2
Zo vreemd was het dus niet dat we die dag, 7 februari 1972, weer eens bij onze oma belandden. Maar deze keer verstreek uur na uur en mama bleef weg. Mirko en ik vielen in slaap zonder kusje voor het slapengaan en werden wakker zonder dat ze ons goedemorgen kwam zeggen.
Met iedere dag die verstreek werd het duidelijker: we waren hier niet zomaar voor even.
Ik moet normaal nogal een levendig meisje zijn geweest, maar sinds mama’s verdwijning zat ik het grootste deel van de tijd passief voor me uit te staren. Dagenlang zat ik daar maar te zitten zonder iets te voelen. Mijn gevoelens leken uitgedoofd. Ik was afgestompt en deed of ik niets hoorde of zag. Het verloop van de verbanning zelf heb ik inmiddels zo aanschouwelijk voor ogen alsof het de dag van gisteren was, maar mijn herinnering aan die tussenstop bij mijn oma is grotendeels weggevaagd. Ik zou niet eens kunnen zeggen wat mijn broer deed gedurende al die tijd die ik apathisch op de bank doorbracht.
Ik ontwaakte pas weer uit mijn schemertoestand toen oma ons na een kleine week op een ochtend uit bed haalde met de woorden: ‘Vooruit, jongens, trek je nette kleren aan! We gaan naar de stad.’ Dat klonk veelbelovend, want naar de stad gaan betekende altijd rondkijken, winkelen, ijs eten. Misschien zouden we zelfs mama weer zien! Zelden had ik me zo snel aangekleed als die ochtend.
Onderweg zei oma: ‘Zo, nu gaan jullie naar andere kinderen. Daar kun je fijn mee spelen.’ Geen ijs of ander lekkers en vooral geen weerzien met mama. In plaats daarvan moesten we ruim een halfuur lopen, bergopwaarts naar de chiquere wijk van Gera, aan de andere kant van het spoorwegviaduct. Uiteindelijk kwamen we bij een massieve, monumentale villa, waarvan ik vond dat die op mijn kleuterschool leek. In Gera had je nog een flink aantal van dat soort statige gebouwen uit de Gründerzeit, en in het nieuwe, socialistische tijdperk waren in veel daarvan openbare instanties gevestigd.
Zou ik nu in een nieuwe kleuterklas komen? vroeg ik me af toen we de villa binnengingen. Maar in dit bakstenen gebouw heerste geen drukte van komende en gaande kinderen. Er hingen ook geen rugtasjes aan kapstokjes en naast de voordeur stonden geen schoentjes klaar om aan te trekken. De kinderen hier leken hier thuis te zijn, als in een bijzonder kinderrijk gezin.
Aan oma’s hand stonden we op het linoleum van de entreehal, die ik destijds enorm vond. Rond de hal lagen aan drie zijden de aangrenzende vertrekken. De brede vleugeldeur tegenover de ingang deed vermoeden dat daar grotere ruimten achter lagen. De blik reikte twee verdiepingen hoog tot aan het met notenhout ingelegde plafond met de kroonluchter. Aan de rechterkant liep een houten trap naar de bovenste etage, die van een balustrade was voorzien en waar nog meer kamers waren. De verbleekte elegantie van de villa werd met veelstemmig geluid tot leven gewekt.
We waren nog maar amper binnen of de andere kinderen ontvoerden mijn broer en mij al naar de tuin achter het huis, die mijn indruk bevestigde dat deze villa een sprookjesslot was. Door een glazen deur stroomde volop licht, daarachter leidden enkele traptreden naar een met heggen omzoomd grasveld waarop een paddenstoelvormig klimtoestel stond. Bij wijze van welkom lieten de kinderen ons een echte egel zien, die blijkbaar nog in winterslaap was. Zo’n prachtexemplaar had ik nog nooit gezien. Voorzichtig aaiden we over zijn stekelvacht.
