24
Toen we in maart 1986 met het gezin naar Berlijn zouden vertrekken om het huwelijk van mijn nicht Diana en haar partner te gaan vieren, gebeurde het: in de hectiek stapte moeder onhandig van de zoldertrap en bleef daarbij met haar voet in een deken haken die ze voor de autorit tevoorschijn had gehaald. Daardoor viel ze zo ongelukkig van de trap dat ze haar nek ernstig verwondde. Omdat ik tijdens de bruiloft zou babysitten moest ik de reis toch maken, maar ik was bijna het hele weekend in tranen omdat ik niet wist wat er met moeder aan de hand was. Ik kon het beeld niet van me afzetten hoe ze hulpeloos in bed lag toen ik afscheid van haar nam en ze, in afwachting van de ambulance, over een verlamd gevoel in haar handen klaagde. Zou ze een dwarslaesie hebben? vroeg ik me bezorgd af. Of zou ze misschien zelfs aan de gevolgen van de val overlijden? Steeds opnieuw werd ik overmand door paniekaanvallen en huilbuien.
Nu pas, in deze ongelukkige situatie, besefte ik hoe bang ik was om opnieuw een moeder kwijt te raken. Ze liet me dus toch niet zo koud als ik altijd had gedacht. Ik mocht dan wel voortdurend onder haar al te dwingende aanwezigheid in mijn leven lijden, toch was mijn innerlijke kompas al die jaren op haar afgestemd geweest. Nu ik haar in het huishouden moest vervangen, zag ik bovendien alle hoop op een zelfstandiger leven, dat binnen handbereik was geweest, vervliegen.
Bezorgd om haar gezondheidstoestand ging ik, zodra ik terug was in Gera, bij haar op bezoek in het ziekenhuis, waar ik een hoopje ellende aantrof. Uit de onderzoeken bleek dat moeder een nekwervel had gebroken. Om haar hoofd droeg ze een beugel die aan haar schedel was bevestigd en aan een katrol hing. Tegengewichten fixeerden haar hoofd in een stabiele positie om de wervelkolom te ontzien. Moeder was aan bed gekluisterd. Maar ze leefde, en tot mijn grote opluchting waren haar vooruitzichten om de gecompliceerde breuk zonder blijvende gevolgen te doorstaan goed.
Naast mijn diensten in het ziekenhuis en het werk thuis bracht ik de weken die volgden iedere beschikbare minuut aan haar ziekbed door. Ik waste haar, voedde haar en gaf haar de noodzakelijke injecties, waarbij mijn opleiding goed van pas kwam. Ik geloof dat er in al die jaren geen periode is geweest waarin ik het gevoel had zo dicht bij mijn moeder te staan als tijdens deze fase van haar ziekenhuisverblijf. Misschien was het juist haar onmiskenbare hulpbehoevendheid, haar afhankelijkheid, die het ijs tussen ons deed smelten. Ze leek een totaal ander mens. Ze berispte me niet, maakte me geen verwijten en schreef me niet de wet voor. Integendeel zelfs: tegenover haar kamergenoten of artsen had ze niets dan lof voor me, en ik kon zien dat ze onze verbondenheid wist te waarderen. Als ze op me aangewezen is, dacht ik, kan ze zelfs best aardig zijn.
Thuis moest ik niet alleen het huishouden doen en voor mijn broertje Sören zorgen, ook moest ik de werklui in de gaten houden die uitgerekend die zomer ons dak vernieuwden. Bovendien moest het fruit uit de fruitbomen worden geoogst en tot jam verwerkt voor het ging rotten. En dat terwijl ik die zomer eigenlijk had moeten studeren voor het afsluitende examen van mijn tweejarige verpleegstersopleiding. Maar dat werd me allemaal te veel. Ik kon me gewoonweg niet op al die vaktermen in mijn lesboeken concentreren en tegelijkertijd blokken voor het verplichte diploma Russisch. Steeds als ik een poging ondernam viel ik oververmoeid boven mijn boeken in slaap.
