5
Erlendur reed het oudste deel van de stad bij de haven in en dacht na over Eva Lind en dacht na over Reykjavík. Hij was import en beschouwde zichzelf ook als zodanig hoewel hij het grootste deel van zijn leven in de stad had gewoond en haar zich over baaien en heuvels had zien uitbreiden naarmate de plattelandsbevolking terugliep. Een moderne stad die uitpuilde van mensen die niet langer op het platteland of in de vissersplaatsjes wilden of konden wonen en naar de stad kwamen om er een nieuw leven te beginnen maar ontworteld raakten en moesten leven zonder verleden en met een onzekere toekomst. Hij had zich in deze stad nooit prettig gevoeld.
Had zich een buitenlander gevoeld.
Alli was rond de twintig, broodmager, rossig, met sproeten en zonder voortanden, met een ziekelijk bleek gezicht en een lelijke hoest. Hij zat waar hij volgens Baddi wel zou zitten, in Café Austurstræti, alleen aan een tafeltje met een leeg bierglas voor zich. Hij leek te slapen, zijn hoofd hing op zijn borst en zijn armen waren over elkaar geslagen. Hij had een vuile groene anorak met een bontkraag aan. Baddi had een goede beschrijving van hem gegeven. Erlendur kwam bij hem aan tafel zitten.
‘Ben jij Alli?’ vroeg hij, maar er kwam geen antwoord. Hij keek om zich heen. Het was er donker en stil, hier en daar wat mensen aan de tafeltjes. In een luidspreker boven hun hoofd zong een derderangs countryzanger een droefgeestig lied over liefde die verloren ging. Een kelner van middelbare leeftijd zat op een hoge kruk achter de bar in De IJstijdmensen te lezen.
Hij herhaalde zijn vraag en gaf de man toen een duw tegen zijn schouder. Die werd wakker en keek Erlendur slaapdronken aan.
‘Nog een biertje?’ vroeg Erlendur en hij deed zijn uiterste best om te glimlachen. Er verscheen een grijns op zijn gezicht.
‘Wie ben jij?’ vroeg Alli met wezenloze blik. Hij deed geen poging om de stomme uitdrukking van zijn gezicht te krijgen.
‘Ik ben op zoek naar Eva Lind. Ik ben haar vader en ik heb haast. Ze heeft me opgebeld en om hulp gevraagd.’
‘Ben jij de politieman?’ vroeg Alli.
‘Ja, ik ben de politieman,’ zei Erlendur.
Alli ging rechtop zitten en keek steels om zich heen.
‘Waarom vraag je mij dit?’
‘Ik weet dat je Eva Lind kent.’
‘Hoe?’
‘Weet je waar ze is?’
‘Ga je me op een biertje trakteren?’
Erlendur keek hem aan en vroeg zich even af of dit wel de juiste methode was maar negeerde de vraag, hij zat in tijdnood. Hij stond op en liep met snelle pas naar de bar. De barbediende keek met tegenzin op uit De IJstijdmensen, legde het boek neer en stond op van zijn kruk. Erlendur vroeg om een groot glas bier. Hij was zijn portefeuille aan het pakken toen hij merkte dat Alli verdwenen was. Hij keek snel om zich heen en zag de deur naar buiten dichtvallen. Hij liet de barbediende met het volle glas bier staan, zette het op een lopen en zag Alli hard in de richting van het buurtje Grjótaþorp wegrennen.
Alli liep niet heel erg hard en kon het ook niet lang volhouden. Hij keek achterom, zag Erlendur achter zich aan komen en probeerde harder te lopen, maar hij was aan het eind van zijn krachten. Erlendur kreeg hem al snel te pakken en gaf hem zo’n opdoffer dat hij jankend op straat viel. Uit zijn zakken rolden twee medicijnflesjes en Erlendur raapte ze op. Het leken hem ecstasypillen. Hij rukte Alli zijn anorak af en hoorde nog meer flesjes rinkelen. Toen hij alle zakken had geleegd, had hij een flinke medicijnkast in handen.
‘Ze... vermoorden... me,’ stootte Alli hijgend uit terwijl hij overeind kwam. Er waren niet veel mensen op straat. Een echtpaar van middelbare leeftijd aan de overkant van de straat had bij het voorval staan toekijken maar zich weggehaast toen ze Erlendur het ene na het andere pillenflesje tevoorschijn zagen halen.
