9
Róbert Sigurðsson was nog in leven, zij het amper, dacht Sigurður Óli bij zichzelf. Hij zat met Elínborg tegenover de oude man in zijn kamer en kijkend naar het kleurloze gezicht van Róbert dacht hij bij zichzelf dat hij geen negentig wilde worden. Hij gruwde ervan. De oude had geen tanden meer, zijn lippen waren bloedeloos, zijn wangen ingevallen en op zijn lijkbleke hoofd piekten kleurloze plukken haar alle kanten uit. Hij zat vast aan een zuurstofcilinder die op een klein karretje naast hem stond. Elke keer dat hij iets moest zeggen, nam hij het zuurstofmasker met bevende hand af en bracht twee of drie woorden uit, zette dan het masker weer op.
Róbert had zijn zomerhuis al lang geleden verkocht en daarna was het weer verkocht en toen nog eens en nog eens en ten slotte was het afgebroken en was er een nieuw zomerhuis op het perceel gebouwd. Sigurður Óli en Elínborg haalden de eigenaren van het nieuwe zomerhuis kort na het middaguur uit hun slaap en kregen dit verhaal te horen, enigszins onduidelijk en in flarden.
Terwijl ze uit Grafarholt wegreden, hadden ze de oude man door het bureau laten opsporen. Het bleek dat hij in het Rijksziekenhuis in Fossvogur lag en onlangs negentig was geworden.
In het ziekenhuis voerde Elínborg het woord voor hen en legde Róbert, die uitgeteerd in een rolstoel zat en zuivere zuurstof uit de cilinder opzoog, de situatie uit. Vanaf zijn vroegste jeugd een roker. Ondanks zijn slechte lichamelijke conditie leek hij nog over al zijn verstandelijke vermogens te beschikken en hij knikte om aan te geven dat hij elk woord begreep en zich realiseerde waar de rechercheurs voor kwamen. De verpleegkundige die hen naar hem had toe gebracht en nu achter de rolstoel stond, wees hen erop dat ze niet te lang bij hem mochten blijven, hem niet mochten vermoeien. Hij nam het masker met trillende hand af.
‘Ik herinner me...’ zei hij met een heel zachte, hese stem, zette het zuurstofmasker weer op en zoog de zuurstof op. Nam toen het masker weer af.
‘...dit huis, maar...’
Masker op.
Sigurður Óli keek eerst Elínborg aan en toen op zijn horloge en deed geen moeite zijn ongeduld te verbergen.
‘Wil je niet...’ begon ze, maar toen ging het masker weer af.
‘Ik herinner me alleen...’ kwam Róbert ertussen, door ademnood gekweld.
Masker op.
‘Wil jij niet naar het restaurant gaan om iets te gaan eten?’ zei Elínborg tegen Sigurður Óli die weer op zijn horloge keek, dan naar de oude man en ten slotte naar Elínborg, toen zuchtte, opstond en uit de kamer verdween.
Masker af.
‘...één gezin dat daar woonde.’
Masker op. Elínborg wachtte even om te zien of hij door zou gaan, maar Róbert zweeg en ze vroeg zich af hoe ze haar vragen zo zou kunnen inkleden dat hij alleen maar met ja of nee hoefde te antwoorden, dan kon hij zijn hoofd gebruiken en hoefde hij niets te zeggen. Ze legde hem uit dat ze dit wilde gaan proberen en hij knikte. Goed bij, dacht ze bij zichzelf.
‘Had je daar in de oorlog een zomerhuis?’
Róbert knikte bevestigend.
‘Woonde dat gezin in die tijd in dat huis?’
Róbert knikte.
‘Herinner je je hoe de mensen heetten die daar in die tijd woonden?’
Róbert schudde van nee.
‘Was het een groot gezin?’
Róbert schudde weer van nee.
‘Een echtpaar met twee, drie, meer kinderen?’
Róbert knikte en stak drie bloedeloze vingers op.
‘Een echtpaar met drie kinderen. Heb je die mensen ooit ontmoet? Gingen jullie met elkaar om of kenden jullie elkaar helemaal niet?’ Elínborg was de regel van het ja knikken en nee schudden vergeten en Róbert nam het masker af.
