25
‘Ik denk niet dat Tómas van plan was hem te helpen. Ik denk veeleer dat hij heeft gedacht dat hij onze moeder hielp. Hij heeft hem misschien op de een of andere manier bang willen maken en moeder zo te hulp willen komen. Maar eigenlijk denk ik dat hij niet wist wat hij aan het doen was. Hij was nog zo klein, het arme kind.’
Mikkelína zweeg en keek Erlendur aan. Elínborg en hij zaten in haar huiskamer en hadden naar haar verhaal over haar moeder en Grímur daar op de heuvel geluisterd, over hoe ze elkaar voor de eerste maal ontmoetten, hoe hij haar voor de eerste maal sloeg, hoe het geweld in de loop van de tijd toenam en ze tot tweemaal toe geprobeerd had te vluchten, hoe hij gedreigd had haar kinderen te doden. Ze vertelde hun over het leven op Grafarholt, over de soldaten, het depot, de diefstallen en Dave die in het meertje viste en over de zomer dat hun vader in de gevangenis werd gestopt en de soldaat en hun moeder verliefd werden op elkaar, hoe haar broers haar naar buiten de zon in droegen en hoe Dave met hen ging picknicken en over de koude herfstmorgen toen hun stiefvader weer thuiskwam.
Mikkelína nam de tijd om haar verhaal te vertellen en ze probeerde niets weg te laten van wat zij als belangrijk zag in het verhaal van het gezin. Erlendur en Elínborg zaten te luisteren terwijl ze de koffie dronken die Mikkelína voor hen gezet had en van de koek proefden die Mikkelína naar ze zei voor hen gebakken had, omdat ze wist dat Erlendur kwam. Ze had Elínborg hartelijk begroet en gevraagd of er veel vrouwen bij de recherche zaten.
‘Bijna geen,’ zei Elínborg glimlachend.
‘Doodzonde!’ zei Mikkelína en ze bood haar een stoel. ‘Vrouwen zouden overal de eersten en de besten moeten zijn.’
Elínborg keek Erlendur aan, die flauw glimlachte. Ze had hem na de middag in zijn kamer op het bureau opgezocht, wist dat hij in het ziekenhuis was geweest en vond dat hij er triester uitzag dan gewoonlijk. Ze vroeg hem naar de toestand van Eva Lind, denkend dat die misschien verslechterd was, maar hij zei dat die onveranderd was, en toen ze vroeg hoe het met hem ging en of ze iets voor hem kon doen schudde hij het hoofd en zei haar dat er niets anders te doen viel dan wachten. Het leek haar dat het wachten hem zwaar begon te vallen, maar op dat terrein waagde ze zich niet. Uit lange ervaring wist ze dat Erlendur er geen enkele behoefte aan had om met anderen over zichzelf te praten.
Mikkelína woonde op de begane grond in een klein flatgebouw in Breiðholt. Haar woning was klein maar gezellig en terwijl zij in de keuken koffiezette liep Erlendur door de kamer en bekeek de foto’s van haar familie, of van mensen van wie hij dacht dat ze familie konden zijn. Het waren er niet veel en het leek hem dat er niet een uit Grafarholt kon zijn.
Terwijl ze in de keuken bezig was, begon ze hun het een en ander over zichzelf te vertellen en haar stem was in de kamer te horen. Ze was laat naar school gegaan, al bijna twintig jaar oud, en in ongeveer dezelfde periode kreeg ze de eerste fysiotherapeutische behandeling voor haar handicap en ging meteen met grote stappen vooruit. Erlendur vond dat ze het verhaal over haar eigen leven wel heel snel vertelde, maar maakte er geen opmerking over. Mettertijd had Mikkelína via het volwassenenonderwijs haar eindexamen gehaald, was naar de universiteit gegaan en had een studie psychologie afgerond. Toen was ze al over de veertig. Nu was ze opgehouden met werken.
De jongen die ze de naam Símon had gegeven, had ze kort voordat ze ging studeren als pleegkind aangenomen. Het stichten van een gezin was problematisch geweest om redenen die ze misschien niet nader hoefde toe te lichten, zei ze met een wrange glimlach.
