3
De archeologen kwamen er met hun lepels en schoppen aan, gekleed in fleecetruien en gevoerde broeken, en zetten naast de bouwput een tamelijk groot stuk grond boven het skelet af. Tegen de tijd van het avondeten waren ze begonnen de begroeiing voorzichtig af te graven. Het was nog steeds licht alsof het midden op de dag was, de zon zou pas tussen negen en tien uur ondergaan. Het waren vier mannen en twee vrouwen en ze werkten kalm en rustig door en onderzochten elke schep grond zorgvuldig. Het was niet mogelijk te zien waar degene die het graf had gegraven de aarde had omgewoeld. De tijd en de werkzaamheden aan de bouwput hadden dat onmogelijk gemaakt.
Elínborg kreeg een geoloog van de afdeling Aardwetenschappen van de universiteit te pakken die de politie heel erg graag wilde bijstaan, de boel de boel liet en precies een halfuur nadat Elínborg met hem gebeld had al bij de bouwput was. Hij was ongeveer veertig jaar oud, met zwart haar, slank en met een ongewoon diepe stem, en hij had een doctorsgraad van een Parijse universiteit. Elínborg bracht hem naar de aarden wand. De politie had er een tent overheen gebouwd zodat hij uit het zicht bleef, en Elínborg liet de geoloog de tent in gaan.
Een grote fluorlamp verlichtte het geheel en wierp spookachtige schaduwen in de richting van de plek waar het skelet in de grond lag. De geoloog maakte helemaal geen haast. Hij bekeek de aarde en haalde een handvol ervan uit de wand en verkruimelde die in zijn vuist. Hij vergeleek de aardlagen opzij van het skelet met de grond erboven en eronder en bestudeerde de dichtheid van de grond om de botten heen. Hij vertelde trots dat hij al een keer eerder geroepen was in verband met een misdaad, gevraagd was om een kluit aarde te determineren die op de plek van de misdaad was aangetroffen en dat hij toen goed van dienst had kunnen zijn. Vervolgens begon hij te vertellen dat er geleerde werken over criminologie en geologie geschreven waren, een soort forensische geologie, als Elínborg hem goed begreep.
Ze luisterde naar zijn woordenvloed tot haar geduld op was.
‘Hoelang heeft hij in de grond gelegen?’ vroeg ze.
‘Dat is moeilijk te zeggen,’ zei de geoloog met donkere stem en hij verviel in zijn rol van wetenschapper. ‘Hoeft niet lang geweest te zijn.’
‘Hoelang is “niet lang” in de geologie?’ vroeg Elínborg. ‘Duizend jaar? Tien jaar?’
De geoloog keek haar aan.
‘Dat is moeilijk te zeggen,’ herhaalde hij.
‘Met hoeveel nauwkeurigheid kun je hier een antwoord op geven?’ vroeg Elínborg. ‘In jaren uitgedrukt.’
‘Moeilijk te zeggen.’
‘Het is dus kennelijk moeilijk om wat dan ook te zeggen?’
De geoloog keek Elínborg glimlachend aan.
‘Neem me niet kwalijk, ik was in gedachten. Wat wil je weten?’
‘Hoelang?’
‘Wat?’
‘Hij er heeft gelegen,’ stootte Elínborg uit.
‘Ik zou gokken op ergens tussen de vijftig en de zeventig jaar. Ik moet het nog nader onderzoeken maar dat vermoeden heb ik voorlopig. De consistentie van de aarde... Het is in elk geval uitgesloten dat het iemand uit de tijd van de landname is, dat dit een heidense grafheuvel is.’
‘Dat weten we,’ zei Elínborg, ‘er zijn kledingresten...’
‘Deze groene lijn hier,’ zei de geoloog die op een groenachtige laag helemaal beneden in de aarde wees, ‘dat is ijstijdklei. En die lijnen die hier op regelmatige afstand van elkaar te zien zijn,’ ging hij door terwijl hij wat hoger wees, ‘dat zijn aslagen. De bovenste laag is uit het einde van de vijftiende eeuw. Dat is hier in de streek rond Reykjavík de dikste aslaag sinds de landname. Dan zie je daar de oudste lagen van de Hekla en de Katla. Daarmee zijn we vele duizenden jaren terug in de tijd. De rotsgrond ligt er niet diep onder zoals je hier kunt zien,’ zei hij en hij wees op grof gesteente onder in de wand. ‘Dat is het Reykjavíks basalt dat om het hele gebied hier heen ligt.’
Hij keek Elínborg aan.
‘Bij die hele geschiedenis vergeleken is er een miljoenste seconde verlopen sinds het graf werd gegraven.’
