7

De Berg Die Rookt lag voor hen. De dagen leken nog slechts een va­ge flikkering van licht. Torka en zijn volk haastten zich ver de Gang der stormen in, verlangend om het Dal der Liederen te bereiken voordat de tijd van de lange duisternis aanbrak. Ze hadden hun sporen goed uitgewist en met opzet valse sporen achtergelaten. Waar mogelijk waren ze over puinhellingen gelopen, hoewel ze dan een langere en moeilijkere weg moesten volgen. Ze hadden de sleden gedragen waar de bodem te zacht was en ze zeker sporen zouden achterlaten. Ze waren van graspol naar graspol ge­sprongen, hadden geen vuur gemaakt en geen zichtbare vuilnis ach­tergelaten. Maar nog steeds werden ze gevolgd. Karana wist het, ook al begon Torka te twijfelen.

Er waren heel wat dagen voorbijgegaan sinds ze bij de toegang tot de Gang der stormen waren blijven staan en kilometers verder, naar het westen toe, in de nacht het vuur hadden zien branden in het land van de grillige heuvels. Lonit had zich hardop afgevraagd of degenen die hen achtervolgden het soms hadden opgegeven en teruggingen. Waarom zouden ze anders zo'n groot vuur aanleggen als ze het nog nodig vonden om zich te verbergen voor degenen op wie ze jaagden? Karana wist daar geen antwoord op, maar hij kende Navahk goed genoeg om te weten dat zelfs als al zijn metgezellen hem in de steek zouden laten, hij alleen verder zou gaan.

Torka en zijn volk trokken verder onder bewolkte luchten. Het re­gende weer, maar het was een warme regen voor de tijd van het jaar. Toen de regen uiteindelijk ophield, bleef het bewolkt en ver boven het vriespunt.

Terwijl ze verder liepen in de schaduw van de Berg Die Rookt, kwa­men er rommelende geluiden uit de berg die hun nachtrust verstoorden, en onder hen roerde Moeder Beneden zich onrustig. Overdag zag het land er totaal anders uit dan ze zich konden herin­neren. Het was alsof er enorme stromen gesmolten rots vanuit de ro­kende berg over de aarde waren gestroomd en gestold tot donkere, dampende, brosse hindernissen van soms wel honderden meters hoog. Ze probeerden de niet al te hoge vlakten van het vreemde ge­steente over te steken, maar het steen sneed in de zolen van hun laar­zen en beschadigde hun voeten. Weldra hinkten ze allemaal, zelfs Aar. De vrouwen moesten een dag lang voor iedereen nieuwe laar­zen maken uit de huiden van hun beddenrollen. 'Zo gaat het niet,' zei Torka. 'Als we verder gaan over de stenen rivie­ren, kunnen we de afstand meten aan de hand van het aantal paren laarzen dat we verslijten.'

'We hebben niet genoeg huiden om zoveel laarzen te maken,' zei Lonit tegen hem terwijl ze haar voeten wreef.

'Misschien zegt het land ons dat we niet welkom zijn?' Wallahs sug­gestie werd heel zachtjes naar voren gebracht. En genegeerd. 'We zullen om de stenen rivieren heen lopen,' besloot Torka. Het Dal der Liederen is nu niet ver meer.'

Ze gingen verder, dichter bij de hoog oprijzende witte wanden van de Bergen Die Wandelen dan hun lief was. De bergen rezen zo hoog op dat het net was of ze de bewolkte lucht verduisterden. Het was net of ze dag en nacht praatten en rommelden, en af en toe hing er over de bergkammen een mist van lawines die diep in donkerblauwe kloven vielen. Torka's volk liep snel door, stil en bang, terwijl ze om­hoogkeken en half verwachtten dat de enorme toppen op hen zou­den vallen.

