26

 

 

Ons nieuwe huis in Binz, dat ik pas te zien kreeg toen ik erin trok, was een typische dienstwoning voor legerpersoneel. Al in de hal van de kort na de oorlog gebouwde huurflat kwam de bezoeker de bekende geur van boenwas tegemoet. De kachels in de badkamer en de keuken werden nog op kolen gestookt, zoals ik het van thuis gewend was, en in iedere kamer stond een tegelkachel. Het fornuis was wel al voorzien van elektrische kookplaatjes, en een elektrische boiler boven de gootsteen zorgde voor warm water.

Van het begin af aan voelde ik me erg prettig in ons nieuwe nestje. Parketvloer, glazen deur naar de gang, inbouwkeuken, balkon: zo zag vrijheid er in mijn ogen uit. Dit huis was zeker geen synoniem voor afhankelijkheid en gesloof.

Met de andere bewoners van het blok kon ik het goed vinden. De meeste van de in totaal zes huurwoningen werden bewoond door jonge stellen, waarvan het mannelijk deel bijna in alle gevallen ook in het leger zat. Met Beate, onze directe buurvrouw, die net als ik huisvrouw was, dronk ik weleens een kopje koffie.

Maar het meeste contact had ik met Ines, die ik met haar man Dieter al in Olafs vroegere flat had ontmoet. Ook zij bleef thuis bij haar kind en af en toe gingen we bij elkaar op bezoek. Aangezien mijn man vaak tot ’s avonds werkte en zijn modelspoorbaan weinig aantrekkingskracht op me uitoefende, vond ik het fijn dat ik overdag met iemand kon praten. Helaas waren we na een tijdje wel uitgepraat over de onderwerpen man en kinderen. Soms kwam er iemand uit het zuiden op bezoek, ook dat was een welkome afwisseling.

Het idee dat een getrouwde vrouw een eigen leven zou kunnen leiden kwam in die tijd niet bij me op. Ik deed vooral mijn best om een goede huisvrouw voor mijn man te zijn. Ik zorgde ervoor dat de woning spic en span was, deed boodschappen, kookte, waste en streek, zoals ik het gewend was. Algauw vond ik ook werk. Dat was in de DDR niet zo moeilijk, want officieel bestond er geen werkloosheid in onze republiek – in tegenstelling tot in het ‘kapitalistische buitenland’. Dus begon ik in oktober 1987 als verpleegster in de plaatselijke polikliniek, waar ik artsen assisteerde binnen verschillende specialismen.

Deze baan zou echter slechts van korte duur zijn, want al snel was ik opnieuw in blijde verwachting. Het was een moeizame zwangerschap, en al voor het begin van mijn zwangerschapsverlof moest ik me vaak ziek melden. Vanaf de derde maand kreeg ik bloedingen en opnieuw maakte ik me grote zorgen dat ik het kindje kwijt zou raken. Maar ik deed mijn uiterste best om alles goed te doen; ik wilde dit kindje koste wat kost krijgen. Eerlijk gezegd was dat het enige waar ik voor leefde. Sinds ik de eerste bewegingen van mijn baby in mijn buik waarnam, voelde ik me zeer nauw met hem verbonden, een band die ik nergens anders vond.

Tijdens de zwangerschap haalde mijn verleden me onverwachts in. Ik kreeg een officiële brief waaruit ik opmaakte dat dr. Denzer ondanks haar gezonde levensstijl begin jaren tachtig al was overleden. Ruim vijf jaar hadden ze naar me gezocht en nu pas hadden de autoriteiten me gevonden om mij de erfenis ten bedrage van honderdvijftig mark uit te betalen. Ik was mijn kortstondige pleegmoeder al weer bijna vergeten. Ik besefte dat ik, als zij me destijds niet voortijdig terug had gebracht, na haar dood zeker weer in het kindertehuis zou zijn beland. Wat was ik blij dat dat lot me bespaard was gebleven, en ik beloofde het nog ongeboren kind in mijn buik plechtig dat ik het altijd zou steunen en beschermen.

