6

Torka werd versuft wakker te midden van het geschreeuw van de mannen die hem over de toendra sleepten, met hoog opgeheven fak­kels om de weg te verlichten.

Hij was duizelig en verbijsterd en wist niet waar hij was. Hij had barstende hoofdpijn. Toen hoorde hij Karana vloeken en zag hij dat de jongen werd voortgedreven. Karana's mond was vertrokken, zijn voorhoofd bloedde en zijn armen waren achter zijn rug samenge­bonden.

'Wat...?' Hij zweeg. Zijn mond deed zo zeer dat hij aan zijn lippen wilde voelen, maar hij merkte dat zijn handen ook op zijn rug waren samengebonden. Hij ging met zijn tong door zijn mond. Zijn on­derlip was gescheurd en opgezwollen. Hij had een bloedsmaak in zijn mond.

Iemand gaf hem een harde duw. Hij viel bijna, maar sterke handen achter hem tilden hem op en schoven hem verder. Toen hij aarzelde, greep een hand zijn rechterpols en rukte zijn armen achter zijn rug omhoog zodat zijn rechterarm bijna brak.

Hij hijgde en strompelde verder. Hoewel de toortsen het pad ver­lichtten, kon hij niet zien waar ze naartoe gingen. Er liepen te veel mannen voor hem uit en om hem heen. Ze liepen snel. Zijn adem kwam moeizaam uit zijn beschadigde longen. Hij begon weer beter te zien en keek omhoog. Boven hem bewogen de toortsen op en neer, gelijk met de bewegingen van de mannen. De toortsen waren haastig van lange dijbeenderen van bizons gemaakt met daarop rommelige plukken in olie gedrenkt gras en mos die met riemen wa­ren vastgemaakt. Ze stonken en gaven een heet en wild flakkerend schijnsel. Stukjes brandend gras werden door de wind meegenomen en kwamen als gloeiende as neer op degenen die de fakkels droegen en ook op Torka. Ze brandden in zijn huid op de plekken waar zijn losgeraakte haar zijn hoofd en gehavende gezicht vrijliet. Toen hij de vonken van zich afschudde, laaide er zo'n felle pijn op achter zijn ogen dat hij bijna neerviel.

Nog duizelig van de pijn voelde hij hoe hij werd voortgesleept en ge­stompt en hoorde hij het gejouw. Hij zag even het gezicht van Zinkh in de door vlammen verlichte menigte links van hem. De kleine man zag er verbijsterd uit. Simu en Cheanah liepen achter Zinkh. Torka keek hen vragend en hulpzoekend aan. Ze keken grimmig en boos zijn kant op. Naar hem of naar zijn kwelgeesten, hij wist het niet, maar geen van beiden deden ze een poging om hem te helpen. Ze hielden hun pas in en gingen op in de menigte. Een ogenblik la­ter zag Torka hen niet meer. Hij keek achterom en probeerde zich los te rukken van degenen die hem vasthielden. Paniek en woede welden in hem op toen hij dacht aan het vreugdevuur, aan Navahks dans en aan de woorden van de tovenaar.

'De Wanawut zal de mensen van het kamp opeten, tenzij Torka en Karana dit kamp verlaten... alleen. De vrouw van Torka is voor Navahk!'

'Lonit,' schreeuwde hij. De gedachte dat zij en zijn kinderen bij Navahk waren, maakte hem woedend. Hij vocht wanhopig om los te komen. Hij boog zich voorover, schopte en gebruikte zonder op zijn pijn te letten zijn hoofd en schouders om zich een weg naar de vrij­heid te banen. Hij ramde naar voren en schopte opzij tegen schenen en knieën die het begaven onder zijn geweld. Hij hoorde het ver­baasde gekreun van pijn van degenen die zich op zijn weg bevonden, totdat het uiteinde van een speer hem zo hard in zijn rug raakte dat hij struikelde. Duizelend schreeuwde hij het uit van pijn en woede terwijl hij onder zijn armen werd gegrepen door twee mannen die dicht naast hem kwamen staan.

'Het heeft geen zin om te vechten,' zei een van hen minachtend. Hij sloeg Torka in zijn gezicht. 'Je zult boeten voor wat je honden heb­ben gedaan. De tovenaar had gelijk wat jou en je zoon betreft. Jullie brengen ongeluk. Dat hadden we meteen moeten zien!' Torka kende de man niet goed. Hij wist niet meer hoe hij heette of tot welke stam hij behoorde. Maar hij was een van degenen die met hem op bizons waren gaan jagen. Het was een man waar hij vlees mee had gedeeld en gevaar mee had doorstaan en die hij als een vriend had beschouwd.

Karana probeerde zich ook tevergeefs los te rukken van degenen die hem vasthielden. De jongen snikte, maar niet van wanhoop. Hij stikte bijna van woede. 'De honden hebben alleen maar Stam de keel doorgebeten! Hij heeft ze vast vergiftigd vlees gegeven. Ik heb de honden gezien in het licht van de toortsen toen we het kamp wer­den uitgesleept. Allemaal opgezwollen en dood. Minstens één hond was opengesneden. En Aar onze broeder lag er ook bij! Navahk heeft vast...'

Een van de twee mannen die Karana vasthielden, stompte hard in zijn gezicht. Zijn hoofd zakte even voorover, maar kwam weer over­eind toen hij werd voortgesleept. Zijn mond zwol op en er stroomde bloed uit zijn neus.

De woede trof Torka erger dan het uiteinde van de speer had ge­daan. Hij kon niets voor Karana doen. Hij kon ook niets voor Lonit en zichzelf doen. Hij voelde zich alsof hij in de woeste maalstroom van een kolkende rivier terecht was gekomen. Aar dood? Dat was onmogelijk. Maar het moest wel waar zijn, anders had Karana het niet gezegd. De gedachte dat de fiere, dappere hond ergens dood lag verlamde hem. Hij ging langzamer lopen. Zijn hoofd bonkte weer ongenadig. Hij wist zeker dat hij zou gaan overgeven. Het uiteinde van de speer kwam weer tegen zijn rug. 'Schiet op. We willen terug zijn in het kamp voordat de toortsen zijn opgebrand.'

Weer gaf iemand hem een dreun tegen zijn rug. Enige tijd - uren of minuten lang - bestond hij alleen nog maar in zijn dromen... dro­men over vuur en pijn en bloed.

De hond kreunde zachtjes. De rest was stil: één hond was opgesne­den en de andere verstijfden langzaam in de verwrongen, onnatuur­lijke houding die ze kronkelend van pijn hadden aangenomen. Ze waren allemaal minstens één keer met een speer doorboord. Mahnie kroop van de ene hond naar de andere in de ijskoude duis­ternis. Ze legde haar hand op de zij van elk dier en voelde of er nog iets van een hartslag te bespeuren was. Ze voelde niets, behalve bij de grote hond Aar.

Mahnie hurkte bij hem neer. Hij zag er nu niet zo indrukwekkend uit. Hij was als enige van de honden niet met een speer doorstoken. Ze zag geen enkele verwonding behalve een bloederige jaap boven zijn rechteroor. Iemand had geprobeerd hem dood te slaan, maar had hem te laag geraakt. De klap was hard genoeg geweest om hem te verwonden, maar had hem alleen maar bewusteloos gemaakt en niet gedood. De hond zag er versuft, gewond en kwetsbaar uit... net zoals Karana en Torka er hadden uitgezien nadat ze geslagen waren en het kamp waren uitgesleept, de nacht in.

