28
‘Zouden jullie Símon willen ontmoeten?’ vroeg Mikkelína. Haar ogen stonden vol tranen.
‘Símon?’ vroeg Erlendur. Hij wist niet waar ze het over had. Herinnerde zich het toen. Herinnerde zich de man die haar in Grafarholt was komen afhalen. ‘Bedoel je je zoon?’
‘Nee, niet mijn zoon, mijn broer,’ zei Mikkelína. ‘Mijn broer Símon.’
‘Leeft hij dan nog?’
‘Ja, hij leeft nog.’
‘Dan moeten we met hem praten,’ zei Erlendur.
‘Dat heeft weinig zin,’ zei Mikkelína glimlachend. ‘Maar we zullen hem gaan opzoeken. Hij vindt het fijn om bezoek te krijgen.’
‘Maar wil je niet met je verhaal doorgaan?’ vroeg Elínborg. ‘Wat was dat voor een beest? Ik kan het gewoon niet geloven. Dat iemand zich zo kan gedragen.’
Erlendur wierp een blik op haar.
Mikkelína stond op.
‘Ik vertel het jullie onderweg. Kom, dan gaan we Símon opzoeken.’
***
‘Símon!’ schreeuwde hun moeder.
‘Laat mama met rust,’ krijste Símon met trillende stem en voor ze het wisten had hij de schaar diep in de borst van Grímur gestoten.
Símon trok zijn hand terug en ze zagen dat de schaar tot aan het handvat in de borst van Grímur stak. Hij keek zijn zoon verbaasd aan alsof hij zich niet realiseerde wat er was gebeurd. Hij keek naar de schaar en leek niet in staat zich te bewegen. Hij keek weer naar Símon.
‘Je vermoordt me?’ zuchtte Grímur terwijl hij op zijn knieën viel. Bloed welde op uit de schaarwond en drupte op de grond en hij zakte langzaam achterover en sloeg tegen de vloer.
Hun moeder drukte het kind in doodsangst zwijgend tegen zich aan. Mikkelína lag onbewegelijk naast haar. Tómas stond nog stil op de plaats waar hij het schaaltje pap had laten vallen. Símon stond naast zijn moeder en begon te rillen. Grímur gaf geen teken van leven.
Een dodelijke stilte heerste in het huis.
Totdat hun moeder een door merg en been gaande jammerkreet liet horen.
***
Mikkelína zweeg.
‘Ik weet niet of het kind dood werd geboren of dat moeder het zo heftig probeerde te beschermen dat het in haar armen stikte. Het was veel te vroeg. Ze verwachtte het in de lente maar het was nog steeds winter toen het kind ter wereld kwam.
We hebben het helemaal geen geluid horen geven. Moeder maakte de ademhalingswegen niet schoon en stopte het gezichtje in haar kleren toen ze het uit angst voor hem tegen zich aan drukte. Uit angst dat hij het van haar zou afpakken.’
Op aanwijzing van Mikkelína boog Erlendur af naar een eenvoudige eengezinswoning.
‘Zou hij in de lente dood zijn geweest?’ vroeg Erlendur. ‘Haar man? Had ze daarop gerekend?’
‘Misschien wel,’ zei Mikkelína. ‘Ze had hem drie maanden lang vergiftigd. Dat was niet genoeg.’
Erlendur stopte op het pad naar de garage en zette de motor af.
‘Hebben jullie wel eens van hebefrenie gehoord?’ vroeg ze toen ze het portier opendeed.
***
Hun moeder staarde naar het dode kind in haar armen, schommelde heen en weer en jammerde luidkeels.
Símon leek haar niet op te merken en staarde naar het lijk van zijn vader alsof hij zijn ogen niet kon geloven. Er begon zich een grote plas bloed onder hem te vormen. Símon trilde als een riet.
Mikkelína probeerde haar moeder te troosten, maar dat was onbegonnen werk. Tómas liep hen voorbij de slaapkamer in en deed de deur achter zich dicht zonder een woord te zeggen. Zonder een spier te vertrekken.
Zo verliep een hele tijd.
