16

Elsa deed de deur voor Sigurður Óli open en bood hem een kop thee aan. Terwijl hij achter Elsa aan de keuken in liep moest hij aan Bergþóra denken. Ze hadden die ochtend voor ze naar hun werk gingen ruzie met elkaar gemaakt. Hij probeerde haar aanhaligheid te ontwijken en begon zijn bedenkingen op een stomme manier te uiten totdat Bergþóra echt boos begon te worden.

‘En wacht eens even,’ zei ze, ‘moeten we dan maar nooit trouwen? Bedoel je dat soms? Moeten we dan maar gewoon een beetje halfslachtig samenwonen zonder dat er iets tussen ons behoorlijk geregeld is en moeten onze kinderen bastaarden worden? Voor altijd?’

‘Bastaarden?’

‘Ja.’

‘Zit jij aan de kerk te denken?’

‘De kerk?’

‘Wil je de kerk binnenschrijden? Met een bruidsboeket en in een trouwjurk en...’

‘Zit je dat belachelijk te maken?’

‘Welke kinderen?’ vroeg Sigurður Óli en hij kreeg meteen spijt van zijn vraag toen hij merkte dat Bergþóra nog donkerder begon te kijken.

‘Welke kinderen? Wil je dan geen kinderen?’

‘Ja, nee, ja, ik bedoel, daar hebben we het nog helemaal niet over gehad,’ zei Sigurður Óli. ‘Ik vind dat we daar samen over moeten praten. Jij kunt niet alleen de beslissing nemen over de vraag of we wel of niet kinderen gaan krijgen. Dat is niet eerlijk en ik wil het ook niet. Niet nu. Niet meteen.’

‘Maar het komt er wel van,’ zei Bergþóra. ‘Hopelijk. We zijn allebei vijfendertig jaar. Nog maar een paar jaar en dan is het te laat. Altijd als ik er met jou over wil praten maak je dat onmogelijk. Je wilt er niet over praten. Wilt geen kinderen en geen trouwpartij en helemaal niets. Je wilt helemaal niets. Je begint al net als die stomme Erlendur te worden.’

‘Wat?’ Sigurður Óli kon zijn oren niet geloven. ‘Wat zei je daar?’

Maar Bergþóra was al naar buiten en op weg naar haar werk en liet hem achter met een ijzingwekkend beeld van de toekomst.

Elsa zag dat hij duidelijk met zijn gedachten ergens anders was, zoals hij daar in haar keuken zat en in zijn kopje staarde.

‘Wil je nog thee?’ vroeg ze.

‘Nee, dank je wel,’ zei Sigurður Óli. ‘De vrouw die met mij aan deze zaak werkt, Elínborg, vroeg me of ik je wilde vragen of jij misschien weet of je oom Benjamín soms een haarlok van zijn verloofde heeft bewaard, in een medaillon misschien of een potje of iets dergelijks.’

Elsa dacht even na.

‘Nee,’ zei ze, ‘ik kan me geen haarlok herinneren, maar ik weet eigenlijk niet goed wat voor spullen van mijn oom daar beneden allemaal staan.’

‘Elínborg zegt dat er zoiets moet zijn. Heeft dat van haar zus. Ze heeft gisteren met haar gepraat en zij vertelde over een haarlok die Benjamín, voorzover ik begrepen heb, van zijn verloofde kreeg toen ze op reis ging.’

‘Ik weet niets van een haarlok van haar of van wie dan ook. Mijn familie is niet erg romantisch en is dat ook nooit geweest.’

‘Zijn er ook spullen van haar in de kelder? Van de verloofde?’

‘Waarom willen jullie een haarlok van haar hebben?’ stelde Elsa een tegenvraag en ze keek Sigurður Óli onderzoekend aan. Hij aarzelde. Hij wist niet wat Erlendur haar had verteld. Ze maakte het hem gemakkelijk.

‘Jullie kunnen bewijzen dat zij degene is die daar op de heuvel ligt,’ zei ze, ‘als jullie iets van haar hebben. Dan kunnen jullie een dna-onderzoek doen en erachter komen of zij degene is die daar ligt, en als ze het is, dan denken jullie dat mijn oom haar daar in de grond heeft gestopt en dat hij haar moordenaar is. Is dat het geval?’

‘We gaan alleen maar alle mogelijkheden na,’ zei Sigurður Óli. Hij wilde kost wat kost voorkomen dat hij Elsa in woede zou doen uitbarsten, net zoals hij Bergþóra nog maar een halfuur geleden tot razernij had gebracht. Deze dag begon niet goed. Helemaal niet goed.