Toen we terugkwamen uit de tuin was oma al weg. Ze had me nog op het hart gedrukt om altijd lief en gehoorzaam te zijn. Dat had ik haar beloofd, en daarom wilde ik niemand laten zien hoe groot mijn verwarring was. Vanavond zal ze wel terugkomen, zei ik om mezelf te kalmeren. Tot die tijd zou het hier waarschijnlijk best uit te houden zijn. Mijn broer was immers bij me. De kinderen waren spontaan en de leidsters vriendelijk. De directrice van het kindertehuis voor kleuters in Gera, mevrouw Heinze, ontving ons hartelijk.
Al snel had ik het gevoel dat ik haar in vertrouwen kon nemen en dapper vroeg ik haar: ‘Tante, wanneer komt onze mama terug? Komt ze ons hier ophalen?’
In een vertrouwelijk gebaar bracht ze haar gezicht naar het mijne, aaide me over mijn wang en keek me aan met een blik die zei: Je moet nu heel flink zijn. Maar haar woorden zeiden iets heel anders: ‘Geen idee. Je zult wel zien. Wacht maar af.’
Hoe klein ik ook was, ik voelde dat ze meer wist dan ze ons wilde vertellen. Ik deed een laatste poging: ‘Mogen we morgen weer naar huis?’
In plaats van antwoord te geven dirigeerde de directrice mijn broer en mij met zachte dwang naar het vertrek waar de andere kinderen aan het spelen waren. Maar ik had helemaal geen zin om te spelen. Ik wilde zo snel mogelijk naar huis. Een zijdelingse blik op Mirko bevestigde mij dat het hem niet anders verging.
Gelukkig ontfermden de andere kinderen, allemaal tussen de drie en zeven jaar oud, zich over ons. Het viel me op dat ze nogal uniform gekleed waren. Zelfs de jongens droegen binnenshuis maillots en truien, en de meisjes hadden polyester schortjes voor, waardoor ze allemaal op elkaar leken. Ze lieten ons de nogal omvangrijke collectie speelgoed zien: glijbaan, autopeds, ballen, springtouwen, knutselspullen. Van dergelijke schatten konden we thuis alleen maar dromen, want in de gezinnen die ik kende bleef het wagenpark doorgaans beperkt tot een bolderkar. Een step was voor de meeste ouders niet te betalen. Zo beschouwd waren we hier in Luilekkerland terechtgekomen.
Ook de acht leidsters, van wie de meesten nog tamelijk jong waren, behandelden ons vriendelijk, en de verzorging liet niets te wensen over. Van de keukenvrouwen, die me bij de eerste kennismaking meteen al in hun hart sloten en aan hun weelderige boezem drukten, kreeg ik weleens stiekem een slokje prik of chocolademelk – wat veel lekkerder was dan de obligate vruchtenthee. We kregen middageten, sliepen, speelden, kregen avondeten. De porties waren nauwkeurig afgemeten. Als de boterham op je bordje op was kwam er tot mijn verbazing geen tweede.
Op een gegeven moment werd het donker en was oma er nog steeds niet. Toen we de trap werden opgeleid en in de slaapzaal een spijlenbed toegewezen kregen, was mijn verwarring compleet. Niemand had het over blijven slapen gehad. Maar nu kreeg ik helemaal geen antwoord meer op mijn vragen. Ik was blij dat ik bij mijn broer kon blijven en week de hele avond niet van zijn zijde.
Ongeveer twintig kinderen – meisjes en jongens door elkaar – deelden de slaapzaal. Voor het slapengaan luisterde iedereen naar het sprookje dat werd voorgelezen. Ik was dol op verhalen, maar voelde me zo verdrietig dat het me die avond niet lukte om het verhaal te volgen. Ik kroop weg onder eenzelfde wit-blauw geblokte deken als waar de andere kinderen onder lagen en kon de slaap maar moeilijk vatten. Weer een ander bed. Ik wist zo langzamerhand niet meer waar ik eigenlijk woonde.