Haar hart bonsde. Ze was duizelig van angst voor de honden, maar ook heel boos. Boos genoeg om Wallah niet te gehoorzamen en te weigeren samen met de andere vrouwen Lonit naar Navahks hut te dragen of met haar moeder mee te gaan toen Pomm een paar vrou­wen had gevraagd naar Sondahrs hut te komen op de Heuvel der Dromen, omdat de tovenares opeens ziek was geworden. Mahnie was achter Grek en de andere mannen en jongens aangegaan. Ver­borgen in de schaduwen had ze gekeken hoe ze Torka en Karana hadden meegenomen, al schreeuwend en vloekend, ja, lachend! Sommigen hadden echt gelachen! Slechts enkele uren geleden had­den ze zich nog vrienden van Torka en Karana genoemd. Nu wier­pen ze zich als wolven en wilde honden op degenen die op last van de leider uit de meute moesten worden verdreven. Ze voelde zich verdrietig wanneer ze bedacht hoe de mannen zich tegen Torka en Karana hadden gekeerd toen Navahk had verklaard wat er met hen moest gebeuren.

Toen ze in een lange rij door de muur van beenderen trokken, had Grek haar gezien en gezegd dat ze terug moest gaan. Ze moest hem wel gehoorzamen. Snikkend om Karana's lot - een lot dat voor altijd een einde maakte aan haar droom om ooit zijn vrouw te worden — was ze snel teruggegaan naar de honden in de hoop dat er nog een paar in leven zouden zijn. De honden waren Karana's broeders! Vooral de grote hond die zwart bont rond zijn bleekblauwe ogen had, zodat het net was of hij een masker droeg. Toen Torka en Kara­na met haar stam meetrokken, had ze het altijd leuk gevonden om hen met hun honden te zien jagen. De dieren luisterden naar hen en dreven samen met hen het wild op alsof ze inderdaad niet de geest van een dier maar van een mens hadden.

Geknield naast de uitgestrekte, onregelmatig ademende Aar zuchtte Mahnie ongedurig. Ze stond op om naar de riemen kijken. Ze wa­ren allemaal doorgesneden. Zuster Hond had zich naar haar manne­tje gesleept om naast hem te sterven. Er kwam een vraag bij haar op.

Ze boog zich over de hond die was opengesneden en vond het ant­woord. Haar adem stokte. Het hart was weg! Was het misschien een hart geweest, die bloederige massa vlees die Navahk voor Sondahr had neergegooid en waarvan hij had beweerd dat het de pijn was die hij uit de vrouw Aliga had gerukt? En jaren geleden, toen Navahk de pijn uit de arme, oude vrouw Hetchem had gehaald, was er toen vlak daarna niet ook een jong van de grote hond en zijn vrouwtje weg? Mahnie verbleekte, beseffend dat wanneer Navahk in de jaren daarna de pijn uit zieken had weggenomen, dat altijd na een jacht­partij was, wanneer er verse darmen en organen voorradig waren. Ja! En zo is het ook vanavond gegaan! Geen toverij, maar een list! Een list die op bevel van Navahk is uitgevoerd door Stam en Heth, ten koste van Karana's honden! Vergiftig de honden. Snij er een open. Breng het hart naar Navahk. Steek de rest overhoop en zeg dat ze fel en onverhoeds aanvielen. Geef dan Torka de schuld, zodat Navahks beschuldigingen tegen hem worden ondersteund. Maar de honden hadden zich op hen geworpen, Stam was gedood en uitein­delijk had Stams dood Navahks leugens over Karana en Torka beter ondersteund dan Stam levend had kunnen doen! Ze voelde zich misselijk. Wie zou haar geloven? Sondahr. Ja. De tovenares zou misschien naar haar luisteren. Ze had Navahk beschuldigd van misleiding en bedrog. Maar ze was zo plot­seling ziek geworden en Naiapi was een van de vrouwen die bij haar waren op de Heuvel der Dromen. Mahnie had gezien hoe Naiapi Lonit had behandeld en hoe verlangend ze naar Navahk had geke­ken. Mahnie zou Sondahr niet over Stam en Heth vragen waar Naiapi bij was. Anders zou Naiapi het tegen Navahk kunnen vertel­len.

De hond bewoog onder haar hand, kreunde zacht en tilde zijn kop op om haar vingers te likken, alsof hij dankbaar was voor haar zorg­zaamheid. 'Stam had niet op jou moeten gaan jagen, Broeder Hond. Karana heeft gezegd dat je anders bent dan andere dieren. Stam had moeten luisteren. Hij heeft je meute gedood, maar jou niet. Nu is hij dood. Morgen zal zijn lichaam worden neergelegd om voor altijd naar de hemel te kijken en Mahnie is daar blij om.'

In de hut van Sondahr wreef Wallah gedroogde wilgenbladeren tus­sen haar handpalmen fijn. Ze liet ze door haar vingers glijden in de beker die ze tussen haar knieën klemde. De beker was van de tovena­res en was gemaakt van de uitgeholde punt van een mammoetslag­tand. De kleine stukjes uitgebleekte bladeren zakten omlaag in een dampend brouwsel van mammoetbloed met water: bloed om te ver­sterken en wilg om de pijn weg te nemen.

Maar dit werd de tweede beker en Sondahr was nog geen greintje sterker. De vreselijke pijn die ze zo plotseling had gekregen op het hoogtepunt van de gebeurtenissen tijdens het feest rond het vuur, leek alleen maar erger te worden. Het speet Wallah dat ze op bevel van Pomm met de andere vrouwen naar de Heuvel der Dromen was gekomen en het speet haar nog meer dat Sondahr haar had uitverko­ren. Ze wilde hier niet zijn. Ze kende de eenvoudige middelen om pijn weg te nemen, wonden te hechten, brandwonden te verzachten en koorts te verminderen. Iedere vrouw die het waard was door een man te worden onderhouden kende die. Maar ze was geen genezeres, niet in de ware betekenis van het woord. Haar vaardigheden hadden niets magisch.

De overvolle ruimte was benauwend. Wallah voelde zich opgeslo­ten, ook al zat ze een stukje bij de andere vrouwen vandaan, luiste­rend hoe ze zongen en de geesten aanriepen terwijl haar zorgvuldig verwarmde brouwsel afkoelde in de ivoren beker. Ze dacht aan haar dochter en wou dat ze meteen achter Mahnie aan was gegaan toen het onbezonnen kind was weggerend zonder te luisteren naar het bevel van Pomm dat ze moest blijven. Waar was het kind nu? Haar spieren trilden, zo graag wilde ze opspringen en achter haar aanren­nen. Ze zou grote problemen krijgen als ze, zoals Wallah vreesde, achter de mannen het kamp was uitgegaan.

Maar hoe had Wallah kunnen weigeren toen Sondahr de beker in haar handen duwde en juist haar vroeg om het helende brouwsel te maken, terwijl Pomm de andere vrouwen voorging in de traditione­le gezangen om de pijn te verdrijven? Ze had de tovenares gezegd dat ze geen genezeres was, maar Sondahr wilde niemand anders, zelfs niet toen Naiapi aanbood om in plaats van haar de beker klaar te maken.

'Heb je nog niet genoeg voor Sondahr gedaan, Naiapi, vrouw van Grek?'

Hoewel de volle hut door slechts één olielamp werd verlicht, had Wallah Naiapi zien blozen. Naiapi had gestameld dat ze niet begreep wat Sondahr bedoelde, maar er was een uitdrukking over haar ge­zicht gegleden die Wallah argwanend had gemaakt. Terwijl het laatste stukje wilgenblad in het afkoelende brouwsel in de beker viel, keek Wallah, de eerste vrouw van Grek, in de scheme­ring naar Naiapi. Ze zat nu bij de anderen, rond het verhoogde slaapgedeelte waarop Sondahr lag te woelen. Wallah fronste haar wenkbrauwen. Naiapi glimlachte even van genoegen bij het zien van Sondahrs steeds heviger wordende pijn.

De eerste vrouw van Grek stond op. Ze was opeens misselijk en bang, ze begreep niets van alle verwarrende en gewelddadige gebeur­tenissen van die nacht. Ze wilde dat de zon opkwam zodat ze een nieuwe dag kon begroeten die alles wat gebeurd was zou bespotten! Mahnie zou weer terug zijn waar ze hoorde. Sondahr zou gezond zijn. Torka en Karana zouden met hun vrouwen en kinderen in hun kuilhut slapen. Navahk zou opeens tot het verleden behoren, samen met de rook van het vreugdevuur van de vorige avond. En Grek zou in plaats van hem hoofdman zijn!

