2
'Lig stil, Geestendoder. Lig stil en je zult weldra zo gezond zijn als in Pomms vermogen ligt.'
De trillende stem van de dikke vrouw bracht Navahk bij zijn positieven. Hij kwam overeind en was even van de wijs. Waar was hij? Waar was de nacht gebleven? In het sombere, vage licht van een vreselijke sneeuwstorm hoorde hij de wind met een hoog en gierend geluid tegen de wanden van een kuilhut beuken die niet de zijne was. In zijn rechteroor gierde een andere wind, die klauwde als een gevangen dier dat door beenderen en vlees een weg naar buiten zocht. De hele rechterkant van zijn gezicht deed helse pijn. Hij staarde naar de gevederde dikke vrouw, zich afvragend waarom ze met zoveel weerzin en nog iets — medelijden? — naar hem keek. Zijn leven lang had nog nooit iemand medelijdend naar hem gekeken! Hij was Navahk! Zijn lichamelijke perfectie was legendarisch. Hij voelde dat zijn gezicht dik was van het geronnen bloed, maar als deze dikke oude vrouw een genezeres was, zou ze dat gewend moeten zijn. Hij zou gefronst hebben als het niet zoveel pijn deed. En toen besefte hij dat hij in Torka's kuilhut lag en met maar één oog naar de vrouw keek... zijn linkeroog. Het andere oog was - hij stak zijn hand ernaar uit met voorzichtig tastende vingers en slaakte een kreet van ongeloof en afschuw: de oogkas was hol - een bron van pijn, geronnen bloed en vocht; een van de schelpen van Lonits bola zat nog in de ingeslagen en vernietigde oogbal. Niemand hoefde hem te vertellen dat het wapen enorme schade had toegebracht. Hij zou voortaan halfblind en half doof zijn.
'Hier. Uit haar eigen hut in het kamp van Zinkh heeft Pomm een goede drank gehaald die de pijn zal verminderen wanneer de schelp uit het oog is gehaald en...'
Hij sloeg de van een blaas gemaakte fles met zoveel geweld uit haar handen dat ze haar evenwicht verloor. De fles vloog weg en spatte donkere, zoete drank over Aliga die op haar zij op haar slaapvachten lag, met haar getatoeëerde hoofd op haar gebogen arm. 'Waar is de vrouw die me dit heeft aangedaan?' riep Navahk ziedend. Hij stond nu overeind en rukte de schelp uit zijn gezicht. De pijn die volgde deed hem bijna ter plekke neervallen. Pomm was op haar zij terecht gekomen en kon geen woord uitbrengen. Met haar handen op de vloer steunend probeerde ze zich tevergeefs op te duwen. Ze pufte onder haar eigen gewicht. Daarom gaf Aliga maar antwoord.
'Iana is weggerend, de storm in, met Grek en Lonit en de kinderen van Torka. Maar deze vrouw is gebleven. Zelfs wanneer haar kind komt zal ze altijd trouw blijven aan degene die haar heeft genezen.' Hij stond zo stil alsof hij uit steen gehouwen was. Haar duidelijke verering van hem viel niet in goede aarde. 'Lonit is weggelopen?' 'Uren geleden al,' bevestigde Pomm strijdlustig. Ze was helemaal niet te spreken over de ruwe behandeling die hij haar had gegeven. Ze zat nu rechtop, nog steeds hijgend, haar verfomfaaide veren te ordenen. De ochtend was nog niet voorbij, maar de dag werd met de minuut onaangenamer. Als alle problemen niet gauw werden opgelost, zou de komende nacht weer even akelig onrustig worden als de vorige. Karana was uit haar leven verdwenen. Ze was er niet in geslaagd om Sondahr te genezen. Hoewel ze daar blij om was - want nu was zij tovenares in plaats van Sondahr - had ze echt haar best gedaan voor de tovenares, niet uit medelijden met Sondahr maar met het oog op haar eigen reputatie.
