2

In de schaduw van de Bergen Die Wandelen zaten Torka en Karana samen met de hond Aar achter antilopen aan. Ze liepen langzaam, voorovergebogen, verborgen in het hoge, zoet geurende voorjaars­gras. De grond glooide onder hun voeten. Overal rook het naar gras en wind en open, zonovergoten vlakten. Boven op een heuveltje stonden ze stil en gingen op hun buik in het schouderhoge gras lig­gen, zo tevreden dat ze besloten om even van het moment te genie­ten voordat ze verder gingen.

'Het is hier goed,' zei de jongen, die nog hijgde van de lange, onon­derbroken tocht uit het dal waarin hun kamp lag. 'Het is hier goed,' bevestigde de man terwijl zijn hand de lange, tere grashalmen opzij duwde en zijn ogen het land dat voor hen lag af­zochten.

Het leek op geen enkel ander land. Zelfs nu, drie jaar nadat ze het waren binnengetrokken, was Torka er nog steeds diep van onder de indruk. Het was geen dal en ook geen vlakte, maar een dertig kilo­meter brede strook golvende steppe die zich tussen hoge bergkam­men oneindig ver naar het zuidoosten uitstrekte. Aan weerszijden van de rivier van gras lagen de Bergen Die Wandelen, bergen die in tegenstelling tot andere niet het naakte geraamte van de Moeder Be­neden waren. De bergen lagen op dat geraamte en bedekten het met een laag ijs die wel drie kilometer hoog was.

Het grasland lag glooiend voor hen, met hier en daar toendrameer­tjes die als zilver schitterden in de zon en overal kronkelende rivieren van smeltwater die uit de met gletsjers bedekte bergen eromheen naar beneden kwamen. Naar het westen toe ging het land over in hoge heuvels die naar bekend gebied leidden waar donkere schadu­wen als vingers uit de kloven kwamen. Daar groeiden taaie, door het barre klimaat laag gebleven sparrenbossen en rees een ruwe bergtop met brede ijsvrije flanken hoog op. Rook steeg van de top op, alsof een groep mensen hun kamp erin hadden opgeslagen en slecht aan­gelegde vuurtjes stookten.

Noch Torka noch Karana besteedde aandacht aan de vage rook die als een wolk om de vulkaan in de verte hing. Op weg naar het nieu­we land, toen ze net de veilige stam van Supnah hadden verlaten, waren ze door de naar zwavel geurende schaduw van die berg ge­trokken. De vulkaan had angst en verbazing gewekt, maar meer ook niet. De rookpluim viel hun nu niet meer op. Ze vonden hem niet bedreigender dan zomerse wolken voor de zon. 'Kijk,' fluisterde Karana en wees met zijn sterke, door de zon ge­bruinde hand tussen het gras door. 'Kunnen het er zo veel zijn?' Torka gebaarde de jongen dat hij stil moest zijn. Zelfs de hond naast hem leek verbaasd en keek, kwijlend, strak voor zich uit, met ge­spannen spieren en zijn blauwe ogen wijd en star in zijn zwartgemaskerde kop.

Torka's brede, sterke hand greep de benen schacht van zijn speer vast. Hij telde de verschillende soorten dieren die voor hem uit graasden en dacht: de tijd van het licht is drie keer verstreken sinds deze man in dit land is gaan jagen en nog steeds komt het wild. Het trekt altijd naar het oosten, de zon tegemoet, en verdwijnt weer aan het begin van de tijd van de lange duisternis zodat mijn volk achter­blijft zonder vlees om een feestmaal te houden onder de winterse maan. En nu is de tijd van het licht weer aangebroken. Weer begint de cyclus. En weer vraagt deze man zich af hoe een land waar zoveel wild is verboden kan zijn.