Ze zuchtte. Zoiets was onmogelijk. Het leven ging altijd vooruit, nooit achteruit. En de beker in haar handen werd veel te koud. Son­dahr moest meer van het versterkende, pijnstillende brouwsel drin­ken. Nu meteen. De tovenares gilde van de pijn.

'Drink dit,' zei Wallah sussend. 'Het zal je pijn verlichten.' De tovenares kwam overeind, greep Wallahs handen beet en trok ze naar zich toe terwijl ze gretig uit de beker dronk. Wallah hield de be­ker scheef en ondersteunde Sondahr, bedroefd toen ze de pijn zag in de ogen van de vrouw en de klamheid van haar koortsige huid voel­de.

Sondahr huiverde en bleef Wallahs handen vasthouden, hoewel de beker leeg was. 'Deze pijn zal pas ophouden wanneer mijn leven op­houdt, want ik heb de dood gegeten. Nietwaar, Naiapi?' Wallah zag de glimlach van Naiapi's lippen verdwijnen. 'Je had Navahk niet moeten uitdagen, Sondahr,' antwoordde Naiapi met een boze, haatdragende blik. 'Als de dood aan je ingewanden knaagt is dat je eigen schuld. Jij hebt de straf opgeroepen van ie­mand wiens toverkunst veel groter is dan de jouwe. Je was eens zijn leermeesteres en zijn minnares. Maar Navahk houdt nu van Naiapi. Hij geeft niet om Sondahr. Voordat de zon opkomt zal Navahk jou leren dat niemand macht over hem heeft. Jij niet, Lorak niet en ze­ker niet Torka of Karana. Want Navahk is meer dan een man. Zijn wil zal overwinnen en jouw geest zal voor altijd in de wind zwerven, samen met het volk van de Man Die Met Honden Loopt!' Wallah was zo verbluft door de naïeve dweperij die Naiapi's gezicht vervormde, dat ze Pomm niet hoorde zuchten. Maar Pomms gesiste waarschuwing aan Sondahr kon niet worden misverstaan. 'Wat er met Karana is gebeurd is enkel de schuld van Sondahr! Door jouw zwarte toverkunst wilde hij jou in plaats van Pomm. Als hij en zijn volk in dit kamp uit de gratie zijn, als nu wordt gezegd dat ze ongeluk brengen, als Karana sterft in plaats van te leven en deze vrouw te behagen, is dat de schuld van Sondahr... is dat enkel de schuld van Sondahr!'

De ruimte was warm door de lichaamswarmte van alle vrouwen die daar waren, maar Wallah kreeg het koud toen de glimlach die van Naiapi's lippen was verdwenen op Sondahrs lippen verscheen. De tovenares richtte haar blik op Pomm. 'Vrouw Die Alles Weet... wan­neer Sondahr er niet meer is, wanneer jij alleen op de Heuvel der Dromen woont, wie moet je dan de schuld geven wanneer alle stam­men op de Grote Bijeenkomst zien wat je kunt en wat je niet kunt?' Een golf van pijn deed haar zwijgen. Ze verstijfde en haar handen knepen zo hard in die van Wallah dat Wallah een grimas trok en een kreet gaf van pijn.

'Ga weg!' Sondahr siste het bevel met haar tanden opeengeklemd. 'Ga weg, jullie allemaal, en laat me alleen met Pomm, de vrouw die tegen iedereen snoeft dat ze de ruimte van mijn schaduw kan vullen! Ga weg!'

Met de beker nog in haar handen kwam Wallah overeind en ging in stilte de hut uit. Ze was de laatste die wegging. Terwijl ze zich bukte en achterwaarts door de deur naar buiten stapte, legde ze de beker op de vloer van mammoethuid, net toen Pomm verhit opstond en boos tegen Sondahr zei: 'Ik ben Pomm! Ik ben echt een tovenares! Ik ben heel machtig! Maar ik ben een vrouw en tegenover de macht van Navahk zou zelfs de Moeder Beneden niet...' 'Je bent waar je wilde zijn. Je hebt tegen iedereen durven snoeven dat je machtiger bent dan Sondahr, dus kom niet met uitvluchten bij me aan, dikke vrouw! Werp je veren af en genees me... als je kan!'

Torka staarde omhoog door een wegtrekkende mist van pijn. Een muur van vijandige gezichten staarde hem aan. De gezichten waren rood en zwart in het licht van de toortsen. Hij zag Grek grimmig en boos kijken. Zijn gedachten waren niet te raden. Toen hij hem aan­keek siste de oudere jager tussen zijn tanden en wendde zich af. Hij ging op in de duisternis van de zwaarbewolkte nacht. Torka hoorde vaag - vanaf het einde der wereld, zo leek het - het klotsen van water en het suizen van de wind. De wind was koud, ver onder het vries­punt, maar Torka had zoveel pijn dat zijn rillingen warmte door hem heen deden vlammen.

Lorak stond gebiedend over hem heen gebogen. De bouwval van zijn verweerde, roofzuchtige gezicht vertrok van plezier toen hij met zijn beveerde staf tegen Torka duwde en de jongere man ineen zag krimpen van pijn.

'Nu zegt Lorak de volgende woorden tot Torka!' Hij schreeuwde zo­dat iedereen die achter hem stond hem kon horen en kon bewonde­ren. 'Lorak zegt: ga weg uit dit land - jij en Karana - en ga terug naar het verre en verboden land waar je vandaan bent gekomen. Kijk niet meer naar het land van de mammoetjagers, want als je te­rugkeert naar dit land of naar het kamp van de Grote Bijeenkomst, zul je sterven net als je honden zijn gestorven, maar pas nadat je ge­tuige bent geweest van de dood van je vrouwen en kinderen.' Met de innerlijke kracht die hem nog restte keek Torka minachtend omhoog naar de oude man. 'Lorak spreekt niet... Torka hoort zijn stem, maar die is slechts een zwakke echo van Navahks stem. Waar is de Geestendoder? Heeft hij besloten om nog even plaats te maken voor Lorak zodat die de schijn van gezag kan blijven ophouden?' 'Navahk is bij de vrouw van Torka.' Loraks antwoord was vol haat, als een scherpe priem die zocht naar de pijn die zeker zou komen. 'Maar ze is nu Navahks vrouw, nietwaar? En ze moet nu wel met hem gepaard hebben. In het licht van Navahks vuur zal ze vergeten dat ze ooit een andere man heeft gehad.'

'Ze zal het zich herinneren. En Torka zal terugkeren voor zijn Lonit... voor al zijn vrouwen en zijn kinderen. En wanneer hij terug­keert kan Navahk maar beter op zijn keel passen. Want net als Aar, die de keel van Stam heeft doorgebeten, zal Torka de keel van Na­vahk doorbijten. En wanneer dat gebeurd is en Navahks geest uit zijn lichaam is gebloed, kan Lorak maar beter op zijn eigen nek let­ten, want zolang Torka leeft zul je niet veilig zijn in je eigen slaapvachten, oude man!'

De gelaarsde voet van de oude man schoot snel en hard naar voren en raakte Torka in de buik. De tweede schop brak twee ribben. 'Dan zal deze "oude man" ervoor zorgen dat Torka niet lang genoeg leeft om zijn dreigement ten uitvoer te brengen!' Zijn belofte was een vervloeking. 'Laat de mammoetjagers eens zien wat de Man Die Met Honden Loopt kan doen zonder zijn honden, zonder zijn spe­ren en zonder zijn vliegende stokken. Hij en zijn zoon zijn alleen op de toendra, alleen in de nacht en de dreigende storm, alleen met de Wanawut... met hun handen op hun rug gebonden!'

