7

Hij zat tot ongeveer zes uur die dag bij zijn dochter. Halldóra vertoonde zich niet. Sindri Snær deed wat hij gezegd had en kwam niet naar de stad. Anderen waren er niet. De toestand van Eva Lind was onveranderd. Erlendur had sinds de vorige dag niet geslapen en niet gegeten en hij was uitgeput. Hij hield de hele dag door telefonisch contact met Elínborg en besloot haar en Sigurður Óli op het bureau te treffen. Hij streek zijn dochter over haar wang en kuste haar op haar voorhoofd toen hij ging.

Toen hij in de namiddag met Sigurður Óli en Elínborg ging zitten vergaderen, zweeg hij in alle talen over wat er gebeurd was. Ze hadden na het middaguur via het roddelcircuit op het bureau gehoord wat er met zijn dochter was gebeurd en durfden hem niet naar het gebeurde te vragen.

‘Ze zijn zich omlaag naar het skelet aan het krabben,’ zei Elínborg. ‘Het gaat ongelofelijk langzaam. Volgens mij zijn ze tandenstokers gaan gebruiken. De hand die je aantrof steekt momenteel omhoog uit de grond, ze zijn nu voorbij de pols. De districtsarts heeft ernaar gekeken, maar hij zegt dat hij er niet meer over kan zeggen dan dat het een mens is en dat hij nogal kleine handen had. Aan hem hebben we niet veel. De archeologen hebben niets in de grond aangetroffen dat een aanwijzing bevat over wat er gebeurd is of wie daar in de aarde begraven ligt. Ze denken dat ze het skelet morgen laat in de middag of morgenavond zullen bereiken maar dat betekent niet dat we dan ook een bevredigend antwoord krijgen op de vraag wie het is. Dat moeten we natuurlijk ergens anders zoeken.’

‘Ik ben de gegevens over de aantallen verdwijningen in Reykjavík en omgeving nagegaan,’ zei Sigurður Óli. ‘Het zijn er sinds de jaren veertig en vijftig ongeveer vijftig die niet opgelost zijn en dit zou er wel eens een van kunnen zijn. Ik heb de verklaringen tevoorschijn gehaald en ze op leeftijd en geslacht gesorteerd en wacht alleen nog op het oordeel van de patholoog-anatoom over de botten.’

‘Bedoel je dat iemand daar uit de omgeving verdwenen is?’ vroeg Erlendur.

‘Niet gezien de adressen die in de rapporten staan opgegeven,’ antwoordde Sigurður Óli, ‘maar ik heb ze ook nog niet allemaal doorgenomen, sommige ervan ken ik helemaal niet. Als we de botten eenmaal hebben opgegraven en een verklaring van de patholoog-anatoom over hun leeftijd, grootte en geslacht krijgen, kunnen we de groep ongetwijfeld wat kleiner maken, misschien zelfs aanzienlijk kleiner. Ik neem aan dat het iemand uit Reykjavík is. Is het vergezocht om dat aan te nemen?’

‘Waar is de patholoog-anatoom?’ vroeg Erlendur. ‘Die ene die we hebben?’

‘Hij is op vakantie,’ antwoordde Elínborg. ‘In Spanje.’

‘Heb je onderzocht of er daar bij de struiken een huis heeft gestaan?’ vroeg Erlendur aan Elínborg.

‘Wat voor huis?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Nee, daar ben ik niet aan toegekomen,’ zei Elínborg. Ze keek Sigurður Óli aan. ‘Erlendur denkt dat er daar aan de noordkant van de heuvel een huis heeft gestaan en hij denkt dat het Britse of het Amerikaanse leger aan de zuidkant van de heuvel een legerkamp heeft gehad. Hij wil dat we met alle eigenaren van zomerhuisjes bij Reynisvatn en het omliggende gebied gaan praten en ook met al hun grootmoeders en daarna moet ik naar een spiritistische seance om met Churchill te praten.’

‘Om mee te beginnen tenminste,’ zei Erlendur. ‘Wat voor theorieën hebben jullie over deze botten?’

‘Is het niet duidelijk een moord?’ zei Sigurður Óli. ‘Ongeveer een halve eeuw of langer geleden begaan? Al die tijd verborgen in de aarde en niemand die er iets van weet.’

‘Hij, of beter die persoon,’ verbeterde Elínborg zichzelf, ‘is daar duidelijk begraven met de bedoeling een misdaad te verhullen. Ik denk dat dat vanzelf spreekt.’

‘Het is niet waar dat niemand iets weet,’ zei Erlendur. ‘Er is altijd iemand die het weet.’

