10

Ze renden weg. Ze hadden geen keus. De Gang der stormen stortte achter hen in. Navahk was verdwenen, bedolven onder het puin. Huilend als de Wanawut en zijn speer naar de hemel schuddend was hij verdwenen in de kolkende sneeuw en het vallende ijs. Ze renden samen weg, Torka en Grek, snikkend van angst en smart omdat ze Zinkh en Karana achter moesten laten. Ze renden steeds verder, het smalle gebied uit, met bonkend hart, bijna barstende longen en spieren die trilden van bovenmatige in­spanning. De hond rende voor hen uit. Achter hen en aan weerszij­den van hen kwamen de ijslawines en rotsen naar beneden en stort­ten zich over de toendra in wolken van witte mist en vallend gletsjer­puin zodat het land in het westen voorgoed onbereikbaar werd. Voor hen uit werd de toendra eindelijk breder en ontvouwde zich tot het sombere gebied met brede, glooiende heuvels en uitstekende puinhellingen waar hun kamp was. Maar aan weerszijden van de la­ge heuvels waren de Bergen Die Wandelen verborgen in schuimende nevels die opstegen van de ontelbare lawines. Het geraas waarmee de lawines naar beneden kwamen was oorverdovend en terwijl Torka verder rende liet Cheanah de anderen opstaan en hun draagstellen opdoen zodat ze klaar waren om verder te gaan. Ondanks de pijn in hun benen renden Torka en Grek voorovergebo­gen, met hun hoofd naar beneden, hijgend verder naast hun vrou­wen, terwijl Aar hijgend naast Mahnie’s gelaarsde benen rende. 'Karana?' vroegen Lonit en Mahnie tegelijkertijd. Ze maakten hun vraag niet af.

Torka en Grek schudden hun hoofd, hun gezicht vol wanhoop. Lo­nit en Mahnie stonden stil en vielen elkaar snikkend in de armen. Lonit deed haar ogen stijf dicht en drukte Mahnie tegen zich aan om haar te troosten, maar er was geen troost mogelijk bij zo'n groot verlies. Lonit voelde zich alsof haar hart was gebroken. Karana’s dood zou altijd een litteken blijven.

Karana werd wakker in duisternis en lawaai, met bonkende hoofd­pijn en talloze kneuzingen. Hij lag op zijn zij als een ijskoud balletje. Hij had het zo koud dat hij zijn vingers en tenen niet meer kon voe­len. Zijn hand gleed afwezig over zijn gezicht en vond een stuk ijs op zijn neus. In het pikkedonker binnen in de gletsjer kwam hij over­eind en wreef over zijn ledematen tot er weer leven in kwam. Toen zat hij stil en luisterde naar de ondergrondse rivier die langs hem stroomde terwijl van ergens boven hem een gedempt geraas tot hem doordrong.

Hij bedacht dat hij misschien wel dood was. Maar toen zijn vingers, tenen en neus pijn begonnen te doen wist hij dat hij nog tot de le­venden behoorde. Hij had te veel pijn om dood te zijn. Zijn vingers betastten de enorme buil op zijn hoofd. Hij dacht aan de helm van Zinkh en opeens wist hij het allemaal weer. Hij huilde plotseling met hete tranen en harde snikken van verdriet. Hij was er niet in ge­slaagd om Navahk te doden. Zijn leven lang had hij gewild dat Navahk dood was, maar toen hij boven hem stond en hem met een speerworp kon doden, had hij geaarzeld. Hij had de blik proberen op te vangen van de man die hem zo vaak had proberen te doden, van de man uit wiens lendenen het geschenk van zijn leven was ge­stroomd. En hij had in zijn eigen gezicht gekeken. Vader. Diep in zijn hart had hij die naam willen roepen, had hij het verleden willen vergeten en de open wonden willen helen die hen scheidden. Maar toen had Navahk zijn speer geworpen en had Kara­na die van hem laten gaan.

Terwijl hij over de buil op zijn hoofd wreef, besefte hij dat Zinkhs belachelijke hoofddeksel zijn val had gebroken en waarschijnlijk zijn leven had gered. Maar na de eerste klap was de helm afgevallen en nu was hij waarschijnlijk weg, verdwenen in de donkere schoot van de aarde.

Hij haalde diep adem, hield zijn adem even in en putte er kracht uit. Hij keek om zich heen en besefte dat hij nog nooit van zijn leven zo'n intens zwart had gezien. Zijn ogen gingen branden van zijn ver­geefse pogingen om iets te zien. Hij kneep ze stijf dicht. In de kou en het duister luisterde hij naar het geluid van water dat links van hem wegstroomde. Een rivier, ondiep naar het geluid te oordelen, maar heel snel. Waar stroomde die zo snel naar toe? Naar het licht?

