27
Eind augustus 1989, als heel de DDR zich al opmaakt voor haar veertigste verjaardag in oktober, vertelt Olaf me op een avond ineens dat hij 1 september naar Berlijn moet voor een vier maanden durende nascholing voor politiek officiers. Terwijl hij een kop koffie voor zichzelf maakt kijkt hij me geen enkele keer aan.
‘Ik vertrek al over een paar dagen,’ vervolgt hij.
Ik was er inmiddels wel aan gewend dat mijn man me niets over zijn werk vertelde. Ik kreeg nooit te horen wat er achter de muren van de kazerne gebeurde. Ik had geen idee op welke manier mijn man de staat bijstond. Zijn strikte zwijgplicht aangaande militaire aangelegenheden gold ook tegenover naaste verwanten. Zo sarcastisch als ik maar kon op dat schrikmoment vroeg ik: ‘Wat zou je na al die jaren politieke scholing nu nog kunnen leren? Is het marxisme-leninisme zo fundamenteel veranderd dat jullie vier maanden bijgeschoold moeten worden?’
Mijn vinnige vraag was niets anders dan een uitdrukking van wantrouwen. Begon hij nu stiekem toch aan die studie waar hij voor mij van af had gezien? Op 1 september begon in de DDR normaal gesproken het nieuwe semester. Had hij zijn ware bedoelingen misschien voor mij verborgen willen houden? Maar ik durfde mijn verdenking niet hardop uit te spreken. Angst drukte zwaar op mijn borst: ik wilde niet alleen in de woning achterblijven. Daarvoor had ik het centrum van mijn leven niet naar het noordelijkste puntje van het land verplaatst. Ondanks het gebrek aan aandacht dat mijn man voor me aan de dag legde, vond ik het fijn om hem altijd bij me in de buurt te weten.
Dus kon de provisorische oplossing die Olaf me ruimhartig aanbood me maar matig troosten. Sinds een paar dagen bracht hij zo nu en dan een vierentwintigjarige ondergeschikte mee naar huis, die vers van de officiersopleiding kwam en nu in Olafs eenheid diende. De naam van de rekruut weet ik niet meer. Samen namen de twee mannen reparaties en andere klusjes in onze woning ter hand. Deze blonde jongeman moest tijdens Olafs afwezigheid inspringen als ik daadkrachtige hulp in huis nodig had.
Ik was niet erg blij met de situatie. Zelfs als het echt om een politieke opleiding zou gaan: met welk doel werden de politiek officiers naar de hoofdstad van de DDR, of waar ze ook bijeenkwamen, opgeroepen? Ik ben er nooit achter gekomen. De ware reden voor de mobilisatie heeft Olaf me nooit verteld, zelfs later niet, toen hij het leger verliet en hij geen last meer had van loyaliteitsdwang. Maar in die tijd had ik het veel te druk met ons gezinsleven om door te vragen. Mijn leven draaide alleen om kinderopvang, luiers verschonen, boodschappen doen en ruziemaken met mijn man. Voor diepere gedachten was geen ruimte.
Met mijn kennis van nu vind ik het gewoonweg onbegrijpelijk hoe het gistingsproces in onze republiek in 1989 compleet onopgemerkt aan me voorbij heeft kunnen gaan, en hoe weinig betrokken ik bij die processen was.
Nu is de gestage ontwrichting van onze staat geschiedenisstof voor me: de eerste gaten in het IJzeren Gordijn, de heimelijke protesten tegen de vervalste uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, de vorming van oppositiekringen en milieugroeperingen onder het dak van de protestantse kerk, de eerste pogingen om democratische partijen in het leven te roepen en bovenal de aanzwellende exodus van mensen die ons land de rug toekeerden. Maar toen nam ik de veranderingen in het geheel niet waar, hoewel ik als betalend lid van de SED deze staat in elk geval passief steunde. Naar Aktuelle Kamera, het nieuwsprogramma van de Duitse tv-zender waarin de situatie in ons land principieel rooskleuriger werd voorgesteld dan ze was, keek ik alleen als Olaf de televisie aanzette. De krant las ik niet, liever neusde ik in tijdloze boeken, en andere informatiebronnen, zoals het tegenwoordig alomtegenwoordige internet, waren er nog niet.
Natuurlijk bleef ook voor mij niet verborgen dat opvallend veel DDR-burgers niet terugkeerden van hun zomervakantie in Hongarije, hoewel ik in mijn directe omgeving geen ‘republiekvluchtelingen’ kende. Maar van dat soort avonturen wilde ik niets weten. Wie vluchtgedachten koesterde kwam in de problemen, en problemen wilde ik tegen elke prijs vermijden.