Toen was ze daar eindelijk, in april 1988, drie weken eerder dan uitgerekend. Maar Julia was gezond en gaf mijn leven nieuwe zin.

Om bij de bevalling te kunnen zijn had Olaf zijn regiment stiekem in de steek gelaten, wat ik zeer waardeerde, hoewel ik niet zoveel had aan zijn ietwat onbehouwen instructies tussen de weeën door. Toen Julia uiteindelijk hulpeloos en rillend op mijn buik lag, ervoer ik het grootste geluk dat ik ooit had gevoeld, en een gewaarwording van diepe rust vervulde me. Nu voelde ik me ook verzoend met mijn man. Pas bij de nageboorte bleek dat ik zwanger was geweest van een tweeling en een van de kindjes had verloren, wat achteraf een verklaring bood voor veel van de complicaties.

Mijn moedergeluk vervulde me van top tot teen, alles draaide alleen nog om dat kleine mensje. Toch heb ik terugblikkend de indruk dat mijn gevoelens voor Julia tegelijkertijd mijn gevoelens voor Olaf opslokten. Zij was me al dankbaar als ik haar alleen maar in mijn armen hield, stralend keek ze me dan aan. Ik was een en al liefde voor mijn dochter, maar van mijn man voelde ik me op een rare manier vervreemd.

Onze relatie, die aanvankelijk nog een minimum aan tederheid en communicatie had gekend, werd steeds meer een verstandshuwelijk. Seks onderging ik doorgaans als een routineklus, en steeds vaker verzon ik een smoes om niet te hoeven. Onze toenemende vervreemding was ook af te lezen aan de cadeautjes die hij me gaf. Aanvankelijk had Olaf me allerlei luxe spulletjes, zoals sieraden of een radiowekker gegeven, nu beperkte hij zich, geheel in de stijl van mijn adoptiemoeder, tot praktische huishoudelijke voorwerpen. Zo trof ik onder de kerstboom bijvoorbeeld een nogal eenvoudig droogrek aan. Nuchter beschouwd moest ik toegeven dat we maar weinig gemeen hadden. Ik was steeds minder overtuigd van wat mijn man zei, en niets wat hij deed vond ik nog leuk. Zijn nabijheid voelde onprettig, ik begon me overal aan te ergeren.

Wel was Olaf een fantastische vader voor de kleine Julia. Gelukzalig knuffelde hij met haar, hoewel hij volhardde in zijn weigering om haar luier te verschonen. Tegenover mij leek hij zijn genegenheid vooral strategisch in te zetten, alleen als hij iets van me wilde. Maar zijn toenemende afstandelijkheid was natuurlijk ook een reactie op mijn afwijzende houding. Het werd me steeds duidelijker dat ik niet zozeer op zijn persoon verliefd was geworden als wel op zijn rol van bevrijder. In Gera was Olaf mijn bondgenoot tegen de onderdrukking door mijn adoptiemoeder geweest. Nu die vijand er niet meer was, werd de zelfbewuste dominantie van mijn redder, die me aanvankelijk juist richting had gegeven, steeds meer tot last. Mijn hoop dat onze liefde door ons samenzijn zou groeien werd niet vervuld.

In het begin ging ik mijn man nog met de kinderwagen van zijn werk ophalen, in het vijf kilometer verderop gelegen Prora. De wandeling langs de vakantiehuizen van de eenheidsvakbond FDGB, verschillende campings en weekendhuisjes aan de Oostzeekust, in combinatie met de mineraalrijke lucht, deed moeder en dochter goed. Helaas zag Olaf er in uniform niet alleen officiëler uit, hij leek dan ook iemand anders. Als we onderweg iemand tegenkwamen die lager in rang was dan hij, hield hij nauwgezet in de gaten of deze volgens voorschrift salueerde. Wanneer de verplichte tik tegen de rand van de pet achterwege bleef of te nonchalant werd uitgevoerd, floot mijn man de persoon in kwestie terug en eiste een correct saluut.