De vraag hield hem slechts een ogenblik bezig. Een panorama van leven strekte zich voor hem uit. Bizons met zwarte manen en lange hoorns snoven en loeiden en vertrapten de tere huid van de toendra. Ze graasden het gras af in een lange, donkere stroom van leven, zo lang als Torka niet meer had gezien sinds hij als jongen met zijn grootvader in de uitgestrekte heuvels van de poolstreek op jacht was gegaan. Ze waren mijlenver weg, maar hij zag de vage zwarte vlek aan de horizon, voelde hun beweging in de grond en rook hun lek­kere, vette, zurige stank vermengd met de geur van andere dieren. Vlak bij de heuvels in het westen stond een eland, tot zijn schouders in een toendrameer, met zijn kop onder water de bodem af te zoe­ken. Dichter bij het heuveltje graasden antilopen en Torka zag ook een kleine kudde wapiti's met fluwelig bekleed gewei die voorzichtig over een brede strook rietpollen stapten. Vlakbij stonden drie kame­len met grote bulten en even slecht gehumeurd als altijd naar de wa­piti's te kijken. Ze schreeuwden met het hoestende, kuchende, ver­kouden geluid dat oude mannen maken nadat ze te veel jaren de winterse rook hebben ingeademd. Het geluid was bedoeld om de wapiti's weg te jagen. Toen dat niet lukte, kuchten de kamelen nog harder en liepen verontwaardigd weg.

Karana deed zijn best om niet te lachen. Toen Torka naar hem keek, glimlachte de jongen en Torka glimlachte terug. Samen wild ont­dekken en observeren was mooi, net als de liefde die de man en de jongen voor elkaar voelden.

De hond ging overeind zitten en hield zijn kop scheef. Karana stak zijn arm uit en sloeg die om de nek van het dier, terwijl hij hem naar zich toetrok met een ruwe tederheid die het dier wel prettig vond. Torka's blik ging over het land. Hij zag een ring muskusossen op een heuveltje niet al te ver weg en hij wist dat als de harige beesten een cirkel vormden er wolven moesten zitten of leeuwen. Of beren, dacht hij, zich de enorme sporen herinnerend die de jon­gen en hij eerder op de dag hadden gezien toen ze een van de talrijke smeltrivieren van hun toevluchtsoord waren overgestoken. De ge­dachte maakte hem weer ongerust. Karana en hij waren niet ver bij hun kamp vandaan geweest toen ze de berensporen zagen. Drie zomers woonden ze al in dat kamp, dat in een brede, beschutte vallei lag. Karana en hij hadden die vallei ontdekt toen ze een geit die in de buik gewond was, achtervolgden tot in een van de vele klo­ven die tot diep in de met gletsjers bedekte bergen liepen. In een bij­na volmaakte cirkel lagen de hoge, rotsige heuvels tussen de bodem van het dal en de met ijs bedekte bergen eromheen. Zoete, warme bronnen borrelden op uit de aarde en de meren bleven vloeibaar, zelfs op de koudste dagen van de winter. Het bleek een volmaakte schuilplaats tegen de wind die bijna onophoudelijk blies over het grasland vol wild waar hij en de jongen meestal op jacht gingen. Dat ze sporen van de grote stompsnuitige beer zo dicht bij de toe­gang tot het dal hadden gevonden, had hem zenuwachtig gemaakt, want geen enkel ander roofdier was zo snel, agressief en onvoorspel­baar gevaarlijk. De stompsnuitige beer at bijna alleen maar vlees. Toen Torka was neergeknield en de pootafdrukken had gemeten, had hij een afschuwelijk hol gevoel in zijn buik gekregen. Alleen omdat de sporen van het dal af wezen, was hij verder gegaan met Karana in plaats van weer meteen terug te gaan om zich ervan te over­tuigen dat de beer het kamp niet op het spoor was gekomen. 'Torka...'

Karana's gefluister bracht hem terug naar de werkelijkheid. 'Maak je je nog steeds zorgen om de grote beer?' Het kwam wel vaker voor dat de jongen zijn gedachten raadde. Hij knikte. 'Ja.'