'Navahk moet Lonit vergeten,' drong Aliga zachtjes aan. Haar woorden brachten de dikke vrouw met een schok weer terug in de werkelijkheid.
Pomms kleine mond trilde. Ze zat met haar rug naar de losjes bevestigde deurflap. Een koude wind drong de kuilhut binnen. Ze huiverde toen ze van Aliga naar Navahk keek. De getatoeëerde vrouw probeerde Navahk te kalmeren. Hij stond recht als een speer die door een onzichtbare hand wordt vastgehouden. Er zou niet veel nodig zijn om hem weer in woede te doen ontsteken. In het door de storm merkwaardig vage licht keek Aliga hem nog steeds vol aanbidding aan. Ze keek verder dan zijn verwoeste oog en bebloede gezicht en zag de man waar ze al zo lang van droomde. 'Lonit zal nooit naar een andere man kijken dan naar Torka. Dat weet iedereen. Ze zal hem trouw blijven tot ze sterft, net zoals Aliga trouw zal blijven aan Navahk, de mooiste en beste man van allemaal. Ik wist dat je mij zou genezen. Telkens weer heb ik dat tegen Torka gezegd. En wanneer de baby van deze vrouw geboren is, zal ze zijn geest vernoemen naar iemand van het geslacht van Navahk, iemand wiens levensgeest nu met de wind mee is, iemand die je hebt liefgehad en weer graag bij je zou willen hebben... misschien naar Supnah, als het een jongen is.' Ze zweeg even en huiverde. Ze voelde iets in hem dat haar tot op dat ogenblik was ontgaan... iets sinisters en dreigends.
'Durft nog een vrouw van Torka Navahk te bespotten?' In zijn woede en pijn en zijn wanhoop om zijn mismaaktheid zag hij Aliga als de vrouw van Torka, net als Iana die hem had verminkt, net als Lonit die hem had afgewezen.
Pomm, die mokkend op de vloerhuiden zat, zag de verandering in Navahk en krabbelde instinctief achteruit tegen de deurflap toen hij naar haar keek. De wind die om de hut heen gierde was koud, maar op de een of andere manier was het in de hut veel kouder geworden. 'Al uren weg, zeg je? En jij ligt hier als een grote, opgezwollen toendra-plag en hebt niemand achter haar aangestuurd? Je laat mij bewusteloos in mijn eigen bloed liggen en pijn lijden terwijl Lonit mij is ontsnapt?'
Aliga werd bang. Opeens gleed Navahks bovenaardse schoonheid van zijn gezicht en leek hij voor haar ogen te veranderen. Een monster met bebloede ogen keek haar woedend en vol afschuw aan en beschuldigde haar ervan dat ze Lonit had laten ontsnappen. Alsof ze haar had kunnen tegenhouden!
Ze staarde hem aan en probeerde niet terug te deinzen toen ze zijn handen zagen worstelen met de bebloede riem van de bola die hij uit zijn oog had gerukt. Het uiteinde met de scherpe punt en de zware schelp eraan bungelde in zijn hand. De mooie langwerpige versieringen op de riem waren verborgen onder zwart geronnen bloed en stukjes huid.
'Ik heb geprobeerd om je wakker te maken, Navahk,' zei ze tegen hem, terwijl ze zich voor het eerst afvroeg of ze wel de juiste keuze had gemaakt door te willen blijven. Grek had aangeboden om haar te dragen en Lonit had haar gesmeekt mee te gaan en haar gewaarschuwd voor Navahk. Maar ze had niet geluisterd. De geboorte van haar kind was nu zo dichtbij. Zo dichtbij. Het kind waar ze zo naar had verlangd en zo aan had getwijfeld kon niet op het spel worden gezet: niet nadat Navahk bij het vreugdevuur had gezworen dat het geboren zou worden zodra de machten die het dwongen om in de buik van de moeder te blijven uit het kamp waren verdreven. Zijn woorden hadden haar diep getroffen, maar omdat de behoefte om dit kind te baren groter was dan al haar andere behoeften, belangrijker dan wat en wie dan ook, had ze zijn eisen goedgepraat. Torka en Karana hadden zich buitensporig gedragen en Lonit ook. Ze hadden zich deze straf zelf op de hals gehaald. En ze geloofde echt dat Navahks toverkunst haar had genezen, hoewel in de uren daarna het gevoel van zwakte was teruggekeerd samen met een knagende pijn onder in haar rug. Maar ze was ervan overtuigd dat hij, wanneer hij weer was opgeknapt, de toverij nog eens zou toepassen en dat zij dan gezond zou zijn en dat haar baby geboren zou worden. Ja! En Navahks woede zou vast wel verdwijnen wanneer hij begreep waarom ze niemand achter Lonit en Grek aan had gestuurd.
