26
Ongeveer vijftien minuten later waren Erlendur en Elínborg in Grafarholt. Ze hadden haastig afscheid van Mikkelína genomen en zij keek hen met een verbaasde uitdrukking op haar gezicht vanuit de deuropening na. Erlendur had haar niet verteld wat Sigurður Óli over de verloofde van Benjamín had gezegd, maar had gezegd dat hij naar Grafarholt moest, de botten kwamen nu vrij en daarom vroeg hij haar om met haar verhaal tot een later tijdstip te wachten. Verontschuldigde zich bij haar. Ze zouden later verder praten.
‘Zou ik eigenlijk niet met jullie mee moeten komen?’ vroeg Mikkelína, staande in het halletje en hen nakijkend. ‘Ik heb...’
‘Nu niet,’ viel Erlendur haar in de rede. ‘We praten een andere keer wel weer. Er is een nieuwe ontwikkeling in de zaak.’
Sigurður Óli stond hen op de heuvel op te wachten en ging met hen mee naar Skarphéðinn die naast het graf stond.
‘Erlendur,’ groette de archeoloog. ‘Nu is het dan zover. Alles bij elkaar genomen heeft het niet zo lang geduurd.’
‘Wat hebben jullie gevonden?’ vroeg Erlendur.
‘Het is een vrouw,’ zei Sigurður Óli met een ernstig gezicht. ‘Er is geen twijfel mogelijk.’
‘Waarom?’ vroeg Elínborg. ‘Ben je nu opeens een soort arts geworden?’
‘Hier heb je geen arts voor nodig,’ zei Sigurður Óli. ‘Het is overduidelijk.’
‘Er liggen twee skeletten in het graf,’ zei Skarphéðinn. Het ene van een volwassen mens, waarschijnlijk een vrouw, het andere van een kind, een heel jong, misschien zelfs ongeboren kind. Zo is de positie van het skelet.’
Erlendur keek hem verbijsterd aan.
‘Twee skeletten?’
Hij keek Sigurður Óli aan, zette twee stappen en keek in het graf en zag meteen wat Skarphéðinn bedoelde. Ze hadden de meeste aarde van het grote skelet afgegraven en dat lag daar voor hem met de hand omhoog geheven, een wijdopen kaak vol aarde en met gebroken ribben. Er zat aarde in de lege oogkassen, over het voorhoofd vielen wat haarstrengen en het vlees van het gezicht was nog niet helemaal weggerot.
Erbovenop lag een tweede, heel klein skelet, opgerold als een ongeboren kind. De archeologen hadden de aarde er voorzichtig afgeborsteld. De botjes van de armen en de dijbenen waren zo groot als potloden en het hoofdje had de grootte van een kleine bal. Het lag onder de ribben van het grote skelet en het hoofdje wees naar beneden.
‘Kan het een andere vrouw zijn?’ vroeg Sigurður Óli. ‘Is dit niet de verloofde? Ze was zwanger. Hoe heette ze ook alweer?’
‘Solveig,’ zei Elínborg. ‘Was ze al zover?’ zei ze als bij zichzelf, neerkijkend op de skeletten.
‘Spreekt men in dit stadium over een kind of over een foetus?’ vroeg Erlendur.
‘Daar heb ik geen verstand van,’ antwoordde Sigurður Óli.
‘Ik ook niet,’ zei Erlendur. ‘We hebben een specialist nodig. Kunnen we de skeletten in de toestand waarin ze nu zijn uit de grond halen en ze overbrengen naar het mortuarium aan de Barónsstígur?’ vroeg hij Skarphéðinn.
‘Wat bedoel je met “in de toestand waarin ze nu zijn”?’
‘Het ene boven op het andere.’
‘We moeten het grote skelet nog schoonvegen. Als we daar een beetje meer aarde afhalen, de kleine borstels, de penselen, gebruiken, en er dan voorzichtig onder gaan, ja, dan zouden we alles tezamen kunnen lichten. Ik denk dat het wel zal lukken. Je wilt niet dat de arts het gewoon hier komt bekijken? In het graf. Zoals ze nu liggen?’
‘Nee, ik wil ze binnenshuis hebben,’ zei Erlendur. ‘We moeten dit nauwkeurig en onder de meest gunstige omstandigheden onderzoeken.’