'De toegang tot het dal is met scherpe takken tegen roofdieren be­schermd. Als de grote beer daarnaartoe gaat, zal hij omkeren of in de valkuil vallen die we hebben gegraven en sterven op de scherpe stok­ken erin. Hij zal ons te eten geven. Dat zou mooi zijn. Berenvlees is vet. Het geeft veel olie. We zouden genoeg talg hebben voor onze lampen in de winterse duisternis.' De jongen had gelijk. Toch bleef Torka's gezicht bezorgd. Karana schudde zijn hoofd. 'Torka maakt zich tegenwoordig te veel zorgen. Alles is goed in dit land.'

'Maar we zijn alleen: een man, een jongen, drie vrouwen, een kind en een zuigeling.'

'Karana is geen jongen! Karana zal weldra veertien zomers voorbij hebben zien gaan. Hij is een man! Torka gaat niet alleen op jacht!' 'Nee, maar Torka maakt zich wel zorgen. Toen we Supnahs stam ver­lieten, wilde deze man snel een nieuwe stam zoeken, een betere stam. Maar deze man heeft hier nog nooit een spoor van een stam gezien, zelfs niet van een eenzame jager die hier langs is getrokken.' 'Wij vormen een stam. We hebben geen anderen nodig. We hebben de vrouwen goed onderricht gegeven. Aliga kan goed met een speer overweg. Lonit is nog beter en is dodelijk gevaarlijk met haar bola.' 'En Iana is hopeloos met allebei.'

'Iana heeft haar speer niet nodig. Wij zullen voor haar jagen en haar beschermen.'

'En als een van ons of ons beiden iets overkomt?' Karana schudde zijn hoofd en glimlachte. Toen sprong hij op, met zijn speer in de aanslag in een keep van zijn speerwerper geklemd. 'Torka moet zich geen zorgen meer maken! Torka heeft er goed aan gedaan dat hij zijn volk naar dit nieuwe land heeft gebracht! Kijk! Er is zoveel wild dat wacht om gevangen te worden genomen dat de geesten beledigd zullen zijn als we hier zitten te praten als een stelle­tje dikke, oude mannen! Kom! Zelfs een blinde man zou vandaag een prooi kunnen vellen!'

Aan de horizon werd de rookpluim uit de verre vulkaan zichtbaar dikker. De eland tilde zijn kop op van het toendrameer, bewoog zijn oren en loeide luid. Toen maakte hij een piepend geluid en sloeg op hol. Met zijn neus en gewei druipend van water en mos verdween hij in een bosje lage sparren en elzen. Vogels vlogen op en cirkelden krijsend door de lucht, terwijl vossen, lynxen, wolven en leeuwen naast eekhoorns en hazen, veldmuizen en lemmingen voortrenden, zonder een poging te doen hen te vangen en op te eten. Maar Torka en Karana merkten niet dat prooi en roofdier zich zo vreemd gedroegen en letten ook niet op Aar die wanhopig hun aan­dacht probeerde te trekken door aan de franje van hun beenbescher­mers te hangen. Geërgerd schopten ze naar hem. De hond piepte wanhopig en draaide dicht tegen de grond gedrukt om hen heen, waarbij hij jankte als een jong hondje dat zijn moeder kwijt is. Alle aandacht van de jagers was gericht op de verschrikte kudde an­tilopen die langs hen snelden, zielig blatend rondrenden, heen en weer sprongen en de hoge grassen vertrapten zonder op de man en de jongen te letten die nog voordat ze zich benedenwinds konden opstellen al beiden een prooi hadden gedood. Vol verbazing schreeuwden Torka en Karana van plezier, terwijl ze hun bebloede speren omhoog hielden en heen en weer schudden... Toen sprong Aar met de snelheid van een sabeltijger naar voren en brulde, niet als een hond maar als een leeuw. Met zijn staart inge­trokken, zijn oren plat, zijn tanden ontbloot en elke haar op zijn schouders en rug overeind, stortte Aar zich langs de jagers die zich razendsnel omdraaiden en recht naar de grote, stompsnuitige beer keken die uit het niets was opgedoken en hen vanuit de zijdeachtige camouflage van grassen aanviel.