De gevolgen bleven niet lang uit. Voor mijn tentamen psychologie haalde ik nog net een zes, voor de totale beoordeling een zeven – niet echt een geweldige basis voor een toekomstige carrière. Maar het enige wat ik wilde was dit leven zo snel mogelijk achter me laten. Zelfs het aanbod van een leraar om het examen over te doen om mijn cijfers op te halen, sloeg ik af – met uitzondering van het examen Russische spreekvaardigheid, dat ik later overdeed. Ik was blij dat ik klaar was, met wat voor cijfer dan ook. Ik wilde eindelijk een streep zetten onder school, theorie en lesstof.
Toen moeder na ruim drie maanden thuiskwam, haar hele bovenlichaam gehuld in kosmonautengips, zoals wij het noemden, keerden ook de oude gezagsstructuren terug. Wat er in de weken daarvoor voorzichtig aan genegenheid tussen ons was ontstaan, leek al snel weer weg te ebben. De spanningen van mijn moeder werden verergerd door het gipsen korset, dat haar bewegingsvrijheid behoorlijk inperkte en haar geen verkwikkende nachtrust gunde. Vanzelfsprekend stak haar ongeluk ook een stokje voor mijn trouwplannen. De trouwerij moest worden uitgesteld van de zomer naar de late herfst, en dom genoeg kozen we daar 14 november voor uit. In alle drukte had ik over het hoofd gezien dat dat moeders verjaardag was.
De beslissing om te trouwen was een verstandelijke, dat gold zowel voor Olaf als voor mij. In een huwelijk zag ik de enige kans om voor altijd, en ook nog eens zo ver mogelijk uit Gera weg te komen. Het romantische gevoel van de nieuwe verliefdheid zou vast en zeker snel afnemen, daarover maakte ik me geen illusies. Maar het huwelijk bood me een realistisch perspectief om mijn leven als adoptiekind eindelijk achter me te laten. Olaf op zijn beurt had als officier een vrouw aan zijn zijde nodig, omdat hem dat in het leger in aanzien zou doen stijgen.
Dus deed hij zijn uiterste best om me ervan te overtuigen dat ik er goed aan deed met hem te trouwen. In de DDR was een huwelijk het toegangsbewijs voor een nieuw en zelfstandig leven, aangezien het de echtelieden in veel opzichten veel onafhankelijker maakte van hun ouders. Ze konden aanspraak maken op een lening van de staat, die door een in vervulling gebrachte kinderwens nog verhoogd kon worden, en op een ruime eigen woning.
Maar Olaf wilde niet alleen kunnen pronken met een echtgenote, maar ook met een voorbeeldige kameraad. Waar mogelijk deed hij altijd meer dan er van hem werd gevraagd. Een paar weken voor ons trouwen nam hij me daarom apart en zei dat ik lid van de SED moest worden. ‘Dat begrijp je toch wel! Hoe ziet dat er voor mij als beroepsofficier uit als mijn vrouw weigert om bij de partij te gaan? Dan zullen ze zich meteen afvragen of er misschien twijfels zijn aan jouw, en dus ook aan mijn betrouwbaarheid. Weet je, ik wil in het leger ook een keertje hogerop komen. Bovendien heb je er zelf ook alleen maar voordeel van als je van plan bent om ooit naar een andere verpleegstersopleiding over te stappen. Met een partijboekje heb je nu eenmaal betere kaarten.’
Ondanks alle voordelen had het woord ‘partij’ voor mij nog altijd een negatieve bijklank. Niet alleen vanwege de staatsleer die ze propageerde, niet eens om politieke redenen. Nee, ‘partij’ stond voor mij vooral voor mijn vaak afwezige moeder, die ook ’s avonds meestal nog allerlei papierwerk door moest nemen of naar een van haar vele vergaderingen moest. Partij was synoniem aan het wantrouwen waarmee mijn vroegere klasgenootjes me hadden bejegend. Partij ging niet samen met een ‘staatsverraadster’ als mijn echte mama. Onwillekeurig deinsde ik terug voor de lidmaatschapsaanvraag, maar ik durfde ook niet echt te weigeren.