‘We weten dat er gebroken ribben zijn,’ zei Elínborg. ‘Dat lijkt op een handgemeen te wijzen.’

‘Moet dat?’ zei Sigurður Óli.

‘Ja, niet soms?’ zei Elínborg.

‘Kan dat niet door het verblijf in de grond gebeurd zijn?’ vroeg Sigurður Óli. ‘De druk van de aarde. Zelfs temperatuurschommelingen. Afwisselend vorst en hitte. Ik heb met die geoloog gepraat die jij erbij hebt gehaald en hij zei daar iets over.’

‘Dat daar een menselijk wezen in de aarde begraven ligt, moet wel het gevolg van een handgemeen zijn. Dat spreekt vanzelf, of niet soms?’ Elínborg keek Erlendur aan en zag dat hij met zijn gedachten ergens anders was. ‘Erlendur?’ zei ze. ‘Of niet soms?’

‘Als het een moord is,’ zei Erlendur, die weer tot zichzelf kwam.

‘Als het een moord is?’ zei Sigurður Óli.

‘We weten dat nog helemaal niet,’ zei Erlendur. ‘Misschien is daar wel een oude familiebegraafplaats. Misschien hebben de mensen geen geld voor een begrafenis gehad. Misschien zijn het de botten van een oude baas die de kluts kwijtraakte en met medeweten van iedereen op deze plaats in de grond is gestopt. Misschien werd hier honderd jaar geleden een lijk in de grond gestopt. Misschien vijftig jaar geleden. Wat ons nog steeds ontbreekt zijn inlichtingen waar we iets aan hebben. Dan kunnen we ermee ophouden om zomaar in het wilde weg veronderstellingen te doen.’

‘Maar is het niet verplicht om mensen in gewijde aarde te begraven?’ vroeg Sigurður Óli.

‘Ik geloof dat je je kunt laten begraven waar je wil,’ zei Erlendur, ‘als iemand jou bij zich thuis in het weiland wil hebben.’

‘Maar die hand dan, die uit de grond omhoog steekt?’ vroeg Elínborg. ‘Wijst die niet op een handgemeen?’

‘Ja,’ zei Erlendur, ‘ik denk dat daar iets gebeurd is dat al die jaren een geheim is gebleven. Er is daar iemand weggestopt die nooit gevonden had moeten worden, maar toen kreeg Reykjavík hem te pakken en het is onze taak om uit te vinden wat er gebeurd is.’

‘Als hij, we zullen het maar over een hij hebben,’ zei Sigurður Óli, ‘de Millenniumman, als hij al die jaren geleden vermoord is, kunnen we er dan niet van uitgaan dat de moordenaar van ouderdom gestorven is? En als hij niet dood is, is hij oeroud en op de drempel van de dood en dan is het absurd om hem op te sporen en te straffen. En waarschijnlijk is iedereen die bij deze zaak betrokken is dood, zodat we geen getuigen hebben als we er ooit achter komen wat er gebeurd is. Zodat...’

‘Waar wil je eigenlijk naartoe?’

‘Is er geen reden om na te gaan of we eigenlijk wel mensen op dit onderzoek moeten zetten? Ik bedoel, heeft het wel zin?’

‘Moeten we het dan maar gewoon vergeten?’ vroeg Erlendur.

Sigurður Óli haalde zijn schouders op als om aan te geven dat het hem persoonlijk koud liet.

‘Moord is moord,’ zei Erlendur. ‘Hoeveel jaren er ook verstreken mogen zijn. Als hier sprake is van moord moeten wij proberen erachter te komen wat er gebeurd is, wie er vermoord werd en waarom, en wie de moordenaar was. Ik denk dat we dit als elk ander onderzoek moeten aanpakken. Inlichtingen verzamelen, met mensen praten. Zo komen we hopelijk voetje voor voetje bij de oplossing.’

Erlendur stond op.

‘Ons gewroet moet ons wel iets opleveren,’ zei hij. ‘Laten we maar eens met de eigenaren van de zomerhuisjes en met hun oma’s gaan praten.’ Hij keek Elínborg aan. ‘En we moeten erachter zien te komen of er een huis bij de aalbessenstruiken stond. Laten we daar aandacht aan besteden.’

Met zijn gedachten ergens anders nam hij afscheid en hij ging de gang op. Elínborg en Sigurður Óli keken elkaar aan en Sigurður Óli maakte een hoofdbeweging in de richting van de deur.

Elínborg stond op en ging achter Erlendur aan de gang in.

‘Erlendur,’ zei ze en hij bleef staan.

‘Ja, wat?’