‘Zal me een zorg zijn,’ zei Erlendur.
‘Pak het niet van me af. Je weet niet hoe ze zijn...’
‘Wie?’
Alli hing tegen een huismuur aan en was gaan huilen.
‘Ik ben ten einde raad,’ zei hij. Het snot droop uit zijn neus.
‘Jouw radeloosheid laat me koud. Wanneer heb je Eva Lind voor het laatst gezien?’
Alli haalde zijn neus op en keek Erlendur plotseling vastbesloten aan, net of hij een ontsnappingsmogelijkheid zag.
‘Oké.’
‘Wat?’
‘Als ik je over Eva vertel, krijg ik het spul dan terug?’ vroeg hij.
Erlendur dacht even na.
‘Als je iets over Eva weet, zal ik het je geven. Als je liegt kom ik terug en dan gebruik ik je als trampoline.’
‘Oké, oké. Eva kwam vandaag naar me toe. Als je haar vindt: ze heeft schulden bij me. Een bende! Ik weigerde haar meer te geven. Ik deal niet met zwangere meisjes.’
‘Nee,’ zei Erlendur. ‘Zo’n principieel man als jij.’
‘Ze kwam eraan met haar dikke buik voor zich uit, stond wat tegen me te jengelen, deed moeilijk toen ik haar niets wilde geven en toen ging ze weer.’
‘Weet je waarheen?’
‘Geen idee.’
‘Waar woont ze?’
‘Een grietje dat geen rooie cent heeft. Ik heb geld nodig, snap je. Anders vermoorden ze me.’
‘Weet je waar ze woont?’
‘Woont? Nergens. Ze zwerft maar wat rond. Zwerft rond en bedelt. Denkt dat ze het allemaal maar voor niks kan krijgen.’ Alli was verontwaardigd, vol minachting. ‘Of je het maar gewoon kunt weggeven. Of het gewoon gratis is.’
Als hij praatte klonk er een zacht sissen door het tandeloze gat en hij zag er plotseling in zijn vuile anorak uit als een groot kind dat probeerde zich als een man te gedragen.
Het snot was weer uit zijn neus gaan lopen.
‘Waar zou ze heen kunnen zijn?’ vroeg Erlendur.
Alli keek Erlendur aan en haalde zijn neus op.
‘Ga je het teruggeven?’
‘Waar is ze?’
‘Krijg ik alles terug als ik het je vertel?’
‘Waar?’
‘Over Eva Lind.’
‘Als je niet staat te liegen. Waar is ze?’
‘Er was een meisje bij haar.’
‘Wie?’
‘Ik weet waar ze woont.’
Erlendur kwam dichterbij staan.
‘Je krijgt alles terug,’ zei hij. ‘Wie was dat meisje?’
‘Ragga. Woont hier vlakbij. Op de Tryggvagata. In het grote huis tegenover de kade, op de bovenste verdieping.’ Alli stak aarzelend zijn hand uit. ‘Oké? Je hebt het beloofd. Geef het alsjeblieft terug. Je hebt het beloofd.’
‘Er is geen sprake van dat ik het je teruggeef, stomme idioot,’ zei Erlendur. ‘Geen sprake van. En als ik er tijd voor had, zou ik nu met je naar het politiebureau in de Hverfisgata gaan en je in een cel gooien. Dus iets heb je er wel bij gewonnen.’
‘Nee, ze vermoorden me! Doe het niet! Geef het me alsjeblieft, please. Geef het me alsjeblieft!’
Erlendur luisterde niet naar hem, maar liep weg en liet Alli hangend tegen de muur achter, snikkend, zichzelf vreselijk vervloekend en in machteloze woede met zijn hoofd tegen de muur bonkend. Erlendur hoorde zijn scheldwoorden nog een heel eind verderop en tot zijn grote verbazing waren ze niet tegen hem maar tegen Alli zelf gericht.
‘Jij verdomde ezel, je bent een ezel, ezel, ezel, een verdomde ezel...’
Hij keek om en zag hoe Alli zichzelf een oorvijg gaf.