Ze vertelde dat ze regelmatig in de lente en de zomer naar Grafarholt was gegaan, er naar de aalbessenstruiken had gekeken en in de herfst de bessen had geplukt en er jam van had gemaakt. Ze had in een potje nog een beetje jam van de vorige herfst over en ze liet hen ervan proeven. Elínborg, die alles van koken wist, gaf haar een complimentje over de jam. Mikkelína schonk haar het restje en verontschuldigde zich ervoor dat het zo weinig was.
Ze vertelde hun hoe ze de stad in de loop van de jaren had zien groeien, zich had zien uitstrekken tot boven in Breiðholt en daarna via Grafarvogur met bliksemsnelheid in de richting van Mosfellsbær en ten slotte naar boven in Grafarholt, waar zij ooit had gewoond en enkele van haar droefste herinneringen had liggen.
‘Eigenlijk zijn er alleen maar slechte herinneringen aan die plaats,’ zei ze. ‘Behalve dan aan die ene korte zomer.’
‘Ben je met deze handicap geboren?’ vroeg Elínborg. Ze had geprobeerd de vraag zo beleefd mogelijk in te kleden maar ontdekte toen dat er hiervoor geen beleefde manier bestond.
‘Nee,’ zei Mikkelína. ‘Ik werd ziek toen ik drie jaar was. Werd in het ziekenhuis opgenomen. Moeder vertelde me dat er toen een bepaling was dat ouders niet bij hun kinderen op de verpleegafdelingen mochten zijn. Ze snapte niets van die weerzinwekkende en onbarmhartige bepaling dat ze niet bij haar kind mocht zijn dat daar doodziek en misschien wel stervend in het ziekenhuis lag. Ze had een paar jaar nodig om te begrijpen dat ik de vaardigheden die ik verloren had door oefening terug zou kunnen krijgen, maar mijn stiefvader stond haar niet toe om zich met me bezig te houden, me naar artsen te sturen, te zien of er verbetering mogelijk was. Ik heb nog een herinnering uit de tijd voor ik ziek werd, ik weet niet of het een droom is of werkelijkheid, maar de zon schijnt en ik ben in een tuin, waarschijnlijk waar mijn moeder dienstmeisje was, en ik ren enorm hard, giechelend, het lijkt wel of mama me achternazit. Meer herinner ik me niet. Herinner me alleen maar dat ik net zo hard kon lopen als ik wilde.’
Mikkelína glimlachte.
‘Ik heb vaak zulke dromen gehad. Waarin ik gezond ben en me kan bewegen zoals ik wil en niet continu met mijn hoofd schud als ik praat en de macht over mijn aangezichtsspieren heb, die mijn gezicht dan niet alle kanten op laten bewegen.’
Erlendur zette zijn kopje neer.
‘Gisteren vertelde je me dat je je zoon Símon hebt genoemd, naar je broer.’
‘Símon was een schat van een jongen. Hij was mijn halfbroer. Hij had niets van zijn vader. Dat kon ik in elk geval niet zien. Hij was net als moeder. Aardig, invoelend en behulpzaam. Kon geen narigheid zien, dat kind. Haatte zijn vader en de haat heeft hem geen goed gedaan. Hij zou nooit haat voor iets hebben moeten voelen. En hij was als wij allemaal, bang, zijn hele jeugd door. Soms buiten zichzelf van angst als zijn vader weer eens doldraaide. Hij zag hoe onze moeder in elkaar geslagen werd. Ik trok het dekbed over mijn hoofd, maar ik merkte wel dat Símon soms naar het gebeuren stond te kijken en dan leek het wel of hij zich staalde om later in te kunnen grijpen als hij groot en sterk genoeg geworden was om zijn vader tegen te houden. Als hij groot genoeg was om hem aan te kunnen.
Soms probeerde hij ertussen te komen. Ging voor onze moeder staan en keerde zich tegen hem. Moeder was daar banger voor dan voor de aframmelingen. Ze kon de gedachte niet verdragen dat haar kinderen iets zou overkomen.
Zo’n lieve, lieve jongen, die Símon.’