'Deze vrouw heeft de anderen wel geroepen om jou te komen helpen,' verzekerde ze hem. Ze wou dat de gespannen, dierlijke blik van zijn gezicht zou verdwijnen, dat zijn handen zouden ophouden met de riem te spannen. 'En daarom is Pomm hier om je te genezen... om... om... Maar Navahk begrijpt toch wel dat zelfs een tovenares als Pomm de grote geestendoder niet zou durven wekken? En Lonit is de zuster van Aliga's hart en Torka was mijn man. Als ze moeten sterven is dat de wil van de oudsten, van Lorak en van de krachten der Schepping. Maar Aliga dacht dat het niet erg zou zijn om mijn zuster tijd te geven om weg te lopen, de storm in. Waarom maakt de grote Navahk zich druk om een handvol vrouwen en kinderen, een wat oudere jager en twee mannen die overal waar ze gaan moeilijkheden schijnen te veroorzaken? Lorak heeft ze de storm ingejaagd. Hij zal gauw sterven en dan wordt Navahk de allerhoogste oudste van de Grote Bijeenkomst! Torka, Lonit, Grek, Iana, Wallah, Karana en de kinderen zijn niets in de schaduw van de grote Navahk! Daarom dacht Aliga dat het beter was als Navahk wat rustte en krachten opdeed voor wat gaat komen... en voor het kind dat Aliga hem zal schenken als het zijne.' 'Kind?' Hij glimlachte. 'Zou de vrouw van Torka graag haar kind zien?'
Toen Pomm hem zag glimlachen, werd ze zo door angst overweldigd dat ze niet kon bewegen.
Aliga kon ook niet ontsnappen toen hij zich op haar stortte en de schelp die zijn oog had uitgeslagen gebruikte om haar buik open te snijden terwijl zijn andere hand diep greep en een handvol waarheid uitrukte: een afschuwelijke massa vormeloos, stinkend kwaadaardig weefsel.
'Hier is je kind, vrouw van Torka. Kijk naar je kind. Geef het de borst terwijl je sterft! Net zoals Lonits kinderen zullen sterven. Net zoals al degenen die Torka volgen zullen sterven om wat ze mij hebben aangedaan!'
Pomm kroop op handen en voeten achterwaarts de hut uit. Het was jaren geleden dat ze zich zo snel had verplaatst, zonder moeite was opgesprongen en met haar omvang zowaar was gaan rennen. Het hielp haar niet. Navahk kwam achter haar aan als een leeuw die zich op een bejaarde hoornloze neushoorn stort. Ze zakte met een kreet in elkaar en staarde nietsziend in de wind en de sneeuw terwijl hij haar aan een van haar enkels terugsleepte naar Torka's kuilhut. Ze schreeuwde om hulp, maar haar stem verwaaide in de storm en niemand hoorde haar. Ze lag languit op haar buik en kon niet overeind komen tot hij haar optrok aan een van haar mollige armen die hij zowat uit de kom rukte. 'Waag het niet bij me weg te lopen!'