Een kleine jongen, misschien vier jaar oud, in pyjamabroek en bloot bovenlijf, op blote voeten en met smerig haar, deed de deur open en keek naar Erlendur op. Hij boog zich naar de jongen toe maar toen hij zijn hand uitstak om hem over zijn wang te strijken trok de jongen zijn hoofd terug. Erlendur vroeg of zijn moeder thuis was maar de jongen keek hem onderzoekend aan en gaf geen antwoord.
‘Is Eva Lind bij je, vriendje?’ vroeg hij de jongen.
Erlendur had het gevoel dat hij niet veel tijd meer had. Er waren ongeveer twee uur verlopen sinds Eva had gebeld. Hij probeerde de gedachte te verdringen dat hij al te laat was om haar te hulp te komen. Hij probeerde zich voor te stellen in wat voor problemen ze zat maar hield er algauw mee op zichzelf te kwellen en concentreerde zich op zijn zoektocht. Hij wist wie er bij haar was toen ze tegen de avond van Alli wegging. Hij wist dat hij haar op het spoor was.
De jongen antwoordde hem niet. Hij spurtte naar binnen, de woning in, en verdween. Erlendur ging hem achterna maar kon niet zien waar hij heen ging. Het was stikdonker in de woning en Erlendur zocht op de tast naar knoppen op de muren om het licht aan te doen. Hij vond er een paar die het niet deden tot hij in een kleine kamer was doorgedrongen. Daar ging eindelijk een eenzaam lichtpeertje aan, dat aan het plafond hing. Er lag niets op de grond, alleen het koude beton. Zo hier en daar door het huis verspreid lagen smerige matrassen en op een ervan lag een meisje, iets jonger dan Eva, in een versleten spijkerbroek en een rood mouwloos T-shirt. Een ijzeren doosje met twee injectienaalden lag open naast haar. Een dun plastic snoer kronkelde zich over de vloer. Twee mannen sliepen aan weerszijden van haar op de matrassen.
Erlendur knielde naast het meisje neer en schudde wat aan haar maar kreeg geen enkele reactie. Hij legde zijn hand onder haar hoofd, trok haar omhoog en gaf haar een lichte tik op haar wang. Ze begon wat te bewegen. Hij kwam overeind, zette haar op haar voeten neer en probeerde haar ertoe te brengen wat te lopen en algauw zag het ernaar uit dat ze bijkwam. Ze deed haar ogen open. In het schemerdonker zag Erlendur een keukenstoel staan en hij liet haar zitten. Ze keek hem aan en haar hoofd viel voorover. Hij gaf haar een lichte tik in haar gezicht en ze kwam weer bij.
‘Waar is Eva Lind?’ vroeg hij.
‘Eva,’ mompelde het meisje.
‘Je was vandaag bij haar. Waar ging ze naartoe?’
‘Eva...’
Haar hoofd viel weer voorover. Erlendur zag de kleine jongen in de deur van de kamer staan. Hij had een pop onder zijn ene arm en in zijn andere hand had hij een lege zuigfles die hij Erlendur toestak. Toen stak hij de speen in zijn mond en Erlendur hoorde hem de lucht inzuigen. Hij keek naar de jongen in de deur en knarsetandde, pakte toen zijn mobiele telefoon en riep hulp in.
Met de ziekenauto kwam een dokter mee, zoals Erlendur had verzocht.
‘Ik moet je vragen haar een injectie te geven,’ zei Erlendur.
‘Een injectie?’ zei de arts.
‘Ik denk dat het heroïne is. Heb je naloxon bij je? In je tas?’
‘Ja, ik...’
‘Ik moet met haar spreken. Nu meteen. Mijn dochter verkeert in gevaar. Zij weet waar ze is.’
De arts keek naar het meisje. En toen weer naar Erlendur. Hij knikte.
Erlendur had het meisje weer op de matras gelegd en het duurde een tijdje voor ze bijkwam. De ziekenbroeders hielden haar in het oog met de brancard tussen hen in. Het kind had zich in de kamer verstopt. De twee mannen lagen als dood op de matrassen.
Erlendur zat op zijn knieën naast het meisje dat langzaam tot bewustzijn kwam. Ze keek naar Erlendur en toen naar de dokter en de mannen met de brancard.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze zachtjes alsof ze het tegen zichzelf had.