'Ik zeg je, het bevalt deze vrouw niet. Het is te stil, veel te stil. Alleen de vissen in de visweer zijn niet stil. Zelfs van hieruit kun je ze zien springen alsof ze uit de vijver willen ontsnappen. Je zou bijna den­ken dat we boven hen staan met een net, klaar om ze op te scheppen voor het avondeten! En heb je honden zich ooit zo zien gedragen?'

Lonit probeerde Aliga's woorden te bagatelliseren, maar de geta­toeëerde vrouw had gelijk. Er zongen geen vogels. Er zoemden geen insecten. De grond trilde onder haar voeten. Het water in de warme bronnen klotste over de oever van de meertjes en zakte stilletjes weg in de aarde eromheen. De touwen van de kuilhutten schuurden te­gen de riemen waar ze mee vastzaten en de hutten zelf schuurden over hun skelet en kraakten, net als de droogrekken waar vlees aan hing en huiden op waren gespannen.

Het was net of er een stormvlaag door het kamp ging, maar toch stond er geen wind. De lucht leek opeens zwaar en de honden jank­ten en snuffelden verward in het rond. Zuster Hond was verdwenen met twee van haar nieuwste nest, terwijl de rest haar achternaliep, met hun staartjes omhoog en hun babybuikjes bijna over de grond slepend. Aliga steunde de zwelling van haar vergevorderde zwanger­schap met haar handen, haar vingers beschermend onder haar buik in elkaar gevlochten. Ze had voor de grote kuilhut mergpijpen zit­ten kraken en kwam nu moeizaam overeind.

Lonit keek naar haar en probeerde haar eigen angst niet te laten merken. Dat was niet makkelijk, aangezien ze met haar ene hand al een speer had gegrepen en in haar andere hand haar bola gereed hield. Aliga's vergevorderde zwangerschap gaf Lonit steeds meer het gevoel dat ze haar moest beschermen. De getatoeëerde vrouw wilde dit kind heel graag en niet alleen omdat ze naar Torka verlangde die alleen met haar sliep wanneer hij het gevoel had dat hij haar moest geruststellen en tonen dat ze in elk opzicht zijn vrouw was. Ze wilde deze baby omdat ze er zo van overtuigd was geweest dat ze on­vruchtbaar was. Lonit had Torka alleen maar dochters geschonken. Eerst Zomermaan en daarna, tijdens de laatste lange duisternis, de mooie, kleine, dikke Demmi, die naar Torka's reeds lang overleden moeder was genoemd. Aliga wilde Torka als eerste een zoon schen­ken, uit dankbaarheid dat hij haar bij zijn vuurkring had opgeno­men toen geen andere man haar wilde hebben. En ze wilde zelf ook graag een baby, omdat ze nog nooit een kind had gehad en ze steeds maar moest denken aan wat er bij het Volk werd gezegd: dat een vrouw die nooit een kind het leven heeft geschonken zich niet echt vrouw kan noemen.

'Kijk, de honden worden weer rustig,' zei Lonit, zich enigszins ont­spannend. Het begon weer te waaien. Het ogenblik van onnatuurlij­ke stilte ging voorbij. Vanuit de schemerige kuilhut borrelde het kraaien van de kleine Demmi op als een warme bron, terwijl Iana weer een vrolijk liedje begon te zingen.

Het gezichtje van Zomermaan keek langs de deurflap en een handje hield de fijn gestikte huid opzij. 'Dit meisje kan geen slaapje doen! Moeder Beneden laat boertje!'

Lonit moest glimlachen om wat het kleintje verkondigde. Het kind zag het en trok kuiltjes in haar wangen, terwijl ze de slaap uit haar ogen wreef en naakt uit de kuilhut kwam lopen om troost te zoeken in de armen van haar moeder. Lonit tilde haar eerstgeborene op en hield haar stevig vast, blij dat het vreemde ogenblik voorbij was. Misschien had ze het zich verbeeld. De aarde kon niet bewegen. Toch had ze kunnen zweren dat hij onder haar voeten was verscho­ven. Nee. Dat kon niet. De honden waren nu rustig, de vogels kwa­men tevoorschijn vanuit het wilgenbosje achter de meertjes en de vliegen waren er weer.