Haar kin bibberde van angst. Haar glinsterende oogjes puilden uit toen ze de levenloze gestalte van Aliga languit op haar bebloede slaapvachten zag liggen, met opengesneden keel en buik. 'Kijk niet zo vol afschuw, dikke vrouw! Was het niet jouw mes dat de aderen van Sondahr opensneed en het vertrek van haar levensgeest verhaastte zodat jouw dikke voetjes de sporen konden volgen die zij in de harten van mannen had achtergelaten?' 'Dat snijden werd op haar verzoek gedaan! Met haar eigen mes en...' 'Hou op met dat gekrijs! Ben je niet wat je zo graag wilde zijn... tovenares van de Grote Bijeenkomst?'
Ze knipperde verward en bang met haar ogen. Ze voelde aan waar zijn woorden naartoe leidden. 'Maar h-hoe lang nog?' kermde ze.
'Dat hangt van jou af. Help me om Lorak te overschaduwen, dan zul je leven. Maar als je loslippig en vol beschuldigingen van me wegrent, zal ik je dit kamp uitjagen en je naakte vlees met bloed bekwijlen nadat ik je met je eigen ingewanden aan een boom heb gebonden. Dan zullen de roofdieren je komen verscheuren. Dat zweer ik bij de krachten der Schepping.'
Ze kon het bonken van haar hart niet tot bedaren brengen en dat beangstigde haar bijna net zozeer als de man die over haar heen hing, want het sprong wild heen en weer in haar borst zodat ze duizelig en buiten adem raakte.
Hij hurkte glimlachend voor haar. Eén hand hield hij over zijn verwoeste oog. De andere tastte over haar gezicht. Zijn wijsvinger ging langzaam en sensueel over haar voorhoofd. 'Wat Pomm heeft gezien is niet het werk van Navahk geweest. Je moet het volk vertellen dat de Wanawut de getatoeëerde vrouw heeft gedood en dat de Wanawut iedereen zal doden die zich in de toekomst tegen Navahk verzet.' Haar hart ging rustiger slaan. Terwijl hij zijn ene hand over zijn verminkte oog hield en met de andere haar gezicht betastte zoals een minnaar dat zou doen, was zijn schoonheid als tevoren: volmaakt, een meer volwassen Karana, zo intens en dwingend dat ze zich niet kon losmaken van de blik uit zijn ene donkere oog en sprakeloos knikte. Zijn glimlach werd nog breder.
'Ja, Pomm, we weten wat je wilt, nietwaar? Misschien kan ik het je geven. Of misschien kan ik, als ik Karana vind, hem aan jou schenken op de Heuvel der Dromen. Zijn lichaam tot je beschikking. Dat zou je wel leuk vinden, nietwaar?' 'Dat zou ik allemaal willen... en nog veel meer.' Hij hoorde de zielige wanhoop in haar stem en wist dat hij haar niet verkeerd had begrepen. Ze verlangde naar hem. 'Pomm krijgt ook meer,' koerde hij, terwijl hij bedacht hoe leuk het zou zijn om haar de nek om te draaien. 'Maar eerst moet Pomm voor Navahk opkomen en alles bevestigen wat hij op de Heuvel der Dromen tegen de verzamelde stammen gaat zeggen.'
Langzaam ging haar hand omhoog naar de zijne en drukte die zacht, vragend. 'Je oog... doet het veel pijn?'
'Ik leef van pijn, vrouw. Het geeft me kracht. Net zoals vlees andere mannen voedt, zo voedt de pijn mij.' Hij trok zijn hand onder de hare vandaan en stond op. Het was makkelijk gezegd, maar de wond hinderde hem. Hij had kompressen in zijn hut die de pijn iets zouden verlichten. De wond moest worden schoongemaakt, maar hij zou zich door niemand laten verzorgen zodat niemand een teken van zwakheid zou zien. Hij moest even alleen zijn. Hij torende boven Pomm uit, terwijl hij zich inhield om haar niet te schoppen. 'Ik zal naar de Heuvel der Dromen gaan om met de krachten der Schepping te spreken. Blijf hier bij het lijk van de getatoeëerde vrouw. Wanneer de dag overgaat in de schemering moet je de hut uitrennen en tegen iedereen roepen dat de Wanawut de getatoeëerde vrouw heeft gedood.'