Ik vond het even gênant om bij een dergelijke terechtwijzing aanwezig te zijn als destijds op onze trouwdag, tijdens de ceremonie bij het monument voor de gevallen soldaten. Het liefst was ik dan in rook opgegaan. Regelmatig had ik het gevoel dat de vijandige blikken waarmee een dergelijke berisping werd beantwoord ook tegen mij gericht waren, en ik kon met de beste wil van de wereld niet begrijpen waarom de soldaten ook tegen mij zo haatdragend deden. Ik had hun toch niets misdaan? Maar zo formeel en rigide als mijn man mocht je met ondergeschikten niet omgaan, vond ik, wat ik dan ook onverbloemd tegen Olaf zei.

‘Jemig, man, je hebt nu toch geen dienst meer, dan hoef je toch niet de grote opvoeder uit te hangen. Heb je eigenlijk wel door dat je me enorm in verlegenheid brengt? Ik kan heel goed begrijpen dat die soldaten gefrustreerd zijn. Ik zou het ook vreselijk vinden om zo open en bloot terechtgewezen te worden!’

‘Wat snap jij daar nou van?’ beleerde Olaf me bars. ‘Als je eenmaal een overtreding van de regels accepteert is al snel het hele ordesysteem naar de haaien. Stel je eens voor dat op dit moment iemand ziet dat ik dergelijk nalatig gedrag door de vingers zie en dat die persoon daar vervolgens melding van maakt. Wat denk je wat daar voor gezeur van komt?’

In mijn ogen begon dat hiërarchische apparaat, waar ook aankomend arts Tommi zich destijds al over beklaagde, vreemde vormen aan te nemen – en al snel was het me even vreemd als mijn man soms voor me was. Voortaan vermeed ik het zoveel mogelijk om Olaf te begeleiden als hij in uniform was, en als ik er toch een keer niet omheen kon, was ik altijd bang dat we andere rekruten tegen zouden komen.

In maart 1989 was voor mij de grens van het verdraaglijke bereikt. Er was niets acuuts gebeurd, er was geen echte aanleiding voor, mijn emotionele reserves waren gewoon op. Het beklemmende gevoel om mijn leven uit te moeten zitten met iemand van wie ik door een onzichtbare muur was gescheiden, was me maar al te bekend. We zaten zo dicht op elkaar, en toch leefden we de hele tijd zwijgend langs elkaar heen. In mijn adoptiegezin had ik nooit geleerd om echt ruzie te maken. Mijn ouders vochten hun conflicten nooit openlijk uit, ik voelde hoogstens de spanning die in de lucht hing. Daarom lukte het me niet om mijn man recht in zijn gezicht te zeggen wat me zo droevig maakte. Ik was niet in staat om toe te geven hoe eenzaam ik me bij hem voelde.

Als we al ooit ruziemaakten, ging het meestal om zijn ongerechtvaardigde jaloezie of zijn notoir luie gedrag in huis. Soms dwong ik mezelf dan tot de bekentenis: ‘Olaf, ik mis het echt dat je niet meer zo teder voor me bent als vroeger. Ik heb gewoon meer lichamelijke aandacht nodig, niet alleen maar even snel erop en eraf…’ Meestal beloofde hij dan beterschap en werd er al snel niet meer over gesproken. Nu vermoed ik dat Olaf ons leven samen lang niet als zo ongelukkig heeft ervaren als ik en dat hij me daarom niet kon begrijpen. Toen had ik de indruk dat ik steeds minder lucht kreeg. Als ik een toekomst wil hebben, dacht ik, moet ik aan de noodrem trekken.