Rond halftien hielden de archeologen met hun werk op en Skarphéðinn meldde Erlendur dat ze de volgende ochtend vroeg terug zouden komen. Ze hadden niets bijzonders in de aarde aangetroffen en waren net begonnen de laag begroeiing van de diepere grond af te halen. Erlendur vroeg of ze niet een beetje haast achter het werk konden zetten maar Skarphéðinn keek hem minachtend aan en vroeg of hij bewijsstukken verloren wilde laten gaan. Ze waren het nog steeds met elkaar eens dat het opgraven van de botten geen zaak van leven en dood was.
De fluorlamp in de tent werd uitgedaan. De journalisten waren verdwenen. Op het avondjournaal was de vondst van de botten het voornaamste nieuws. De televisie toonde beelden van Erlendur en zijn mannen in de bouwput en een van de zenders liet zien hoe een journalist probeerde Erlendur te spreken te krijgen en hoe Erlendur hem wegwuifde en wegliep.
De rust was weer in de wijk teruggekeerd. De hamerslagen waren verstomd. De mensen die in de halfafgebouwde huizen aan het werk waren geweest, waren vertrokken. De mensen die er al woonden, gingen naar bed. Je hoorde geen kinderen meer schreeuwen. Twee politieagenten in een auto moesten het terrein gedurende de nacht bewaken. Elínborg en Sigurður Óli waren naar huis gegaan. De mannen van de Technische Dienst hadden de archeologen geholpen maar waren nu ook naar huis. Erlendur had met de moeder van Tóti en met de jongen zelf gesproken over het bot dat hij gevonden had. Hij was erg verguld met alle belangstelling die hij kreeg. ‘Het is me toch wat,’ zei zijn moeder met een zucht. Dat haar zoon ergens buiten het skelet van een mens moest vinden. ‘Dit is mijn allermooiste verjaardag,’ zei Tóti tegen Erlendur. ‘Ever!’
Ook de jonge medicijnenstudent was met zijn broertje naar huis verdwenen. Erlendur en Sigurður Óli hadden even met hem over de vondst van de botten gesproken. Hij beschreef hoe hij naar het kleintje had zitten kijken maar pas na een tijdje het bot waar het op zat te bijten had opgemerkt. Toen hij het wat nader bekeek bleek dat het een gebroken rib was.
‘Hoe kon je meteen zien dat het een menselijk bot was?’ vroeg Erlendur. ‘Het had toch ook van bijvoorbeeld een schaap kunnen zijn?’
‘Ja, was het niet waarschijnlijker dat het van een schaap was?’ vroeg Sigurður Óli, een stadsjongen die niets van IJslandse huisdieren afwist.
‘Er was geen twijfel mogelijk,’ zei de medicijnenstudent. ‘Ik heb op de snijkamer gewerkt en het was zonneklaar.’
‘Kun je ons vertellen hoelang de botten in de aarde hebben gelegen?’ vroeg Erlendur. Hij wist dat hij de uitspraken van de geoloog die Elínborg erbij had gehaald, van de archeoloog en van de patholoog-anatoom nog moest krijgen, maar het leek hem uitstekend om ook de mening van de student te horen.
‘Ik heb ze in de grond bekeken en gezien het stadium van rotting moeten we misschien uitgaan van een jaar of zeventig. Niet veel langer. Maar ik ben natuurlijk geen specialist.’
‘Nee, precies,’ zei Erlendur. ‘De archeoloog dacht hetzelfde en hij is ook geen specialist.’
Hij wendde zich tot Sigurður Óli.
‘We moeten verdwijningen uit die tijd nagaan, zo rond negentiendertig of -veertig. Zelfs eerder. Zien wat we kunnen vinden.’
Erlendur stond badend in de gloed van de avondzon naast de bouwput en keek in noordelijke richting naar Mosfellsbær, de Kollafjörður en de Esja en hij kon de huizen op Kjalarnes zien. Hij zag de auto’s op de Vesturlandsvegur ter hoogte van de Úlfarsfell naar Reykjavík toe rijden. Hij hoorde een auto bij de bouwput stoppen en er stapte een man uit van ongeveer dezelfde leeftijd als hijzelf, nogal dik, gekleed in een kort blauw jack en met een pet op zijn hoofd. Hij gooide het portier dicht en keek naar Erlendur, de politieauto, de omgewoelde grond boven naast de bouwput en de tent die het skelet verborg.
‘Ben je van het incassobureau?’ vroeg hij onbehouwen terwijl hij op Erlendur toe liep.
‘Het incassobureau?’ vroeg Erlendur.
‘Jullie laten me goddomme nooit eens met rust,’ zei de man. ‘Heb je een dagvaarding of... ?’
‘Is dit stuk grond van jou?’ vroeg Erlendur.
‘Wie ben jij? Wat is dat voor een tent? Wat gebeurt hier eigenlijk?’