‘De andere rechercheur kwam hier, die droeve man, en suggereerde dat Benjamín de dood van zijn verloofde op zijn geweten zou hebben. En nu kunnen jullie dat vaststellen als jullie een haarlok van haar vinden. Ik snap het niet. Dat jullie kunnen denken dat Benjamín die vrouw zou hebben kunnen doden. Waarom zou hij dat gedaan moeten hebben? Wat voor redenen had hij daarvoor? Geen. Absoluut geen.’

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Sigurður Óli om haar weer rustig te krijgen. ‘Maar we moeten erachter zien te komen van wie die botten zijn en waarom ze daar in de grond liggen en zoals de zaken er nu voor staan hebben we nog niet veel gegevens in handen, behalve dat Benjamín er een zomerhuis had en dat zijn verloofde verdween. Je moet zelf toch ook nieuwsgierig zijn? Je zult zelf toch ook wel willen weten wat voor botten het zijn?’

‘Dat weet ik nog zo net niet,’ zei Elsa. Ze was weer wat rustiger geworden.

‘Ik mag hopelijk verder gaan met het doorzoeken van de kelder,’ zei Sigurður Óli.

‘Ja, ja natuurlijk. Dat kan ik moeilijk gaan verbieden.’

Hij dronk zijn thee op en ging denkend aan Bergþóra naar beneden de kelder in. Hij bewaarde geen haarlok van haar in een medaillon, vond dat hij niets nodig had om aan haar herinnerd te worden. Had niet eens een foto van haar in zijn portefeuille zoals sommigen van zijn kennissen, die foto’s van hun vrouw en kinderen bij zich droegen. Hij voelde zich onbehagelijk. Hij moest beter met Bergþóra praten. Alles in het reine brengen.

Hij wilde niet net als Erlendur worden.

 

Sigurður Óli doorzocht Benjamíns bezittingen tot laat in de ochtend, ging toen even naar een cafetaria, kocht een hamburger waarvan hij maar een paar happen nam en las de kranten bij een kop koffie. Om een uur of twee ging hij terug naar de kelder, de hardnekkigheid van Erlendur vervloekend. Hij had helemaal niets gevonden dat de verdwijning van Benjamíns verloofde zou kunnen verklaren of aangaf wie er behalve Höskuldur zijn zomerhuis in de oorlog hadden gehuurd. Hij had de haarlok niet gevonden die er volgens Elínborg zeker moest zijn, gezien al die liefdesverhalen. Het was Sigurður Oli’s tweede dag in de kelder en hij had meer dan genoeg van al die kletspraat.

Elsa wachtte hem op aan de deur en nodigde hem binnen. Hij probeerde snel wat verontschuldigingen te bedenken maar was niet handig genoeg om voor de uitnodiging te bedanken zonder onbeschoft te worden en dus ging hij achter Elsa aan de kamer binnen.

‘Heb je daarbeneden iets gevonden?’ vroeg ze en Sigurður Óli wist dat ze niet zo attent was als ze wilde doen voorkomen, maar dat ze inlichtingen uit hem los probeerde te krijgen. Dat ze eenzaam zou kunnen zijn, kwam niet in hem op; dat was het gevoel dat Erlendur al een paar minuten nadat hij haar sombere huis was binnen gekomen, had gekregen.

‘Die haarlok heb ik in elk geval niet gevonden,’ zei Sigurður Óli en hij nam een slok van zijn koud geworden thee. Ze had op hem zitten wachten. Hij keek haar aan en vroeg zich af wat er aan de hand was.

‘Nee,’ zei ze. ‘Ben je getrouwd? Neem me niet kwalijk, het gaat me natuurlijk niets aan.’

‘Nee, eh, ja, nee, niet getrouwd, wel samenwonend,’ zei Sigurður Óli, en hij begon zich niet erg op zijn gemak te voelen.

‘En heb je kinderen?’

‘Nee, geen kinderen,’ zei Sigurður Óli, ‘nog niet.’

‘Waarom niet?’

‘Hè?’

‘Waarom hebben jullie nog geen kinderen?’

Wat is hier aan de hand? dacht Sigurður Óli bij zichzelf en om tijd te winnen nipte hij van zijn koude thee.

‘Stress, denk ik. Altijd waanzinnig veel te doen. We hebben allebei een veeleisende baan en gewoon geen tijd.’

‘Geen tijd voor kinderen? Wat voor betere dingen hebben jullie dan te doen? Wat doet je partner?’

‘Ze is mede-eigenaar van een computerbedrijf,’ zei Sigurður Óli. Hij wilde voor de thee bedanken, zeggen dat hij voort moest maken, was niet van plan zich over zijn privé-leven te laten uithoren door een oude vrijster in het westen van de stad die kennelijk door haar leven als ongetrouwde vrouw wat zonderling was geworden zoals al die tantes mettertijd werden tot ze uiteindelijk hun neus in andermans zaken staken.

‘Is het een aardige vrouw?’ vroeg ze.