Hij hapte weer naar adem, bijna stikkend in de beklemmende duis­ternis. Hij kwam te snel overeind. Zijn hoofd stootte hard tegen een laag plafond van ijspegels die in zijn hoofd priemden en afbraken. Ze vielen met een licht krakend geluid om hem heen naar beneden. Hij hoorde het nauwelijks terwijl hij verdoofd, duizelig en verward naar voren strompelde, over iets struikelde - hij wist niet wat - en languit in de rivier viel.

Met een plons verdween hij gillend onder water en werd meege­sleurd in de duisternis. Hij stikte, snakte naar adem, zwom, ook al kon hij niet zwemmen, en bleef de hele tijd vechten terwijl hij de geesten der Schepping aanriep en de krachten van zijn totem, Le­venschenker, om hem bij te staan, om hem te steunen, om hem kracht te geven en hem mee te voeren naar het leven. Naar het leven en niet naar een eenzame dood in de duisternis onder het ijs waar zijn geest voor altijd gevangen zou worden gehouden en nooit meer opnieuw geboren zou kunnen worden in de wereld der mensen. 'Donderspreker! Hoor mij aan!' gilde hij, maar het water liep zijn mond en oren in en sleurde hem mee naar beneden. Het liep in zijn neusgaten en brandde in zijn neusholte. Hij wist niet of zijn ge­schreeuw boven hem over het water klonk of dat het met hem naar beneden was gegaan en verdronken in de verschrikkelijke, brullende duisternis. 'Nee!'

Met ingehouden adem vocht hij uit alle macht tegen de rivier, vond een opwaartse stroming en worstelde zich omhoog om adem te kun­nen halen. Hijgend en proestend bleef hij op zijn rug drijven, gaf zich over aan de stroming en voelde hoe zijn lichaam voortsnelde, steeds verder, door de eindeloze duisternis. Hij zag het plafond van de ondergrondse rivierbedding met scherpe uitstekende zwarte en blauwe ijspriemen zo snel langs zich heen glijden dat hij het niet goed kon zien en toen opeens... Licht!

Als er licht was, moest dat uit de wereld der mensen komen! De krachten der Schepping hadden zijn smeekbede verhoord! Hij lach­te zowaar, maar meteen erna voelde hij voor het eerst de kou die door zijn inmiddels doorweekte kleren drong.

Hij kon tegen de duisternis vechten. Hij kon tegen de rivier vech­ten. Maar hij kon niet tegen de kou vechten. Hij probeerde het wel, maar de kou was een verraderlijke, hardnekkige belager. Toen de ri­vier uiteindelijk onder de gletsjer uit raasde en hem aan de rand van een brede, rotsige gletsjervlakte in de scherp ruikende schaduw van een dicht sparrenbosje neerzette, was hij bijna bewusteloos, zo koud dat hij zich niet kon bewegen, zo koud dat zijn hartslag een langza­me, onzekere trilling in zijn borstkas was, niet sterk genoeg om zijn longen ertoe te brengen om te ademen.

Zonder meer dan een ooglid te kunnen verroeren staarde hij naar de Dood die naderde, rood, harig, een bewegende berg van een mam­moet. Hij zou hem vermorzelen en dat zou een passende dood zijn voor iemand die zijn totem had verraden, voor iemand die het bloed had gedronken van een beest dat hij een naam had gegeven. 'Levenschenker?'

Hij zag het litteken op de schouder van het dier, het stuk versplin­terd hout dat het enige restant was van de schacht waaraan de speer­punt had gezeten. Torka's speerpunt! Het was de Levenschenker!

Hij sloot zijn ogen voor de meest onmogelijke droom die hij ooit had gehad en wachtte op de dood.

De mammoet kwam naar hem toe en boog zich over hem heen. Het grote lichaam van de Levenschenker hield de koude wind tegen ter­wijl hij de levenschenkende warmte van zijn adem door zijn slurf uitblies op de gestalte van een jongen die eens voor hem had gestaan en hem Broeder had genoemd.