Omdat ik geen beslissing kon nemen vroeg ik mijn adoptiemoeder om advies.
‘Ik moet even iets met je bespreken. Olaf zou het beter vinden als ik ook lid van de SED zou worden,’ legde ik haar uit. ‘Ik weet niet wat ik ervan moet vinden. Als ik het niet doe, kan dat slecht voor zijn carrière zijn.’
Bedrukt zwijgen was wel de laatste reactie die ik had verwacht. Stiekem had ik gehoopt dat ze mij als kameraad zou begroeten en door haar waardering de beslissing makkelijker voor me zou maken. Maar waarschijnlijk voelde ze dankzij haar goede intuïtie aan dat het me aan innerlijke overtuiging ontbrak, en ze gaf me een ontwijkend antwoord. ‘Waarom zou dat slecht voor zijn carrière zijn?’
‘Geen idee,’ zei ik. ‘Dan krijgt hij geen promotie of zo…’
‘Heeft hij verder niets tegen je gezegd?’ drong ze aan.
‘Nee.’ Ik was beduusd.
‘Dan kan ik je helaas ook niet verder helpen,’ zei de vrouw die zich normaal zelfs met het kopen van mijn kleren bemoeide. ‘Je moet zelf weten wat je doet.’
Mijn vader, door moeder ingelicht, was duidelijker in zijn oordeel. ‘Katrin, daar zou ik me maar verre van houden als ik jou was,’ mompelde hij bijna geheimzinnig toen we samen in de tuin waren en het erover hadden.
Op aanraden van mijn moeder wendde ik me uiteindelijk tot onze buurman, een bewezen SED-partijaanhanger, die mij en de gewoonten binnen de partij goed genoeg kende. Terwijl we, om niet gestoord te worden, samen een fietstochtje door het Elsterdal maakten, bevestigde hij het vermoeden dat Olaf als politiek officier problemen zou kunnen krijgen als ik weigerde. ‘Een dergelijk verzoek afwijzen, daar moet je van tevoren goed over nadenken, Katrin!’ zei hij, op mijn gemoed werkend.
Die uitspraak gaf uiteindelijk de doorslag, want ik wilde koste wat kost alles vermijden waarmee ik mijn toekomstige echtgenoot in verlegenheid zou kunnen brengen. Nooit meer wilde ik andere mensen problemen bezorgen, zoals, beeldde ik me in, mama op de dag van haar arrestatie. Dat mocht niet nog een keer gebeuren. Het partijboekje zou mijn bruidsschat zijn. Al was het alleen maar als bewijs van een slapend lidmaatschap.
‘Als ik lid word,’ zei ik dapper tegen Olaf, ‘dan alleen als betalend lid. Ik ga beslist geen functie bekleden of andere taken op me nemen.’ Zo fanatiek als mijn moeder wilde ik mezelf zeker niet in het partijwerk storten.
Tevreden over het compromis ging ik zodra ik in de gelegenheid was naar de partijsecretaris van onze medische vakopleiding. Maar toen ik haar op de hoogte stelde van mijn zo moeizaam genomen besluit, vroeg ze alleen maar: ‘Waarom?’ En moest ik me alsnog rechtvaardigen voor mijn tegemoetkoming aan Olafs wens. Ik beriep me op een soort erfopvolging als dochter van een partijgenoot.
Bovendien moest ik met twee betrouwbare borgstellers over de brug komen die moesten verklaren dat mijn beslissing om lid van de SED te worden serieus was. Aan het eind van de procedure kreeg ik als bewijs van mijn partijlidmaatschap het rode boekje overhandigd en betaalde ik mijn eerste partijcontributie. Daarmee was de zaak voor mij afgedaan. Maar mijn politieke onschuld was ik verloren.
Het partijlidmaatschap leverde me in de tweede helft van de jaren tachtig niet alleen maar voordelen op. Bij de meeste leerling-verpleegkundigen, vooral degenen die niet van mijn persoonlijke beweegredenen op de hoogte waren, had ik het met deze actie compleet verbruid.