Het was een enorme opluchting toen ze uiteindelijk het land van la­va achter zich lieten en weer met grote stappen door de ongerepte zee van gras konden lopen, met de Bergen Die Wandelen aan beide kanten mijlenver bij hen vandaan.

Er zat volop wild. Ze jaagden en rustten en aten daarna rond een klein vuurtje dat was aangelegd in de beschutting van een bosje wil­gen. Er was vers, zoet water in een bron die vlakbij opborrelde. Toen de nacht viel, keek Torka om in de richting vanwaar ze waren geko­men en veroorloofde zich een voldaan glimlachje. 'Ik denk niet dat Navahk onze achtervolgers voorbij de rivieren van steen zal brengen.'

Ze sliepen die nacht goed en hoewel de duisternis veel langer duurde dan de dag, wachtten ze zonder ongeduld op de ochtendstond ter­wijl ze tevreden onder hun slaapvachten lagen en voor het eerst sinds dagen weer ongestoord droomden.

Maar toen Torka uiteindelijk wakker werd, zag hij Karana op zijn hurken zitten en in de verte staren, met zijn bepakking al opgerold naast zich.

'Hij komt,' zei hij, zonder zich naar Torka om te draaien. 'In het Dal der Liederen kunnen we ons tegen hem verdedigen. Hier op open terrein zullen we met weinigen tegen velen zijn. We moeten verder gaan.'

Twee dagen en nachten zat het kind in het struikgewas van de grilli­ge heuvels. Ze hield de mensensteen dicht tegen zich aan, wiegde heen en weer, sliep af en toe wat en probeerde te begrijpen waarom de Moederdoder zich tegen haar had gekeerd.

Maar ze begreep het niet. Ze voelde alleen eenzaamheid en de diepe, pijnlijke behoefte om dicht bij een soortgenoot te zijn. Maar op de hele wereld was er geen enkele soortgenoot meer. Er was alleen nog maar het beest.

Als ze hem volgde, als ze hem riep en naar hem toeging, als ze haar keel omhoog keerde en hem liet zien dat ze niets deed, zou hij haar misschien weer aaien en bij haar komen. Dan zou de eenzaamheid - en de honger — verdwijnen.

Ze was uitgehongerd. Ze ging het struikgewas uit, terug naar de plek waar het beest het lijk van de soortgenoot die hij had gedood had achtergelaten. Ze wilde hem nu wel opeten. Maar hij had hem mee­genomen. Ze volgde snuffelend de gemengde geur van mensen en vlees, een dag en een nacht lang, en toen nog een dag totdat de geur en de stank van rottend vlees haar naar een donkere kloof tussen zwarte rotsen leidde.

Een lynx lag stinkend en opgezwollen in de schaduw. Een stuk uit­gespuugd vlees zat tussen zijn wijd opengesperde kaken. Het kind ging op haar hurken zitten om het dode dier aan te raken en om van dichtbij naar de stukjes scherp bot te kijken die uit het vlees staken.

Slecht vlees met veel been. Het kind trok een grimas. De lynx moest wel erge honger hebben gehad om zo gulzig van vlees met zoveel been te eten. Haar moeder had haar lang geleden geleerd om alleen zacht vlees en ingewanden te eten en om beenderen te kraken en zorgvuldig te vermalen voordat ze ze verslond. Zo verslond ze nu ook de lynx. Ze sneed zijn huid met de mensensteen open, at alleen van zijn zachte achterbout en kwam niet aan zijn buik en ingewan­den die vast en zeker vol slecht vlees zaten. Daarna sliep ze zittend. Toen ze wakker werd, kleurde de ochtendstond de rivier van gras in de verte, tussen de witte bergen die tot in de bewolkte lucht reikten. Toen liet ze een lang, hoog en triest gehuil horen. Ze zag de meute van de Moederdoder ver weg in de diepte. Met de mensensteen te­gen haar borst geklemd ging ze erachteraan.