‘Kende hen niet.’ Het masker ging weer op. De verpleegkundige die achter de rolstoel stond, begon onrustig te worden en keek Elínborg doordringend aan alsof ze haar wilde zeggen dat ze hier nu meteen mee op moest houden en dat ze nu elke minuut kon gaan ingrijpen. Róbert nam het masker af.
‘... sterven.’
‘Wie? Die mensen? Wie stierf er?’ Elínborg boog zich dichter naar hem toe en wachtte tot hij het masker weer af zou nemen. Hij bracht zijn trillende hand nog een keer naar het zuurstofmasker en nam het af.
‘Een arme...’
Elínborg merkte hoeveel moeite het hem kostte om te praten en probeerde zijn inspanning uit alle macht te delen. Ze staarde hem aan en wachtte tot hij verder ging.
Masker af.
‘...sloeber.’
Het masker viel uit Róberts handen, zijn ogen gingen dicht en zijn hoofd zakte langzaam op zijn borst.
‘Daar heb je het al,’ zei de verpleegkundige harkerig, ‘je hebt hem naar de andere wereld geholpen.’ Ze raapte het masker op en zette het onnodig ruw op Róberts gezicht. Hij zat daar met het hoofd op de borst en zijn oude ogen gesloten alsof hij in slaap was gevallen en misschien was hij ook wel stervende, dacht Elínborg bij zichzelf. Ze stond op en keek toe hoe de verpleegkundige Róbert naar zijn bed duwde en hem toen als een veertje uit zijn stoel tilde en in bed legde.
‘Wil je die oude stakker met deze onzin aan zijn eind helpen?’ vroeg de verpleegkundige, een grote, forse vrouw van rond de vijftig met een knoet in haar nek, gekleed in witte jas en witte broek en op witte klompen. Ze keek Elínborg boos aan. ‘Had dit nooit goed moeten vinden,’ mompelde ze toen wrevelig tegen zichzelf. ‘Hij haalt het einde van de dag misschien niet,’ zei ze hardop en ze richtte haar woorden weer tot Elínborg en de verwijtende toon was duidelijk te horen.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Elínborg zonder zich precies te realiseren waarom ze zich zat te verontschuldigen. ‘We dachten dat hij ons zou kunnen helpen in verband met wat oude botten. Ik hoop dat het hem niet heel slecht gaat.’
Róbert, plat op zijn rug in bed, deed plotseling zijn ogen open. Hij keek om zich heen alsof hij probeerde erachter te komen waar hij was en nam toen ondanks het tegenstribbelen van de verpleegkundige het zuurstofmasker af.
‘Kwam vaak,’ zei hij kortademig, ‘...later. Groene... vrouw... bij de struiken...’
‘Bij de struiken?’ vroeg Elínborg. Ze dacht even na. ‘Bedoel je de aalbessenstruiken?’
De verpleegkundige had Róbert het masker weer opgezet maar Elínborg dacht dat ze hem ja zag knikken.
‘Wie was het? Bedoel je jezelf? Herinner je je de aalbessenstruiken? Ben je daar geweest? Ben jij bij de struiken geweest?’
Róbert schudde langzaam van nee.
‘Eruit nu en laat hem met rust,’ beval de vrouw Elínborg die was opgestaan en zich wat dichter naar Róbert toe boog, maar niet al te dichtbij om de verpleegkundige niet nog bozer te maken dan ze al was.
‘Kun je me er iets over zeggen?’ ging Elínborg door. ‘Kende je die persoon? Wie kwam er vaak naar de aalbessenstruiken?’
Róbert had zijn ogen dichtgedaan.
‘Later,’ ging Elínborg door. ‘Wat bedoel je met later?’
Róbert opende zijn ogen en hief zijn oude knokige handen op ten teken dat hij een stuk papier en een potlood wilde hebben. De verpleegkundige schudde van nee en zei dat hij moest rusten, het was nu wel welletjes. Hij pakte haar hand vast en keek haar smekend aan.
‘Geen sprake van,’ zei de verpleegkundige. ‘Wil je alsjeblieft de kamer uit gaan,’ zei ze tegen Elínborg.
‘Moeten we de beslissing niet aan hem overlaten? Als hij vanavond sterft...’