‘Weet je iets van Eva Lind?’ vroeg Erlendur.
‘Eva?’
‘Ze was vanavond bij je. Ik denk dat ze misschien in gevaar is. Weet je waar ze naartoe is?’
‘Is het niet goed met Eva?’ vroeg ze en ze keek om zich heen. ‘Waar is Kiddi?’
‘Er is een kleine jongen in die kamer daar,’ zei Erlendur. ‘Hij wacht op je. Vertel me waar ik Eva Lind kan vinden.’
‘Wie ben je?’
‘Haar vader.’
‘De politieman?’
‘Ja.’
‘Ze kan je niet uitstaan.’
‘Dat weet ik. Weet je waar ze is?’
‘Ze kreeg pijn. Ik zei dat ze naar het ziekenhuis moest gaan. Ze wilde erheen lopen.’
‘Pijn?’
‘Ze stierf van de pijn in haar buik.’
‘Waarvandaan ging ze lopen? Hiervandaan?’
‘We waren op Hlemmur.’
‘Hlemmur?’
‘Ze wilde naar het Rijks. Is ze daar niet?’
Erlendur stond op en kreeg van de dokter het nummer van het Rijksziekenhuis. Hij belde en kreeg te horen dat er de laatste uren geen Eva Lind was opgenomen. Er was geen enkele vrouw van haar leeftijd binnengekomen. Hij werd doorverbonden met de kraamafdeling en probeerde zijn dochter zo goed mogelijk te beschrijven maar de dienstdoende verloskundige wist niets van haar af.
Hij holde de woning uit en reed als een gek naar Hlemmur. Daar was geen mens te zien. Het busstation was om middernacht dichtgegaan. Hij liet de auto staan en liep snel naar de Snorrabraut, draafde die af langs de huizen die bij Norðurm´yri hoorden en wierp een blik in de tuinen in de hoop zijn dochter te vinden. Toen hij de gebouwen van het Rijksziekenhuis naderde begon hij haar naam te roepen, maar hij kreeg geen antwoord.
Hij vond haar ten slotte badend in haar bloed op een grasveldje tussen wat bomen ongeveer vijftig meter van het oude gebouw van de kraamafdeling. Het had hem niet veel tijd gekost om haar te vinden. Toch was hij te laat. Het gras onder haar was bloedig verkleurd en haar broek was van bloed doordrenkt.
Erlendur knielde naast zijn dochter en keek naar de kraamafdeling. Hij zag zichzelf daar op een regenachtige dag met Halldóra naar binnen gaan, in dat verre verleden toen Eva Lind geboren werd. Zou ze nu op diezelfde plaats gaan sterven?
Erlendur streek Eva over haar voorhoofd, niet zeker of hij haar durfde te verplaatsen.
Hij dacht dat ze ongeveer zeven maanden zwanger was.
***
Ze had geprobeerd te vluchten maar had dat al lang geleden opgegeven.
Tweemaal ging ze bij hem weg. Beide keren toen ze nog in de kelderwoning aan de Lindargata woonden. Er verstreek een heel jaar tussen de eerste keer dat hij haar sloeg en het moment dat hij zijn zelfbeheersing opnieuw verloor, zoals hij dat toen noemde. Toen er nog met hem te praten viel over het geweld dat hij tegen haar gebruikte. Zij had nooit de indruk dat hij zijn zelfbeheersing verloor. Ze had het gevoel dat hij zichzelf nooit beter in de hand had dan wanneer hij probeerde het leven uit haar te ranselen en haar uitmaakte voor al wat lelijk was. Hoewel hij als een gek tekeerging was hij koud en berekenend en wist hij heel goed wat hij aan het doen was. Altijd.
In de loop van de tijd realiseerde ze zich dat zij ook zo zou moeten zijn als ze hem eronder wilde krijgen.
Haar eerste vluchtpoging was gedoemd om te mislukken. Ze bereidde zich niet voor, wist niet welke mogelijkheden voor haar openstonden, had er geen idee van waar ze hulp moest gaan zoeken en stond op een avond in februari plotseling buiten in de gure avondwind met twee kinderen, Símon, die ze bij de hand had, en Mikkelína, die ze op haar rug droeg, maar ze wist absoluut niet waar ze heen moest gaan. Ze wist alleen maar dat ze weg moest uit de kelder.