‘Ze heet Bergþóra,’ zei Sigurður Óli, die zijn beleefdheid begon te verliezen. ‘Het is een heel aardige vrouw.’ Hij glimlachte. ‘Waarom vraag je...’

‘Ik heb nooit een gezin gehad,’ zei Elsa. ‘Nooit kinderen gehad. Ook geen man. Die man kan me niet zoveel schelen, maar kinderen had ik wel willen hebben. Die zouden vandaag de dag misschien om en nabij de dertig geweest zijn. Op weg naar de veertig. Daar denk ik soms aan. Volwassen. Met hun eigen kinderen. Ik weet eigenlijk niet hoe het precies is gegaan. Plotseling ben je van middelbare leeftijd. Ik ben arts. Toen ik met de studie begon, waren er niet veel vrouwen die medicijnen studeerden. Ik was als jij, had geen tijd. Had geen tijd voor mijn eigen leven. Dat wat je nu doet is niet jouw leven. Je eigen leven. Het is alleen maar het werk.’

‘Ja, jaja, zou ik niet eens...’

‘Benjamín kreeg evenmin een eigen gezin,’ ging Elsa door. ‘Dat was het enige dat hij wilde, een gezin. Met deze vrouw.’

Elsa stond op en Sigurður Óli ook. Hij dacht dat ze afscheid van elkaar zouden nemen, maar toen liep ze naar een grote eikenhouten kast met mooie glazen deuren en bewerkte laden, trok er een open, pakte er een klein Chinees doosje uit, maakte het open en haalde er een zilveren medaillon aan een dunne ketting uit.

‘Hij heeft een haarlok van haar bewaard,’ zei ze. ‘In het medaillon zit ook een foto van haar. Ze heette Solveig.’ Elsa glimlachte flauw. ‘Benjamíns bloem. Ik denk niet dat ze daar op de heuvel ligt. Die gedachte is ondragelijk. Dat zou betekenen dat Benjamín haar kwaad had gedaan. Dat deed hij niet. Dat zou hij niet gedaan kunnen hebben. Daar ben ik absoluut zeker van. Deze haarlok zal het bewijzen.’

Ze gaf Sigurður Óli het medaillon. Hij ging weer zitten, maakte het voorzichtig open en zag een kleine, zwarte haarlok boven op een foto van de eigenares ervan. Hij raakte de lok niet aan maar liet hem op het deksel van het medaillon vallen om de foto te kunnen bekijken. Die was van het fijne gezichtje van een twintigjarig meisje, met donker haar en mooie gewelfde wenkbrauwen boven een paar grote ogen die gereserveerd in de lens blikten. Een besliste mond, een leuk kinnetje, klein en mooi. De verloofde van Benjamín. Solveig.

‘Je moet me niet kwalijk nemen dat ik aarzelde,’ zei Elsa. ‘Ik heb over deze zaak nagedacht, heb gewikt en gewogen en ik vond dat ik de haarlok niet kon vernietigen. Wat er ook uit het onderzoek komt.’

‘Waarom heb je dit verborgen gehouden?’

‘Ik moest de zaak overdenken.’

‘Ja, maar zelfs als...’

‘Ik kreeg bijna een shock toen jouw collega – heet hij niet Erlendur? – suggereerde dat zij daar in Grafarholt zou kunnen liggen, maar toen ik beter over de zaak nadacht...’ Elsa haalde haar schouders op, alsof ze zich gewonnen gaf.

‘Zelfs als het dna-onderzoek positief zou uitvallen,’ zei Sigurður Óli, ‘zou dat nog niet hoeven te betekenen dat Benjamín de moordenaar is geweest. Daar zegt het onderzoek helemaal niets over. Als het Benjamíns verloofde is die daar op de heuvel ligt, kunnen daar nog andere redenen voor zijn dan dat hij...’

Elsa viel hem weer in de rede.

‘Ze, hoe zeggen jullie dat tegenwoordig, ze liet hem vallen. Verbrak de verloving, dat is waarschijnlijk de oude zegswijze. Uit de tijd dat mensen zich nog verloofden. En dat deed ze op de dag dat ze verdween. Benjamín heeft het pas veel en veel later verteld. Toen hij op zijn sterfbed lag, in een gesprek met mijn moeder. Zij heeft het mij verteld. Ik heb het tot vandaag nog nooit aan iemand verteld. En ik zou het met me mee het graf in hebben genomen als jullie die botten niet hadden gevonden. Weten jullie of ze van een man of van een vrouw zijn?’

‘Nee, nog niet,’ zei Sigurður Óli. ‘Heeft hij er iets over gezegd waarom ze de verloving verbrak? Waarom ze hem verliet?’

