33
De rit ernaartoe voelde als een reis door de tijd naar een voor mij lang ontoegankelijk gebleven gebied, wat deze excursie voor mij een feestelijk tintje gaf. In het archief van het adoptiebemiddelingsbureau in Gera lag het lot van mijn moeder opgeslagen. Het was in twee mappen gedocumenteerd, waaruit de medewerkster me in vier sessies voorlas – de vereeuwigde carrière van een DDR-gevangene. In 1967 moest mama negen maanden gevangenisstraf in Gera en Leipzig uitzitten, van februari tot november 1972 werkkamp in Quedlinburg, in de maanden oktober en november van 1973 zat ze in het huis van bewaring in Greiz, na het vonnis tot het voorjaar van 1978 in de gevangenis Roter Ochse in Halle en van maart tot augustus 1979 in Markkleeberg bij Leipzig. Tussendoor constant rechtszittingen, vonnissen, gratieverzoeken.
Steeds weer moest ik de vriendelijke medewerkster vragen even te stoppen. Het overzicht was als een achtbaanrit door een vreemd verleden. Het duizelde me. Ik was niet voorbereid op de schok die mama’s gecomprimeerde levenslot me bezorgde. Pas op dat moment, toen ik werd geconfronteerd met de documenten, drong de gehele waarheid van haar gevangeniservaringen tot me door, waarvan ze ons tijdens mijn eerste bezoek na al die jaren slechts een heel klein deel had laten zien. Het was geen slechte politieke thriller, maar de rauwe werkelijkheid. Hoe kan het toch dat me dat in de DDR-tijd allemaal is ontgaan? peinsde ik. Ik woonde toch in dezelfde staat als zij? Wat ik kort na de omwenteling nog deels als een excuus van mama had gezien om niet voor mijn broer en mij te hoeven zorgen, zag ik nu zwart-op-wit staan: het DDR-regime had deze vrouw jarenlang van haar vrijheid beroofd. Dus had het ook niet in onze macht gelegen of we elkaar ooit terug zouden zien.
Waarom? Als reden voor haar veroordelingen in 1972 en 1973 stond slechts beknopt aangetekend: ‘Gef. d. öffentl. Ordn. d. asoz. Verhalten.’ Ontcijferd stond daar: ‘Gefährdung der öffentlichen Ordnung durch asoziales Verhalten’, oftewel bedreiging van de openbare orde door asociaal gedrag. Wat voor delict dat precies was, daar kwam ik niet zo een-twee-drie achter. In de papieren waren aanwijzingen te vinden dat de aangeklaagde soms niet op haar werk was verschenen. Klachten over werkverzuim en slechte arbeidsmoraal stapelden zich op. Had ze echt een liederlijk leven geleid, zoals mijn adoptiemoeder ooit zo geheimzinnig had door laten schemeren? Was ze daardoor in conflict met de wet geraakt?
Lijdend voorwerp van een ander proces voor de gezinsrechtbank in Gera waren wij, de kinderen – het enige wat mama toen nog had. In het dossier was geen enkele waarschuwing te vinden dat ze haar bij ons weg zouden halen, wel talloze bewijzen van de blijkbaar sterk ontwikkelde verzameldrift van de verantwoordelijke instanties. Uit een aantekening maakte ik op dat mijn broer vaak zonder geldige reden van school was weggebleven. In een andere notitie stond dat hij in november alleen in het donker op straat was gezien. Maar wat wil dat nu helemaal zeggen, vroeg ik me af, aangezien het in de winter vroeg donker wordt.
Volgens een getuige zou het in onze woning bovendien een grote puinhoop zijn geweest, terwijl het tegendeel juist weer bleek uit aantekeningen van twee onaangekondigde huisbezoekers, die schreven dat alles er ‘netjes’ uit had gezien. Ik kon het gevoel niet van me afzetten dat de autoriteiten doelbewust belastend materiaal tegen mijn moeder bij elkaar hadden gezocht. Waarom?
Ik wroette in mijn geheugen naar flarden van herinneringen en beelden die de verklaringen in het dossier konden rijmen met wat ik me uit die tijd herinnerde. Met betrekking tot de beschuldiging dat we werden verwaarloosd vond ik niets wat daarop leek. Zelfs als mijn moeder naar haar werk ging werd er altijd goed voor ons gezorgd door iemand anders van de familie. Voor mij als klein meisje was er geen twijfel mogelijk geweest dat wij voor mama het belangrijkste in haar leven waren.