Zomermaan vertrok haar gezicht en begon te huilen toen een vlieg in haar zachte huid stak. Lonit sloeg hem weg en in plaats van het kleintje aan te kleden, begon ze tot Aliga's schrik haar eigen kleren uit te trekken.

'Kom,' zei ze tegen de getatoeëerde vrouw. 'Kom met ons mee de meertjes in. Het is een warme dag en het dampende water zal die akelige steekvliegen weghouden.'

Zoals altijd bloosde Aliga bij die uitnodiging. Er kwam een vage kleur tussen de zwarte figuren op haar gezicht. 'Deze vrouw is geen vis! Deze vrouw kleedt zich niet helemaal uit om een beetje in het water rond te springen! Wat zouden anderen daarvan zeggen?' Lonit lachte. 'Maar er zijn geen anderen in deze wereld die wij de onze hebben gemaakt!' Zelfs nu genoot ze nog wanneer ze dacht aan hun gouden dagen in dit dal waar Torka haar had geleerd een speer te gebruiken en aan zijn zijde te jagen, even sterk op het gevaar ge­richt en even opgewonden door de jacht als een man. 'Op een dag komen er misschien anderen,' snauwde Aliga. 'Op een dag willen we misschien weg uit dit verre land waar geen andere mensen zijn! Wat zullen de anderen dan zeggen als Lonit zich vergist en net als een man een speer pakt of haar kinderen aanmoedigt om hun kleren uit te trekken en in het water rond te spartelen als vissen in een net?' 'Aliga heeft het te vaak over ons vertrek uit dit dal! Verlangt ze soms terug naar de Spookbende? Smacht ze naar stammen zoals het volk van Galeena, dat rook naar verse mest? Of mist ze het rustige leven bij de stam van Supnah, waar de hoofdman en de tovenaar elke avond iets anders bedachten om Torka te schande te maken?' Aliga hief haar hoofd op. Ze kneep haar ogen samen en trok haar mondhoeken omlaag. 'Wanneer de baby van deze vrouw komt, zou het goed zijn om wijze vrouwen en een tovenaar in de buurt te heb­ben om haar te helpen bij de geboorte.'

Nu ging Lonits hoofd omhoog. Ze klemde haar lippen opeen en trok haar mondhoeken omlaag. 'Lonit zal Aliga helpen, net zoals Aliga Lonit heeft geholpen. Wij hebben veel vrouwenwijsheid ge­leerd. We hebben geen anderen nodig. Omdat we ervoor hebben gekozen om met Torka mee te gaan, zijn wij de allerwijste vrou­wen!'

'Maar we hebben geen tovenaar,' zei Aliga klaaglijk. 'Dan zijn we zeker wijs!' antwoordde Lonit. Ze keerde de geta­toeëerde vrouw de rug toe en ging met haar kind naar de meertjes.

Opeens bewoog de wereld hevig. Ze boog als de huid van een levend beest en gooide Torka, Karana en de hond om terwijl de grote stompsnuitige beer langs hen rende en verdween in de zee van gras om niet meer tevoorschijn te komen. De aarde golfde als het opper­vlak van een woelig meer.

En toen kwam het gebrul: een vreselijk, alles overstemmend gegrom dat uit de aarde kwam, van ver onder de tere huid van de eeuwig be­vroren grond die nu bezweek en openspleet. Recht onder de jagers kwam een diepe scheur en ze vielen erin, terwijl ze wanhopig hou­vast zochten in een wereld die dat niet bood en zich probeerden vast te grijpen aan iets wat er niet was. De aarde drukte trillend tegen hen aan tot ze dachten dat ze levend begraven werden. Opeens was de aardbeving voorbij, even plotseling als hij was be­gonnen. Torka en Karana krabbelden uit de spleet en terwijl ze de aarde uitspuugden, bogen ze zich voorover om de doodsbange hond te helpen. Ze stonden tussen het uiteengereten grasland, te verbluft om hun speren te pakken of de karkassen van de antilopen die nog in de spleet lagen mee te nemen. Ze waren zo overweldigd door wat ze hadden meegemaakt dat ze niet eens beseften wat een geluk ze hadden gehad dat ze niet door hun eigen wapens waren doorspiest toen ze in de oprijzende aarde vielen.