Olaf leek beter van de gebeurtenissen op de hoogte te zijn dan ik. In elk geval liet hij zich, toen hij in oktober een keer in het weekend naar huis kwam, ertoe verleiden om flink over zijn afvallige landgenoten tekeer te gaan. ‘Staatsverraders zijn het,’ schold hij woedend, alsof hij tegen mij zijn bijzondere loyaliteit aan de partij moest bewijzen. Ik had geen idee op wie dat negatieve oordeel van toepassing was, maar ik kende het scheldwoord wel. Zo had de blonde leidster in het kindertehuis mijn moeder altijd genoemd, een afkeuring die ik iedere keer als een brandmerk op mijn eigen huid had gevoeld. Onbewust moest ik ergens hebben opgeslagen dat iemand die het met de staat aan de stok kreeg rigoureuze consequenties kon verwachten, zoals mijn moeder blijkbaar was overkomen. De pijn die met deze herinnering verbonden was mocht ik niet toelaten. Hoe minder ik wist van wat er om me heen gebeurde, hoe veiliger ik me voelde. Ik had genoeg aan mijn leven zoals het was.
Tot overmaat van ramp werd ik in die periode naar het kantoor van het hoofd van de kinderopvang geroepen, die tevens partijsecretaris van die overheidsinstelling was. Eerst bood ze me een stoel aan en toen, compleet onverwacht, haar positie.
‘Ik krijg een nieuwe baan en ga hier waarschijnlijk weg. Heb je interesse om mijn baan binnen de partij over te nemen?’ vroeg ze me.
Ik was blij dat ik zat en compleet overrompeld om zo plotsklaps uit mijn slapende lidmaatschap te worden gerukt. Nog altijd had ik in mijn achterhoofd dat je de SED niet blij maakte door als partijgenote een aangeboden erebaantje af te wijzen. Maar hier, op Rügen, tussen al die soldaten met hun vreemde gedrag, had ik het al helemaal niet op het partijgebeuren. Kon niemand dan accepteren dat ik gewoon met rust gelaten wilde worden? Ik probeerde niets van mijn spanning te laten merken en antwoordde kalm: ‘Toen ik lid werd heb ik al aangegeven dat ik afgezien van de contributie geen andere bijdrage wil leveren. En dat wil ik eigenlijk graag zo houden. Als werkende moeder heb ik er gewoonweg de tijd niet voor.’
Ze knikte, bijna gerustgesteld, alsof ze een lastig klusje had geklaard. Ze leek tevreden met mijn antwoord.
Gelukkig had het geen consequenties voor mijn werk. Ook binnen de partij begonnen zich blijkbaar ontbindingsverschijnselen voor te doen.
Ondanks of misschien juist wel dankzij mijn neiging om me terug te trekken was ik blij dat ik op Olafs kennis terug kon vallen. Steeds als de jonge officier me in zijn militaire vrachtwagen op straat tegemoet kwam rijden, gaf hij de chauffeur afgemeten het bevel om te stoppen, sprong van de wagen en omhelsde me zonder gêne. Dat stoorde me, maar streelde ook mijn ego. Hielp hij me in het begin alleen als de nood aan de man was, bijvoorbeeld om meubels te verplaatsen of kolen uit de kelder de trap op te sjouwen, algauw doorbrak hij met zijn bezoekjes avond aan avond mijn eenzaamheid.
Hij leek zich prettig te voelen in mijn knusse huisje, iets wat hij miste in zijn kamer in de kazerne, en hij leek mijn gezelschap op prijs te stellen. Ik genoot ervan eindeloos met hem te kletsen, juist omdat hij zo’n fantastische afwisseling was van mijn eenlettergrepige echtgenoot. En nooit eerder had ik een man meegemaakt die zichzelf nuttig maakte in het huishouden. De voelbare vreugde van mijn bezoeker over onze ontmoetingen, de frequentie van zijn bezoekjes en zijn betrouwbaarheid maakten indruk op me. Maar ik verbood mezelf ieder gevoel van intimiteit, ik had immers trouw beloofd aan mijn man, en ook mijn galant vermeed iedere onbetamelijke toenadering.