Rond het avondeten waren de skeletten in hun geheel uit de aarde gelicht. Erlendur was samen met Sigurður Óli en Elínborg aanwezig bij het overbrengen van de botten. De archeologen namen dat werk volledig op zich en voorzover Erlendur het kon beoordelen deden ze dat met groot vakmanschap. Hij had er geen spijt van dat hij hen voor dit werk had gevraagd. Skarphéðinn leidde de actie met dezelfde beslistheid als die hij bij de opgraving getoond had. Hij vertelde Erlendur dat ze tot op zekere hoogte gesteld waren geraakt op het skelet, dat ze ter ere van Erlendur de Millenniumman noemden, en dat ze het zouden missen. Hun werk was echter niet afgelopen. Skarpheðínn, die een zekere belangstelling voor de criminologie had ontwikkeld, was van plan om met zijn mannen in de grond te blijven zoeken naar aanwijzingen die de vraag naar wat er al die jaren geleden op de heuvel was gebeurd, zouden kunnen beantwoorden. Hij had de opgraving tot in de laatste details laten vastleggen, zowel op video als op film, en had het erover dat het een interessante lezing bij de universiteit zou kunnen opleveren. Vooral als Erlendur er ooit achter zou komen hoe de botten in de aarde waren beland, voegde hij eraan toe met een glimlach die zijn slagtanden blootlegde.
De skeletten werden naar het mortuarium aan de Barónsstígur overgebracht waar ze zorgvuldig onderzocht zouden worden. De patholoog-anatoom was met zijn gezin in Spanje op vakantie en kwam op zijn vroegst pas over een week naar IJsland terug, vertelde hij Erlendur diezelfde namiddag nog door de telefoon, zongebruind op weg naar een party, al enigszins beneveld, dacht Erlendur. De districtsarts van Reykjavík was erbij toen de botten uit de grond werden gehaald en in een politieauto werden gelegd en zorgde ervoor dat ze op hun plaats in het mortuarium kwamen.
Zoals Erlendur verlangd had, waren de twee skeletten niet van elkaar gescheiden maar als één geheel vervoerd. Om ze in zo volledig mogelijke staat uit de grond te krijgen, hadden de archeologen veel aarde meegenomen van de plaats waar ze bij elkaar lagen. Het was daarom een flinke berg die daar voor Erlendur en de districtsarts op de sectietafel lag. Ze stonden er zij aan zij bij, overgoten door het heldere licht van de tl-buizen in de sectieruimte. De skeletten waren afgedekt met een groot, wit laken dat de arts terugsloeg, en zo stonden ze daar de botten te bekijken.
‘Wat we misschien in de eerste plaats nodig hebben is een soort bepaling van de leeftijd van beide skeletten,’ zei Erlendur met een blik op de arts.
‘Ja, een bepaling van hun leeftijd,’ zei de arts nadenkend. ‘Je weet dat er eigenlijk maar heel weinig verschil is tussen het skelet van een vrouw en dat van een man, alleen het bekken is anders en dat kunnen we niet goed genoeg zien vanwege het kleine skelet en de aarde ertussenin. Zo te zien zijn alle 206 botten in het grote skelet op hun plaats. Zoals we weten zijn de ribben gebroken. Het is een behoorlijk groot skelet, een vrij lange vrouw. Dat is wat ik er zo op het eerste gezicht van denk, maar verder wil ik hier niets mee van doen hebben. Heeft het haast? Kun je niet een weekje wachten? Ik ben niet gespecialiseerd in secties of leeftijdsbepalingen. Mij kunnen allerlei dingen ontgaan die een gespecialiseerde patholoog-anatoom ziet en beoordeelt en waarover hij uitspraken kan doen. Als je wilt dat dit goed wordt gedaan, moet je wachten. Heeft het haast? Kan het niet wachten?’ herhaalde hij.
Erlendur zag zweet op het voorhoofd van de arts parelen en herinnerde zich dat iemand ooit eens had gezegd dat hij iemand was die tegen een karwei opzag.
‘Maakt niet uit,’ zei Erlendur. ‘Het heeft geen haast. Dat denk ik tenminste niet. Tenzij de vondst van deze botten iets in gang zet waarover we niets weten en er een tragedie uit voortkomt.’
‘Bedoel je dat iemand die de vondst van de botten heeft gevolgd, weet wat er aan de hand is en dat er een nieuwe reeks gebeurtenissen op gang komt?’
‘We zullen zien wat er gaat gebeuren,’ zei Erlendur. ‘Laten we maar wel op de patholoog wachten. Het is geen zaak van leven of dood. Maar kijk toch even wat je voor ons kunt doen. Bekijk het in alle rust. Misschien kun je het kleine skelet van het grote losmaken zonder dat je bewijsmateriaal hoeft te vernietigen.’