Stof vormde nevels in de lucht. Aan de westelijke horizon vulde de rook uit de kale, ruwe berg de lucht als een kokende wolk stoom en as. Er daalde een regen van gloeiend hete deeltjes op de wereld neer. 'We moeten gaan!' beval Torka, die visioenen kreeg van een vernie­tigd kamp waarin zijn vrouwen en kinderen verzwolgen waren door de aarde die hem en de jongen bijna had opgeslokt.

Lonit gilde.

Het meer zakte weg. Het water kwam omhoog, bedekte haar, zakte weer omlaag en stroomde helemaal het meer uit. Iets hoger stroom­opwaarts sprongen de vissen als gekken heen en weer in de brede, ondiepe vijver die zij had gemaakt door middel van een halfrond dijkje waar veel vette, luie vissen achter bleven hangen. De aarde schudde alsof er nooit meer een einde aan zou komen. Zomermaan klemde haar armpjes om haar moeders nek en gilde telkens als Lonit gilde. Lonit zag Aliga vallen. De vissen in de visvijver werden op het land geworpen, de kuilhutten en droogrekken stortten in en de plaggen om de vuurkuil rolden door elkaar.

Lonit vond haar evenwicht terug en met Zomermaan onder haar arm geklemd sprong ze uit de nu lege vijver. De aarde wierp haar neer. Ze stond weer op en hield het snikkende kind stevig vast ter­wijl ze, zelf ook snikkend, met moeite een weg zocht over de golven­de aarde en naar de ingestorte kuilhut wankelde waarin Iana en haar baby zaten opgesloten. Het raamwerk was zwaar genoeg om een vrouw bewusteloos te slaan of een kind te vermorzelen. Ze hadden het gemaakt van geweien van pas gedode kariboes en van ribben en slagtanden van een lang geleden gestorven mammoet die ze hadden ontdekt in het wilgenbosje achter de meertjes. Lonits hart klopte in haar keel toen ze voor de hoop huid, hoorn en been op haar knieën viel en huilend Iana riep en de naam van haar baby schreeuwde. Toen Aliga bij haar kwam, schoot er een gevoel van opluchting door haar heen dat de getatoeëerde vrouw niets mankeerde. De kramp­achtige bewegingen van de aarde waren minder sterk geworden. Ze zette Zomermaan neer en zei tegen haar dat ze een grote meid moest zijn en moest helpen haar zusje te redden. Het kind slikte haar tra­nen weg.

Samen scheurden ze de huiden weg en tilden ze de zware beenderen op totdat Iana eindelijk knipperend naar hen opkeek en ze zagen dat de kleine Demmi in elkaar gerold veilig in Iana's armen lag, nog steeds blij murmelend alsof het schokken van de aarde en het instor­ten van de hut een nieuw spelletje was dat speciaal voor haar was be­dacht. Met een kreet van opluchting tilde Lonit haar baby op en huilde van blijdschap, terwijl Iana beduusd maar ongedeerd over­eind werd geholpen door Aliga en Zomermaan. Toen gleden haar ogen over de ruïne van het kamp en haar blijd­schap verdween. Alles was met de grond gelijk gemaakt. Nu de hut­ten en de droogrekken ingestort waren en de kleine, ordelijke wereld van hun kamp een puinhoop was, werd Lonit overweldigd door een vreselijk gevoel van kwetsbaarheid. Waar was Torka? Ze hoorde het gedonder vanuit de bergen in de verte. 'Kijk! Bergen komen naar beneden!' riep Zomermaan, terwijl ze Lonits blote been greep en zich ertegenaan drukte. Lonits ogen werden groot. De witte wolken van geweldige lawines rolden vanuit de hoogte naar beneden. Helemaal in het westen vul­de een grote grijze wolk de lucht als rook die van een onmogelijk groot vuur opstijgt. De rook was donker alsof ze vuil was en de wind die nu vanuit die wolk het dal in kwam, was smerig en deed denken aan de zwavelachtige dampen die af en toe boven de meertjes hin­gen.