De trillingen van Aars zachte gegrom wekten Mahnie. Verschrikt deed ze haar ogen open en merkte dat ze tegen Aar aan lag, met haar armen om hem heen. Zijn vacht was zacht en zijdeachtig tegen haar gezicht. Zijn lichaam was warm tegen het hare. Met een schok keek ze op, verbaasd dat ze had geslapen. Het sneeuwde nu hard en de wind floot. In de verte kwamen de mannen en jongens in een rij met Lorak voorop het kamp weer binnen. Ze liepen alsof ze aan rust toe waren. Ze verlieten de rij zodra ze binnen de muur van beenderen waren en gingen allemaal naar hun eigen hut. Ze keek naar hen terwijl ze de hond aaide en zacht in zijn vacht fluisterde om hem stil te houden totdat alle mannen en jongens wa­ren verdwenen en ze alleen met de hond in de besneeuwde duister­nis achterbleef. Opeens stond Grek vlakbij, aarzelend omdat hij niet dicht bij de hond durfde te komen.

'Kom, meisje,' fluisterde hij dringend. Alleen de krachten der Schepping weten hoe de anderen zijn langsgelopen zonder je te zien! Kom snel, voordat het ongeluk van de Man Die Met Honden Loopt ook jou achtervolgt!'

'Zijn hij en Karana...' ze durfde de vraag niet af te maken om te voor­komen dat hun dood door het noemen ervan werkelijkheid werd. 'Nee. En misschien overleven ze het. Ik bleef wat achter bij de ande­ren toen we in het donker terugliepen. Ik ben stiekem teruggegaan om de riemen door te snijden waarmee Torka en Karana waren vast­gebonden en ik heb een speer en een dolk bij hen achtergelaten en ook mijn overjas en jak.

Haar ogen werden groot. Had hij echt zoiets geweldigs gedaan?

Haar altijd zo voorzichtige vader? Ja! het moest wel. Hij had die war­me kleren nu niet aan!

'Schiet nu op voordat iemand vermoedt wat ik heb uitgehaald!' Ze sprong op, rende naar hem toe en wilde haar armen om zijn nek slaan en hem kussen, maar hij wuifde haar vertoon van genegenheid weg. Op dat moment doemde Wallah hevig verontrust op uit het donker. Ze slaakte een kreet van opluchting toen ze haar dochter zag.

'Ik heb je overal gezocht!' Ze was zo in de war dat ze niet eens merk­te dat haar man geen overkleren aanhad. 'Ik had het moeten weten!' 'Daar is nu geen tijd voor!' Grek maande haar tot stilte terwijl hij Mahnie stevig bij de hand nam en naar hun eigen vuurkring begon te trekken.

Mahnie zette zich schrap. Nu pas voelde ze hoe koud de wind was geworden. De sneeuw striemde tegen haar wangen en deed haar ogen tranen toen ze opkeek naar haar vader. 'Maar Karana's broeder Aar leeft nog. Ze zullen hem doden als ze hem vinden en...' 'Het is maar een hond, meisje! Vergeet hem!' Grek trok haar boos mee.

Wallah liep naast haar en boog zich naar haar toe. 'Boze geesten ach­tervolgen ons allen in deze nacht, dochter! De Wanawut was heel dichtbij te horen. Veel te dicht bij dit kamp! En Sondahr heeft vrese­lijk veel pijn. De vrouw Pomm, die zichzelf genezeres noemt, kan haar niet helpen en ook de tovenaars hebben haar pijn niet kunnen verdrijven. Sommigen zeggen dat ze waarschijnlijk tegen de ochtend dood zal zijn... Naiapi zegt dat het Navahks toverij is... zijn straf om­dat Sondahr zijn macht durfde te betwisten. En Navahk is naar zijn hut gegaan om Torka's vrouw te nemen, terwijl haar dochtertjes hui­len en ontroostbaar zijn!'

Door een waas van vormeloze dromen en schaduwen werd Lonit zich langzaam bewust van de pijn en de duisternis, en van een zoet, vloeibaar vuur dat in haar keel brandde. Ze zuchtte en zakte weer weg in de duisternis waar ze zich niet aan kon of wilde onttrekken. Iemand hield haar vast en troostte haar door haar zacht te strelen... iemand...

Torka! Haar oogleden trilden. Schaduwen drongen langzaam door tot haar ogen. Zwart over nog dieper zwart. Een nachthemel spande zich boven haar en begrensde een ruimte zonder maan of sterren... een donkere kuilhut. Er dreigde gevaar. Maar omdat ze niet kon be­grijpen wat voor gevaar haar bedreigde, sloot ze haar ogen en lag roerloos en vol pijn tussen de zachte vachten die haar verwarmden zodat ze telkens weer wegdreef naar het onderbewuste. De warmte vermengde zich met de warmte van de beneveling die door haar mond was gekomen.

Ze hoorde de wind nu tekeergaan met lange, harde vlagen. Hij suis­de rond de kuilhut, sloop rond in de duisternis... gevaarlijk en ver­scheurend, een loerende, wachtende wind die even koud en meedo­genloos was als een wild beest. Daar loerde het gevaar, in de ogen van het beest. Ze huiverde. Zelfs die lichte beweging gaf haar pijn en ze kreunde zachtjes. Iemand fluisterde haar naam en zijn stem was de stem van de wind.

'Drink nu weer. Dit zal je pijn wegnemen,' zei de wind dringend. Een fles werd zachtjes tegen haar lippen gedrukt. Ze dronk gretig van het zoete, pijnstillende vuur dat erin zat. Het was goed, zo goed. Haar oogleden trilden. Een schaduw zat naast haar in de duisternis. Hij boog zich over haar, streelde haar en troostte haar door zacht en melodieus haar naam te noemen. De schaduw van een man. Een man die niet Torka was.

'Navahk?' Paniek en herinnering barstten witheet in haar los en wierpen haar weer terug in de duisternis, weg van de harde waarheid die ze niet kon verdragen. Nog niet. Nee. Nog niet. Ze dwong zich tot bewusteloosheid, weg van haar pijn. Ze zakte omlaag in haar innerlijk, steeds dieper, door allerlei lagen van haar leven. Maar daar was ook pijn... in haar kinderdagen waarin ze werd mishandeld door haar vader en zijn vrouwen, in haar jeugd vol wan­hoop en voortdurende verwijten... totdat ze eindelijk in de duister­nis met Umak en Torka door een stormachtige wereld trok, achter een dodende mammoet aan die haar tot Enige Vrouw Op Aarde had gemaakt. Ze rende over de brede, goudkleurige rivier van gras. Ze ging met Torka op jacht. Ze lachte, had lief en leefde met hem en hun kinderen in het Dal der Liederen. Ze lag naakt met hem onder het welwillende oog van de toekijkende zon en de hoge blauwe scha­duwen van de Bergen Die Wandelen.

Lonit zuchtte, tevreden in het vlies van haar dromen. In haar li­chaam was de wereld blauw en weids, en even zacht en warm als de heerlijke zomerluchten van het verboden land. Een even warme en zachte wind blies vochtig tegen haar gezicht, over haar keel en bor­sten en buik, en likte voorzichtig tussen haar gekneusde en enigszins gespreide dijen. Ze zuchtte weer, ontspande zich in de armen van haar man en opende zich voor die brutale, zoete, zachte wind die als door toverkracht pijn in plezier veranderde. Hij drong in haar door en zocht zich loom een weg in haar tot haar lendenen begonnen te gloeien. Toen trok hij zich terug. De handen van Torka begonnen haar lichaam te balsemen met iets wat vuur en ijs was op haar huid. Terwijl hij dezelfde weg volgde als de wind begon ze te trillen en stak haar armen uit om zijn warme, naakte lichaam tegen zich aan te trekken.