Ze was met haar dominee gaan praten en hij had haar gezegd dat een goede vrouw niet van haar man scheidde. In Gods ogen was het huwelijk heilig en de mensen moesten nu eenmaal veel leed verdragen om het in stand te houden.
‘Denk aan je kinderen,’ zei de dominee.
‘Ik denk nu juist aan de kinderen,’ zei ze en de dominee glimlachte welwillend.
Ze deed geen poging om naar de politie te gaan. Tweemaal hadden hun buren de politie gewaarschuwd als hij haar aanviel. Er waren agenten in de woning verschenen om een einde aan de huiselijke twist te maken en daarna waren ze weer vertrokken. Ze stond toen met een dik opgezwollen oog en een gesprongen lip voor de agenten en die vertelden hun dat ze zich in moesten houden. Dat ze de rust in huis verstoorden. De tweede maal, twee jaar later, namen de agenten hem apart. Gingen met hem naar buiten. Toen had ze hen toegeroepen dat hij haar had aangevallen en haar had willen doodslaan en dat niet voor de eerste maal. Ze vroegen of ze soms gedronken had. Ze begreep de vraag niet. Gedronken, herhaalden ze. Ze zei van niet. Had nog nooit gedronken. Buiten bij de deur zeiden ze iets tegen hem. Namen toen met een handdruk afscheid.
Toen ze weg waren streek hij met zijn scheermes over haar wang.
Toen hij die avond vast in slaap was, nam ze Mikkelína op haar rug en duwde de kleine Símon zachtjes voor zich uit de woning uit en de trap op. Uit een oud onderstuk van een grote kinderwagen die ze op de vuilnisbelt had gevonden, had ze een wagentje voor Mikkelína gemaakt, maar dat had hij die avond in zijn razernij vernield alsof hij had aangevoeld dat ze hem wilde verlaten en hij haar zo tegen kon houden.
Haar vlucht was op geen enkele manier voorbereid. Uiteindelijk ging ze naar het Leger des Heils en mocht daar die nacht blijven. Ze had helemaal geen familie, niet in Reykjavík noch ergens anders en zodra hij ’s ochtends wakker werd en zag dat ze weg waren, vloog hij naar buiten om hen te zoeken. Hij raasde in zijn overhemd in de kou door de stad en zag hen uit het Leger komen. Ze had hem niet in de gaten voor hij de jongen van haar losrukte, haar dochtertje in zijn armen nam en zwijgend kalmweg op weg naar huis ging. Hij keek niet naar rechts of naar links en keek niet één keer om. De kinderen waren te geschrokken om zich tegen hem te verzetten maar ze zag dat Mikkelína haar handjes naar haar uitstrekte en barstte in stil huilen uit.
Wat had ze eigenlijk verwacht?
Toen ging ze op een afstandje achter hen aan.
Na haar tweede poging dreigde hij dat hij haar kinderen zou doden en daarna probeerde ze niet meer om te vluchten. Die keer was ze wel beter voorbereid. Ze stelde zich voor dat ze een nieuw leven kon beginnen. Met haar kinderen naar een visserplaatsje in het noorden kon verhuizen, er een kamer of een kleine woning kon huren, in de vis zou werken en ervoor zou zorgen dat het hun aan niets ontbrak. Ditmaal nam ze alle tijd om zich voor te bereiden. Ze besloot om naar Siglufjörður te verhuizen. Daar was, nu de zwaarste crisisjaren voorbij waren, genoeg werk te krijgen, de mensen stroomden er van alle kanten naartoe en zij zou er alleen met haar kinderen niet opvallen. Ze zou voorlopig in een vissersloods kunnen wonen tot ze een kamer had gevonden.
De busreis voor haarzelf en de kinderen kostte flink wat en hij zat op elke kroon die hij voor zijn werk in de haven ontving. Gedurende een lange periode spaarde ze wat kronen bij elkaar tot ze dacht dat ze genoeg voor de reis had. Ze nam zoveel kinderkleren mee als ze in een kleine koffer kon bergen, een paar persoonlijke bezittingen en de kar die ze had gerepareerd en nog steeds voor Mikkelína kon gebruiken. Ze spoedde zich naar het busstation en keek doodsbang om zich heen alsof ze verwachtte dat hij op de volgende straathoek zou opduiken.