De roep van de Wanawut bracht de mensen ertoe Navahk te volgen. Ze waren bij de lavastromen stil blijven staan, ontmoedigd door Jubs mededeling dat het dal van de Man Die Met Honden Loopt nog veel verder was.

'Deze man gaat met zijn gezin terug!' zei Cheanah, en zijn vrouw zuchtte opgelucht. Toen schoot ze opeens overeind door de roep van de Wanawut. Ze trok haar jongste zoontje tegen zich aan. 'Je zei dat hij ons niet achterna zou komen in dit goede land,' zei Zinkh verwijtend tegen Navahk. Simu, Cheanah en alle jagers mompelden instemmend.

De tovenaar keek naar de vrouw Naiapi alsof het roepen van het beest op de een of andere manier haar schuld was. Ze deinsde bleek achteruit, totdat er een langzame glimlach over Navahks gezicht gleed.

'Ga maar terug naar de wereld van de Wanawut, als je wilt, Che­anah. En jij ook, Zinkh. Ga met je volk met hem mee. Navahk is de dood van de arme Tlap niet vergeten. Hij zou zijn volk niet zo'n dood tegemoet willen leiden. Nee, Navahk zal verder gaan naar het dal van de Man Die Met Honden Loopt, waar de Wanawut ons niet zal volgen.'

'Je zei dat hij ons hier niet zou volgen,' bracht Simu hem in herinne­ring.

Vol minachting nam Navahk de jonge man van top tot teen op. 'De Man Die Met Honden Loopt roept de Wanawut op om zijn vijan­den op te eten. Wanneer Torka dood is, zal Navahk het beest do­den... zoals ik zijn soort al eerder heb gedood. Wie van jullie man­nen heeft dat gedaan? Ik, Navahk, ga nu onbevreesd naar dit nieuwe land!'

Dat deed hij, en ze volgden als één man, zoals hij wel had verwacht, omdat hij zeker wist dat het onbekende land dat voor hen lag min­der angstaanjagend was dan het land van de Wanawut dat achter hen lag. Maar terwijl ze verder gingen, voegde Cheanah zich bij Zinkh en zijn jagers. De kleine man met de gaten tussen zijn tanden en het merkwaardige hoofddeksel sprak zachtjes. Cheanah knikte en wenkte zijn zonen en zijn vrouw om naast hem te komen lopen.

Terwijl ze verder gingen in het laatste licht van de dag, leek het alsof de Bergen Die Wandelen net hadden gewandeld. Ze waren veel dichterbij dan Torka zich herinnerde en torenden hoog op aan weerszijden van de lage heuvels die naar het Dal der Liederen liepen. Er lagen zulke grote hopen sneeuw, ijs en stenen voor de ingang van hun geliefde dal dat ze zouden zijn omgedraaid met het idee dat ze verkeerd waren, als ze niet de half bedolven valkuil hadden gevon­den en de beenderen van de man erin. 'Tomo...' Karana zei de naam van het lijk.

Torka wist dat hij het moest hebben herkend dankzij zijn zienersga­ve, want aasetende roofvogels hadden al het vlees van de beenderen gegeten.

Lonits sloeg haar handen voor haar gezicht om het niet uit te schreeuwen om wat voor hen lag. Torka staarde sprakeloos naar de weerzinwekkende rommel die was achtergelaten. Hier, op deze mooie plek vol herinneringen en dromen, deze plek die hij had ge­vonden en zich had toegeëigend, had het tweetal een kamp opgesla­gen en gejaagd.

Het was niet meer zijn dal. Overal lagen beenderen van geslachte dieren. De bomen waren omgehakt en als brandhout gebruikt. De meertjes waren stinkende poelen vol slachtafval en menselijke uit­werpselen, en er lagen de beenderen in van een kind dat was ver­dronken en daarna achtergelaten.

'We kunnen hier niet blijven.' Karana's stem was vervormd door on­noemelijke woede en verdriet.