'Torka...' Ze fluisterde verlangend zijn naam, sloeg haar armen om zijn nek en kromde zich om hem te ontvangen. Ze schrok wakker uit haar dromen toen hij haar binnendrong. Hij ging diep en deed haar met opzet pijn.

Verbijsterd opende ze haar ogen. Ze was warm en draaierig, zoals die keer toen ze te veel van Pomms bedwelmende bessenbrouwsel had gedronken. Haar geest was leeg, maar vulde zich nu langzaam met verwarrende beelden. Haar armen, rug en benen deden pijn van alle slaag. Zelfs in de donkere, schemerige kuilhut, waarin droom en werkelijkheid zich nog met elkaar vermengden, wist ze dat de man die steunend op zijn naar buiten gedraaide handen boven op haar lag, niet Torka was.

'Vergeet hem.' Navahks stem was de stem van de langzame, warme wind die over en in haar lichaam blies. 'Noem niet verlangend zijn naam wanneer je bij mij ligt. Ik heb naar je verlangd, Lonit, in verre streken, seizoenen lang. Er zijn niet veel vrouwen geweest die Navahk heeft begeerd. Maar Lonit is een van hen. Mooie Lonit, be­weeg nu voor Navahk zoals ik gedroomd heb dat je onder me zou bewegen.'

Hij gaf haar geen kans om te antwoorden. Hij boog zijn hoofd en kuste haar langzaam. Hij voelde hongerig met zijn tong. De kus ontstak het vuur weer in haar, maar ze was nu ontwaakt uit haar dromen. Ze beet hem fel.

Hij ging op zijn knieën zitten en trok zich uit haar terug. Hij veegde de rug van zijn hand over zijn mond en glimlachte toen hij het bloed zag, alsof hij genoot van de pijn.

'Deze vrouw is van Torka, voor eeuwig en altijd!' beet ze hem toe. De glimlach trok over zijn gezicht. Zelfs in het donker kon ze zijn tanden zien. Ze waren klein en wit, en stonden ver uit elkaar, als de tanden van een roofdier. 'Dat zullen we nog wel zien,' zei hij mono­toon en boog zich voorover naar haar borsten. Ze probeerde zich van hem los te rukken, maar een harde blote knie ramde zich tussen haar opeengeklemde dijen en hield ze met geweld van elkaar. Zijn handen grepen haar polsen en drukten haar tegen de slaapvachten, terwijl hij langzaam op haar borsten sabbel­de zodat het vuur in haar lendenen klopte. Ze snikte, woedend door het verraad van haar lichaam. Zijn tong trok een streep van vochtig vuur van haar borsten naar beneden over haar buik en ging haar tastend binnen. Ze hijgde en wilde zich wanhopig losrukken, maar hij was wel degelijk een tovenaar. Hij had haar verzet tegen hem gebroken. Ze gaf zich over en opende zich voor hem toen hij zich over haar heenboog, diep in haar doordrong en langzaam, be­heerst en ritmisch bewoog. Ze hoorde hem opgewonden en triom­fantelijk tussen zijn tanden door hijgen toen hij de verandering in haar voelde.

Ze haatte hem, maar begeerde hem nu evenzeer. Maar buiten de kleine, door duisternis omringde kuilhut verscheur­de opeens de schreeuw van Sondahr de nacht. Het was een hoge, wilde schreeuw, als van een dier dat sterft. Toen het geluid wegstierf, werden het woorden die Lonit recht in haar hart troffen. 'Vrouw van Torka... denk... aan... mij...' Lonit kreeg het koud.

Navahk verstijfde. Hij tilde zijn hoofd op, luisterde en wachtte. Zijn gezicht was verwrongen van haat en toen het geschreeuw niet op­nieuw klonk, zuchtte hij van intense voldoening. 'Sondahr is dood.' 'Nee,' zei ze koel tegen Navahk. 'Sondahr is niet dood. Haar geest zal voor altijd voortleven in deze vrouw.' 'Dat zal niet lang zijn als je niet voor me danst.' 'Ik zal niet voor je dansen.'

'Dat zul je wel en anders zal ik in je dood mijn genoegen zoeken. Dan zullen je kinderen ook sterven, net zoals Torka.' 'Ik ben zijn vrouw, voor eeuwig en altijd. En je zult mijn kinderen toch wel doden, of ik nu voor je dans of niet. Ik zie het in je ogen, net zoals ik door je "toverij" heen je geest heb gezien. Je bent lelijk en mismaakt, en ik vind je weerzinwekkender dan de huid van de Wanawut waarin je danst.'

Haar woorden maakten hem woedend. Hij drong zich met geweld in haar en stootte diep, terwijl hij naar haar keek en wachtte tot ze het uitgilde van pijn of angst. Dat deed ze niet. Ze lag passief onder hem terwijl hij op haar tekeerging... niet als een man maar als een dier. Hij bereed haar als een hengst een merrie berijdt, klauwend en beukend. Maar in tegenstelling tot de wilde, woeste hengsten van de open steppen was hij niet snel bevredigd. Hij deed haar opzettelijk pijn en ging expres langer door terwijl hij wist dat zij van hem walg­de. Ze bleef minachtend naar hem glimlachen en toen hij eindelijk een orgasme kreeg, lachte ze, zodat ze het voor hem bedierf. Hij brulde van woede en sloeg haar zo hard in het gezicht dat ze bewus­teloos raakte. En nog steeds bereed hij haar, een slappe en nutteloze pop, maar het had geen zin meer. Hij had haar alleen in zijn macht wanneer ze bang voor hem was en Lonit was niet meer bang voor hem. Tenzij...

Hij glimlachte weer. Nu Torka weg was, waren haar kinderen toe­vertrouwd aan een stomme vrouw en een stervende. Hij stond op en pakte zijn kleren. Hij zou maken dat Lonit bang van hem werd!

Grek lag dicht tegen Wallah aan en rilde zich warm. Zo tegen elkaar aangekropen vielen ze met zijn tweeën in een onrustige slaap. Mahnie keek naar hen vanaf haar eigen slaapvachten. Ze was dol op hen beiden en zo trots op Grek dat ze de tranen van liefde onder haar oogleden voelde prikken bij de gedachte hem te moeten verlaten. Maar ze moest gaan. Haar tijd van het bloed naderde. Het viel niet te ontkennen. Ze had de voortekenen gezien. Haar blik gleed over de schaduwen en daarna naar de gesloten deurflap, half verwach­tend Naiapi uit de aanzwellende wind naar binnen te zien komen. Waar was ze? Niet dat het haar iets kon schelen. Ze was blij dat Naiapi niet in de hut was. Wat Mahnie van plan was moest geheim blijven, zelfs voor Grek en Wallah, maar vooral voor Naiapi. Ze bewoog steels en even stil als een nachtdier dat bang is door roof­dieren te worden bespied. Ze verliet haar slaapvachten en zocht in Wallahs voorraad zachte, absorberende hazenvellen. Haar moeder had extra vellen geprepareerd, omdat ze verwachtte dat Mahnie ze binnenkort nodig zou hebben. Ze bewaarde ze in een speciale zak die gemaakt was van de huid van een vrouwelijk bergschaap. Het meisje nam de helft en schoot weer snel terug naar haar slaapplaats. Ze deed er een op de plek waar het nodig was en legde de andere op haar bovenste slaapvacht.

Op haar hurken tuurde ze in het donker naar de gesloten deurflap. Hij flapperde heen en weer en rukte aan de riemen die hem op zijn plaats hielden. Even was ze bang dat Naiapi opeens binnen zou ko­men, maar het was alleen maar de aanwakkerende wind die tegen de leren flap blies. Mahnie zuchtte opgelucht. Naiapi kwam niet. Waar ze ook was, ze zou waarschijnlijk pas na het ochtendgloren terugko­men. Tegen die tijd zou Mahnie weg zijn.