Hij kwam net als altijd tussen de middag naar huis en zag meteen dat ze hem verlaten had. Ze wist dat het eten klaar moest zijn als hij thuiskwam en ze had het zichzelf nooit durven veroorloven om in gebreke te blijven. Hij zag dat de kar verdwenen was. De klerenkast stond open. De koffer was er niet. Haar eerdere vluchtpoging indachtig stapte hij meteen het gebouw van het Leger des Heils binnen en werd agressief toen hem gezegd werd dat ze daar niet geweest was. Hij geloofde hen niet en rende het hele huis door, de kamers in en zelfs de kelder en toen hij hen niet kon vinden, viel hij de huisbewaarder aan, een kapitein in het Leger, sloeg hem tegen de grond en dreigde dat hij hem zou vermoorden als hij hem niet vertelde waar ze waren.
Ten slotte drong het tot hem door dat ze niet naar het Leger was gegaan en hij liep de hele stad door om haar te zoeken, maar kon geen spoor van haar vinden. Hij stormde winkels en restaurants binnen maar zag haar nergens en naarmate de dag vorderde nam zijn radeloosheid toe en hij kwam buiten zichzelf van woede in zijn kelderwoning terug. Hij zette alles daarbinnen op zijn kop op zoek naar aanwijzingen waar ze heen zou kunnen zijn en rende daarna naar twee van haar vriendinnen uit de tijd dat ze dienstmeisje was geweest, drong zich langs hen heen hun woning binnen, haar en de kinderen roepend, en rende weer naar buiten zonder excuus voor zijn gedrag aan te bieden en ging ervandoor.
Ze kwam twee uur ’s nachts in Siglufjörður aan na de hele dag bijna ononderbroken te hebben doorgereisd. De bus was op drie plaatsen gestopt om de mensen de gelegenheid te bieden zich even uit te rekken en hun proviand op te eten of om boodschappen in de wegrestaurants te doen. Ze had wat te eten meegenomen, brood en een fles melk, maar toen de bus in Haganesvík in Fljót aankwam hadden ze allemaal honger. Daar stapten de passagiers over op een boot die hen naar Siglufjörður bracht. En toen stond ze plotseling in de koude nacht met haar twee kinderen op een parkeerplaats bij de kade. Ze wist de vissersloodsen te vinden en de opzichter wees haar een klein vertrekje met een eenpersoonsbed toe en leende haar een matras om op de grond te leggen en twee dekens en daar sliepen zij de eerste nacht in vrijheid. Zodra de kinderen op de matras gingen liggen, sliepen ze in maar zij lag in het bed in het donker te staren en kon geen weerstand bieden aan de rilling die door haar hele lichaam heen trok tot het haar allemaal te machtig werd en ze begon te huilen.
Hij vond haar een paar dagen later. Een van de mogelijkheden die hij overwoog was dat ze de stad had verlaten, misschien wel met een bus, en daarom ging hij naar het busstation waar hij navraag begon te doen en zo kwam hij erachter dat zijn vrouw en de kinderen de bus naar het noorden richting Siglufjörður hadden genomen. Hij sprak met een chauffeur die zich de vrouw en de kinderen goed herinnerde, vooral het gehandicapte meisje. Hij nam de eerstvolgende bus naar het noorden en was even na middernacht in Siglufjörður. Hij ging de vissersloodsen af en trof haar uiteindelijk slapend aan in een vertrekje dat hij vond op aanwijzingen van een opzichter die hij gewekt had. Hij legde de zaak aan de opzichter uit. Ze was eerder dan hij naar de stad gekomen maar waarschijnlijk zouden ze hier niet lang blijven.
Hij sloop het vertrek binnen. Een flauw licht van de straat scheen door een klein venster en hij stapte over de kinderen op de matras en boog zich zo ver over haar heen dat hun gezichten elkaar bijna raakten, gaf haar toen een duwtje. Ze was diep in slaap en hij gaf haar opnieuw een duw, harder nu, totdat ze haar ogen opendeed en hij glimlachte toen hij de naakte angst in haar ogen zag. Ze wilde om hulp roepen maar hij legde zijn hand op haar mond.