Uitgeput lag Navahk op zijn rug in een laag sneeuw en ijs. Zijn lin­kerbeen was tot de heup toe bedolven onder het puin van de ijslawine. Urenlang had hij gegraven en zich omhooggewerkt uit wat hem eerst een zekere dood had geleken. Maar er hadden luchtbellen in het ingestorte ijs gezeten en de sneeuw van de berg die eroverheen was gevallen was als vaste sneeuw naar beneden gekomen in merk­waardig gevormde blokken die hem hadden kunnen doden als ze op hem waren gevallen. Maar het ijs had de val van de brokken sneeuw gebroken en voldoende ruimte gelaten, zodat hij zich door de kieren en gaten omhoog had kunnen werken, door zijn lichaam in bochten te wringen die zijn ledematen bijna ontwrichtten en zich door kie­ren te persen waar een muis nog in zou blijven steken. Maar hij was Navahk en zijn wilskracht was buitengewoon. Hij had zich een weg naar het leven gegraven, met zijn vingers schrapend tot de nagels ge­spleten waren en de uiteinden van zijn vingers bloedden. Wat was een beetje bloed en pijn vergeleken bij een langzame en zekere ver­stikking? Hij had gestaag doorgewerkt en was alle gevoel van tijd verloren. Nu was hij eindelijk uitgeput en te zwak om nog de laatste stukken ijs van zijn been af te halen.

Later. Hij zou het later doen. Hij had tijd genoeg. Hij moest nu rus­ten, slapen. Hij slaagde daar een paar ogenblikken in, maar de wond in zijn schouder deed pijn. Hij was die wond al helemaal vergeten, het laatste geschenk van zijn zoon.

Karana. Hij snoof minachtend bij de gedachte aan die naam. Toen glimlachte hij en staarde naar de heerlijke, levende nachthemel. Die was rood van het felle, uitwaaierende licht van de ochtendstond. Wat vond hij dat licht mooi, nu hij wist hoe weinig het had ge­scheeld of hij had het nooit meer gezien. Zijn glimlach werd een vol­dane grijns. Karana zou het nooit meer zien. Karana was dood en hij had hem gedood! En weldra, wanneer hij zijn been had bevrijd en wat was bijgekomen van zijn beproeving, zou hij Torka en Lonit vol­gen en hen ook doden. En hun kinderen ook. Ja. Eerst de kinderen.

Het kind zag hem en rende naar hem toe. Zij was ook urenlang be­zig geweest om zich uit te graven en te ontsnappen aan de dood in de verstikkende massa's sneeuw. Ze was blij dat ze nog wat had gege­ten van het vrouwelijke beest dat de Moederdoder als vlees voor haar had achtergelaten. Het vlees had haar de kracht gegeven om zich te bevrijden, en de mensensteen had gemaakt dat ze haar werk sneller kon doen. Nu hield ze de steen in haar vuist, dicht tegen haar borst. Ze had niet geslapen maar was snel verdergegaan zodra ze zich had bevrijd. Ze kon alleen maar aan het beest denken en piepte zachtjes. Als hij dood was, zou ze alleen zijn.

Alleen. De gedachte was angstaanjagender dan de mogelijkheid van haar eigen dood, angstaanjagender dan de wereld om haar heen die opeens was gaan schudden en daarna met woest geweld was ingestort. Maar daar lag de Moederdoder in de sneeuw. Haar hart ging sneller kloppen toen ze hem zag. Hij zou haar vasthouden. Hij zou haar strelen. Hij zou haar angst wegnemen.

Hij bewoog niet toen ze naast hem in de sneeuw knielde. Hij lag zo stil. Zo heel stil.

Onder haar wijkende, benige voorhoofd knepen haar vooruitste­kende oogleden zich samen over haar grijze ogen. Angst en verbijste­ring weerspiegelden zich in het grijs. Waarom lag hij zo beweging­loos in de sneeuw? Mensen sliepen niet bedolven onder sneeuw. Mensen sliepen onder de vachten van dieren die ze hadden gedood. Bange herinneringen kwamen bij haar boven. Pijnlijke herinnerin­gen. Ze jammerde zachtjes, denkend aan haar moeder... die zo stil... zo heel erg stil had gelegen, niet meer had geademd, niet meer had bewogen, niet meer had geleefd! Ze leunde over de Moederdoder en snuffelde aan zijn gezicht en ging weer op haar hurken zitten, opge­lucht maar nog steeds bezorgd. Hij leefde! Hij haalde wel adem, maar zo licht dat ze bang was dat hij er elk moment mee kon ophou­den en dat hij daarna nooit meer zou bewegen. Hij zou nooit meer tegen haar komen praten, haar nooit meer strelen, nooit meer haar eenzaamheid verlichten.

Ze fronste haar wenkbrauwen toen ze opeens zag dat er bloed op de sneeuw zat net boven zijn schouder. Ze leunde weer naar hem toe, snuffelde eraan en deinsde terug. Het was zijn bloed. De lange, ster­ke, harige vingers van haar rechterhand grepen de mensensteen ter­wijl haar andere hand de bebloede sneeuw van hem afsloeg. Ze hoef­de niet dichterbij te komen om te zien dat er onder de sneeuw een wond zat, net onder zijn schouder. Ze had zo'n wond al eerder ge­zien, in de borst van haar moeder. Een wond die gemaakt was door een mensensteen.