‘We?’ vroeg de vrouw. ‘Welke we? Heb jij hier dertig jaar gewerkt en voor patiënten gezorgd?’ Ze was nu echt boos. ‘Wil je nu maken dat je weg komt voor ik hulp haal en je eruit laat zetten.’
Elínborg keek neer op Róbert die zijn ogen weer had gesloten en in slaap leek te zijn gevallen. Ze keek de verpleegkundige aan en begaf zich toen tergend langzaam in de richting van de deur. De verpleegkundige kwam achter haar aan en toen Elínborg eindelijk op de gang stond deed ze de deur voor haar neus dicht. Elínborg vroeg zich af of ze Sigurður Óli erbij zou roepen om de vrouw eens pittig toe te spreken en haar te vertellen van hoeveel belang het was dat Róbert hun zei wat hij te zeggen had. Ze liet het denkbeeld varen. Sigurður Óli zou er ongetwijfeld in slagen de vrouw nog bozer te krijgen.
Elínborg liep de gang uit en kon toen de eetzaal inkijken waar Sigurður Óli zich met een nogal kwaaie kop aan een banaan te goed zat te doen. Ze wilde naar hem toe gaan maar aarzelde. Ze draaide zich om en liep weer langs de deuren terug tot aan die van Róbert. Aan het eind van de gang was een kleine zijruimte of televisiehoek en daar trok ze zich in terug. Ze koos positie achter een hoge plant die uit een enorm grote pot oprees en tot aan het plafond kwam. Daar wachtte ze als een leeuwin tussen de biezen, met haar blik op de deur gericht.
Ze hoefde niet lang te wachten tot de vrouw uit Róberts kamer kwam en zich de gang door repte, de eetzaal in en zo naar de volgende afdeling. Ze sloeg geen acht op Sigurður Óli en hij niet op haar, hij verorberde zijn banaan.
Elínborg sloop uit haar schuilplaats achter de boom vandaan en ging behoedzaam de gang naar Róberts kamer weer in. Hij lag in bed te slapen met het masker voor zijn gezicht precies zoals toen ze hem had verlaten. De gordijnen waren dichtgetrokken en een peertje in een kleine lamp naast het bed verspreidde wat licht in de schemer. Ze ging naar hem toe, aarzelde even en keek schichtig om zich heen voor ze moed vatte en de oude man even aanraakte.
Róbert reageerde niet. Ze probeerde het nog een keer maar hij sliep als een blok. Elínborg dacht bij zichzelf dat hij in een wel heel diepe slaap was gevallen, de doodsslaap misschien, en ze beet op haar nagels terwijl ze stond te bedenken of ze hem nog wat meer onder druk zou zetten of dat ze maar zou gaan en het verder vergeten. Hij had niet veel gezegd. Alleen dat iemand daar bij de struiken op de heuvel had rondgehangen. Een groene vrouw.
Ze was zich aan het omdraaien toen Róbert plotseling zijn ogen opendeed en haar aanstaarde. Elínborg wist niet of hij haar herkende maar hij knikte en volgens haar glimlachte hij achter zijn zuurstofmasker. Hij gaf met hetzelfde teken als tevoren aan dat hij een stuk papier en een potlood wilde hebben en ze zocht in haar jas naar een agenda en een pen. Ze stopte het boekje en de pen in zijn handen en hij begon met bevende hand met grote drukletters te schrijven. Hij was er lang mee bezig en Elínborg keek angstig naar de kamerdeur in de verwachting dat de verpleegkundige elk ogenblik kon binnenkomen en haar zou gaan uitschelden. Ze had Róbert willen zeggen dat hij zich moest haasten maar ze had de moed niet om hem op te jagen.
Toen hij klaar was met schrijven vielen zijn bloedeloze handen neer op het dekbed en de agenda en de pen ook en hij sloot zijn ogen. Elínborg pakte het boekje op en stond op het punt om te gaan lezen wat hij had geschreven, toen de elektrocardiograaf waaraan de oude man verbonden was plotseling begon te piepen. Het doordringende geluid van de pieptoon daar in de rustige kamer sneed door merg en been en Elínborg schrok zo dat ze een schok kreeg en een sprongetje maakte. Ze keek even neer op Róbert, niet zeker wat ze moest doen, maar nam toen de benen de kamer uit, de gang door en de eetzaal in waar Sigurður Óli nog steeds zat en zijn banaan bijna op had. Ergens rinkelde een alarmbel.