‘Dacht je nou werkelijk dat het je zou lukken?’ fluisterde hij dreigend.
Ze staarde naar hem op.
‘Dacht je nou werkelijk dat het zo makkelijk was?’
Langzaam schudde ze het hoofd.
‘Weet je wat ik nu het liefst zou doen?’ siste hij tussen zijn opeengeklemde kiezen door. ‘Ik zou met je dochter de berg hier op willen gaan en haar vermoorden en ergens in de aarde begraven waar niemand haar kan vinden en zeggen dat die stumper waarschijnlijk de zee in gekropen is. En weet je wat? Ik ga het echt doen. Ik ga het nu meteen doen. Als ik ook maar één kik van je hoor, vermoord ik de jongen ook. Zeg dat hij achter haar aan de zee in gekropen is.’
Hij hoorde haar een soort zacht jankend geluidje maken toen ze naar de kinderen keek en hij glimlachte. Hij haalde zijn hand van haar mond.
‘Ik zal het nooit meer doen,’ zei ze klaaglijk. ‘Nooit meer. Ik zal het nooit meer doen. Vergeef me. Vergeef me. Ik weet niet wat ik eigenlijk gedacht heb. Vergeef me. Ik ben niet goed bij mijn hoofd. Dat weet ik. Ik ben niet goed bij mijn hoofd. Laat de kinderen daar niet onder lijden. Sla mij maar. Sla mij. Zo hard als je kunt. Sla me zo hard als je kunt. We kunnen naar buiten gaan als je dat wilt.’
Haar wanhoop deed hem walgen.
‘Dat wil je dus,’ zei hij. ‘Dat is het dus wat je wilt. Dan zullen we het ook maar doen.’
Hij deed net of hij Mikkelína die naast Símon lag te slapen wilde grijpen maar ze pakte hem gek van angst vast.
‘Kijk maar,’ zei ze en ze begon zichzelf in het gezicht te slaan. ‘Kijk maar.’ Ze trok aan haar haren. ‘Kijk maar.’ Ze kwam overeind en gooide zich toen achterover tegen het ijzeren hoofdeinde van het bed aan en of dat nu haar bedoeling was of niet, de klap was zo hevig dat ze het bewustzijn verloor en voor zijn voeten neerviel.
De bus vertrok meteen de volgende ochtend weer naar het zuiden. Ze had toen een paar dagen bij het haringzouten gewerkt en hij ging met haar mee haar loon ophalen. Ze werkte op de haringkade en kon zo op haar kinderen letten die daar in de buurt aan het spelen waren of binnen in het kamertje zaten. Hij legde de opzichter uit dat ze naar Reykjavík teruggingen. Ze hadden nieuws uit het zuiden gekregen waardoor hun plannen veranderd waren en ze had recht op betaling. De opzichter schreef iets op een papiertje en verwees hen naar het kantoor. Hij keek haar aan toen hij haar het papier gaf. Het leek of ze iets wilde gaan zeggen. Hij hield haar vrees voor verlegenheid.
‘Alles is toch wel in orde?’ vroeg de opzichter.
‘Ze is prima in orde,’ zei hij en hij stapte snel met haar weg.
Toen ze weer terug in hun kelderwoning in Reykjavík waren, raakte hij haar met geen vinger aan. Ze stond in haar armoedige mantel in de kamer met het koffertje in haar hand en rekende op een pak slaag dat zijn weerga niet kende, maar er gebeurde niets. De enorme klap die ze zichzelf had gegeven, had hem van zijn stuk gebracht. Hij wilde geen hulp zoeken maar probeerde haar te verzorgen en weer bij te brengen en daarmee schonk hij voor de eerste maal sinds ze getrouwd waren enige aandacht aan haar welzijn. Toen ze weer bijkwam zei hij haar dat ze moest begrijpen dat ze hem nooit zou kunnen verlaten. Nog liever zou hij haar en haar kinderen vermoorden. Ze was zijn vrouw en dat zou ze altijd blijven.
Altijd.
Daarna probeerde ze nooit meer te vluchten.