De districtsarts knikte alsof hij niet zeker wist wat hij moest gaan doen.
‘Ik zal zien wat ik kan doen,’ zei hij toen.
Erlendur besloot om meteen met Benjamín Knudsens nicht Elsa te spreken en er niet mee te wachten tot de volgende morgen en hij nam Sigurður Óli mee. Elsa deed de deur voor hen open en nam hen mee naar de kamer. Ze gingen zitten. Het leek Erlendur dat ze er vermoeider uitzag dan eerst en hij vreesde haar reactie op de ontdekking dat er twee skeletten waren, stelde zich voor dat het moeilijk voor haar moest zijn dat deze oude zaak na al die jaren weer werd opgerakeld en dat haar oom met een moord in verband werd gebracht.
Erlendur vertelde haar wat de archeologen in Grafarholt hadden aangetroffen; het was zeer waarschijnlijk dat het hier om Benjamíns verloofde ging. Elsa keek hen tijdens Erlendurs verhaal om beurten aan met een overduidelijke uitdrukking van ongeloof op haar gezicht.
‘Ik geloof jullie niet,’ zei ze met een zucht. ‘Willen jullie me vertellen dat Benjamín zijn verloofde heeft vermoord?’
‘Er zijn aanwijzingen...’
‘En haar daar op de heuvel bij hun zomerhuis heeft begraven? Dat geloof ik niet. Ik kan gewoon niet begrijpen wat jullie bezielt. Er moet een andere verklaring zijn. Dat moet gewoon. Benjamín was geen moordenaar, dat zal ik jullie vertellen. Jullie hebben hier in huis je gang mogen gaan en de kelder mogen doorzoeken en alles mogen doen wat jullie wilden, maar dit gaat echt te ver. Denken jullie nu echt dat ik jullie in mijn kelder had toegelaten als ik, als mijn familie iets te verbergen had gehad? Nee, dit gaat echt te ver. Het is beter dat jullie nu gaan,’ zei ze, en ze stond op. ‘Nu!’
‘Het gaat er niet om of jij enige schuld in deze zaak hebt,’ zei Sigurður Óli. Erlendur en hij waren gewoon blijven zitten. ‘Het gaat er niet om of jij iets geweten hebt en het voor ons verborgen hebt gehouden. Of...?’
‘Wat ben je nu aan het suggereren?’ vroeg Elsa. ‘Dat ik iets heb geweten? Ben je me aan het vertellen dat ik medeschuldig ben? Wil je me in hechtenis nemen? Wil je me in de gevangenis stoppen? Wat voor optreden is dit eigenlijk?’ Ze staarde Erlendur aan.
‘Kalm maar,’ zei Erlendur. ‘We hebben het skelet van een kind bij het grote skelet aangetroffen. We weten nu dat Benjamíns verloofde een kind verwachtte. Het is dus niet vreemd om aan te nemen dat zij het is. Vind je niet? We zijn niets aan het suggereren. We proberen alleen maar deze zaak tot op de bodem uit te pluizen. Je bent ons bijzonder behulpzaam geweest en dat stellen we op prijs. Niet iedereen zou gedaan hebben wat jij deed. Maar dat verandert niets aan het feit dat bijna alles in de richting van je oom Benjamín wijst nu we de botten hebben vrijgelegd.’
Elsa keek nog steeds neer op Erlendur alsof hij iets was dat niet in haar huis hoorde. Toen leek het of ze zich wat ontspande. Ze keek naar Sigurður Óli en toen weer naar Erlendur en ging uiteindelijk weer zitten.
‘Het is een misverstand,’ zei ze. ‘En dat zouden jullie weten als jullie Benjamín hadden leren kennen zoals ik hem ken. Hij zou nog geen vlieg kwaad hebben gedaan. Nooit.’
‘Hij ontdekte dat zijn verloofde zwanger was,’ zei Sigurður Óli. ‘Ze zouden gaan trouwen. Hij was duidelijk heel erg verliefd op haar. Zijn toekomst was gebouwd op die liefde van hem, op het gezin dat hij wilde stichten, op zijn winkelbedrijf, op zijn positie in het snobmilieu van de stad. Hij kreeg een vreselijke schok. Misschien ging hij te ver. Haar lijk is nooit gevonden. Ze zou de zee in gelopen zijn. Ze verdween. Misschien hebben we haar gevonden.’