Haastig, maar doodstil begon ze haar bezittingen te verzamelen: naaigerei, haar o zo belangrijke priem, haar benen naalden in hun huls die gemaakt was van de holle schacht van een veer, een nieuwe rol pas geprepareerde pezen, haar mes, schrapers en stampers, en - ze beet op haar lip - Wallahs boor en het grootste deel van haar noodvoorraad mospitten en gedroogd gras dat als aanmaakmateriaal kon dienen. Die dingen zou ze harder nodig hebben dan haar moe­der. Wallah zou de tijd hebben om opnieuw gras te verzamelen en om nieuwe pitten en een nieuwe boor te maken. Mahnie zou er geen tijd voor hebben. Ze zou voor twee gebroken, gehavende man­nen moeten zorgen en in de storm die dreigde zou vuur het verschil tussen leven en dood betekenen. Vuur en warme kleren. Grek had zijn jak en overjas van ondoordringbaar, zorgvuldig gestik­te en geoliede antilopedarmen bij de gewonde mannen achtergela­ten, maar Karana en Torka zouden nog warmere kleren nodig heb­ben. En ook winterlaarzen voor als het opeens koud werd. Buiten de kuilhut huilde de wind alsof het weer al ging omslaan. Als ze zo erg waren toegetakeld als Grek had gezegd, zouden ze niet kunnen gaan jagen. Als ze niet konden jagen zouden ze afhankelijk zijn van het vlees dat zij kon verschaffen. Een meisje met haar vaardigheden kon alleen kleine dieren naar hun vuur brengen en kleine dieren zouden niet voldoende huiden opleveren om goede kleren van te maken. Ze beet weer op haar lip, even verlamd door besluiteloosheid. Maar er was geen tijd om te aarzelen, wilde ze Karana en Torka in leven hou­den, en alleen dan had zij zelf een kans om te overleven. Ze bewoog snel en zachtjes en even later lagen Greks nieuwe en zijn oude winterlaarzen op de slaapvacht en was ze de diefstal voor zichzelf aan het goedpraten. Als Wallah nieuwe pitten en een nieuwe boor kon ma­ken, kon ze ook wel nieuwe laarzen maken. Mahnie knikte. Ja, het kon niet anders.

Ze pakte nu eten uit de schemerige nis waar Wallah haar kookgerei en extra voorraden bewaarde: gedroogd vlees, stukken vet, een paar koeken van gestampte bessen en wortelen. Niet veel, maar voldoen­de om het tijdens de storm uit te zingen totdat ze een paar sneeuwhoenderen met goed gerichte stenen kon raken of een paar vissen kon vangen. Vissen! Ze was bijna haar aas, haakjes en netten verge­ten. Ze had er uren over gedaan om die netten te maken en ze had alle stukjes pees aan elkaar geknoopt.

Ze zocht op de plek waar haar slaapvachten lagen uitgespreid en trok ze er onderuit... samen met haar popje.

De herinneringen kwamen plotseling weer boven en de tranen wel­den op. Hoeveel tijd had het Wallah niet gekost om poppen voor haar en de andere meisjes van de stam te maken! Uren en uren had ze geknipt en genaaid en alles aan elkaar gepast. Poppen voor Ketti, poppen voor Pet!

O, Pet. Wat mist dit meisje je! O, Wallah, je zult nooit weten hoe erg dit meisje het vindt om haar moeder te verlaten! Met een zucht pakte ze de pop en het net en legde ze op het bed bij de dingen die ze verzameld had. Haastig en behendig rolde ze haar slaapvachten tot een draagtas. Ze pakte haar winterjas die op haar slaapplaats lag, trok hem aan en keek of haar handschoenen nog in de stormklep zaten. Ze stak haar voeten in haar winterlaarzen, pakte haar bepakking op en ging naar buiten, zo min mogelijk koude lucht naar binnen latend.

Het sneeuwde nog steeds. Hoewel het kamp in diepe rust was en wit was van de sneeuw, hing er een gespannen sfeer. Ze voelde dat veel mensen vannacht onrustig zouden slapen. Haar blik ging naar de Heuvel der Dromen. Die was gehuld in wolken opwaaiende sneeuw. Een gestalte kwam uit een van de hutten. Haar maag trok samen.

'Navahk...' Ze fluisterde zijn naam als een bezwering. Laat hij daar blijven. Laat hij bij mij vandaan blijven. Ze dacht aan Lonit, Torka's vrouw en vroeg zich af of ze nog zou leven. Ze vroeg zich af of Torka en Karana bereid zouden zijn om Lonit en de kinderen in de steek te laten. Het maakte niet uit. Als ze nog leefden, zou ze met hen mee­gaan, wat ze ook besloten. Ze pakte haar draagstel van kariboegeweien dat naast die van Grek, Wallah en Naiapi in de luwte tegen de muur van de hut stond. Ze gooide het op haar rug, tilde haar bepak­king op, maakte die vast en ging haastig op pad, verbaasd dat het ge­wicht van haar bepakking veel lichter was dan ze had verwacht. Ze liep met lichte tred, zo snel als een muis die over een open stuk land schiet waar altijd uilen en haviken vliegen. Ze nam de kortste weg naar de opening in de muur van beenderen. Opeens bleef ze staan. Het sneeuwde zo hard. Er stond zoveel wind. Ze wist dat ze zich moest haasten. Maar toch ging ze terug naar de plek waar de dode honden lagen, nu wit, hun vachten dik van de sneeuw. Tegen de ochtend zouden ze bedolven zijn onder de sneeuw en stijf bevro­ren zijn, zelfs de grote hond Aar. Ze ging naar hem toe, bukte zich, veegde de sneeuw met haar hand weg en voelde tot haar verbazing dat het hart van het dier rustig klopte. De hond tilde zijn kop op, likte zwakjes aan haar blote hand en jankte zachtjes. Voorzichtig, nog steeds een beetje bang van hem, duwde ze zachtjes tegen hem aan, in de hoop dat hij zou opstaan en met haar mee zou komen. Hij leek te begrijpen wat ze probeerde te doen, maar hoe hij ook zijn best deed, hij kon alleen maar zijn kop optillen. Mahnie was wel klein en ze droeg een zware bepakking, maar ze wist dat ze de hond niet kon achterlaten. Ze pakte een slede die gebruikt werd om vlees te vervoeren bij Torka's kuilhut vandaan en tilde de hond erop. 'Kom, Broeder Hond,' zei ze, terwijl ze het gewonde dier het kamp uittrok, de nacht vol sneeuw in. 'Dit meisje gaat naar Karana, en hij zou niet willen dat ik jou achterliet.'

'Navahk...'

Hij bleef staan en draaide zich om, geërgerd dat hij van zijn doel werd afgeleid. Naiapi stond achter hem in de opwaaiende sneeuw. Haar stem klonk dringend. Hij wachtte terwijl ze op hem afkwam vanaf de top van de Heuvel der Dromen. Ze liep fier, gehuld in een dikke omslagdoek van mammoethaar tegen de kou. De shawl was dieprood en harig. Er viel steeds meer sneeuw op zodat de kleur en het materiaal weldra niet meer te zien zouden zijn. 'Ik kom uit het huis van de tovenares Sondahr. Ze is dood.'

Zijn wenkbrauwen raakten elkaar boven zijn neus. 'Sondahr kan me nu niet zoveel schelen,' zei hij, zonder een poging te doen om zijn er­gernis te verbergen. Hij wilde doorlopen, de heuvel af, naar de vuurkring van Torka, maar haar hand schoot naar voren en greep zijn pols. 'Navahk is Sondahr niet komen verzorgen toen hij haar hoorde schreeuwen.'

Hij rukte zijn arm los. 'Nee.'

'Het was niet verstandig van haar om je uit te dagen.'

Haar stem had een merkwaardig ongeruste klank die hem irriteerde.

'Ga uit de weg, Naiapi.'