‘Heb je iets uit die oude sok kunnen krijgen?’ vroeg Sigurður Óli toen Elínborg helemaal buiten adem naast hem kwam zitten. ‘Hé, is alles wel in orde?’ voegde hij eraan toe toen hij zag dat ze moe en buiten adem was.
‘Ja, alles in orde,’ zei Elínborg.
Een groep artsen, verpleegkundigen en verpleeghulpen kwam de eetzaal in rennen en vloog erdoorheen de gang in naar Róberts kamer. Even later verscheen een man in een witte jas die een apparaat voor zich uit duwde dat volgens Elínborg een hartmassageapparaat was, en ook hij verdween de gang in. Sigurður Óli bleef kijken hoe de hele schare de hoek omging.
‘Wat voor de duvel heb je nou gedaan?’ vroeg hij en hij wendde zich naar Elínborg.
‘Ik?’ hijgde Elínborg. ‘Niets. Ik! Wat bedoel je?’
‘Waarom ben je zo bezweet?’ vroeg Sigurður Óli.
‘Ik ben helemaal niet bezweet.’
‘Wat is er gebeurd? Waarom hebben ze allemaal zo’n haast? En jij krijgt bijna geen lucht.’
‘Geen idee.’
‘Heb je iets uit hem kunnen krijgen? Ligt hij daar te creperen?’
‘Ai, probeer toch een klein beetje respect voor die mensen op te brengen,’ zei Elínborg en ze keek onrustig om zich heen.
‘Wat heb je uit hem gekregen?’
‘Dat moet ik nog bekijken,’ zei Elínborg. ‘Moeten we niet eens gaan?’ Ze stonden op en verlieten de eetzaal, liepen het ziekenhuis uit en gingen in de auto zitten. Sigurður Óli reed weg.
‘Nou, wat heeft hij gezegd?’ vroeg Sigurður Óli ongeduldig.
‘Hij heeft het voor me opgeschreven,’ zei Elínborg met een zucht. ‘Arme man.’
‘Opgeschreven?’
Ze haalde de agenda uit haar zak en bladerde erdoorheen tot ze de plaats vond waar Róbert erin had geschreven. Er stond daar maar één woord, op papier gezet door de bevende hand van een stervende man, een bijna onbegrijpelijk gekrabbel. Het kostte haar een tijdje om vast te stellen wat er in de agenda geschreven stond maar toen was ze dan ook zeker van haar zaak, ook al begreep ze niet wat het betekende. Ze staarde naar Róberts laatste woord in dit bestaan:
SCHEEF
***
Die avond waren het de aardappelen. Hij vond dat ze niet goed genoeg waren gekookt. Dat dacht ze tenminste. Ze hadden ook te lang gekookt kunnen zijn, tot pap verkookt, rauw, ongeschild, slecht geschild, geschild, niet in tweeën gesneden, niet met saus, wel met saus, gebakken, ongebakken, puree, te dik, te dun, te zoet, niet zoet genoeg...
Ze wist nooit waar ze met hem aan toe was.
Dat was een van zijn sterkste wapens. Zijn aanvallen kwamen altijd onverhoeds en wanneer ze die het minst verwachtte, net zo goed als alles goed leek te gaan als wanneer ze het gevoel had dat hij niet lekker in zijn vel stak. Hij was er een genie in om haar in onzekerheid te houden en ze kon zich dan ook nooit veilig voelen. In zijn nabijheid klopte het hart haar altijd in de keel en ze stond altijd klaar om alles te doen wat hem behaagde. Het eten op de juiste tijd klaar hebben. Zijn kleren ’s ochtends klaarleggen. De jongens in toom houden. Mikkelína van hem weghouden. Hem op elke mogelijke manier dienen zelfs al wist ze dat het allemaal vergeefs was.
Ze had de hoop allang opgegeven dat hij zou veranderen. Zijn thuis was haar gevangenis.