‘Je praat over hem alsof hij nog een kind is,’ zei Elínborg. ‘Is hij overleden?’
Mikkelína zei niets, glimlachte.
‘En Tómas?’ vroeg Erlendur. ‘Jullie waren maar met zijn drieën.’
‘Ja, Tómas,’ zei Mikkelína. ‘Hij was anders dan Símon. Hun vader voelde dat.’
Mikkelína zweeg.
‘Waar belde je moeder heen?’ vroeg Erlendur. ‘Voor ze naar Grafarholt kwam?’
Mikkelína gaf hem geen antwoord maar stond op en liep haar slaapkamer in. Elínborg en Erlendur keken elkaar aan. Even later kwam Mikkelína weer tevoorschijn met een opgevouwen briefje in haar handen. Ze vouwde het open, las wat er op stond en overhandigde het toen aan Erlendur.
‘Moeder gaf me dit briefje,’ zei ze. ‘Ik kan me goed herinneren dat Dave het over de keukentafel naar haar toeschoof maar we kregen nooit te horen wat er op stond. Moeder heeft het me pas veel later laten zien. Vele jaren later.’
Erlendur las de tekst.
‘Dave heeft een IJslander of een soldaat die IJslands sprak gevraagd het briefje voor hem te schrijven. Moeder heeft het haar hele leven bewaard en ik neem het natuurlijk mee in mijn graf.’
Erlendur bekeek het briefje. De woorden waren met onhandige drukletters geschreven maar heel duidelijk.
ik weet wat hij je aandoet.
‘Moeder en Dave spraken erover, dat zij zodra mijn stiefvader uit de gevangenis kwam contact met hem zou opnemen en dan zou hij haar te hulp komen. Ik weet niet precies hoe ze zich dat voorstelden.’
‘Kon ze geen hulp in Gufunes krijgen?’ vroeg Elínborg. ‘Daar moeten een heleboel mensen hebben gewerkt.’
Mikkelína keek haar aan.
‘Mijn moeder was anderhalf decennium lang onderworpen geweest aan geweld van zijn kant. Dat geweld was lichamelijk, hij ranselde haar af, vaak zo verschrikkelijk dat ze een paar dagen in bed moest blijven, soms zelfs langer. En het was geestelijk, en dat was misschien een veel ergere gewelddaad, omdat mijn moeder dan, zoals ik Erlendur gisteren al verteld heb, tot helemaal niets werd. Ze was zichzelf evenzeer gaan minachten als haar man haar minachtte; lange tijd overwoog ze een zelfmoord, maar onder andere vanwege ons, vanwege haar kinderen, bleef het bij gedachten. Dave compenseerde dit in de zes maanden die hij samen met haar had tot op zekere hoogte en ze had nooit iemand anders dan hem om hulp kunnen vragen. Ze had nooit met iemand gepraat over wat ze al die jaren had moeten doorstaan en ik denk dat ze bereid was om als dat nodig was nog een keer een pak ransel te krijgen. In het ergste geval zou hij haar te lijf gaan en dan zou alles worden zoals het geweest was.’
Mikkelína keek Erlendur aan.
‘Dave kwam niet.’
Ze keek Elínborg aan.
‘En niets werd zoals het geweest was.’
***
‘Heeft ze gebeld?’
Grímur sloeg zijn arm om Tómas heen.
‘Waar belde ze naartoe, Tómas? We horen geen geheimen te hebben. Jouw mama denkt dat ze een geheim kan hebben maar dat is een groot misverstand. Het kan gevaarlijk zijn om een geheim te hebben.’
‘Niet de jongen gebruiken,’ zei hun moeder.
‘Nu gaat ze me nog bevelen geven ook,’ zei Grímur, Tómas’ schouders knedend. ‘Ongelofelijk wat er allemaal kan veranderen. Wat komt er nog meer?’
Símon kwam bij zijn moeder staan, Mikkelína schuifelde langzaam naar hen toe. Tómas begon te huilen. Vanuit zijn kruis verspreidde zich een donkere vlek op zijn broek.