'Lorak is heel boos. Hij vervloekt je. Maar maak je geen zorgen. Ik zal hem vermoorden, net zoals ik Sondahr heb vermoord. Voor jou. Om het haar betaald te zetten. Niemand kan Navahk beledigen zon­der getroffen te worden door de wrok van Naiapi.' Hij verstijfde. 'Jij... hebt Sondahr vermoord?'

'Hiermee!' pochte ze, haar hand uitstekend zodat hij de kleine benen prikkertjes kon zien die in water waren geweekt tot ze buigzaam waren en daarna tot rondjes waren gebogen en gedroogd. 'Die heb ik zo in haar vlees gedaan dat ze snel open zouden gaan, kijk zo.' Haar hand vormde een vuist en schoot snel open. 'Haar buik werd op een heleboel plaatsen doorboord. Ze had veel pijn. Ze smeekte om te mogen ster­ven. Pomm is nu de tovenares van dit kamp, op verzoek van Sondahr. En Pomm heeft Sondahrs leven ook op haar eigen verzoek beëindigd, snel, alsof ze nauwelijks kon wachten, met een mes gesneden uit een mammoetslagtand, dat Sondahr haar zelf had gegeven. Maar eigenlijk heeft Naiapi haar gedood, zoals mijn vader mij lang geleden heeft ge­leerd om wolven en springende katten te doden wanneer hun huid heel moet blijven. Dat zou de vrouw van Torka niet voor je doen. Ze zou je niet zo kunnen behagen als Naiapi zou doen als...' Hij hoorde het verlangen in haar stem. 'Ze behaagt me,' onderbrak hij koeltjes en glimlachte toen hij haar ongelukkige blik zag. 'En weldra zal ze me nog meer behagen.'

Iana zat in Torka's kuilhut met Zomermaan in haar armen. Baby Demmi sabbelde huilerig aan haar borst. Het had Iana uren gekost om Zomermaan stil te krijgen en zelfs toen ze stil was, had ze haar pas in slaap kunnen krijgen door haar Lonits bola vast te laten hou­den. Iana was zelf zo ongerust geweest dat ze wakker had gelegen. Zoals zo vaak had ze verwarde fragmenten van haar verleden aan zich voorbij zien trekken. Ze had zitten denken aan haar vermoorde man en kinderen, en zich alle vriendelijkheid herinnerd die ze in Torka's kamp had ondervonden.

De gebeurtenissen bij het vreugdevuur hadden haar zo geschokt en van afschuw vervuld, dat ze ze niet had willen zien, ze niet als werke­lijkheid had willen aanvaarden. Torka en Karana waren in elkaar ge­slagen en uit het kamp verdreven. Nee. Ze waren gewoon op jacht en zouden zo weer terugkomen, net als Lonit. Ze zouden terugko­men en als het een warme dag was, met genoeg wind om de steek­vliegen te verjagen, zou ze met de kinderen naar buiten gaan. Samen met Torka, Lonit en Karana zou ze hen baden in het zoete water van de warme bronnen en...

Wie was die man die in de ingang van de kuilhut stond? Hij had de deurflap opzij getrokken alsof hij daar het recht toe had. Sneeuw en wind bliezen naar binnen toen hij in de opening stond. Ze zag het eerste ochtendgloren achter hem. Het sneeuwde buiten. Waar was de zon? Het waaide heel hard, maar ook als het niet zou waaien zou­den steekvliegen geen last veroorzaken in de sneeuw. En de bronnen waren warm, zo warm...

Verward sloot ze haar ogen. Achter haar bewoog Aliga op haar eigen bed. Ze kreunde zachtjes terwijl ze onder haar slaapvachten wat ging verliggen.

'Ik kom een van de kinderen halen, vrouw. Je mag zelf weten welke je meegeeft,' zei de indringer.

De klank van zijn stem beviel Iana niet. Hij sprak met een spinnend geluid, diep in zijn keel, als een leeuw die dreigt. Ze trok de kinde­ren dichter tegen zich aan. Ze wist nu weer wie hij was. Ze was nu bang voor hem.

Hij kwam op haar af, met een glimlach die scherpe, witte tanden ontblootte. Wat wilde hij met haar kinderen? Iana keek in zijn ogen en wist het antwoord.

Ze ging rechtop zitten, trok Zomermaan ook omhoog en de slaap­vachten om hen heen. Het kind maakte zachte geluidjes in haar slaap. Opeens, voor het eerst sinds vele jaren, kon Iana weer akelig helder denken. Ze wist precies waar ze was en waarom ze alleen met Aliga en de kinderen in de kuilhut was. De man die op haar afkwam had bevel gegeven om Torka en Karana te verbannen waardoor ze ongetwijfeld zouden sterven. Hij had Lonit tot vrouw genomen, maar had haar eerst door de andere vrouwen laten mishandelen en de kinderen aan het huilen gemaakt.

Haar armen klemden zich beschermend om Zomermaan en Demmi. Ze zou niet toelaten dat hij haar baby's weer aan het huilen maakte. Hij zou haar eerst moeten doden. Maar als ze stierf, zou ze de kleintjes nooit meer zien, tenzij hij hen ook zou doden en hun kleine geesten voor altijd met haar in de wind zouden zwerven. 'Nee!' Ze zei het nadrukkelijk. Ze had zo'n tijd niet meer gesproken en alleen nog maar tegen de kinderen geneuried of zachte woordjes en kinderverhaaltjes tegen hen gefluisterd, dat het net was of haar stem uit de mond van een vreemde kwam. En in zekere zin was dat ook zo, want de bedroefde, lege blik was uit Iana's ogen verdwenen. 'Je zult mijn kinderen geen kwaad doen... zolang ik leef,' waar­schuwde ze hem.

'Dan zul je niet zo lang leven, Gekke Vrouw,' beloofde hij. Ze werd overweldigd door schaamte. Dacht hij dat van haar? Dach­ten ze dat allemaal van haar? Dat ze gek was? Dat ze niet kon den­ken? Was ze dat al die jaren geweest? Nutteloos, behalve als de uitge­bluste verzorgster van de kinderen van een andere vrouw, en zelfs daarin uiteindelijk niet goed genoeg omdat ze, wanneer er gevaar dreigde, niets meer merkte en alleen nog maar de realiteit van het le­ven wilde ontvluchten?

In de duisternis zag Navahk niet de verandering in haar. Hij waagde het om naderbij te komen en tegen haar te snauwen. Hij wilde dat ze in zijn ogen zag dat hij van plan was de kinderen te verminken of te doden. Hij genoot van haar angst.

Maar ze was niet bang. Ze bewoog zo snel dat hij maar een seconde had om te reageren terwijl ze achteruit leunde en met een sierlijk­heid, een kracht en een handigheid waarvan ze niet meer wist dat ze ze had, de gevlochten leren riem in haar rechterhand greep. Ze pak­te de uiteinden van de vier lange, door schelpen verzwaarde riemen in haar andere hand, zoals ze Lonit zo vaak had zien doen, trok de koorden strak en gooide ze de lucht in. Ze draaide de bola rond tot de riemen zongen en zoemden, en de schelpen razendsnel in het rond vlogen. Toen liet ze hem met een dodelijke, ronddraaiende be­weging wegschieten.

Navahk nam een sarong om het wapen te ontlopen, maar hij was niet snel genoeg. Hij viel plat op zijn gezicht en was bewusteloos nog voor­dat hij een schreeuw kon geven. Eén schelp zat in zijn oog, de riemen van de bola zaten om zijn nek en uit zijn rechteroor kwam bloed.