Torka stond sprakeloos. Er stak een storm op buiten het kleine, ver­woeste dal en ook in de man. 'We kunnen ook niet weg zolang de storm niet voorbij is.'

Die nacht stond er een sterke, naar zwavel ruikende wind uit het noorden. Navahk vervloekte de storm en zijn volk. Dagenlang had hij hen voortgedreven. De angst voor de Wanawut had als aanspo­ring gediend. Maar nu was het koud en het sneeuwde, en de stin­kende wind maakte hen prikkelbaar. Jub, die ook doodop was, ver­zekerde hun dat het pad naar het dal nog maar een dagtocht verder was, maar ze klaagden en lieten hun bagage vallen. Zelfs Navahks dreigen met de Wanawut kon hen niet meer in beweging brengen. Ze sliepen allemaal, behalve Navahk.

Hij sloop voorovergebogen in de wind door het kamp en liep rond­jes als een leeuw die in een doodlopende kloof gevangenzit. Van al zijn volgelingen lag alleen Zinkh wakker in zijn slaapvachten. Hij keek en wachtte geduldig totdat Navahk zou doen wat hij elke nacht deed: het kamp verlaten om de weg te verkennen waarlangs hij zijn volk de volgende dag zou leiden. Het was gewoon eng zo goed als de man met zijn ene oog in het donker kon zien. Als een roofdier dat jaagt in de nacht had Navahk geen toortsen nodig om zijn pad te verlichten en was hij ook niet bang om alleen met de Wanawut te zijn. Soms kwam hij pas tegen de ochtend weer terug. Zinkh hoopte dat het deze nacht ook zo zou gaan. Hij kwam over­eind om Simu wakker te porren en kroop daarna in doodse stilte naar Cheanah en zijn zonen om hen te roepen. 'Schiet op. Het ogenblik waarop we hebben gewacht is aangebro­ken,' fluisterde Zinkh. 'Jub heeft uitvoerig beschreven hoe we verder moeten. We moeten nu gaan voordat Navahk terugkomt, anders kunnen we Torka niet meer waarschuwen. Deze man zal de anderen van zijn stam wakker maken. Wekken jullie je vrouwen. Doe je ba­by's zo nodig een prop in de mond! We gaan ons voegen bij de Man Die Met Honden Loopt!'

Torka en zijn volk zaten dicht bij elkaar onder hun afdakjes, luiste­rend naar de wind die in de verte huilde, ver buiten het dal. De lucht boven hen was onrustig en er viel droge sneeuw, maar er was weinig wind in het dal zelf. In de verte klonk geraas en ver onder hen bewoog de Moeder Beneden rusteloos. In de storm en wind en de striemende sneeuwbuien hoorden ze dieren op de zee van gras roe­pen, hinniken en trompetteren. Zomermaan verborg haar gezichtje tegen Lonits boezem terwijl Iana Demmi vasthield en Mahnie Wallah troostte alsof zij de moeder was. De mannen zaten recht over­eind met hun speren gereed, maar ze vroegen zich af wat hun armza­lige wapens zouden uithalen tegen de krachten der Schepping. Tegen de ochtend keken ze onder hun met sneeuw bedekte afdakjes uit. De wereld was onnatuurlijk donker en stil. Het stonk naar rook en natte, zwavelhoudende as. De sneeuw die op het land lag was zwart, net als de fijne asdeeltjes die uit de hemel vielen. Langzaam kropen ze naar buiten om over de heuvels naar het westen te kijken, in de richting van de Berg Die Rookt, waar de lucht vol kolkende zwarte en rode wolken was en er vuur op aarde viel. En over de ijslobben van de Bergen Die Wandelen kwam een groepje gehavende, bange mensen, onder de zwarte as, naar hen toe klauteren, onder lei­ding van de man met O-benen met zijn grote schimmelige helm.