Daarom hees ik op een middag de wandelwagen met Julia erin in de trein naar Bergen, de bestuurlijke hoofdstad van het schiereiland Rügen. Daar moest zich naar mijn weten op een centrale plek het kantongerecht bevinden waar ik de aanvraag voor mijn scheiding in wilde dienen. Maar op de beschreven plek stond geen rechtbank, en ook niet in de buurt. Het was rustig op straat, en de mensen op straat aan wie ik het vroeg konden me helaas niet verder helpen – wat meestal het geval is als je voorbijgangers aanklampt. Hoe meer straten ik met de wandelwagen doorkruiste, hoe luider mijn twijfels werden. Door te scheiden zou je je dochter bij haar vader weghalen, hamerde mijn geweten terwijl ik naar Julia keek die voor me in het wagentje zat. Ze zou zonder haar biologische vader opgroeien, net als jijzelf. Terwijl je toch altijd van een groot, compleet gezin hebt gedroomd. Je denkt ook alleen maar aan jezelf en je eigen geluk!

Uiteindelijk beschouwde ik de vergeefse zoektocht als een speling van het lot. Aangezien de rechtbank niet te vinden was zou de scheiding, die alleen ik wilde, er niet komen. Onverrichter zake en gek genoeg ook enigszins opgelucht reed ik met de trein terug naar Binz, waar ik tegen het eind van de dag aankwam. Op de gezichten van de naar huis reizende arbeiders, van wie de meesten in de landbouwcoöperaties op Rügen of op de scheepswerf van Stralsund werkten, lag de gebruikelijke uitdrukking van ongeïnteresseerde, vermoeide onverschilligheid, waarin ik mijn eigen gevoel van dat moment weerspiegeld zag.

Het duurde nog een paar dagen voor ik het mijn man durfde te vertellen. Voor het eerst sprak ik het schandelijke woord hardop uit: scheiding. Hij werd niet boos, schreeuwde niet, smeekte en bedelde niet. Olaf leek erover na te denken en beloofde beterschap. Zijn antwoord klonk berouwvol en oprecht. Daarmee wist hij mij te overtuigen en ik wilde onze gezamenlijke toekomst nog een kans geven. Kalm maar nadrukkelijk waarschuwde Olaf me: ‘Vergeet niet dat je me nog geen drie jaar geleden beloofd hebt trouw te blijven tot in de dood. Dat kun je niet zomaar weggooien!’ Voor mijn geestesoog speelde zich een film af van alles wat ik met mijn vluchtplan op het spel had gezet: onze relatie, Julia’s toekomst en niet in de laatste plaats mijn droom van een compleet gezin.

De dagen die volgden was mijn man een en al liefde en aandacht voor me. Maar twee weken later verliep ons dagelijks leven weer volgens de oude patronen. Hij ging naar zijn werk en ik voelde me emotioneel in de steek gelaten, als moeder en huisvrouw die er grotendeels alleen voor stond. Dapper probeerde ik mijn situatie voor mezelf te vergoelijken: anderen hebben het veel zwaarder, dit is nu eenmaal je leven. Maak er het beste van!

Na mijn jaar verlof voelde mijn terugkeer in het beroepsleven als een bevrijding. Aangezien ik de ploegendiensten in de polikliniek niet kon combineren met de zorg voor mijn kind, kon ik een baan krijgen die eveneens onder het ministerie van Gezondheid viel en overeenkwam met mijn oorspronkelijke beroepswens. Ik kreeg een baan als leidster in de crèche waar ook Julia terechtkon. Mijn zogenaamd zwakke stembanden van vroeger vormden nu blijkbaar geen belemmering meer. Tot mijn grote geruststelling had ik mijn dochtertje overdag nu heel dicht bij me en kon ik eindelijk toegeven aan mijn wens om voor kinderen te zorgen. Dat werd al snel mijn levensdoel.

Afgezien van Ines had ik in de stad met niemand echt contact, er kwam niet veel bezoek bij ons over de vloer. Terwijl mijn adoptiemoeder de verre reis naar Binz geen enkele keer maakte, mochten we Olafs ouders uit Arnstadt en zelfs buren van mijn ouders uit Gera in onze bescheiden herberg verwelkomen. ’s Avonds zat ik het liefst wat te lezen of muziek te luisteren op de knusse bank. Slechts eens in de zoveel weken ging ik naar het station, om vanaf de grijze munttelefoon naar mijn adoptieouders in Gera te bellen. Ik verzekerde hun regelmatig dat het goed met ons ging en dat alles in orde was. Ik wilde hen niet aan de telefoon met mijn zorgen belasten.