Grek werd wakker van het geluid van de wind en van de sneeuw die tegen de muren van zijn kuilhut striemde. Hij hoorde nog niemand in het kamp. Hij voelde dat het ochtend werd, maar hij bleef nog even liggen. Hij wist dat de mensen vandaag in hun tent zouden blijven om bij te komen van alle drank van de vorige avond en zacht te praten over wat er bij het vreugdevuur was gebeurd. De herinne­ringen verontrustten hem. Zelfs het plezierige gevoel van Wallah die warm tegen hem aanlag kon zijn ongerustheid niet wegnemen. Voorzichtig, omdat hij zijn vrouw niet wilde storen, kwam hij over­eind en zocht naar zijn winterlaarzen. Ze waren weg, alletwee de pa­ren. Verschrikt tuurde hij in de schemering en zag dat Naiapi er niet was. Hij wist dat Mahnie verdwenen was nog voordat hij zag dat haar slaapvachten er niet meer lagen. Hij vloekte zachtjes. Hij wist waar het meisje naartoe was gegaan... met zijn winterkleren! Wallah bewoog. 'Wat is er?' Hij vertelde het haar.

Ze keek om zich heen terwijl ze probeerde niet in paniek te raken. 'Naiapi is gisteravond niet thuisgekomen. Veel vrouwen hebben de nacht doorgebracht bij Sondahr. Ze hebben samen met Pomm ge­zongen om haar helende krachten te versterken. Zelfs een paar meis­jes werd gevraagd om te komen. Mahnie is vast achter Naiapi aange­gaan naar de Heuvel der Dromen toen wij al sliepen. Je weet hoe nieuwsgierig en eigenwijs ze is, en...'

'Je weet wel beter. Mahnie zou nergens met Naiapi naartoe gaan. Ze is achter Karana aan. Scheld me maar uit omdat ik het kind heb ver­teld waar de anderen hem hadden achtergelaten. Maar waarom zou ze zoveel risico lopen en dan nog in zulk slecht weer? Ik weet dat ze gek op de jongen is, maar hij is zoveel ouder en hij heeft zolang ik me kan herinneren alleen maar 'ga weg' tegen het kind gezegd!' Wallah was misselijk van angst. Ze zag dat haar spullen anders lagen. Opeens begreep ze het toen ze zag dat de flap van haar schaapsleren zak openstond. Daarin bewaarde ze de voorraad huiden die iedere vrouw had voor haar tijden van bloed. Ze sloeg haar slaapvachten opzij en ging naar de zak kijken. Het was precies zoals ze dacht. 'Ze is geen kind meer.'

Hij gromde. Hij begreep het, maar eigenlijk ook niet. 'Alleen een kind zou zoiets doms doen in dit weer!'

Wallah keek hem aan. 'Dit is een slecht kamp.'

Grek knikte instemmend terwijl hij zijn zomerlaarzen aantrok en zijn beide zomerjakken over elkaar heen aandeed, boos brommend omdat Mahnie ook zijn favoriete winterjas had meegenomen.

Hij kwam net zijn kuilhut uit toen hij Lonit van de Heuvel der Dro­men naar beneden zag komen strompelen. Hij kon haar gestalte nauwelijks onderscheiden. Het waaide hard en de sneeuw werd in dichte vlagen opgestuwd. Als het nog harder ging sneeuwen zou hij niet eens meer het meer, laat staan zijn dochter kunnen vinden. Haar sporen waren vast allang bedekt. Hij draaide zich om, pakte twee speren en zou zijn weggerend naar de opening in de muur van beenderen en de stormachtige toendra op, achter zijn kind aan, als Lonit niet was gestruikeld en gevallen.

Toen ze overeind kwam, viel de zware laag bont die haar tegen de kou beschermde van haar af. Ze leek het niet te merken en wankelde naakt en met wapperende zwarte haren zo snel mogelijk verder naar haar kuilhut. Ze hield een uitgedoofde toorts als wapen in haar hand. Aan haar manier van lopen was te zien hoeveel pijn ze had en hoe ze zich haastte. Ze was bijna bij haar kuilhut toen hij haar in­haalde.

'Vrouw van Torka, wat...'

Ze draaide zich vliegensvlug om en rukte aan de brede, sterke hand die haar arm greep. 'Navahk is van plan mijn kinderen te vermoor­den! Hij is...'

Hij schrok toen hij haar opgezwollen mond zag en haar blauwe oog en bebloede neus. Hij wist niet dat een vrouw zo sterk kon zijn, want nog voordat ze was uitgesproken had ze zich al losgerukt en ging ze de hut in.

Grek wilde haar aan haar haren terugtrekken, maar zonder hand­schoenen waren zijn vingers stijf van de kou en de lange slierten haar gleden erdoorheen voordat hij ze stevig vast kon pakken. Toen werd hij weer woedend. Waar was hij mee bezig? Als Navahk van plan was om de kinderen van Torka te doden, moest Grek dan blijven toekij­ken en de tovenaar zijn gang laten gaan? Moest hij de moeder tegen­houden en zo de moord goedkeuren? Nee! Met geheven speren ging hij de hut in, klaar om de man te doden die hem zo lang had dwars­gezeten.

Maar Navahk lag uitgestrekt op de grond en de schone vachten op de leren vloer van Torka's domein waren bevlekt met het bloed dat uit een wond op zijn hoofd stroomde. De riemen van Lonits bola zaten om zijn hoofd gedraaid. Bloed en oogvocht kleurden de zach­te vachten en donkere strepen bloed liepen uit zijn oor. Lonit bleef abrupt voor Grek staan. Hij liep haar bijna onderstebo­ven toen hij probeerde vaart te verminderen. De schemerige hut werd door geen lamp of vuur verlicht, maar Grek en Lonit zagen duidelijk de uitgestrekte en roerloze gestalte van de tovenaar en de gekke vrouw Iana, die met Lonits kinderen in haar armen voor hem zat. 'Iana?'

Grek hoorde het Lonit onzeker en fluisterend vragen en tot zijn ver­bazing glimlachte de gekke vrouw. Zelfs in de duisternis kon hij zien dat ze was veranderd. Ze zat rechtop. Haar ogen stonden helder en haar gezicht straalde.

'Hij kwam onze baby's vermoorden. Deze vrouw kon hem dat niet laten doen. Iana hoopt dat Lonit niet boos is dat Iana haar bola heeft gebruikt en zijn geest heeft bevrijd zodat hij... op een ander soort vogel kan gaan jagen.' 'Is hij... dood?' hijgde Grek.

Lonit hoorde hem niet. Ze stapte om de bewegingloze Navahk heen en omhelsde Iana en de kinderen snikkend.

'O, Iana, als Navahk jouw geest weer in je hart heeft teruggebracht zodat je weer spreekt als een vrouw tegen een andere vrouw spreekt, heeft hij in dit leven in elk geval iets goeds gedaan!' 'Ik zal hem nu gelijk doden,' zei Grek.

Lonit draaide zich snel om. Haar gehavende gezicht had een intense blik. 'Een man mag de levensgeest van een ander niet wegnemen! Dat doet Navahk, maar Torka's volk doet dat niet!' 'Ik behoor niet tot Torka's volk. En als die man wakker wordt en zich herinnert wat hier is gebeurd, zal hij niemand van Torka's volk in leven laten.' Hij zag de angst op het gezicht van de vrouwen en op het gezichtje van het kind dat Zomermaan heette. Toen werd hem duidelijk wat hij moest doen. Zijn geest werd even helder als de he­mel die door de wind was schoongeveegd. Hij glimlachte zelfs om­dat het plan hem zo goed beviel. 'Goed. Het zij zo. Laat hem maar liggen. Kleed jezelf en je kinderen aan, vrouwen van Torka. Pak je warmste vachten en alles wat je uit dit kamp moet meenemen om een ander kamp in te richten, maar niets wat te zwaar is en onze pas zal vertragen. We gaan hier samen weg. Grek zal zorgen dat jullie veilig bij je man komen en bij de jongen Karana. Ze leefden nog toen ik hen achterliet. Als we opschieten, jullie en ik - samen met Wallah en Mahnie - zullen we zorgen dat ze in leven blijven. Deze man zal lid worden van Torka's stam. Samen zullen we ver van dit kamp weggaan. Laten anderen de gebruiken van Navahk maar in stand houden en voor altijd in angst leven!'