‘Hoe gaat het met Eva Lind?’ vroeg Elínborg aarzelend.

Erlendur keek haar zwijgend aan.

‘We hebben het hier op het bureau gehoord. Hoe ze gevonden is. Het was vreselijk om te horen. Als er iets is dat ik of Sigurður Óli voor je kan doen, aarzel dan niet om het ons te vragen.’

‘Het is niet mogelijk om iets te doen,’ zei Erlendur vermoeid, ‘ze ligt daar in die kamer en niemand kan iets doen.’

Hij aarzelde.

‘Toen ik haar aan het zoeken was, kwam ik door haar wereld. Het een en ander daarvan kende ik al omdat ik haar al eerder op die plaatsen, in die straten, in die huizen heb moeten zoeken, maar toch ben ik elke keer weer even verbijsterd over het soort leven dat ze leidt, hoe ze met zichzelf kan omgaan, zichzelf kapot kan maken. Ik heb de mensen met wie ze omgaat gezien, de mensen tot wie ze zich om hulp en steun wendt, de mensen voor wie ze op zelfs niet te beschrijven manier werkt.’

Hij zweeg.

‘Maar dat is niet het ergste,’ zei hij toen. ‘Niet de smerige krotten of de kleine vergrijpen of de drugsdealers. Het is waar wat die moeder van haar zegt.’

Erlendur keek Elínborg aan.

‘Ik ben het die de ergste is,’ zei hij, ‘want ik was het die tekortschoot.’

 

Toen Erlendur thuiskwam, ging hij in een luie stoel zitten, helemaal op. Hij had naar het ziekenhuis gebeld om naar Eva Lind te informeren en kreeg te horen dat haar toestand onveranderd was. Zodra er veranderingen zichtbaar werden zou men contact met hem opnemen. Hij bedankte voor de moeite en legde de hoorn neer. Zat toen diep in gedachten voor zich uit te staren. Dacht na over Eva Lind zoals ze daar op de intensive care lag, over zijn ex-vrouw en de haat die haar leven nog steeds bepaalde, over zijn zoon met wie hij nooit sprak tenzij er iets misging.

Terwijl hij daar zo zat, voelde hij de diepe stilte die in zijn leven heerste. Voelde de eenzaamheid overal om zich heen. Voelde hoe de last van kleurloze dagen steeds zwaarder op hem ging drukken als een onverbrekelijke keten die zich om hem heen wond, hem beknelde en verstikte.

Ongeveer op het moment dat de slaap hem overmande, zwierven zijn gedachten terug naar zijn jeugd, als het na de donkere wintermaanden weer lichter werd, toen het leven onschuldig, zonder vrees en zonder zorgen was. Het gebeurde niet vaak, maar soms kon hij zich even verliezen in de vredige rust van het verleden en dan, even maar, leek hij zich goed te voelen.

Als hij het verlies naast zich neer kon leggen.

Hij schrok op uit een diepe slaap toen de telefoon al een tijdje zonder ophouden was gegaan, eerst de mobiele telefoon in zijn jaszak en toen het toestel op het oude bureau, dat een van de weinige meubelstukken in de kamer was.

‘Je had gelijk,’ zei Elínborg toen hij eindelijk opnam. ‘O, neem me niet kwalijk, heb ik je wakker gemaakt?’ vroeg ze toen. ‘Het is pas tien uur,’ voegde ze er verontschuldigend aan toe.

‘Wat? Gelijk waarin?’ vroeg Erlendur, nog niet helemaal wakker.

‘Er heeft een huis op dat stuk grond gestaan. Bij de struiken.’

‘Struiken?’

‘De aalbessenstruiken. Die haag. Daar in Grafarholt. Het huis werd in de jaren dertig gebouwd en rond 1980 afgebroken. Ik heb de mensen van Ruimtelijke Ordening gevraagd om contact met me op te nemen zodra ze er iets over wisten en ze hebben hun best gedaan, hebben de hele avond doorgewerkt om het uit te zoeken.’

‘Wat voor een huis was het?’ vroeg Erlendur vermoeid. ‘Een woonhuis, een paardenstal, een hondenhok, een zomerhuis, een veestal, een schuur, een barak?’

‘Een woonhuis,’ zei Elínborg. ‘Een soort zomerhuis of iets dat erop leek.’

‘Wat?’

‘Een zomerhuis!’

‘Uit welke tijd?’

‘Voor 1940.’

‘En wie is de eigenaar?’

‘Hij heette Benjamín. Knudsen. Winkelier.’

‘Heette?’

‘Hij is dood. Al jaren geleden overleden.’