Gelukkig had ik mijn handen vol aan de uitputtende zorg voor mijn eigen gezin. Wat vroeger was geweest verbleekte in mijn geheugen. Oma, Mirko, mama, alle vertrouwde personen uit dat verre bestaan, ze waren allang verzwolgen in de diepten van mijn bewustzijn. En als er al een keer fantomen uit mijn vroegste kinderjaren door mijn gedachten spookten, joeg ik ze snel weer weg.

 

 

 

Berlijn-Hohenschönhausen, herfst 2002

 

 

De vraag ligt eigenlijk voor de hand, toch gaat er, als een complete verrassing, een deur voor me open die heel lang dicht is geweest.

‘Wat zou de kleine Katrin nu zeggen?’ vraagt de psychotherapeute me tijdens een van onze sessies, meelevend en aftastend formulerend.

Mijn ongeveer vijftigjarige gesprekspartner ziet er met haar korte bruine haar en vrij kleine postuur uit als een moederfiguur. Maar als geen ander lukt het haar om het eeuwige wantrouwen te overwinnen waarmee ik iedere vreemde in eerste instantie tegemoet treed. Uit de woorden van de vrouw die tegenover me aan een eenvoudige formicatafel zit spreekt levenswijsheid, uit haar manier van luisteren vertrouwen. Ze neemt wat ik vertel serieus. Ze staat open voor me. Ook al zijn haar vragen niet altijd even prettig.

Mijn blik dwaalt langs de witgesausde muren van de praktijk naar de brede raampartij, die uitkijkt op de begraafplaats, waar enkele imposante bomen met hun herfstige bladerentooi pronken. In feite besef ik allang dat dit de enige manier is om mijn leven weer op de rails te krijgen: ik moet mezelf confronteren met het kleine kind in mij, van wie ik ben gescheiden door een muur van angst. Maar zoals je iedere aanraking vermijdt die pijn kan opwekken, weigert mijn innerlijke ik om door te stoten naar de oorzaken van mijn trauma. Val van de Muur, familie, huwelijkscrisis, werkloosheid: tot nu toe zijn er altijd genoeg excuses geweest om de thema’s van mijn leven uit de weg te gaan.

Maar nu is het verdriet gewoonweg te groot geworden. Al jaren voel ik me apathisch, depressief, het huilen staat me voortdurend nader dan het lachen. De afgelopen maanden echter heb ik de drempel van het onverdraagbare bereikt. Tijdens mijn herstelkuur in de lente heeft een psychologe op me ingepraat. ‘U kunt uw lichamelijke en psychische problemen alleen aanpakken door uw diepe trauma’s te verwerken.’

Dat doktersadvies was een laatste, bijna levensreddende impuls om door middel van een intensieve psychologische behandeling nu eindelijk eens mijn geestelijke problemen onder ogen te zien. Ik ben gewoon bang dat ik anders op een dag voor de puinhopen van een verwoest leven sta terwijl er een uitweg mogelijk was geweest. Dat ben ik ook mijn twee kinderen verschuldigd, die nu twaalf en veertien jaar oud zijn. Ik wil eindelijk weer de kracht terugkrijgen om er helemaal voor hen te kunnen zijn. Alleen als ik weet waar ik zelf vandaan kom, kan ik hun de weg wijzen.