Hij voelde de aarzeling in Elsa. Ze keken elkaar in de ogen en hij wist dat ze al te veel prijsgegeven had om nu nog terug te kunnen. Hij voelde dat ze wilde vertellen wat ze wist. Alsof ze een zwaar kruis droeg en de tijd gekomen was om het neer te leggen. Eindelijk, na al die jaren.

‘Het kind was niet van hem,’ zei ze.

‘Was het kind niet van Benjamín?’

‘Nee.’

‘Ze was niet zwanger van hem?’

‘Nee.’

‘Van wie dan?’

‘Je moet begrijpen dat het toen andere tijden waren,’ zei Elsa. ‘Heden ten dage is abortus plegen zoiets als water drinken. Voor mensen die wél kinderen willen hebben heeft het huwelijk geen enkele bijzondere betekenis meer. Ze wonen samen. Krijgen kinderen. Ze scheiden. Gaan met iemand anders samenwonen. Krijgen meer kinderen. Scheiden weer. Zo was het toen niet. Vroeger. Vroeger was een buitenechtelijk kind voor vrouwen absoluut ondenkbaar. Dat leidde tot schande en verstoting. Ze werden lichtekooien genoemd. Van enig mededogen was geen sprake.’

‘Daar ben ik me bewust van,’ zei Sigurður Óli. Hij moest aan Bergþóra denken en begon beetje bij beetje te begrijpen waarom Elsa hem over zijn omstandigheden had zitten uithoren.

‘Benjamín wilde met haar trouwen,’ ging Elsa verder. ‘Dat zei mijn moeder tenminste later tegen mij. Solveig wilde dat niet. Wilde de verloving verbreken en vertelde hem dat ijskoud. Gewoon zomaar. Zonder enige waarschuwing.’

‘Wie was het? De vader van het kind?’

‘Toen ze Benjamín verliet vroeg ze hem of hij haar wilde vergeven. Dat ze hem ging verlaten. Hij vergaf het haar niet. Hij had meer tijd nodig.’

‘En toen verdween ze?’

‘Nadat ze afscheid van hem had genomen, is ze nooit meer gezien. Toen ze die avond niet thuiskwam ging men haar zoeken en Benjamín deed met hart en ziel mee aan de zoektocht, maar ze is nooit gevonden.’

‘En de vader van haar kind?’ vroeg Sigurður Óli nog eens. ‘Wie was het?’

‘Dat heeft ze Benjamín niet verteld. Ze ging weg van hem zonder dat hij het wist. Dat is tenminste wat hij mijn moeder vertelde. Als hij het al geweten heeft, dan heeft hij het haar in elk geval nooit verteld.’

‘Wie zou het geweest kunnen zijn?’

‘Geweest kunnen zijn?’ herhaalde Elsa. ‘Het is niet van belang wie het geweest zou kunnen zijn. Het enige dat van belang is, is wie het was.’

‘Bedoel je dat die man misschien met haar verdwijning van doen had?’

‘Wat denk jij?’ vroeg Elsa.

‘Jij of je moeder, hebben jullie geen verdenking tegen iemand gekoesterd?’

‘Nee, tegen niemand. En voorzover ik weet Benjamín ook niet.’

‘Zou hij daarover gelogen kunnen hebben?’

‘Daar kan ik geen antwoord op geven. Maar ik geloof dat Benjamín nooit in zijn hele leven heeft gelogen.’

‘Ik bedoel om de aandacht van zich af te leiden.’

‘Voorzover ik weet is er nooit enige aandacht naar hem uitgegaan en toen hij het mijn moeder vertelde, was er een aanzienlijke tijd verstreken. Dat was vlak voor zijn dood.’

‘Hij is altijd aan haar blijven denken.’

‘Dat was wat mijn moeder zei.’

Sigurður Óli dacht even na.

‘Zou de schande haar tot zelfmoord kunnen hebben gedreven?’

‘Ja zeker. Ze bedroog niet alleen haar verloofde die haar op handen droeg en met haar zou gaan trouwen, maar droeg ook een kind onder het hart van wie ze de vader weigerde te noemen.’

‘Elínborg, de vrouw met wie ik samenwerk, praatte met haar zus. Zij vertelde Elínborg dat hun vader zelfmoord had gepleegd. Zich had opgehangen. Dat dat moeilijk was geweest voor Solveig omdat ze een heel nauwe band hadden.’

‘Moeilijk voor Solveig?’

‘Ja.’

‘Dat is vreemd!’

‘Hoezo?’

‘Hij hing zich op, maar Solveig kon zich dat toch moeilijk aantrekken.’

‘Wat bedoel je?’

‘De mensen zeiden dat het verdriet hem ertoe had gebracht.’

‘Het verdriet?’

‘Ja.’

‘Wat...?’

‘Dat dacht ik tenminste.’

‘Wat voor verdriet?’

‘Over de verdwijning van zijn dochter,’ zei Elsa. ‘Hij hing zich op nadat ze verdwenen was.’