22
Vijftien minuten nadat Erlendur met Skarphéðinn had gepraat, was hij al in Grafarholt.
Hij had zijn mobiele telefoon niet bij zich. Anders zou hij onderweg naar Grafarholt gebeld hebben en Skarphéðinn hebben gevraagd de vrouw vast te houden totdat hij er was. Hij wist dat dit de vrouw moest zijn die de oude Róbert naar zijn zeggen bij de aalbessenstruiken had gezien: de scheve vrouw in het groen.
Er was weinig verkeer op de Miklabraut en hij reed de Ártúnsbrekka op met de hoogste snelheid die zijn auto aankon, daarna nam hij de Vesturlandsvegur en toen boog hij naar rechts af, de zijweg naar Grafarholt op. Hij parkeerde de auto bij de bouwput, niet ver van de opgraving. Skarphéðinn reed net in zijn auto weg van het terrein maar stopte. Erlendur stapte uit zijn auto en de archeoloog draaide het raampje omlaag.
‘Wat? Je bent hiernaartoe gekomen? Waarom heb je het gesprek afgebroken? Is er iets mis? Wat is dit voor een manier van doen?’
‘Is die vrouw nog hier?’ vroeg Erlendur.
‘Die vrouw?’
Erlendur tuurde in de richting van de struiken en dacht dat hij iets zag bewegen.
‘Is zij dat, daar?’ vroeg hij en hij kneep zijn ogen samen. Hij kon het vanaf deze afstand niet goed zien. ‘De vrouw in het groen. Is ze daar nog?’
‘Ja, ze staat daar,’ zei Skarphéðinn. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Zeg ik je later,’ zei Erlendur en hij ging op weg. Het beeld van de aalbessenstruiken werd duidelijker naarmate hij dichterbij kwam en de groene bobbel kreeg vorm. Hij ging sneller lopen alsof hij vreesde dat de vrouw hem zou ontglippen. Ze stond bij de kale struiken, hield een van de takken vast en keek naar het noorden in de richting van de Esja en ze leek diep in gedachten.
‘Goedenavond,’ zei Erlendur toen hij op gespreksafstand van haar gekomen was.
De vrouw draaide zich naar hem om. Ze had hem niet opgemerkt.
‘Goedenavond,’ zei ze.
‘Een mooie avond vandaag,’ zei Erlendur om maar iets te zeggen.
‘De lente was altijd de beste tijd hier op de heuvel,’ zei de vrouw. Ze moest moeite doen om te spreken. Haar hoofd begon te bewegen en Erlendur kreeg de indruk dat ze zich voor elk woord opnieuw bijzonder moest inspannen. De woorden kwamen niet vanzelf. Een van haar handen zat in haar mouw en was niet zichtbaar. Ze had een klompvoet die onder haar groene, lange mantel te zien was en ze helde naar links over alsof haar rug een afwijking had. Ze was waarschijnlijk begin zeventig, zag er gezond uit, met een dikke bos grijs haar dat tot op haar schouders viel. Haar gezicht was vriendelijk maar door verdriet getekend. Erlendur merkte dat haar hoofd niet alleen begon te bewegen als ze sprak. Het waren kleine, onwillekeurige bewegingen, alsof er met regelmatige tussenpozen kleine schokjes doorheen gingen. Het leek nooit helemaal stil te staan.
‘Ben je van hier op de heuvel?’ vroeg Erlendur.
‘En nu is de stad hier naar boven gekomen,’ zei ze zonder hem te antwoorden. ‘Dat had niemand kunnen denken.’
‘Ja, die stad kruipt alle kanten uit,’ zei Erlendur.
‘Leid jij het onderzoek naar de vondst van de botten?’ zei ze plotseling.
‘Ja,’ zei Erlendur.
‘Ik heb je op het nieuws gezien. Ik kom hier soms naartoe, vooral in een lente zoals nu. ’s Avonds, als alles stil is en we nog steeds dit mooie lentelicht hebben.’
‘Het is mooi hier,’ zei Erlendur. ‘Kom je misschien hiervandaan of ergens uit de buurt?’