Toch kreeg Olaf op zijn opleiding meteen lucht van de regelmatige bezoekjes van zijn ondergeschikte, die zich voor dat doel altijd volgens de voorschriften afmeldde bij de kazerne. Zo had mijn man zich de hulpvaardigheid van zijn NVA-kameraad blijkbaar niet voorgesteld. Prompt kreeg ik een hoogstdramatische jaloerse scène te verduren toen hij een keer thuiskwam en de jongeman aantrof. Hij kon geen andere verklaring voor diens aanwezigheid vinden dan dat ik hem bedroog. Hij tierde, pruilde en kwetste en ik verdedigde mezelf standvastig.
‘Er is nooit iets gebeurd! Je hebt hem toch zelf meegebracht omdat je er nooit bent. Omdat dat leger van je namelijk altijd voorgaat!’
De tegenaanval had effect en mijn man kalmeerde.
Maar toen hij de keer daarop thuiskwam sloop hij verdacht stil de woning binnen. Verwachtte hij soms dat hij me op heterdaad met onze gast zou betrappen? Daar was toch echt geen aanleiding voor.
Ik was kwaad over het onmiskenbare wantrouwen van mijn man en vroeg hem, nu zelf door wantrouwen aangemoedigd: ‘Waarom ben je eigenlijk zo vroeg terug van de opleiding? Weten jullie nu al alles over het marxisme-leninisme?’
Zijn terloopse antwoord was als een bom waarvan ik de kracht pas veel later bevatte: ‘Er is geen opleiding meer. De Muur is gevallen.’
Het was 10 november 1989.
Alles had ik me voor kunnen stellen, maar dat niet. Als iets in mijn voorstelling onwrikbaar, ondoordringbaar en standvastig was, dan was het de Duits-Duitse grens. En nu zou die versperring open zijn? Nee, die mededeling was voor mij compleet ongeloofwaardig. Het was vast en zeker alleen maar een absurde smoes, waarmee Olaf zijn onverwachte bezoek wilde camoufleren.
In plaats van het uit te leggen zette hij de televisie aan. Zonder echt te begrijpen wat er gebeurde keek ik vol ongeloof naar de lange rij claxonnerende Trabanten die door geen slagboom meer werden tegengehouden, en naar de feestende mensen in de straten van Berlijn, die zich verbroederden met West-Berlijners die hen op de schouders sloegen. Verbleekte spijkerjasjes uit volkseigen productie tegen de coulissen van de kapitalistische glitterwereld, plastic tasjes met reclameopdruk in de handen van boeren en arbeiders, schuimende sektflessen voor de poorten van onze schaarste-economie: ik kon het allemaal niet met elkaar rijmen. Ik staarde verbijsterd naar de zelf ook nog altijd verbijsterde gezichten op televisie, op dag één na de val van de Muur. Het leek wel of ik naar een live-uitzending vanaf Mars zat te kijken. Aangezien Julia ziek was had ik de hele week thuis gezeten, afgesneden van de buitenwereld. Ik was compleet onvoorbereid op de historische gebeurtenissen.
Ik juichte niet en haalde ook geen fles Rotkäppchen uit de kast, ik keek alleen maar sprakeloos en niet-begrijpend naar mijn man. Het moet wel één groot, vooropgezet bedrog zijn, dacht ik in jarenlang voorgekauwde categorieën. Ik kreeg zelfs spontaan medelijden met de vele mensen die op dat moment in al hun naïviteit de grenzen overschreden, want ze zouden flink gestraft worden voor hun argeloosheid. Als ze al terug zouden mogen keren, zouden ze ter verantwoording geroepen en gevangengezet worden, daar was ik van overtuigd.
Opeens moest ik denken aan de waarschuwende woorden van mijn lerares tijdens ons bezoek aan Buchenwald, dat ‘in het Westen de vroegere nazi’s hun misdadige gangetje gingen’. Mijn gedachten buitelden over elkaar heen. Zouden ze nu een oorlog tegen ons gaan beginnen? Stond de vrede op het spel? Ik wist niet beter dan dat de antifaschistische Schutzwall bij de inventaris van onze staat hoorde, zoals kantelen en ophaalbrug bij een ridderburcht. Zonder die bescherming voelde ik me bedreigd.
Zoals iedere onverwachte verandering ging ook de val van de Muur mijn verstand te boven. Een vage angst snoerde mijn keel dicht en hield me die nacht uit mijn slaap. Toen ik eindelijk indutte, hoorde ik in mijn droom voor het eerst sinds lange tijd mama weer, hoe ze indertijd uitriep: ‘Als dat zo doorgaat hier, ben ik ook weg!’
Mijn diepgewortelde verlatingsangst was verweven met de voorstelling van een open grens. Maar dat met de Muur meteen ook de DDR ten dode was opgeschreven, die stoutmoedige conclusie kwam toen helemaal niet bij me op.