Algauw slaagde Mikkelína erin om haar moeder te kalmeren. Ze kwam tot zichzelf, verstomde en keek om zich heen. Ze zag Grímur liggen, badend in zijn bloed, zag Símon bevend als een riet naast zich staan, zag Mikkelína’s droevige gezicht. Toen begon ze het kind te wassen met het warme water dat Símon voor haar had gehaald en dat deed ze heel zorgvuldig met langzame, voorzichtige bewegingen. Het was of ze precies wist wat ze moest doen, zonder dat ze daar tot in details over na hoefde te denken. Ze legde het kind neer, stond op en sloeg haar armen om Símon heen, die nog steeds op dezelfde plek stond, en het beven hield op en hij begon krampachtig te snikken. Ze bracht hem naar een stoel en liet hem zo zitten dat hij met zijn rug naar het lijk toe zat. Toen liep ze naar Grímur toe, trok de schaar uit de wond en gooide hem in de gootsteenbak.
Daarna ging ze op een stoel zitten, uitgeput na de geboorte.
Ze praatte met Símon over wat ze moesten doen en gaf opdrachten aan Mikkelína. Ze rolden Grímur op een deken en trokken het lijk naar de voordeur toe. Ze ging met Símon naar buiten en ze liepen een flink eind weg van het huis en daar begon Símon een groot gat te graven. Het weer was overdag opgeklaard maar nu begon het weer te regenen, een zware, koude, winterse regen. De grond was grotendeels onbevroren. Símon gebruikte een hak om de aarde los te maken en na twee uren graven haalden ze het lijk en trokken het naar het graf toe. Ze trokken de deken over het graf heen, het lijk viel erin en ze trokken de deken eronder uit. Het lijk kwam zo in het graf te liggen dat de linkerhand omhoogstak, maar noch Símon noch zijn moeder kon zich ertoe brengen om die hand aan te raken.
Hun moeder liep met zware, langzame passen weer naar binnen en haalde het kind, droeg het naar buiten de koude regen in en legde het bij het lijk neer.
Ze wilde het kruisteken over het graf gaan maken maar hield ermee op.
‘Hij bestaat niet,’ zei ze.
Toen begon ze aarde over de lijken te scheppen. Símon stond naast het graf en keek toe hoe de natte, zwarte aarde op de lijken viel en zag ze langzaamaan verdwijnen. Mikkelína was de keuken gaan opruimen. Tómas was nergens te zien.
Er lag al een dikke laag aarde in het graf toen Símon plotseling het gevoel had dat Grímur een beweging maakte. Hij kreeg een schok en keek naar zijn moeder die niets had gemerkt en staarde toen omlaag in het graf waar hij tot zijn ondragelijke schrik zag dat Grímurs hoofd, half onder de aarde verdwenen, bewoog.
De ogen gingen open.
Símon bevroor ter plekke.
Grímur staarde hem aan vanuit het graf.
Símon begon te gillen en zijn moeder hield op met scheppen. Ze keek naar Símon en toen omlaag in het graf en zag dat Grímur nog in leven was. Ze stond op de rand van het graf. De regen stortte op hen neer en verwijderde de aarde van Grímurs gezicht. Ze keken elkaar even aan totdat Grímurs lippen bewogen.
‘Doe het!’
Toen gingen zijn ogen weer dicht.
Hun moeder keek naar Símon. Omlaag in het graf. Weer naar Símon. Pakte toen de schop en ging door met scheppen of er niets gebeurd was. Grímur verdween onder de aarde en ze konden hem niet langer zien.
‘Mama!’ zei Símon met een zucht.
‘Ga naar huis, Símon,’ zei hun moeder. ‘Het is voorbij. Ga naar huis en help Mikkelína. Doe het, mijn jongen. Ga naar huis.’
Símon keek naar zijn moeder, die doorweekt in de koude regen voorovergebogen stond te scheppen en doorging met het vullen van het graf. Toen ging hij stilletjes naar huis.
***
‘Het kan zijn dat Tómas heeft gedacht dat het allemaal zijn schuld was,’ zei Mikkelína. ‘Hij heeft er nooit over gepraat en wilde ook niet met ons praten. Sloot zich volkomen af. Toen moeder zo naar hem schreeuwde en hij de schotel op de grond liet vallen, zette dat een reeks gebeurtenissen in gang die ons leven vanaf dat moment veranderden en de dood van zijn vader veroorzaakten.’