'Deze man komt zichzelf vriend van Torka noemen!' verklaarde Zinkh, die met grote passen voor de anderen uitliep. Hij stond even uit te hijgen terwijl Torka, Karana en Grek verdedigend hun speer grepen en hem achterdochtig aankeken.

'Doe speren weg. Doe weg, weg!' zei Zinkh. Zijn magere borstkas ging hijgend op en neer terwijl hij trots naar Torka en zijn volk keek. 'Zinkh heeft zijn volk ver gebracht om met Torka tegen Navahk te strijden! Zinkh maakte grote fout door bij die slechte man te blij­ven. Kilometers lang zijn we voor een zwarte en stinkende wind uit­gelopen om aan hem en de Wanawut die hem volgt te ontsnappen! Man Die Met Honden Loopt zal mannen met speren nodig hebben om te vechten tegen Navahk en zijn vele jagers! Zinkhs jagers en Cheanah zouden die mannen met speren willen zijn! Ons volk zou graag Torka's volk zijn, als Torka Zinkh vergeeft dat hij minder dan een man is geweest tegenover zijn vijanden.'

Torka was verbaasd, verrast en geamuseerd door de opschepperige verontschuldiging. 'Ja, Torka vind het goed. Ja,' was het enige wat hij kon uitbrengen.

'Goed!' riep Zinkh. Hij schraapte zijn keel. Hij haalde diep en vast­beraden adem, en richtte zijn blik op Karana. 'Jij, Leeuwendoder Karana. Zinkh brengt je iets wat je hebt achtergelaten. Hier. Deze man denkt dat je de afgelopen dagen geen geluk hebt gehad. Mis­schien zul je Zinkh nu geloven en deze helm dragen. Het zal ons, stambroeders, allemaal gelukbrengen!'

Karana keek de dappere en koppige kleine hoofdman aan en be­greep voor het eerst dat de afmetingen van een man het best te me­ten zijn aan zijn moed en trouw en niet aan de hoogte waarop zijn hoofd boven de grond komt.

'Ik ben er trots op de hoofdtooi van Zinkh te mogen dragen,' zei hij en bukte zich zodat Zinkh de helm op zijn hoofd kon zetten. De kleine hoofdman wierp een blik om zich heen en bekeek het dal en de steile, vervaarlijk overhangende ijswanden. De aarde had zo bewogen dat die ijswanden los konden raken en hen konden bedel­ven. 'Dit is niet zo'n goede plek om lang te blijven, denk ik.' 'Nee,' stemde Torka in. 'We kunnen hier niet blijven. We moeten verdergaan.'

Navahk werd wakker. Diep weggedoken in zijn slaapvachten, bedol­ven onder vachten en huiden, snakte hij naar adem totdat hij einde­lijk zijn gezicht had bevrijd. Hij lag op zijn rug te hijgen in een we­reld van verstikkende zwarte nevel. Elke ademhaling deed afschuwe­lijk veel pijn en hij werd zich langzaam bewust van een zacht, con­stant gerommel in het westen dat de aarde deed beven. Naar zijn brandende keel grijpend kwam hij overeind en keek naar de vormeloze gestalten van de slapende mensen om zich heen. Op­eens besefte hij dat de meesten niet sliepen. Ze waren dood. Er was iets dodelijks aan de mist die in de bevende nacht was neergedaald. Iets wat de longen verschroeide en een versuftheid bracht die de geest volledig deed verschrompelen.