Toch kost het me heel veel inspanning om eens in de twee weken de trap naar de modern gerenoveerde praktijk in de Oost-Berlijnse wijk Hohenschönhausen te beklimmen. Bedrukt zit ik iedere keer weer in de wachtkamer van mijn therapeute, en terwijl ik afwezig door de tijdschriften blader weet ik dat ik zo dadelijk weer zal moeten huilen. Het lijkt wel een reflex. Ze hoeft maar te vragen wat me dwarszit of de tranen beginnen al te stromen. Ik haat dat! Ik schaam me voor mijn zwakte. Doorgaans vermijd ik diepere gesprekken met mensen die ik niet ken om maar niet in deze pijnlijke situatie te belanden.

Maar bij deze therapeute is dat anders. Bij haar voel ik de geruststellende zekerheid dat ik letterlijk uit mag huilen. In gesprek met haar is me duidelijk geworden dat mijn weg tot inzicht onvermijdelijk door een tranendal zal leiden, hoe moeilijk dat ook is. Uit vroegere gesprekken en zelfonderzoek heb ik veel over mezelf en de omstandigheden waarin ik ben opgegroeid geleerd. Maar als ik in gedachten terugreis in mijn jeugd kom ik nooit verder dan mijn leven in het tehuis. Die kleinere Katrin krijg ik nooit te pakken. Ze houdt zich koppig verborgen, onbereikbaar, alsof ze achter tralies zit.

‘Waarom wil je je haar eigenlijk niet herinneren?’ vraagt de psychologe voorzichtig.

‘Omdat ik dan moet huilen,’ antwoord ik spontaan, ‘en dat wil ik niet.’ Dit is het moment waarop de therapeute de ban breekt.

‘Wat zou de vierjarige Katrin daar eigenlijk van vinden?’ vraagt ze. Ze praat over het meisje in de derde persoon.

Een rake kunstgreep – die effect heeft. Het geeft me de mogelijkheid om in zekere zin een emotionele afstand te bewaren. Plotseling kan ik dat kleine wezentje dat ik ooit, heel lang geleden, was als een neutrale getuige zien. Haar antwoord ligt opeens heel erg voor de hand voor mij: ‘De kleine Katrin voelt zich heel erg hulpeloos, verlaten. Diep vanbinnen zou ze willen schreeuwen, maar dat kan ze niet omdat ze zich moet beheersen.’

De therapeute grijpt de gelegenheid aan en vraagt door. ‘Kun je het meisje zien?’ vraagt ze.

Ja, ik zie in elk geval haar contouren, voor het eerst. ‘Ze staat in de hoek,’ beschrijf ik, ‘met haar rug naar me toe.’ Maar ik kan haar zien, het eerste contact tussen de grote en de kleine Katrin is gelegd. In mijn innerlijke dialoog duiken uit verborgen lagen van mijn bewustzijn weer de omtrekken op van de kleuter die ik zo lang heb weggestopt. In vage lijnen begin ik haar kleine wereldje vanuit haar oogpunt te beschouwen.

Het spitten in mijn geheugen lijkt op de ontdekking van een grotendeels vergane filmrol in een tot dan toe onbereikbaar donker hol. Over mijn innerlijke witte doek jagen onscherpe beelden, waar ik tientallen jaren overheen heb gekeken. Aan het eind van de therapie zie ik alle gebeurtenissen die mijn leven uit het lood hebben geslagen als de dag van gisteren weer voor me: de overval op ons huis door de mannen in lange zwarte jassen, mijn moeder die me een draai om mijn oren geeft, de auto waarin ze uit mijn leven verdween, de deken op de bank waar ik mijn verlatenheid in uithuilde, de scheiding van mijn broer.

Het is die pijn die me nog altijd kwelt – ik voel het – die wond die me ervan weerhoudt een zorgeloos bestaan te leiden. Het hevigst werkt het gevoel van diepe eenzaamheid in me na, dat door geen enkele oorzaak van buitenaf geheel kan worden verdreven. In de zonnige therapieruimte vind ik een nieuw gevoel van eigenwaarde. Ik hoef niet voor alles wat me is overkomen de schuld bij mezelf te zoeken. Mijn leven is bepaald door invloeden waar ik helemaal niet verantwoordelijk voor ben. En die ik nu eindelijk kan gaan doorgronden.