‘En nam iemand op?’ vroeg Grímur en de glimlach lag niet langer op zijn gezicht, zijn hatelijke toon was verdwenen, zijn uitdrukking werd ernstig. Ze hielden hun ogen niet van het litteken af.
‘Er nam niemand op,’ zei hun moeder.
‘Geen Dave die hiernaartoe komt om de zaak te redden?’
‘Geen Dave,’ zei hun moeder.
‘Waar zou die praatjesmaker zijn?’ zei Grímur. ‘Vanochtend is een van hun schepen uitgevaren. Afgeladen met soldaten. Ze hebben duidelijk soldaten nodig in Europa. Ze kunnen niet allemaal lekker rustig op IJsland zitten waar niets anders te doen is dan onze vrouwen te neuken. Of misschien hebben ze hem te pakken genomen. Het was een veel grotere zaak dan ik me realiseerde en er vlogen wat koppen. Veel belangrijker koppen dan de mijne. Officierenkoppen. Die waren daar helemaal niet blij mee.’
Hij duwde Tómas van zich af.
‘Ze waren er helemaal niet blij mee.’
Símon stond dicht tegen zijn moeder aan.
‘Er is maar één ding in deze hele zaak dat ik niet kan begrijpen,’ zei Grímur die nu vlak bij hun moeder was komen staan. Ze roken een vieze, zure lucht die om hem heen hing. ‘Ik kan het gewoon niet begrijpen. Ik kan het gewoon niet vatten. Ik kan goed begrijpen dat jij, toen ik weg was, onder de eerste de beste man ging liggen die naar je keek. Jij bent gewoon een hoer. Maar wat dacht hij eigenlijk?’
Ze raakten elkaar bijna aan.
‘Wat zag hij in je?’
Hij pakte haar hoofd in zijn beide handen.
‘Aartslelijke, smerige viespeuk.’
***
‘We dachten dat hij haar te lijf zou gaan en haar dit keer zou vermoorden. Daar hielden we rekening mee. Ik beefde van angst en Símon ging het al niet beter. Ik stond te denken of ik bij de messen in de keuken zou kunnen komen. Maar er gebeurde niets. Ze keken elkaar in de ogen en in plaats van dat hij haar aanviel, week hij van haar terug.’
Mikkelína zweeg.
‘Ik was nog nooit in mijn hele leven zo bang geweest. En Símon werd hierna nooit meer dezelfde. Hij begon zich steeds verder van ons te verwijderen. Arme Símon.’
Ze keek naar de grond.
‘Dave verdween even plotseling uit ons leven als hij erin gekomen was,’ zei ze. ‘Moeder heeft nooit meer iets van hem gehoord.’
‘Zijn achternaam was Welch,’ zei Erlendur. ‘En we zijn aan het uitzoeken wat er van hem geworden is. Hoe heette je stiefvader?’
‘Hij heette þorgrímur,’ zei Mikkelína. ‘Werd altijd Grímur genoemd.’
‘þorgrímur,’ herhaalde Erlendur. Hij herinnerde zich die naam van de lijst van de IJslanders die in het depot werkten.
Zijn mobiele telefoon ging in zijn jaszak over. Het was Sigurður Óli die bij de opgraving in Grafarholt was.
‘Je zou hiernaartoe moeten komen,’ zei Sigurður Óli.
‘Hiernaartoe? Waarnaartoe?’ vroeg Erlendur. ‘Waar ben je?’
‘Momenteel op de heuvel,’ zei Sigurður Óli. ‘Ze hebben de botten bereikt en ik denk dat we erachter zijn wie daar ligt.’
‘Wie daar ligt?’
‘Ja, in het graf.’
‘En wie is het?’
‘De verloofde van Benjamín.’
‘Wat?!!’
‘De verloofde van Benjamín.’
‘Waarom? Waarom denk je dat zij het is?’ Erlendur was opgestaan en de keuken in gelopen om daar in alle rust te kunnen praten.
‘Kom maar hiernaartoe om het te zien,’ zei Sigurður Óli. ‘Het kan niemand anders zijn. Kom gewoon maar kijken.’
Daarmee verbrak hij de verbinding.