De jaren verstreken. Zijn voornemen om zeeman te worden liep na slechts drie reizen op niets uit. Hij werd vreselijk zeeziek en dat ging niet over. En daarbij kwam nog de angst voor de zee, waar hij ook al niet vanaf kwam. Hij was bang dat de schuit zou zinken. Bang overboord te slaan. Bang voor slecht weer. Op zijn laatste reis barstte een storm los die de boot naar hij meende zou doen omslaan en hij zat in de kombuis te huilen omdat hij dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Daarna ging hij nooit meer naar zee.
Hij leek niet in staat haar enige vriendelijkheid te tonen. In het beste geval liet hij haar volkomen links liggen. De eerste twee jaren van hun huwelijk leek het of hij er spijt van had als hij haar had geslagen of uitgescholden met woorden die haar in tranen deden uitbarsten. Maar na verloop van tijd toonde hij haar niet langer enig teken van spijt, alsof wat hij haar aandeed niet langer onnatuurlijk was of iets dat hun leven samen tot een karikatuur maakte, maar iets dat noodzakelijk en juist was. Soms bekroop haar de gedachte en misschien wist hij het zelf ergens diep vanbinnen ook, dat het geweld waaraan hij haar onderwierp veeleer zijn zwakheid toonde dan iets anders. Naarmate hij haar harder sloeg voelde hij zich ellendiger. En hij gaf haar de schuld. Schreeuwde haar toe dat het haar schuld was dat hij haar op die manier behandelde. Zij was het die hem daartoe bracht omdat ze niet in staat was te doen wat hij wilde.
Ze hadden niet veel vrienden en al helemaal geen gemeenschappelijke en al snel nadat ze waren gaan samenwonen, raakte zij in een isolement. De enkele keer dat ze de vriendinnen uit haar tijd als dienstmeisje ontmoette, sprak ze nooit over het geweld dat ze van haar echtgenoot moest verduren en mettertijd verloor ze het contact met hen. Ze schaamde zich ervoor. Schaamde zich ervoor om telkens onverhoeds te worden geslagen en afgeranseld. Schaamde zich voor de blauwe ogen, de gesprongen lippen en de blauwe plekken overal op haar lichaam. Schaamde zich voor het leven dat ze leidde en dat anderen onbegrijpelijk moesten vinden, afschuwelijk en lachwekkend. Ze wilde het verbergen. Wilde zichzelf verbergen in de gevangenis die hij voor haar schiep. Wilde zich insluiten en de sleutel weggooien en hopen dat niemand hem vond. Ze moest verdragen dat hij haar slecht behandelde. Op de een of andere manier was dit haar lot, onontkoombaar en onveranderlijk.
De kinderen waren haar alles. Ze werden voor haar de ware vrienden en zielsverwanten voor wie ze leefde, vooral Mikkelína, maar ook Símon toen hij ouder werd en de jongste jongen, die de naam Tómas had gekregen. Ze had de namen van haar kinderen zelf gekozen. Hij bemoeide zich niet met hen behalve als hij over hen klaagde. Wat hadden ze veel eten nodig. Wat maakten ze ’s nachts een lawaai. De kinderen hadden veel verdriet om het geweld dat hij tegen haar gebruikte en waren een kostbare troost voor haar als ze die nodig had.
Het kleine beetje gevoel van eigenwaarde dat ze had, sloeg hij uit haar. Ze was van nature terughoudend en wat verlegen, bereid om het iedereen naar de zin te maken, voorkomend, hulpvaardig en zelfs wat onderdanig. Glimlachte timide als iemand iets tegen haar zei en moest zich vermannen om niet verlegen te lijken. In zijn ogen zag dat eruit als zwakheid en daar ontleende hij zijn kracht aan en hij pestte haar ermee tot er niets meer van haar eigen zelf restte. Haar hele bestaan was op hem gericht. Zijn kuren. Hem dienen. Ze verzorgde zich niet meer, kreeg kringen onder haar ogen. De huid van haar gezicht werd slap en kreeg een grijzige kleur, haar schouders zakten en haar hoofd hing voorover alsof ze niet gewoon meer op durfde te kijken. Haar mooie, dikke haar verloor glans en kleur en kleefde in vuile strengen aan haar hoofd. Ze knipte het zelf met de keukenschaar als ze vond dat het te lang was.
Of als hij vond dat het te lang was.
Lelijke viespeuk.