Hij had het de vorige nacht ook gevoeld maar niet het dreigende ge­vaar gemerkt. Zoals altijd had hij alleen over de donkere toendra ge­lopen omdat hij niet kon slapen. Hij had bedacht hoe het zou zijn om eindelijk Torka en zijn volk ter dood te brengen en hij had ge­wenst dat de Wanawut dichterbij zou komen zodat hij haar kon do­den en met haar huid kon pronken bij degenen die aan hem waren gaan twijfelen. Uiteindelijk werd hij door vermoeidheid teruggedre­ven naar het kamp voor een onrustige sluimer. De afgelopen nacht was hij vroeg teruggekomen met een barstende hoofdpijn en een vreemde aanvechting om alleen maar te gaan liggen, zijn oog te slui­ten en te slapen... slapen. In zijn slaap droomde hij dat de wereld onder hem schudde en raasde. Nu, terwijl hij vocht om lucht te krij­gen, besefte hij dat hij niet had gedroomd. Hij kwam wankelend overeind, schudde zijn pijnlijke hoofd om de dikke nevel van onna­tuurlijke duizeligheid te verdrijven. Zijn oog traande alsof iemand er hete as op had gestrooid. Hij keek om zich heen. Er viel inderdaad as uit de lucht. Hij keek naar het oosten. De hemel was grauw en blauw verkleurd als een ernstige kneuzing. Anders dan hij ooit had gezien.

Maar pas toen hij naar het westen keek, draaide zijn maag om van schrik en schreeuwde hij het uit. Boven de hoge Bergen Die Wande­len was de hemel zwart en tegen die zwarte lucht stak de Berg Die Rookt af, omgeven door een krans van vuur. Uit diepe scheuren in de zijkanten van de berg sijpelden rivieren gesmolten modder over de zee van gras en wolken stoom rezen hoog op. De modder bedekte de besneeuwde toendra, zodat de weg terug naar de wereld der men­sen werd afgesneden.

Navahks oog werd groot van ongeloof. Uit de gebroken top van de vulkaan kolkte een rookwolk die kilometers hoog was en waarvan de bovenkant uiteen werd geblazen door de hoge winden die het stof naar het westen verspreidden, terwijl de lagere winden de zijkant van de wolk - Navahk bedekte zijn mond en neusgaten toen hij het begon te begrijpen - in lange slierten giftige rook naar het zuidoos­ten bliezen.

Hij staarde ernaar zonder zich te kunnen bewegen. Nog nooit had hij zoiets gezien. Het gerommel kwam uit het hart van de berg. En uit de wolk regenden brokken van vuur op het land terwijl stukken rots ontploften en omhoogschoten. Hoewel de brokstukken vanuit de verte klein leken, vlogen er toch resten omhoog met het formaat van flinke rotsblokken die een heel stuk verder weer met verwoes­tende kracht op de aarde en de Bergen Die Wandelen neerkwamen. De tovenaar rekende. Veertien keer was de zon opgekomen sinds hij in de schaduw van die berg had gelopen, maar zelfs op deze afstand voelde hij hoe het geweld waarmee de stenen neerkwamen de bevro­ren grond deed trillen.

Hij keek vol afschuw terwijl enorme ijsbergen instortten en de toendra op schoven in brullende golven wit schuim. Wanhopig pro­beerde hij zijn gedachten te ordenen. Hij moest weg zien te komen, ver bij de Berg Die Rookt vandaan! Snel! Naar het oosten, waar minder van de dodelijke vulkanische damp in de lucht hing. Toen bewoog de aarde opeens hevig onder Navahk. Hij viel. Tot zijn opluchting werden verschillende mensen die hij voor dood had aange­zien nu wakker en kwamen overeind, hijgend en naar adem hap­pend, met hun hand tegen hun keel en hun gezicht vertrokken van de pijn.

Opeens was de aarde stil.

De paar mensen die de nacht van stille dood hadden overleefd, begon­nen langzaam de omvang van de verwoestende ramp te beseffen. Ze konden de anderen niet wakker krijgen. Alle mensen die niet met hun hoofd helemaal onder hun slaapvachten hadden gelegen waren dood. Vrouwen en kinderen, jong en oud. De dodelijke adem van de verre berg was onpersoonlijk geweest en had geen medelijden gekend. Weer bewoog de aarde. De overlevenden - vijf mannen, waaronder Jub, en een vrouw, Naiapi - staarden naar Navahk met wilde ogen van angst, terwijl ze hun huiden en vachten tegen hun neus en mond drukten.