Maar voor mij was mijn opleiding toch alleen maar een doorgangsstation. Niets stond mijn promotie tot echtgenote en vervolgens hopelijk ook tot moeder nog in de weg. Voor het trouwfeest huurden we de ruimte naast het HO-restaurant Zur Völkerfreundschaft in Arnstadt af, de stad waar Olaf vandaan kwam. Moeder vroeg een paar kennissen om taart te bakken en vaders bijdrage was een enorm, biedermeierachtig bruidsboeket. Daarbij waren de contacten die hij in zijn nieuwe baan had opgedaan goed van pas gekomen. Om gezondheidsredenen had hij het metselen op moeten geven en nu werkte hij bij de Konsum in Langenberg. Daar was nog weleens het een of andere dringend noodzakelijke artikel onder de toonbank te verkrijgen – desnoods zelfs een weelderig bruidsboeket.
Ook voor de keuze van mijn trouwjurk vonden we een goedkope en typisch DDR-achtige oplossing: mijn tante Irene, die gediplomeerd naaister was, naaide van tule en kant een klassieke witte jurk voor me. De zus van mijn vader had moeders garderobe al vaker met zelfgemaakte rokken, broeken, bloesjes, jurken en pakjes verrijkt, tegen betaling, dat wel, aangezien de naaister een conflict had met haar broers. De stof voor mijn jurk kocht ik zelf, maar het naaien van de jurk was een cadeau van mijn tante.
Olaf spaarde de kosten voor een pak helemaal uit: hij zou gewoon in zijn uitgaanstenue naar de burgerlijke stand gaan. Een oplossing waar ik niet al te gecharmeerd van was, aangezien ik er niet echt behoefte aan had om als officiersbruid voor het altaar te treden. Het uniform zou gegarandeerd veel aandacht trekken, maar ook vooroordelen bevestigen. Ook nu weer was ik bang voor het bekende patroon waarin ik gevangenzat. Katrin, de dochter van de lerares, de partijsecretaris – en nu de vrouw van de politiek officier: een ‘rooie rakker’. Hoe kon ik dat soort stereotypen ooit kwijtraken? Maar Olaf was niet van zijn plan af te brengen. Het ging hem vast niet alleen om de geldbesparing; het was voor hem een erekwestie om op die feestdag zijn vaderland te representeren.
Helaas was hij niet de enige die er zo over dacht. Toen we op 14 november 1986 in zeer besloten kring in Arnstadt bij elkaar kwamen, kwam mijn toekomstige echtgenoot aanzetten met een oudere officiersmaat die ik slechts vluchtig kende – en die ook in uniform was. Olaf probeerde mijn onbehagen weg te nemen met de opmerking dat er toch iemand foto’s moest maken. Het aantal gegadigden voor die taak was inderdaad niet zo groot, het clubje bruiloftsgasten bleef nogal overzichtelijk. Mijn aanstaande had twee zussen, met wie ik meteen goed op kon schieten. Hiltrud, de oudste, woonde met haar man en drie kinderen in Arnstadt, Kerstin, de jongste, met haar man, die glasblazer was, en haar zoon in Neuenhagen bij Berlijn. Het leeftijdsverschil met hun kleine broertje was aanzienlijk, met de jongste zus elf en met de oudste zelfs negentien jaar.
Als nakomertje had Olaf in zijn jeugd nagenoeg de onverdeelde aandacht van zijn moeder gekregen. Toen haar zoon een opleiding tot spoorwegmechanicus ging volgen was de huisvrouw zelfs bij andere mensen gaan schoonmaken om zijn bescheiden opleidingsvergoeding aan te vullen. Olafs vader had na zijn terugkeer uit krijgsgevangenschap als automonteur gewerkt, maar was door rugproblemen gedwongen geweest om over te stappen naar een baan binnen het ziekenvervoer. Echte vrienden van mijn toekomstige echtgenoot had ik tot dan toe niet ontmoet. Met regimentskameraden onderhield hij vooral zakelijk contact. Zijn buurman Steffen in Binz was eerder een vage kennis. Voor de gastenlijst van een bruiloft waren zijn contacten niet diepgaand genoeg, en in dat opzicht leek ik op mijn bruidegom. In feite waren we twee eenzame mensen die elkaar hadden gevonden.