‘Je hebt Sigurður Óli verteld dat Benjamín niet wist wie de vader van het kind van zijn verloofde was,’ zei Erlendur voorzichtig. Hij vroeg zich af of ze niet te overhaast te werk waren gegaan en vervloekte de patholoog-anatoom in Spanje. Ze hadden misschien met dit bezoek moeten wachten. Moeten wachten op een formele uitspraak.
‘Dat klopt,’ zei Elsa. ‘Hij wist het niet.’
‘We hebben gehoord dat de moeder van Solveig hem later heeft opgezocht en hem verteld heeft hoe het allemaal zat. Toen alles voorbij was. Nadat Solveig verdwenen was.’
Elsa trok een verbaasd gezicht.
‘Dat wist ik niet,’ zei ze. ‘Wanneer was dat?’
‘Een tijd erna,’ zei Erlendur. ‘Dat weet ik niet precies. Solveig zweeg dus over de vader van het kind. Om de een of andere reden zweeg ze. Vertelde Benjamín niet wat er gebeurd was. Verbrak de verloving en zweeg over de vader van het kind. Misschien om haar familie te beschermen. Op aandringen van haar vader.’
‘Wat bedoel je met op aandringen van haar vader?’
‘De zoon van zijn broer verkrachtte Solveig toen ze in Fljót bij zijn familie op bezoek was.’
Elsa zakte onderuit in haar stoel en sloeg in totaal ongeloof onwillekeurig haar hand voor haar mond.
‘Ik geloof je niet,’ zei ze met een zucht.
Op hetzelfde tijdstip zat Elínborg aan de andere kant van de stad en vertelde Bára over wat er in het graf was aangetroffen en dat de meest waarschijnlijke theorie was dat het hier om Benjamíns verloofde Solveig ging. Dat Benjamín haar daar waarschijnlijk in de grond had gestopt. Elínborg legde er de nadruk op dat ze haar dit vertelde onder het voorbehoud dat de politie hiervoor nog geen andere bewijzen had dan dat hij waarschijnlijk van al degenen die haar hadden gekend de laatste was geweest die haar in leven had gezien en ook dat er boven op het skelet in Grafarholt een kind was ontdekt. Er moest echter nog verder onderzoek aan de botten worden verricht.
Bára luisterde naar het verhaal zonder zelfs maar met haar ogen te knipperen. Ze was net als eerder alleen thuis in haar grote huis met alle pracht en praal om haar heen en ze toonde geen enkele reactie.
‘Onze vader wilde dat ze abortus zou laten plegen,’ zei ze. ‘Moeder wilde dat Solveig met haar naar het platteland zou gaan, het kind zou krijgen en het ter adoptie zou afstaan en daarna terug zou komen alsof er niets gebeurd was en met Benjamín zou trouwen. Ze bekeken dit van alle kanten met elkaar en lieten Solveig toen bij zich komen.’
Bára stond op.
‘Moeder heeft het me later verteld.’
Ze liep naar een grote eikenhouten kast, trok een lade open, haalde er een klein wit zakdoekje uit en bracht het naar haar gezicht.
‘Ze legden haar alleen deze twee mogelijkheden voor. De derde mogelijkheid werd nooit besproken. Dat ze het kind zou krijgen en dat het deel van ons gezin zou gaan uitmaken. Solveig probeerde hen op andere gedachten te brengen maar noch vader, noch moeder wilden er zelfs maar over horen. Ze wilden dit kind niet op de wereld zien komen. Wilden er niets van weten. Wilden het laten doden of het weggeven. Niets anders.’
‘En Solveig?’
‘Dat weet ik niet,’ zei Bára. ‘Die arme meid, ik weet het niet. Ze wilde het kind krijgen, kon zich niets anders voorstellen. Ze was zelf nog een kind. Ze was echt nog een kind.’
Erlendur keek Elsa aan.
‘Kan Benjamín het als bedrog hebben opgevat?’ vroeg hij. ‘Dat Solveig weigerde hem te zeggen wie de vader was?’
‘Niemand weet wat zich bij hun laatste ontmoeting tussen hen heeft afgespeeld,’ zei Elsa. ‘Benjamín heeft mijn moeder het voornaamste verteld, maar het is onmogelijk om te weten of hij alles heeft verteld wat van belang was. Werd ze werkelijk verkracht? O, mijn god!’