Toen hij klaar was met het avondeten pakte hij, zwijgend als altijd, zijn bord en zette dat in de gootsteen. Kwam toen terug naar de tafel alsof hij de keuken uit wilde gaan maar bleef staan waar zij nog aan tafel zat. Ze durfde niet op te kijken maar keek naar haar twee jongens die samen met haar aan tafel zaten en ging door met eten, elke spier van haar lichaam gespannen. Misschien ging hij naar buiten zonder haar aan te raken. De jongens keken haar aan en legden hun vork langzaam neer.
Er hing een dodelijke stilte in de keuken.
Plotseling pakte hij haar hoofd vast en sloeg het neer op haar bord, dat brak, trok haar weer op aan haar haren en smeet haar naar achteren zodat de stoel onder haar uit schoot en zij tegen de grond sloeg. Hij veegde de borden van de tafel en trapte haar stoel tegen de muur. Ze was duizelig van de val. Het leek of de hele keuken in beweging was gekomen. Ze probeerde op te staan hoewel ze uit ervaring wist dat het beter was om bewegingloos te blijven liggen, maar er was een geest van verzet in haar opgestaan die hem wilde weerstaan.
‘Stilliggen, stomme koe,’ schreeuwde hij haar toe, maar toen ze op haar knieën was komen zitten boog hij zich over haar heen en krijste: ‘Wil je zo graag opstaan?’ Toen rukte hij haar aan haar haren omhoog, sloeg haar met haar gezicht tegen de muur en gaf haar zo’n schop tegen haar dijbeen dat ze de macht over het been verloor, een schreeuw gaf en weer op de grond viel. Het bloed begon uit haar neus te spuiten en ze had zo’n ruis in haar oren dat ze zijn geschreeuw nauwelijks nog hoorde.
‘Probeer nou maar eens op te staan, klerewijf!’ krijste hij.
Ditmaal bleef ze stil liggen, kroop in elkaar met haar armen beschermend om haar hoofd heen geslagen en wachtte tot het trappen op haar zou regenen. Hij tilde een been op en liet het met volle kracht in haar zij neerkomen en ze kon even geen adem krijgen toen ze de pijn in haar borst voelde. Hij boog zich voorover, trok haar hoofd aan haar haren omhoog en spuugde haar in het gezicht voor hij het hoofd weer tegen de grond sloeg.
‘Vuile viezerik,’ siste hij. Toen kwam hij overeind en liet zijn blik over de keuken gaan waar alles na zijn aanval overhoop lag. ‘Moet je eens zien hoe jij het hier op orde houdt, rotwijf,’ schreeuwde hij haar toe. ‘Je gaat dit nu meteen opruimen of ik vermoord je!’
Hij trok zich langzaam van haar terug en probeerde haar nog een keer te bespugen maar hij had een droge mond gekregen.
‘Vervloekte zielenpoot,’ zei hij. ‘Je deugt nergens voor. Kun je nou nooit eens iets goed doen, verdomde nutteloze hoer? Ga je dat nou nog eens begrijpen? Ga je dat begrijpen?’
Het kon hem geen moer schelen of er iets aan haar te zien was. Hij wist dat er niemand was om zich ermee te bemoeien. Het gebeurde bijna nooit dat ze daar op de heuvel bezoek kregen. Op het vlakke land aan de voet van de heuvel stond hier en daar een zomerhuis, maar er liepen maar weinig mensen over de heuvel heen, ook al lag de openbare weg tussen Grafarvogur en Grafarholt vlakbij, en niemand had een reden om het gezin in het zomerhuis te bezoeken.
Het huis waar ze in woonden was een groot zomerhuis dat hij van een man in Reykjavík huurde, het was half opgetrokken toen de man geen belangstelling meer voor het huis had en hij verhuurde het hem voor een lage prijs op voorwaarde dat hij het af zou bouwen. Aanvankelijk was hij ijverig aan het bouwen geweest en hij was er bijna mee klaar toen bleek dat het de eigenaar niets kon schelen of hij aan het huis werkte of niet en vanaf dat moment begon het verwaarloosd te raken. Het was een houten huis dat bestond uit een woonkamer en een keuken met een kolenfornuis die in elkaar overliepen, en een gangetje waaraan twee kamers met kolenkacheltjes lagen. Niet ver van het huis was een bron en daar haalden ze ’s ochtends water, per dag twee emmers, die op een tafel in de keuken stonden.