Ze keek onzeker. 'Maar hoe zullen ze geloven dat deze vrouw ongedeerd is ontsnapt?'
'Zeg hun dat je door Navahks macht bent gered... dat het beest op mijn bevel komt en gaat. En wanneer je dat hebt gezegd, zal ik tegenover iedereen bevestigen dat omwille van jouw toverij waarmee je de pijn uit mijn wond hebt weggenomen, de Wanawut jou onmogelijk kwaad had kunnen doen tenzij ik dat had bevolen... of pas wanneer ik daartoe het bevel zal geven.'
'Ga naar binnen, uit de storm, vrouw. Waarom zit je hier nog zo in elkaar gedoken op de Heuvel der Dromen? Je hoort hier niet!' Naiapi keek op door de stuivende sneeuw en zag de in bont gehulde gestalte van Lorak die zich over haar heen boog. Een donkere vlek, als een moddervlek op de sneeuw. Teleurstelling overweldigde haar. Ze wachtte al uren op Navahk. 'Naar wiens hut moet deze vrouw dan gaan? Ik ben de vrouw van Grek. Mijn man heeft me verlaten en heeft alles meegenomen behalve deze bedrol en mijn schamele bezittingen. Ik schaam me voor iedereen. Geen enkele man van mijn stam wil me opnemen. Dus wacht ik hier op Navahk, de hoofdman van mijn volk en de broer van mijn eerste man. Navahk zal me zeggen wat ik moet doen. En hij heeft gezegd dat ik op een dag zijn vrouw zou zijn.'
Ze zag er zo verloren uit, zo koud zoals ze daar in de sneeuw zat in haar harige mantel. Sondahrs mantel? Hij wist het niet zeker, er lag te veel sneeuw op. Haar gezicht was knap, met sprekende trekken, zelfs in de nevel van sneeuw. Onder de harige, bevroren mantel zou haar lichaam ook mooi zijn. Hij twijfelde daar niet aan, als Navahk haar had opgeëist.
Loraks gezicht trok in plooien om zijn neus. Hij was boos op Navahk. Hij was blij dat hij nu een oog minder had. Dat zou zijn knappe uiterlijk vernietigen en zijn arrogantie doen verschrompelen. De man had de plechtigheden bij het vreugdevuur praktisch overgenomen nog voordat Lorak besefte wat er gebeurde. Lorak had het natuurlijk wel heel prettig gevonden om Torka en zijn ongedisciplineerde jong uit het kamp te verdrijven, maar hij had dat eigenlijk wel zelf willen regelen. De manier waarop Navahk zonder zijn toestemming boze geesten over Sondahr had afgeroepen had hem niet aangestaan. Nu was de tovenares dood. Navahk had Torka's vrouw met haar antilopeogen, maar Lorak zou nu nooit meer zijn lust op Sondahr kunnen botvieren, een lust die Navahk waarschijnlijk al jaren geleden had bevredigd.
Teleurstelling en jaloezie kwelden de oude man. Hij zou het Navahk betaald zetten en hem leren dat hij niet met zijn meerderen kon spotten. Hij stak zijn hand uit naar Naiapi. 'Dus Navahk heeft je opgeëist. Nu, hij heeft nog maar één oog en zal nog een tijd moeten herstellen onder de zorgen van Pomm. Lorak is de allerhoogste oudste in dit kamp en Lorak eist nu Naiapi op. Kom, vrouw. Grek heeft je in de steek gelaten en de storm wordt steeds erger. Deze man heeft geen vrouw om zijn beddenvachten te warmen. Ik durf te wedden dat jij wel een paar trucjes kent om een hongerige oude man te verwarmen, nietwaar?'
Na slechts een lichte aarzeling pakte ze zijn hand. 'Ik ken veel trucjes, Lorak, vooral als je echt honger hebt. Het zou veel mensen verbazen, zo goed als Naiapi met vlees kan toveren.'