Hij raakte nog meer in paniek, maar probeerde een fiere houding aan te nemen. 'Kijk niet zo naar mij! Ik heb dit niet op mijn gewe­ten! Heeft deze man jullie niet tot spoed gemaand?' Een van de mannen, een stamoudste die Earak heette, viel op zijn knieën, wierp zijn hoofd achterover en hief als een vrouw een klaag­zang aan. 'Ze zijn allemaal dood! Mijn vrouwen! Mijn zonen! Waar is de toverkracht van de Geestendoder? Waarom heeft hij ons hier niet tegen beschermd?'

In het westen bleef de berg bulderen. Ze werden doodstil toen ze op­eens merkten dat Zinkh, Cheanah, Ekoh, Simu en de anderen er niet waren.

Oga's man, een jager die Rak heette, viel op zijn knieën naast de lij­ken van zijn vrouwen en kinderen. 'Zinkh en zijn mannen hebben ons in de steek gelaten. Ze zijn teruggegaan. We hadden Navahk nooit zo ver moeten volgen.'

Naiapi was heel kalm. Met flitsende ogen onderbrak ze de hysteri­sche jager. 'De man Jub heeft ons door dit gebied geleid. Hij heeft Navahk verzekerd dat het een goed pad was. Als je als een vrouw wilt huilen en iemand de schuld wilt geven van wat er is gebeurd, kies dan niet Navahk, die jullie de hele tijd heeft gewaarschuwd wat er zou gebeuren als jullie niet deden wat hij zei. Geef Torka de schuld van deze dodelijke zwarte magie en geef Jub de schuld. Hij heeft ons verteld dat het een goed lana was!'

Jub deed een stap bij de anderen vandaan met een uitdrukking op zijn gezicht van een in het nauw gedreven dier. Hij wendde zich tot de anderen die hem boos aankeken. 'Dit was een goed land toen ik er wegging. Denk je dat ik met jullie was meegegaan als ik dacht dat dit... Nee! Je kunt mij niet de schuld geven, vrouw! Navahk heeft ons hier gebracht, met zijn geklets over de Wanawut! Omdat hij het volk van Torka zo graag wil doden!'

Jub zag zijn dood op de gezichten van de anderen en besloot niet te wachten. Hij ging langzaam achteruit, bukte zich terwijl hij hen al­lemaal in de gaten bleef houden, pakte zijn speren en wierp zijn bed­dengoed over zijn schouder. 'Ik ga terug naar de wereld der mensen! Zinkhs volk en Cheanah achterna. Als anderen mee willen, gaan ze hun gang maar.'

'De lucht is vergif en het land brandt voor je uit. Er regent vuur uit de wolken en de bergen vallen. Jullie kunnen niet teruggaan!' don­derde Navahk.

'Ik ga ook niet verder dit verboden gebied in!' riep Jub terwijl hij zich omdraaide en begon te rennen.

De anderen keken hem na en keken vervolgens naar hun doden. Ziek van verdriet gingen ze in stilte naar hun beminden, namen af­scheid en legden hen zo neer dat ze naar de hemel keken. 'We gaan verder naar het oosten.' Navahk zei het dringend om hen aan te sporen. 'Kijk: de hemel is daar helderder. We zullen het volk vinden van de Man Die Met Honden Loopt, en we zullen hen alle­maal doden voor wat ze deze dag hebben gedaan!' Rak keek hem met een vermoeide blik aan. 'Nee, Navahk. Deze man gaat niet meer met je mee.'

Zijn uitspraak inspireerde de andere jagers. Als één man verklaarden ze dat ze met Rak naar het westen zouden trekken. 'De Wanawut staat klaar om degenen die zich tegen de Geestendoder verzetten op te eten!' dreigde Navahk.