‘Ik was eigenlijk op weg naar jou,’ zei de vrouw en ze gaf hem nog steeds geen antwoord. ‘Was van plan morgen contact met je op te nemen. Maar het is heel goed dat je me hebt gevonden. Het is er tijd voor geworden.’
‘Tijd voor wat?’
‘Dat het uitkomt.’
‘Wat?’
‘Wij woonden hier bij deze struiken. Het zomerhuis is allang verdwenen. Ik weet niet wat ervan geworden is. Het rotte weg in de loop van de tijd. Mijn moeder plantte de aalbessenstruiken en maakte jam in de herfst, maar ze wilde ze niet alleen om de jam hebben. Ze wilde een beschutte tuin aanleggen met groenten en mooie bloemen op het zuiden en de zon, wilde het huis gebruiken als beschutting tegen de noordenwind. Hij stond het haar niet toe. Evenmin als andere dingen.’
Ze keek Erlendur aan en haar hoofd schudde als ze praatte.
‘Als de zon scheen droegen ze me hiernaartoe,’ zei ze en ze glimlachte. ‘Mijn broers. Voor mij bestond er niets beters dan buiten in de zon te zitten en als ik hier in de tuin kwam, gilde ik het zowat uit van plezier. En dan speelden we met elkaar. Omdat ik me bijna niet kon bewegen, bedachten ze telkens nieuwe manieren om met me te spelen. Mijn handicap was in die tijd veel erger. Ze probeerden me mee te laten doen met alles wat ze deden. Dat hadden ze van mijn moeder. Aanvankelijk allebei.’
‘Wat?’
‘Haar goedheid.’
‘Van een oude man kregen we de inlichting dat hij een groengeklede vrouw had gezien die soms hier naar Grafarholt kwam en bij de struiken aan het werk was. Zijn beschrijving is op jou van toepassing. We dachten dat het misschien iemand was uit het zomerhuis dat hier heeft gestaan.’
‘Jullie weten van het zomerhuis.’
‘Ja, en ook van sommige huurders ervan maar niet van allemaal. We denken dat hier in de oorlogsjaren een gezin van vijf personen heeft gewoond dat misschien wel van geweld van het gezinshoofd te lijden heeft gehad. Je hebt je moeder en je beide broers genoemd, dat waren er dus twee, en als jij het derde kind in het gezin bent, dan komt dat overeen met de inlichtingen die we hebben.’
‘Had hij het over een vrouw in het groen?’ vroeg ze glimlachend.
‘Ja, een groene vrouw.’
‘Groen is mijn kleur. Altijd geweest. Ik kan het me niet anders herinneren.’
‘Zeggen ze niet dat mensen die van groen houden aardgebonden zijn?’
‘Dat is goed mogelijk.’
Ze glimlachte.
‘Ik ben heel erg aardgebonden.’
‘Ken je dit gezin?’
‘Wij hebben gewoond in het huis dat hier heeft gestaan.’
‘Huiselijk geweld?’
De vrouw keek Erlendur aan.
‘Ja, huiselijk geweld.’
‘Dat is...’
‘Hoe heet je?’ viel de vrouw Erlendur in de rede.
‘Ik heet Erlendur,’ zei hij.
‘En heb je een gezin, Erlendur?’
‘Nee, ja; ja, een soort gezin, denk ik.’
‘Je bent er niet zeker van. Behandel je dat gezin goed?’
‘Ik denk...’ Erlendur aarzelde. Hij was niet op deze vragen bedacht geweest en wist niet wat hij moest zeggen. Was hij goed voor zijn gezin geweest? Nauwelijks, dacht hij bij zichzelf.
‘Je bent misschien gescheiden,’ zei de vrouw en ze liet haar blik langs Erlendurs afgedragen kleding glijden.
‘Inderdaad,’ zei hij. ‘Ik wilde je vragen... Volgens mij was ik je naar huiselijk geweld aan het vragen.’
‘Zo’n handig woord voor moord op een ziel. Zo gemakkelijk voor mensen die niet weten wat er achter zo’n woord zit. Weet jij wat het is om je hele leven door altijd in angst te zitten?’
Erlendur zweeg.
