als haar eigen dochter aannemen. Ik vond dat prima, want ik zag dat ook als een soort revanche voor het vermeende verraad van mijn moeder.

Als we door de nieuwbouwwijk wandelden gaf mijn nieuwe, toekomstige moeder me soms een hand, maar meer intimiteit stond ik niet toe. Nooit heb ik haar omhelsd, laat staan gekust. Dat wilde ik ondanks alles blijkbaar toch nog altijd voor mijn eigen moeder bewaren. Mijn pleegmoeder was altijd aardig voor me, maar nooit hebben we echt vertrouwelijke gesprekken met elkaar gevoerd. Ik was absoluut nog niet bereid om uit mijn zelfgesponnen cocon te kruipen.

Wanneer dr. Denzer moest werken paste de moeder van mijn buurjongen weleens op me. Ik kan me zelfs herinneren dat ze op een keer met me meeging naar de nabijgelegen kinderartsenpraktijk. Ik vond dat heel erg prettig, want nu had ik er naast mijn nieuwe moeder ook nog een reservefamilie bij gekregen. Met haar zoon Manfred kon ik eindeloos opgaan in de wereld van de kinderspelletjes. Alleen al met mens-erger-je-niet konden we ons uren vermaken, en al snel gingen we als broer en zus met elkaar om.

Dus was ik verbluft en in de war toen mijn pleegmoeder in de zomer van 1973 op een ochtend de voordeur opendeed, terwijl ik druk was met mijn poppen. Wie stond daar voor me toen ik even later naar de gang werd geroepen? Mijn broer Mirko, aan de hand van dr. Denzer. Haar vriend had hem meegebracht. Met geen woord had ze me op dit bezoek voorbereid. Was ze misschien bang dat ik jaloers zou reageren, of had ze me willen verrassen? Daarin was ze in elk geval geslaagd.

‘Jeetje, Mirko,’ floepte ik eruit, ‘daar ben je eindelijk!’ Ik sprong een gat in de lucht van blijdschap. Mijn broertje, mijn bloedbroeder en beschermer; meteen voelde ik weer de bloedband, want met hem keerde een deel van mijn vroegere leven terug. Eigenlijk had ik mijn armen om hem heen moeten slaan en hem dicht tegen me aan moeten drukken.

Maar Mirko was veranderd. Blijkbaar had hij een groeispurt doorgemaakt, en hij zag er moe uit na de lange reis. Voor mij was deze jongen niet meer de broer die ik anderhalf jaar eerder zo abrupt was kwijtgeraakt. In plaats van hem te bestoken met vragen wist ik in eerste instantie helemaal niet wat ik moest zeggen. Het leek wel of we twee tegengestelde magneetpolen waren. Het lukte me niet om ook maar iets van vertrouwdheid te voelen. Misschien was ik bang dat een nieuwe scheiding me weer pijn zou kunnen doen. Eigenlijk had ik al een tijdje helemaal niet meer aan mijn broer gedacht. Uit het oog, uit het hart. Pas nu hij voor me stond voelde ik weer een steek van pijn dat ons gezinnetje uit elkaar was gerukt.

Ook Mirko maakte niet bepaald een euforische indruk. Hij wilde niet veel zeggen over waar hij vandaan kwam noch over wat er in hem omging. Uit zijn schaarse woorden maakte ik alleen op dat hij in een tehuis voor oudere kinderen woonde, aan de oever van de Weiße Elster in Gera, dus nog niet eens zo ver bij mijn oude kindertehuis vandaan. Het lukte me ook niet om erachter te komen of hij weer contact met mijn moeder of oma had, of dat hij wist hoe het met hen ging. Het leek bijna alsof iemand hem van tevoren had ingeprent om mij vooral niets te vertellen. Nu durfden we het heikele thema geen van beiden ook maar aan te stippen. We waren broer en zus, maar we leefden onvrijwillig in twee werelden die duidelijk van elkaar gescheiden waren.

Eigenlijk zag ik Mirko nu vooral als stoorzender, als indringer in mijn nieuw verworven nest. Hij op z’n beurt keek verder niet naar me om en vond het fantastisch dat hij in buurjongen Manfred een speelkameraadje had gevonden – terwijl Manfred toch míjn vriend was. Mijn broer had zijn jas nog niet opgehangen of de twee jongens zaten al op het tapijt over het molenspel gebogen, op mijn plekje. Ik was afgeschreven, werd afgedankt. Al snel had ik het gevoel dat ik al die weken daarvoor slechts het plekje warm had mogen houden dat nu door een serieuze spelpartner werd ingenomen. Ik zat er sprakeloos naast en keek toe hoe die twee elkaar de molenstenen afhandig maakten. Voor de in het spel verdiepte jongens was ik gewoonweg onzichtbaar. Mijn hulpeloosheid verlamde me.

Pas toen we aan tafel werden geroepen voor het middageten en het spel verweesd op de grond lag, kwam al mijn opgekropte woede eruit. Boos schopte ik tegen het speelbord. Mijn broer draaide zich abrupt om en gaf me een draai om mijn oren. Ik begon hard te huilen. Dat zou hij vroeger nooit gedaan hebben.

En dat had hij ook nu beter niet kunnen doen. Zo snel dat ik het nauwelijks kon bevatten kwam mijn pleegmoeder de keuken uit gevlogen en ze sloeg Mirko midden in zijn gezicht. Ze had alleen meegekregen dat hij mij een mep had gegeven, niet waarom. Haar oorvijg was zo hard dat hij op de bank in de hoek viel en er algauw een dikke rode vlek op zijn wang verscheen. Diezelfde dag nog bracht ze mijn broer met de auto weer weg, terwijl de buurvrouw op me paste.

Inmiddels weet ik uit de dossiers dat dr. Denzer indertijd een aanvraag had gedaan om ons na de voorgeschreven aanloopperiode samen, als broer en zus, te adopteren, zodat de kern van ons gezinnetje in elk geval intact zou blijven. Of een leven bij de kinderarts samen met Mirko op den duur goed zou zijn gegaan, dat kan ik niet beoordelen.

Destijds voelde ik me meteen schuldig en ik maakte mezelf grote verwijten. Had ik mijn gevoelens beter onder controle gehad en Mirko geen aanleiding voor die oorvijg gegeven, dan was hij bij me gebleven. Maar nu voelde hij zich vast en zeker door mij uit het nest geduwd. Hij, die me altijd had beschermd, moest zich nu wel slachtoffer van mijn ongetemde jaloezie voelen. Waarom was ik zo impulsief? Zou hij het me ooit vergeven? Dat vroeg ik me allemaal af, en ik zou me er altijd zorgen over blijven maken. Mijn woedeaanval en de gevolgen ervan hadden Mirko voor eeuwig uit mijn leven gekatapulteerd.