Erlendur legde de man, die zei Jón te heten, uit wat er gebeurd was. Aan het licht kwam dat Jón aannemer was en de eigenaar van het perceel, bijna failliet en incasseerders meer dan zat. Er was al enige tijd niet meer in de bouwput gewerkt maar hij zei dat hij regelmatig langsging om te zien of er geen vernielingen aan de fundamenten waren aangericht; die donderstenen van kinderen in de nieuwe wijken zaten altijd in de huizen te rotzooien. Hij had geen nieuws over de vondst van de beenderen gehoord of gezien en keek ongelovig in de bouwput terwijl Erlendur hem uitlegde wat de politie en de archeologen aan het doen waren.
‘Hier wist ik niets van en de bouwvakkers hebben die botten vast niet gezien. Is het soms een graf uit vroeger tijden?’ vroeg Jón.
‘Dat weten we nog niet,’ zei Erlendur, die er niets voor voelde om nog meer inlichtingen te verschaffen. ‘Weet jij iets over het land ten oosten hiervan?’ vroeg hij toen, wijzend op de bessenstruiken.
‘Ik weet alleen maar dat het uitstekende bouwgrond is,’ zei Jón. ‘Ik had niet gedacht dat ik het mee zou maken dat Reykjavík zich helemaal tot hier zou uitstrekken.’
‘Misschien is de stad uit zijn krachten gegroeid,’ zei Erlendur. ‘Groeien aalbessenstruiken in het wild op IJsland, weet je dat?’
‘Aalbessenstruiken? Geen idee. Heb er nooit over gehoord.’
Ze praatten nog wat samen tot Jón groette en weer wegreed. Uit zijn verhaal maakte Erlendur op dat hij op het punt stond het perceel aan zijn schuldeisers kwijt te raken. Zag nog wat hoop als het hem zou lukken nog één keer een lening te krijgen.
Erlendur wilde nu zelf op huis aan. De avondzon kleurde de hemel in het westen met een mooie rosse gloed die zich van zee uit over het land uitstrekte. Het was aan het afkoelen.
Hij was het gebied van de opgraving binnen gelopen en tuurde in de donkere grond. Hij schopte telkens met één voet wat aarde opzij en zo liep hij kalmpjes het hele terrein rond, niet precies wetend waarom hij zo bleef rondhangen. Thuis wachtte hem niets, dacht hij bij zichzelf en hij schopte in de aarde. Geen gezin dat hem begroette, geen vrouw die hem vertelde hoe haar dag geweest was. Geen kinderen die hem vertelden hoe het op school ging. Alleen een oude televisie, een luie stoel, een versleten vloerkleed, in de keuken verpakkingen van kant-en-klaarmaaltijden en wanden vol boeken die hij in zijn eenzaamheid las. Veel van die boeken gingen over verdwijningen in IJsland, over de lotgevallen van reizigers op het hoogland in vroeger jaren en dood in het gebergte.
Plotseling voelde hij wat tegenstand in de grond. Het leek wel of er een puntig steentje uit de aarde omhoogstak. Hij schopte er een paar keer voorzichtig tegenaan, maar het bleef stevig vastzitten. Hij boog zich voorover en begon de aarde er voorzichtig met zijn handen vanaf te krabben. Skarphéðinn had hem gezegd dat niemand ergens aan mocht komen als de archeologen er niet waren. Met een slecht geweten gaf Erlendur de steen een duwtje maar het lukte hem niet de steen uit de grond te krijgen.
Hij groef wat dieper en had een paar smerige handen gekregen toen hij nog zo’n puntig steentje vond en uiteindelijk nog een derde, een vierde en een vijfde. Erlendur ging op zijn knieën zitten en kieperde de aarde alle kanten uit. Het ding daarbeneden in de grond kreeg steeds duidelijker vorm en algauw staarde Erlendur naar iets dat voorzover hij het kon zien alleen maar een hand kon zijn. Vijf vingers en een handpalm die uit de grond omhoog staken. Hij kwam langzaam overeind.
De vijf vingers waren gespreid alsof degene die daar beneden lag zijn hand had opgestoken om iets te pakken of om zich te verweren of misschien om medelijden te vragen. Erlendur stond daar als door de bliksem getroffen. De botjes reikten uit de grond naar hem omhoog als een smeekbede om genade, en hij rilde in de koele avondwind.
Levend, dacht Erlendur bij zichzelf. Hij keek naar de bessenstruiken verderop.
‘Was je nog in leven?’ zei hij hardop.
Op dat moment liet zijn mobieltje zich horen. Hij stond daar diep in gedachten verzonken in de stilte van de avond en het duurde even voor het geluid tot hem doordrong, maar toen haalde hij de telefoon uit zijn jaszak en drukte op de knop. Eerst hoorde hij niets dan ruis.
‘Help me,’ zei een stem die hij maar al te goed kende. ‘Please!’
Toen werd de verbinding verbroken.