Ze waren daar ongeveer een jaar geleden naartoe verhuisd. Nadat de Britten gekomen waren en de mensen op zoek naar werk in groten getale van het platteland naar Reykjavík kwamen. Ze raakten hun kelderwoning kwijt. Konden deze niet langer betalen. Iets huren kostte heel wat sinds de mensen massaal naar de stad kwamen om bij de Britten te werken en de huren met sprongen omhoog vlogen. Toen hij het half afgebouwde zomerhuis op Grafarholt had kunnen krijgen en er met zijn gezin naartoe verhuisde, begon hij naar een bezigheid te zoeken die gunstig lag ten opzichte van zijn nieuwe woonplek en kreeg toen werk bij het kolenvervoer naar de gemeenten rondom Reykjavík. Hij liep elke dag de zijweg naar Grafarholt af naar het punt waar de kolenwagen hem oppikte en ’s avonds ook weer afzette. Soms dacht ze bij zichzelf dat hij alleen maar uit Reykjavík weggegaan was opdat niemand haar hulpgeroep zou horen als hij haar ervanlangs gaf.
Een van de eerste dingen die ze deed nadat ze naar de heuvel waren verhuisd, was de aanschaf van de aalbessenstruiken. Ze vond het een kale plek en plantte de struiken ten zuiden van het huis. Ze moesten het zuideinde van de tuin die ze bij het huis wilde aanleggen aangeven. Ze wilde nog meer struiken planten maar hij vond dat ze zo haar tijd verspilde en verbood haar ermee bezig te zijn.
Ze lag stil op de grond en wachtte tot hij weer tot rust kwam of weg zou gaan om zijn vrienden in de stad op te zoeken. Hij ging soms naar Reykjavík en bleef daar dan slapen zonder dat hij er enige verklaring voor gaf. Haar gezicht brandde van de pijn en ze voelde haar borst schrijnen net als toen ze twee jaar geleden een rib gebroken had. Ze wist dat het niet de aardappelen waren. Net zomin als de vlek die hij in zijn pasgewassen overhemd zag. Net zomin als de jurk die ze voor zichzelf had genaaid, die hij te frivool vond en in stukken scheurde. Net zomin als het gehuil van de kinderen ’s nachts waar hij haar de schuld van gaf. Een moeder van niets! Laat ze hun kop houden of ik vermoord ze! Ze wist dat hij ertoe in staat was. Wist dat hij zover kon gaan.
De twee jongens vlogen de keuken uit zodra ze zagen dat hij hun moeder aanviel maar Mikkelína bleef als altijd achter. Ze kon zich zonder hulp moeilijk bewegen. Ze lag op haar plekje op een bank in de keuken waar ze sliep en ook de hele dag doorbracht omdat ze in de keuken het gemakkelijkst in het oog gehouden kon worden. Over het algemeen liet ze zich niet horen nadat hij binnengekomen was en als hij haar moeder begon te mishandelen trok ze met haar gezonde hand een deken over haar hoofd alsof ze wilde proberen onzichtbaar te worden.
Ze zag niet wat er gebeurde. Wilde het niet zien. Door de deken heen hoorde ze zijn gekrijs en de kreten van pijn van haar moeder en ze schokte van schrik toen ze haar tegen de muur hoorde slaan en op de grond hoorde vallen. Ze kroop in elkaar onder de deken en begon bij zichzelf zacht een versje op te zeggen:
‘M’n kleine meid kan staan,
een paar stapjes gaan,
blond zijn haar lokjes,
kort haar witte sokjes.’
Toen ze ermee ophield was het weer stil in de keuken geworden. Er verliep nog een hele tijd voor ze de deken terug durfde te slaan. Ze gluurde er heel voorzichtig onderuit maar ze zag hem niet. Ze keek de gang in en zag dat de deur naar buiten openstond. Hij was waarschijnlijk weggegaan. Ze kwam overeind en zag haar moeder op de grond liggen. Ze sloeg de deken opzij, kroop uit haar bed en sleepte zich over de vloer onder de keukentafel door in de richting van haar moeder die nog steeds in elkaar gekrompen lag en zich niet bewoog.