Maar de civiele kamer van het kantongerecht van Gera bepaalde op 30 augustus 1972 bondig en zakelijk: ‘De aangeklaagde wordt het ouderlijk gezag […] afgenomen.’ Tot op de penning nauwkeurig werden de alimentatiebetalingen voor ons vastgelegd. Het argument was dat ze haar kinderen en haar woning had verwaarloosd. Doordat we soms niet waren komen opdagen in de verzorgingsinstellingen van de overheid, had ze ‘de kinderen onttrokken aan de maatschappelijke invloed van kleuterschool en lagere school’ en aldus hun ‘geestelijke ontwikkeling in gevaar gebracht’. De veroordeelde zelf was volgens het zittingsverslag die dag niet persoonlijk in de rechtszaal aanwezig geweest.
De rechtbank liet nog wel een klein achterdeurtje open voor de afwezige. De aangeklaagde werd in het vooruitzicht gesteld dat ze na vrijlating mocht bewijzen of ze ‘de juiste lering heeft getrokken uit haar straf en een onberispelijke opvoeding van haar kinderen kan garanderen’. In dat geval, aldus de motivatie van het vonnis, zou ze het ouderlijk gezag eventueel terug kunnen krijgen.
Toen ik dat hoorde, sprongen tranen van woede en verontwaardiging in mijn ogen. Waarom had justitie haar kinderen van haar afgenomen en haar tegelijkertijd aan het lijntje gehouden met de belofte dat ze het ouderlijk gezag terug zou krijgen in het geval van ‘beterschap’ van haar kant? Beschouwde justitie mijn broer en mij als gijzelaars met wie ze onze moeder tot goed gedrag kon dwingen? Waarom mocht ze zelf niet aanwezig zijn op het moment dat de beslissing werd uitgesproken die zulke zwaarwegende gevolgen voor ons gezin had gehad?
Ook mijn oma werd door Jeugdzorg ieder contact met mij verboden. Eindelijk begon ik te begrijpen waarom de oude vrouw destijds bij ons afscheid zo kil op me was overgekomen. De autoriteiten hadden mijn oma opgedragen om bij mij vandaan te blijven. Een bureaucratische daad had onze gezinsbanden doorgesneden, en ze had niet eens de kans gekregen om mij uit te leggen hoe het zat. Ze hadden haar gedwongen te zwijgen. De ambtelijke beschikkingsbevoegdheid reikte zelfs zover dat op 28 maart 1974 werd bepaald dat ik mijn eigen broer Mirko niet meer mocht zien omdat hij nog wel contact met mijn oma had. Zo werd ik systematisch geïsoleerd van mijn naaste familie, iets waar mama destijds al op had gezinspeeld. Een rilling liep over mijn rug toen ik dat hoorde. Hoe paranoïde moest een staat zijn die met zo’n consequente wreedheid gezinnen uit elkaar haalde? vroeg ik me af.
Het aantal ambtelijke instructies in mijn adoptiepapieren was niet groot, maar er sprak wel de druk uit waar alle betrokkenen destijds onder gebukt gingen. Stukje bij beetje begon ik me te realiseren wat gedwongen adoptie, dat vreemde begrip dat mama gebruikte, echt betekende. Toch begreep ik nog altijd niet hoe mama al die dingen lijdzaam had kunnen ondergaan. Waarom en hoe had ze het over haar hart verkregen om afstand van me te doen?
Alsof ik dit inzicht niet wilde accepteren vroeg ik de medewerkster om nog een keer bladzijde voor bladzijde terug te gaan. We moesten een belangrijk detail over het hoofd hebben gezien. En inderdaad: deze keer kwam vanachter het gerechtelijk document een andere aantekening tevoorschijn, waar we de eerste keer aan voorbij waren gebladerd. Al op 19 september 1972 vroeg Jeugdzorg na de onttrekking aan het ouderlijk gezag ook de voogdij over mij aan. De gezinsrechtbank willigde deze aanvraag in en gaf mij daarmee vrij voor adoptie – achter de rug van mijn moeder om. Daarmee had ik het ontbrekende bewijsstuk: niet mama had mij afgestaan ter adoptie maar de staat. Dat was duidelijk tegen de wil van mijn moeder gebeurd.