En toen was het eindelijk zover. Nog een beetje duf na de vrijgezellenavond stapten we in de ochtend van 14 november 1986 in een dichte, wit glimmende paardenkoets. Een plaatje uit een sprookjesboek. Mijn adoptiemoeder droeg het bruidsboeket, iedereen was feestelijk gekleed. In de omringende huizen gluurden de buren nieuwsgierig uit het raam en ik voelde een opwinding zoals ik nog maar zelden had gevoeld. Mijn leven zou nu onherroepelijk een andere wending nemen.
De koets stond stil voor het imposante renaissanceraadhuis, dat Arnstadt al sierde toen Johann Sebastian Bach hier als gast kwam spelen. Het was een van die late herfstdagen waarop de koele lucht de winter al aankondigde terwijl de stralende zon de zomer nog na liet klinken. In het stijlvolle raadhuis werden we opgeroepen als voor een examen en moesten we plaatsnemen. Ik was helemaal opgetogen door het feit dat in de trouwakte onder mijn naam als tweede woonplaats Binz stond. Totdat ik mijn verpleegstersopleiding had afgerond moest ik nog in Gera blijven wonen, maar mijn vrije tijd kon ik nu al aan de Oostzee doorbrengen, waar over driekwart jaar mijn thuis zou zijn. De man aan mijn linkerzijde was mijn redder. Hij zou me spoedig bevrijden uit mijn Assepoesterbestaan en me meenemen naar zijn verre koninkrijk. Dan zou ook de liefde wel komen, stelde ik me voor, want daar was ik op dat moment nog niet helemaal zeker van.
Van achteren voelde ik de hand van mijn vader op mijn schouder en ik genoot van het gebaar waarmee hij mijn halflange haar gladstreek. Toen boog hij zich naar me toe en fluisterde, onhoorbaar voor de mensen om ons heen, in mijn oor: ‘Katrin, je kunt nu nog terug!’ Hij moest me hebben geobserveerd en had vast op de een of andere manier iets van mijn twijfels opgevangen.
Enigszins hulpeloos fluisterde ik terug: ‘Papa, dat gaat nu niet meer. Daar heb ik de moed niet meer voor.’
Olaf ten overstaan van de gasten een blauwtje laten lopen, dat had ik nooit over mijn hart verkregen. In plaats daarvan klampte ik me vast aan de woorden waarmee ik mezelf steeds opnieuw moed inpraatte: Katrin, nog even en dan zul je ver hiervandaan een nieuw leven beginnen! Als klein meisje al had ik ervan gedroomd om ooit een eigen gezinnetje te hebben.
Maar het standaardpraatje van de ambtenaar van de burgerlijke stand was niet bepaald geschikt om romantische gevoelens op te wekken. Ze reeg cliché aan cliché en zelfs als ik mijn best deed lukte het me slechts met moeite om de reeks onpersoonlijke holle frasen te volgen. Na de preek kwam het grote moment. We schoven elkaar de verlovingsringen van Vietnamese makelij van de linker- aan de rechterringvinger, waarmee ze de nieuwe functie van trouwring kregen. Dit gebaar voltrok zich even stijfjes als de aansluitende kus, waarmee de ceremonie voorbij was. Maar Olaf straalde van tevredenheid en gaf daarmee uiting aan een gevoel van trots dat ik bij mezelf nog niet zo goed kon vinden.
Tegelijkertijd was ik bijzonder in mijn sas met het dominante optreden van mijn kersverse echtgenoot. Hij wist wat hij wilde, hij was niet zo’n twijfelkont als ik. De liefde zou wel groeien als we eenmaal samen waren, hield ik mezelf voor. Die spatjes leerde ik hem nog wel af. Ik was nog maar net negentien jaar oud en had geen enkele levenservaring. Liefde was voor mij hetzelfde als verwachtingen waaraan ik moest voldoen. Uiteindelijk zegevierde de bevrijdende gedachte dat moeder de nieuwe realiteit nu eindelijk onder ogen zou moeten zien.