Nadenkend opende ze haar vuist en keek naar de spitse steen. Ste­nen haalden de adem weg van beesten en van moeders. Misschien konden ze ook teruggeven wat ze hadden weggenomen. Dat was bij haar moeder niet gelukt, maar de wond van haar moeder was veel erger geweest dan die van de Moederdoder. Hij had maar een kleine wond. Als ze haar steen handig en doortastend zou gebruiken, kon ze misschien de krachtige adem van een gezond beest weer in zijn li­chaam brengen. Dan zou hij opstaan en haar strelen en...

Navahk gilde. Hij schrok wakker en zag het kind schrijlings op hem zitten en hem telkens weer steken, met een dolk die ze in een schui­ne hoek in zijn wond stak zodat hij diep in zijn borstkas doordrong en recht naar zijn hart ging. Ze keek hem aan met haar onschuldige ogen en maakte zachte, koerende geluidjes alsof ze van hem hield terwijl ze hem doodde. Hij voelde hoe zijn hart wild sloeg toen ze het doorboorde. Hij gilde weer en probeerde zich los te rukken, maar zijn been zat vast en hij kon niet bewegen. Er kwam een ont­zaglijke, verbazingwekkende lichtheid over hem heen. Hij viel met wijdopen oog achterover en zag zijn eigen dood weerspiegeld in de ogen van het beest.

Ze deinsde terug, verbaasd en bang, haar kop scheef houdend toen hij achterover viel. Ze staarde naar hem. Ze kwam weer dichterbij en snuffelde aan zijn neusgaten en aan zijn opengesperde mond. Deze keer was er geen adem. Helemaal geen adem! Ze blies haar adem in hem. Ze stak hem weer, nu dringender, in een poging hem weer tot leven te brengen, maar de mensensteen die haar zo goed had ge­diend bij het snijden en het ontvellen van vlees, weigerde nu dienst. In een wilde poging om het beest weer tot leven te brengen sneed ze zichzelf, zodat het ging bloeden en pijn deed. Ze huilde van boos­heid terwijl ze de steen wegwierp, kroop toen in elkaar, huilde weer en zoog haar wond uit.

Ze bleef uren bij hem, de hele lange, koude nacht tot aan de korte, koude, zonnige ochtendstond, maar de Moederdoder werd niet meer wakker om te ademen, tegen haar te praten, haar te strelen, of zijn lichaam met dat van haar te verenigen. Ze hield hem in haar ar­men, tilde zijn handen op en probeerde of hij haar wilde aaien, maar hij deed het niet. Ze begon zich eenzaam te voelen en viel uiteinde­lijk in slaap, nog steeds met hem in haar armen, in de hoop dat wan­neer ze wakker werd, hij weer zou ademen en ze niet meer alleen zou zijn.

De zon ging al voor het middaguur onder. De Moederdoder be­woog niet. Zijn ene oog was glazig. Ze legde hem neer en ging in de dikke hopen sneeuw naar haar steen zoeken. Ze vond hem en hield hem stevig vast. Toen keek ze naar het oosten waar de andere bees­ten naartoe waren gegaan, in de richting van het gat in de hemel. Daar zou ze naartoe gaan. Misschien zou een van hen haar horen huilen en weten dat ze eenzaam was. Maar de Moederdoder was nu dood. Het moment was aangebroken om in zijn huid te dansen.

Ze trokken dagenlang door het land in het oosten, onder de rode hemel en onder de opkomende winterse maan. Een vlucht van zwa­nen hoog in de lucht, afstekend tegen de kortstondige gloed van de dageraad, voerde hen naar een dal waar grote kudden graasden op het weelderige, met sneeuw bestoven toendragras. En het getrom­petter van mammoets leidde hen over een brede vlakte naar de plek waar Karana wachtte, met op zijn hoofd de helm van Zinkh die hij ergens op de oever van de rivier had gevonden... zoals de grote mammoet Donderspreker hem had gevonden en hem nogmaals het leven had geschonken.

Hij stak zijn hand groetend op toen Torka's volk op hem afrende. Lonit huilde en Aar maakte een sprong van blijdschap toen hij hem zag. Maar het was Mahnie die hem omhelsde toen hij Torka aankeek en zei: 'Waar bleef je toch zo lang? Karana wacht hier in dit goede land al dagenlang tot hij zijn vader kan begroeten.'