Mikkelína ging dicht tegen haar moeder aan liggen. Ze was broodmager en krachteloos en het kostte haar veel moeite om over de harde vloer te kruipen. Als ze zich moest verplaatsen, hielden haar broers of haar moeder haar vast. Hij nooit. Hij had vaak gedreigd de idioot te vermoorden. De stumper in dat smerige rotbed te wurgen! Die kreupele!
Haar moeder bewoog zich niet. Ze voelde hoe Mikkelína tegen haar rug aan kwam liggen en haar over het hoofd streek. De pijn in haar ribbenkast nam niet af en er stroomde nog steeds bloed uit haar neus. Ze wist niet of ze bewusteloos was geweest. Ze dacht dat hij nog in de keuken was, maar aangezien Mikkelína in beweging was gekomen, kon dat niet zo zijn. Er was niets in het leven dat Mikkelína meer vreesde dan haar stiefvader.
Ze strekte zich voorzichtig uit en kreunde van de pijn en pakte de zij waartegen hij geschopt had beet. Waarschijnlijk had hij een van haar ribben gebroken. Ze draaide zich op haar rug en keek naar Mikkelína. Het meisje had gehuild en er lag een uitdrukking van grote angst op haar gezicht. Ze schrok toen ze het bebloede gezicht van haar moeder zag en begon opnieuw te huilen.
‘Het is wel goed, Mikkelína,’ zei haar moeder zuchtend. ‘Het komt allemaal goed met ons.’
Ze kwam langzaam en met veel moeite overeind en hield zich vast aan de keukentafel.
‘We overleven het wel.’
Ze streek over haar zij en voelde hoe de pijn als een kromzwaard in haar beet.
‘Waar zijn de jongens?’ vroeg ze met een blik op Mikkelína. Mikkelína wees naar de deur en liet een geluid horen dat haar opwinding en angst vertolkte. Haar moeder had haar altijd als een normaal kind behandeld. Haar stiefvader noemde haar nooit anders dan idioot of erger. Mikkelína had op haar derde meningitis gekregen en niet veel kans op overleven gehad. Het meisje had dagenlang bij de nonnen in het Landakot-ziekenhuis tussen leven en dood gezweefd en haar moeder had ondanks vurige verzoeken en bittere tranen buiten voor de afdeling niet bij haar mogen komen. Toen de koorts begon te zakken bleek Mikkelína alle macht over haar rechterzij, -arm en -been verloren te hebben en ook over haar aangezichtsspieren, waardoor ze een scheef gezicht had gekregen met een halfdicht oog en een scheefgetrokken mond, zodat ze haar speeksel moeilijk binnen kon houden.
De jongens wisten dat zij niet in staat waren om hun moeder te verdedigen; de jongste was zeven en de oudste twaalf jaar. Ze kenden tegenwoordig het gedrag van hun vader als hij op haar los ging, alle lelijke woorden die hij gebruikte als hij zich tot woede opwerkte en ten slotte de dolle drift die hem beving als hij haar zijn vervloekingen toeschreeuwde. Dan namen ze de benen; Símon, de oudste, voorop. Hij pakte zijn broertje beet en trok hem met zich mee, joeg hem voor zich uit als een angstig schaap, doodsbang dat hun vader zijn woede op hen zou richten.
Ooit zou hij Mikkelína mee kunnen nemen.
En eens zou hij zijn moeder kunnen verdedigen.
De broertjes renden in panische angst het huis uit en stevenden af op de aalbessenstruiken. Het was herfst en de struiken stonden er bloeiend bij, diepgroen en met veel blad, en de kleine vuurrode bessen waren gezwollen van het sap en sprongen kapot in hun handen als ze ze plukten en opvingen in de potten en dozen die hun moeder hun gaf.
Ze gooiden zich aan de andere kant van de struiken op de grond en hoorden hun vader razen en tieren, hoorden borden breken en het hulpgeroep van hun moeder. De jongste hield zijn handen voor zijn oren, maar Símon keek naar binnen door het keukenraam dat het donker met een gouden glans verlichtte, en dwong zich om naar de kreten van zijn moeder te luisteren.
Hij hield zijn handen niet langer voor zijn oren. Hij moest luisteren als hij wilde doen wat hij moest doen.
***