Op het bordes van het raadhuis moesten we volgens het oude huwelijksgebruik eerst met een nagelschaartje een lint dat ons de weg versperde doorknippen, toen samen, nadat we ons eerst van al ons kleingeld hadden ontdaan, een blok hout doorzagen. Even moest ik terugdenken aan die keer dat mijn broer Mirko en ik op het marktplein van Gera naar een kersvers paar in een regen van rijst hadden staan kijken, wat me destijds het summum van geluk had geleken.
Ik werd opgeschrikt uit mijn gedachten door het verzoek om in de wachtende koets te stappen die ons naar het bruiloftsfeest zou brengen.
Onderweg gaf Olaf de koetsier opdracht om te stoppen, zonder dat hij me van zijn plan op de hoogte had gesteld. Hij was namelijk van mening dat op een feestelijke dag als deze de slachtoffers van het fascisme niet vergeten mochten worden. Dus stapten we uit om in stilte te herdenken. Een dergelijk monument kon je zelfs in het kleinste gat in de DDR vinden, en bijna overal eerden ze alleen de communistische antifascisten, alsof die de enige slachtoffers van het NS-regime waren geweest. Toen stond ik daar niet bij stil, toch vond ik het pijnlijk om te zien hoe ons familiefeest tot een publieke demonstratie werd. Ik voelde de blikken van de omstanders als een brandmerk op mijn huid en was blij dat niemand me hier kende, op ruim honderd kilometer afstand van Gera.
Maar Olaf zag dat heel anders. Hij voelde zichzelf een politiek soldaat, wat niet in de laatste plaats tot uitdrukking kwam in zijn uitgaanstenue met de omgehangen eredolk. In deze positie was er voor hem geen sprake van zoiets als ‘privé’, en datzelfde verwachtte hij vanzelfsprekend ook van zijn vrouw. Voor hem stond zelfs de privéaangelegenheid die ons huwelijk was in dienst van de republiek. Ik had hem nog nooit als soldaat in uniform meegemaakt, en hij was als een vreemde voor mij.
Toen beide families in restaurant Zur Völkerfreude gearriveerd waren, werd ik overmand door een licht melancholiek, droevig gevoel. Olaf had het originele idee om het nummer ‘Und dabei liebe ich euch beide’ van Andrea Jürgens op de platenspeler te leggen, waarin het zangeresje bezingt hoe ze tussen haar ouders heen en weer wordt geslingerd. Hoewel ik er altijd naar had verlangd om mezelf eindelijk los te maken van mijn familie, overviel me bij deze regels toch een zekere zwaarmoedigheid. Ondanks alle afkeer had ik het gevoel dat ik mijn ouderlijk huis zou gaan missen. Het was nogal tegenstrijdig: op het moment dat mijn bevrijding van het ouderlijk huis voor het grijpen lag, begon ik er alweer spijt van te krijgen. De zeer persoonlijke toespraak van mijn vader, waaruit ik opmaakte hoezeer hij aan mij gehecht was, bracht me alleen nog maar erger aan het twijfelen. Had ik misschien een vergissing begaan?
Mijn echtgenoot had geen last van dat soort bedenkingen. Hij had zijn doel bereikt en vierde dat uitbundig, wat zijn alcoholpeil in de loop van de avond behoorlijk deed stijgen. Dat maakte het vooruitzicht op onze huwelijksnacht niet aanlokkelijker, ook omdat we die in zijn oude kinderbed door moesten brengen, dat groot genoeg was voor een adolescent maar niet voor twee volwassenen. Maar vanuit huishoudelijk oogpunt was de gang naar het altaar nu al de moeite waard geweest. Als opstapje naar ons leven samen waren we bedeeld met praktische zaken als handdoeken, beddengoed en een snelkookpan.