Elsa keek Erlendur en Sigurður Óli om de beurt aan.
‘Benjamín zou het heel goed als bedrog hebben kunnen opvatten,’ zei ze toen zachtjes.
‘Neem me niet kwalijk, wat zei je daar?’ vroeg Erlendur.
‘Benjamín zou heel goed hebben kunnen denken dat ze hem had bedrogen,’ herhaalde Elsa. ‘Maar dat betekent niet dat hij haar heeft vermoord en daar op de heuvel heeft begraven.’
‘Omdat ze zweeg,’ zei Erlendur.
‘Ja, omdat ze zweeg,’ zei Elsa. ‘Weigerde te vertellen wie de vader was. Hij wist niets van de verkrachting. Dat, denk ik, is wel zeker!’
‘Zou hij iemand gevraagd kunnen hebben om hem te helpen?’ vroeg Erlendur. ‘Misschien iemand gevraagd hebben om het voor hem te doen?’
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt.’
‘Hij verhuurde zijn zomerhuis op Grafarholt aan een man die gewelddadig was en ook nog een dief. Op zichzelf zegt dat niets, maar het is wel een feit.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt. Een gewelddadig man?’
‘Wacht even, dit lijkt me voorlopig wel genoeg. Misschien lopen we te hard van stapel, Elsa. Het is waarschijnlijk het beste als we wachten op het rapport van de patholoog-anatoom. Neem me niet kwalijk als we...’
‘Nee, niet, nee, jullie worden bedankt dat jullie me van de voortgang van het onderzoek op de hoogte hebben willen houden. Dat waardeer ik zeer.’
‘Je hoort wel hoe de zaak zich verder ontwikkelt,’ zei Sigurður Óli.
‘En jullie hebben de haarlok,’ zei Elsa. ‘Om het vast te stellen.’
‘Ja,’ zei Erlendur. ‘We hebben de haarlok.’
Elínborg stond op. Het was een lange dag geweest en ze wilde naar huis. Ze bedankte Bára en verontschuldigde zich dat ze haar zo laat op de avond nog had gestoord. Bára zei dat ze zich daar geen zorgen over hoefde te maken. Ze liep met Elínborg mee naar de voordeur en deed die achter haar dicht. Een ogenblik later werd er gebeld en Bára deed weer open.
‘Was ze lang?’ vroeg Elínborg.
‘Wie?’ vroeg Bára.
‘Je zus,’ zei Elínborg. ‘Was ze uitzonderlijk lang, of gewoon lang of klein? Hoe was ze gebouwd?’
‘Nee, ze was niet groot,’ zei Bára met een flauwe glimlach. ‘Verre van dat. Het viel de mensen op hoe klein ze was. Men vond haar uitzonderlijk fijn gebouwd. Een poppetje, zei mijn moeder. En het was grappig om haar en Benjamín hand in hand te zien lopen omdat hij zo lang was en als een toren boven haar uitrees.’
De districtsarts belde Erlendur tegen middernacht toen deze in het ziekenhuis bij zijn dochter zat.
‘Ik ben hier in het mortuarium,’ zei de arts, ‘en ik heb de skeletten van elkaar gescheiden en hoop dat ik niets heb verprutst. Ik ben geen gespecialiseerd patholoog. Er ligt hier een heleboel aarde op de tafels en op de grond, een beetje vuile troep allemaal.’
‘En?’ vroeg Erlendur.
‘Ja, neem me niet kwalijk, laat eens zien: we hebben de botjes van de foetus, die trouwens minstens zeven of misschien ook acht of negen maanden oud was.’
‘Ja,’ zei Erlendur ongeduldig.
‘Maar dat is niet zo gek. Tenzij...’
‘Ja.’
‘Het kind was mogelijk al geboren toen het stierf of misschien ook werd het dood geboren. Dat is niet te zeggen. Maar het is niet de moeder van het kind die eronder ligt.’
‘Wacht eens even, wat...? Waarom zeg je dat?’
‘Het kan niet de moeder van het kind zijn die er onder lag of daar met het kind werd begraven of hoe je het ook maar wilt zeggen.’
‘Niet de moeder? Wat bedoel je? Wie dan?’
‘Het is niet de moeder van het kind. Dat is uitgesloten.’
‘Waarom?’
‘Er is geen enkele twijfel mogelijk,’ zei de districtsarts. ‘Het bekken bewijst dat.’
‘Het bekken?’
‘Het grote skelet is dat van een man. Er lag een man onder het kind.’