Ze zaten in een keurige zitkamer op Símon te wachten. Hun was gezegd dat Símon een wandelingetje in de buurt maakte en elk ogenblik kon thuiskomen.
‘Bijzonder aardige mensen hier,’ zei Mikkelína. ‘Hij zou het niet beter kunnen hebben.’
‘Miste niemand Grímur of...?’ zei Elínborg.
‘Moeder maakte het huis grondig schoon en meldde vier dagen later dat haar man te voet over de Hellisheiði naar Selfoss had willen gaan maar dat ze sindsdien niets meer van hem had vernomen. Niemand wist dat ze zwanger was en in elk geval werd daar nooit naar gevraagd. Er werden zoekploegen naar het hoogland gestuurd maar hij werd natuurlijk niet gevonden.’
‘Wat had hij in Selfoss moeten doen?’
‘Moeder hoefde nooit iets meer te vertellen,’ zei Mikkelína, ‘ze hebben haar nooit om een verklaring van zijn doen en laten gevraagd. Hij was een oude bajesklant. Een dief. Wat kon het hun schelen wat hij in Selfoss deed? Hij liet hun koud. Koud. Er waren genoeg andere dingen om over te denken. Op dezelfde dag dat mijn moeder zijn verdwijning meldde, schoten Amerikaanse soldaten een IJslander dood.’
Mikkelína glimlachte flauwtjes.
‘Er gingen een paar dagen voorbij. Die dagen werden weken. Hij werd nooit gevonden, Afgeschreven. Verdwenen. Een doodgewone IJslandse verdwijning.’
Ze zuchtte.
‘Het was Símon over wie moeder het meeste verdriet had.’
***
Toen alles voorbij was heerste er een wonderlijke stilte in het huis.
Hun moeder zat aan de keukentafel, nog nat van de stortbui, en staarde met haar modderige handen op de tafel voor zich uit zonder enige aandacht aan de kinderen te schenken. Mikkelína zat naast haar en streelde haar handen. Tómas was nog steeds in de slaapkamer en liet zich niet zien. Símon stond op de keukenvloer naar buiten de regen in te kijken en de tranen stroomden over zijn wangen. Hij wierp een blik op zijn moeder en Mikkelína en keek toen weer door het raam van waaruit de aalbessenstruiken vaag te zien waren. Toen ging hij naar buiten.
Hij was nat en koud en bibberde in de regen toen hij naar de struiken toe liep, daar bleef staan en over de kale takken van de struiken streek. Hij hief zijn gezicht naar de hemel, tegen de regen in. De hemel was zwart en in de verte waren donderslagen te horen.
‘Ik weet het,’ zei Símon. ‘Het kon niet anders.’
Hij zweeg en liet het hoofd hangen. De regen plensde op hem neer.
‘Het is zo moeilijk geweest. Het is zo moeilijk en zo vreselijk geweest, zo lang. Ik weet niet waarom hij zo was. Ik weet niet waarom ik hem moest doden.’
‘Met wie ben jij aan het praten, Símon?’ vroeg zijn moeder die naar buiten gekomen was en naar hem toe kwam en haar armen om hem heen sloeg.
‘Ik ben een moordenaar,’ zei Símon. ‘Ik heb hem vermoord.’
‘Niet in mijn ogen, Símon. In mijn ogen kun je nooit een moordenaar zijn. Net zomin als ik. Misschien was dit wel het lot dat hij zichzelf heeft geschapen. Het ergste dat er kan gebeuren, is dat jij nu hij dood is moet lijden omwille van wat hij was.’
‘Maar ik heb hem vermoord, mama.’
‘Omdat je niets anders kon doen. Dat moet je begrijpen, Símon!’
‘Maar ik voel me zo rot.’
‘Dat weet ik, Símon, dat weet ik.’
‘Ik voel me zo rot.’
Ze keek naar de struiken.
‘In de herfst zitten er bessen aan deze struiken en dan komt alles goed. Hoor je dat, Símon? Dan komt alles goed.’