Rak schudde langzaam zijn hoofd. 'Wat kan de Wanawut me nu nog schelen? We hebben vrouwen, kinderen, broeders en vaders in dit kamp verloren. Hoe kan de Wanawut ons nu nog meer kwetsen?' 'Hij kan jullie doden!'

'Dan zullen we sterven... maar niet in dit land. We zullen sterven terwijl we teruggaan naar het land van ons volk. Dit land is niet voor mensen bestemd. Het is een land voor geesten... boze geesten. Kom met ons mee, Navahk. Laat de Man Die Met Honden Loopt gaan.

Hij mag dit land hebben.'

'Ik wil getuige zijn van zijn dood.'

'Dan moet je daar maar alleen getuige van zijn. Tenzij de vrouw bij je blijft.'

Naiapi hief haar hoofd op. 'Ik ben Navahks vrouw! Ik loop onbe­vreesd aan zijn zijde!'

Rak haalde zijn schouders op. 'Je mag zelf kiezen. Maar deze man gaat nu.' De anderen mompelden allemaal instemmend en pakten zonder nog een woord te zeggen hun bepakking en hun speren en gingen op weg naar het westen.

'Jullie zullen sterven! Jullie zullen allemaal sterven!' riep Navahk hen woedend na. 'En deze keer zal de machtige Navahk jullie inderdaad je geest ontnemen. Zulke zwakke en laffe mannen zijn het niet waard om te leven!'

Trillend van woede keek hij toe hoe ze snel Jub achternagingen. Ze haalden hem in. Zonder nog om te kijken liepen ze naar het westen. Navahk was ziedend en zijn gedachten tolden doelloos rond als een wolf die in zijn eigen staart bijt. Het doel van zijn leven werd hem langzaam ontnomen. Ze hadden zijn dreigementen naast zich neer­gelegd! Ze geloofden niet meer in zijn macht! Ze waren niet meer bang van hem! Als ze er heel toevallig in zouden slagen terug te gaan naar het land van de andere mensen, zouden ze vertellen dat Navahk zijn toverkracht had verloren door iemand te achtervolgen die machtiger was dan hij ooit was geweest.

'Ze zullen niet zo over mij spreken,' grauwde hij. Hij liep met grote stappen naar zijn slaapvachten en greep zijn speren en speerwerper. 'Ik dood ze liever allemaal dan dat ik ze zo over mij laat spreken!' Naiapi probeerde hem vast te grijpen. 'Kom, Navahk. We moeten gaan! Vergeet ze! Kijk! De wolk vanuit het westen wordt dikker, we moeten die voor zien te blijven!'

Hij hoorde Naiapi's smeekbeden nauwelijks. Hij schudde haar van zich af en rende met grote stappen weg, ondertussen mikkend met zijn speer, totdat een verrukkelijke kalmte langzaam zijn overweldi­gende gevoel van verlies en verraad begon te verdringen. Hij stond stil, staarde voor zich uit en glimlachte. Hij had nog steeds de macht.

Jub had de anderen de eerste flarden van de wolk ingevoerd. Hij kon hen nauwelijks zien, maar wat hij zag was voldoende om hem te la­ten schreeuwen van plezier. Een voor een, te beginnen met Jub, gin­gen de jagers langzamer lopen. Naar hun keel grijpend vielen ze op de grond en stierven.

Hij lachte hardop en hoewel zijn keel nog brandde, voelde hij geen pijn. 'Ik heb ze gedood! Wie zal er nu nog aan de macht van Navahk twijfelen?'

Naiapi staarde hem aan toen hij op haar afkwam. Voor het eerst zag ze de volslagen waanzin in zijn blik. Maar het was te laat om nu nog bij hem weg te gaan. Ze was nu echt zijn vrouw. En voor het eerst sinds ze hem had ontmoet, wilde ze niets met hem te maken heb­ben.