Ik kon het nauwelijks bevatten. Wat ze me tijdens onze eerste ontmoeting had verzekerd maar wat ik in mijn notoire wantrouwen niet had willen geloven, klopte dus: mama had ons koste wat kost willen houden. De belofte die ze me op de dag van haar arrestatie bij het afscheid had gedaan was oprecht geweest. Dit document was het bewijs van haar moederlijke verantwoordelijkheidsgevoel. Haar volhardende weigering om het ouderlijk gezag op te geven zou zelfs weleens de reden voor haar afwezigheid bij het vonnis kunnen zijn geweest.
Verderop in de stapel documenten vonden we een brief die mama na het uitzitten van haar gevangenisstraf op 13 januari 1973 in haar keurige handschrift had geschreven. De overheidsinstellingen hadden op dat moment nog geen nader besluit genomen over ons lot. Ronduit smekend verzocht ze de autoriteiten om op z’n minst mijn oma contact met haar kinderen toe te staan. Zelf zou ze nu gaan bewijzen dat ze als moeder voor ons kon zorgen zodat ze ons terug kon krijgen, zoals haar in de motivatie van het vonnis in het vooruitzicht was gesteld. Op 7 februari wees Jeugdzorg het verzoek af, op de dag af precies een jaar na onze scheiding.
Uit de beknopte brief bleek duidelijk dat, tegen alle beloften in, onze verdere levensweg al vast was gelegd: om de kinderen ‘het integreren in een vreemd gezin makkelijker te maken’, stond er namelijk, was het noodzakelijk om ‘alle banden met de vroegere familieleden te verbreken’ – in het ‘belang van Mirko en Katrin’.
Ik keek de medewerkster aan en vroeg: ‘Hoe konden ze nou weten wat in ons belang was? Voor ons telde toch maar één ding: we wilden terug naar mama.’
Maar wat kinderen wilden deed in die tijd niet ter zake. Over mijn adoptie werd besloten door de commissie voor jeugdzorg van de gemeenteraad van Gera en daarbij werd, zo stond er koeltjes, ‘afgezien van de toestemming van de moeder […]’.
Ik werd overvallen door een immens verdriet en een even groot gevoel van medelijden met mama, zoals ik nooit eerder had ervaren. Ik had spijt van het onrecht dat ik haar al die jaren had aangedaan door zo argwanend te zijn. Wat kan er erger zijn voor een moeder dan met geweld van haar kinderen te worden gescheiden? Bij het afscheid haar best moeten doen om dapper te glimlachen, terwijl ze al vermoedde dat ze die geliefde gezichtjes misschien wel nooit meer zou zien? Een cesuur, een amputatie: een grotere pijn is voor een moeder waarschijnlijk nauwelijks voor te stellen, bedacht ik, nu immers zelf moeder van twee kinderen.
Of mama destijds nu echt iets op haar kerfstok had of volgens de maatstaven van een vrije maatschappij ten onrechte in de cel zat: zij was niet degene die me aan mijn latere lot had overgeleverd. Dat was voor mij het belangrijkste inzicht dat inzage van mijn dossiers bij Jeugdzorg me had opgeleverd. De DDR had me bij haar weggehaald – door middel van een gerechtelijk besluit. Dezelfde staat die voor mij ooit de enig denkbare maatschappelijke vorm was geweest. Voor het eerst richtte mijn onderhuidse woede zich niet langer tegen mama, maar tegen het afgedankte regime. Ik begon de diepte van de haat te begrijpen die ik in mama’s ogen had gezien toen ze tegenover mijn adoptiemoeder stond. De staat had haar van haar kinderen, haar gezondheid en haar bescheiden gezinsgeluk beroofd.
Dat bestreed ook de geduldige archiefmedewerkster niet. Toen ze het dossier sloot las ik op de achterkant van de map een instructie uit 1990 om de papieren te vernietigen precies in het jaar waarin ik was begonnen te zoeken.
‘Wat gaat u nu met uw kennis doen?’ vroeg de vrouw me toen ik vertrok.
Daar had ik nog niet over nagedacht. Maar nu kwam er spontaan een idee bij me op. ‘Ik ga het in de openbaarheid brengen,’ zei ik, zelf enigszins verrast door mijn kordaatheid. ‘Ik ben vast niet de enige die op deze manier slachtoffer geworden is.’
Geen andere lotgenoot, zwoer ik mezelf op dat moment, zou net zo’n moeizame weg af moeten leggen en net zo lang moeten strijden als ik.