De volgende ochtend duurde het even voor ik doorhad waar ik was – in bewaring gegeven maar niet opgehaald. Welke beloften kon ik nog geloven? Zat er misschien toch een kern van waarheid in dat wat de andere kinderen later in de tuin zeiden? ‘Je moeder komt niet meer terug!’ riepen ze, het klonk spottend. Nieuwsgierig als ze waren hadden ze van de leidsters opgepikt dat mijn moeder vastzat. Een op de drie kinderen had zelf geen ouders meer om ze hier weg te halen. Waren ze jaloers dat ik ten minste nog een moeder had?
Mijn opgekropte wanhoop baande zich een weg naar buiten. ‘Jullie liegen!’ schreeuwde ik, luidkeels en koppig. ‘Ze heeft gezegd dat ze terugkomt!’ Opnieuw stroomden de tranen over mijn wangen, ik kon ze niet meer bedwingen.
Godzijdank sprong mijn broer voor me in de bres. ‘Laat haar met rust!’ zei hij beschermend. Meer dan eens behoedde Mirko me voor kinderen die me pestten of achter me aan zaten. Zolang ik me kan herinneren was hij er om me te helpen en vervelende buurjongens weg te jagen. Maar ook hij kon niet verhinderen dat de andere kinderen in het tehuis mijn gehuil al snel zat waren. Op een gegeven moment riepen ze me geen gemene dingen meer na, ze draaiden zich gewoonweg om en lieten me in mijn eigen sop gaarkoken. Dat was nog erger. Zo voelde ik me pas echt verlaten.
Ik was dus bijna opgelucht toen ik – voor mijn gevoel slechts een paar dagen later – na het middageten naar het kantoor van de directrice werd geroepen. Haar kamer bevond zich meteen links van de ingang en ademde een uitgesproken voorname sfeer. Alleen het portret van secretaris-generaal Erich Honecker aan de muur leek ietwat misplaatst in het smaakvolle interieur. Mevrouw Heinze stond voor haar bureau en zei dat ik het oudere echtpaar dat al op me leek te staan wachten netjes moest begroeten. Op de een of andere manier had ik meteen het onaangename gevoel dat ik te laat was. Ik zag aan de gezichten dat de grote mensen alles allang hadden bekokstoofd. Mij werd helemaal niets gevraagd, dus bleef ik koppig zwijgen. Ook de twee bezoekers, die een nogal burgerlijke indruk op me maakten, zeiden geen woord.
De directrice praatte des te meer, en de vrouw die tegenover haar stond knikte onophoudelijk op alles wat ze zei. ‘Pak je spulletjes,’ instrueerde mevrouw Heinze me, ‘je tandenborstel, je jurkjes en je pyjama, en dan ga je met je nieuwe gastouders mee naar huis.’
Eén ding had ik in de korte tijd dat ik hier was al geleerd: als vreemde mensen, vaak echtparen, naar het tehuis kwamen, werd meestal korte tijd later een van de kinderen naar de kamer van de directrice geroepen. Dit keer was ik dus aan de beurt.
In een reflex vroeg ik: ‘Komt Mirko niet mee dan?’
Mevrouw Heinze sprak me kalmerend toe, terwijl de vreemde vrouw opnieuw ieder woord met een knikje bevestigde. ‘Die blijft voorlopig nog even hier. Ga jij eerst maar eens kijken hoe je nieuwe thuis bevalt. Daar heb je je rust en zijn er geen kinderen die je pesten. Als het je niet bevalt daar, kom je gewoon terug.’
Nu begonnen de alarmbellen toch wel bij me te rinkelen: nog nooit had ik iets zonder mijn grote broer gedaan. We waren altijd samen. Afgezien van mijn moeder was Mirko degene die ik het meest vertrouwde, mijn beschermengel. Bovendien: hoe kon mama mij nu nog vinden als ze naar het tehuis kwam om me op te halen? Ik had helemaal geen goed gevoel bij deze verhuizing. Maar blijkbaar was het in eerste instantie op proef. Alles wat hier gebeurde, zo hield ik mezelf voor, was sowieso tijdelijk, provisorisch – tot het moment dat onze drie-eenheid, die ik tot op de dag van vandaag met alleen maar gelukkige jeugdtaferelen associeer, weer intact zou zijn.