‘Dag in dag uit met haat moeten leven en merken dat die haat nooit afneemt, wat je ook doet, en nooit iets kunnen doen dat de toestand verandert, totdat je geen eigen onafhankelijke wil meer hebt maar alleen nog maar wacht en hoopt dat de volgende aframmeling niet net zo erg wordt als die eraan voorafging.’
Erlendur wist niet wat hij moest zeggen.
‘Van lieverlee worden die aframmelingen puur sadisme, want de enige macht die de bruut in deze wereld heeft, is de macht over die ene vrouw die de zijne is en zijn macht is totaal omdat hij weet dat ze niets kan doen. Ze is volkomen hulpeloos en ze is volkomen van hem afhankelijk, omdat hij niet alleen haar bedreigt, haar niet alleen met zijn haat en zijn woede kwelt, maar vooral met zijn haat voor haar kinderen en hij maakt haar duidelijk dat hij hen kwaad zal doen als ze zou proberen om aan zijn macht te ontkomen. Ondanks al het lichamelijk geweld, ondanks alle pijn en de klappen, de gebroken botten, de wonden, de blauwe plekken, de blauwe ogen, de gesprongen lippen, is dat toch niets vergeleken bij wat de ziel lijdt. Een voortdurende, voortdurende vrees, die nooit afneemt. In de eerste jaren, als er nog een sprankje leven in haar is, probeert ze hulp te zoeken en ze probeert te vluchten, maar hij weet haar te vinden en fluistert haar toe dat hij haar dochter zal vermoorden en ergens in de bergen begraven. En ze weet dat hij in staat is om dat te doen en ze geeft het op. Geeft het op en legt haar leven in zijn handen.’
De vrouw keek over het water naar de Esja en naar het westen waar flauw de omtrekken van de Snæfellsjökull te zien waren.
‘En haar leven wordt niet meer dan een schaduw van zijn leven,’ ging ze verder. ‘Haar tegenstand verdwijnt en met die tegenstand verdwijnt ook de wil om te leven, en haar leven wordt zijn leven en ze is niet langer levend maar dood en waart rond als een duistere schim op een eeuwige zoektocht naar ontkomen. Ontkomen aan de aframmelingen en het hartzeer en aan zijn leven, omdat ze niet langer haar eigen leven leeft maar alleen nog bestaat in zijn haat.
Uiteindelijk behaalt hij de overwinning.
Want ze is dood. Levend dood.’
De vrouw zweeg en streek met haar hand over de kale takken van de struiken.
‘Tot die lente. In de oorlog.’
Erlendur zweeg.
‘Wie veroordeelt een man voor de moord op een ziel?’ vervolgde ze. ‘Kun je me dat vertellen? Hoe kun je iemand aanklagen voor de moord op een ziel en hem voor de rechter sleuren en hem veroordeeld krijgen?’
‘Dat weet ik niet,’ zei Erlendur die niet precies begreep waar de vrouw het over had.
‘Zijn jullie al bij de botten?’ vroeg ze afwezig.
‘Dat gaat morgen gebeuren,’ antwoordde Erlendur. ‘Weet jij wie daar ligt?’
‘Het bleek dat ze net als deze struiken was,’ zei de vrouw verdrietig.
‘Wie?’
‘Als de aalbessenstruiken. Die hebben geen verzorging nodig. Ze zijn bijzonder sterk, overleven alle soorten weer en de hardste winters en worden altijd weer even groen en mooi in de zomer en de bessen die ze dragen zijn altijd even rood en vol sap alsof er niets gebeurd is. Alsof er nooit een winter geweest is.’
‘Neem me niet kwalijk, maar hoe heet je?’ vroeg Erlendur.
‘De soldaat wekte haar weer tot leven.’
De vrouw zweeg en keek de struiken in alsof ze naar een andere plaats in een andere tijd was verdwenen.
‘Wie ben je?’ vroeg Erlendur.
‘Moeder hield van de kleur groen. Ze zei dat groen de kleur van de hoop was.’
Ze kwam weer tot zichzelf.
‘Ik heet Mikkelína,’ zei ze. Toen leek het of ze aarzelde. ‘Hij was een monster,’ zei ze. ‘Uitzinnig van haat en woede.’