Een steekvlieg vond de blote huid van haar rug en stak diep. Ze voelde het nauwelijks. Ze hield haar kindje vast, verstarrend toen de wereld nogmaals onder haar voeten golfde. Het was niet genoeg om haar het evenwicht te doen verliezen, maar ze duizelde van angst. Aliga stapte voorzichtig over de chaos van gevallen droogrekken, vlees en huiden. Ze hield weer haar buik vast alsof ze bang was dat haar ongeboren kind eruit zou vallen. Haar ogen waren groot en ze klemde haar getatoeëerde lippen tegen haar gevijlde, getatoeëerde tanden. Ze bleef naast Lonit staan, deed haar schort van hertenleer af en wikkelde het om de kleine Zomermaan. 'Lonit kan zich beter bedekken. Haar huid is even zwart van de vlie­gen als deze vrouw van de tatoeëringen.'

Lonit zag dat Aliga niet overdreef. Ze overhandigde Demmi aan Ia­na en ging snel haar kleren pakken. 'Komt Torka terug?' vroeg Iana.

Lonit was zich net in haar onderhemd aan het wurmen en verstarde, verbaasd door Iana's vraag. Sinds ze van de Spookbende was gered had Iana tegen niemand behalve de kinderen gesproken. Lonit ren­de naar haar toe om haar te omhelzen. 'Natuurlijk komt hij terug!' Een ander antwoord was ondenkbaar. Maar toch kreeg ze visioenen van door de aardbeving verwoest, opengereten land waar ze in ge­dachten haar man en Karana dood zag liggen. Nee! Daar mocht ze zelfs niet aan denken!

Torka zei bijna geen woord toen hij met Karana en Aar terugkwam bij het kamp. Op zijn gezicht stond de opluchting te lezen toen hij zag dat de kinderen en Lonit veilig waren. Ze rende naar hem toe en zei dat zij en de anderen het goed maakten. Hij hield haar vast alsof hij haar nooit meer wilde loslaten, maar zijn gezicht verstrakte toen ze zei dat alles snel weer in orde zou zijn gebracht. 'Dat is zo!' gaf Karana toe, de begroeting afwerend van Zuster Hond, de kleine hondjes en de andere leden van Aars steeds toene­mende hondenclan. Van de nakomelingen van de eens wilde hond was meer dan de helft weggerend naar de wilde honden in de heu­vels ver in het dal, maar Aar, zijn vrouwtje en de rest van hun sterke, leergierige jongen waren gebleven. Het onnatuurlijke bondgenoot­schap tussen de honden en de mensen van deze stam was sterk; de wortels ervan lagen diep verankerd in het verbond dat Aar had ge­sloten met Umak, Heer der Geesten en grootvader van Torka. Torka gaf geen teken dat hij Karana gehoord had. De ogen van de man hadden opeens een behoedzame blik gekregen toen hij naar Aliga keek die met gekruiste benen in zichzelf zat te mompelen op slaapvachten die Lonit uit de ruïne van de grootste kuilhut had ge­haald. Terwijl ze zichzelf en haar ongeboren kind wiegde, onder­steunde Aliga met haar armen nog steeds het gewicht van haar buik. Toen Torka naar haar toe liep, keek ze niet eens naar hem op.

Gaat het goed met jou?' Torka knielde voor haar neer en legde zijn hand zachtjes voelend op haar buik. Het was niets voor Aliga om te zitten wanneer anderen op de been waren. Ze was 's ochtends meest­al eerder op dan de honden en sloot 's avonds als laatste haar ogen.

Het gaat goed.' Ze huiverde en keek verwijtend naar Torka. 'Zo goed als het maar kan gaan met een zwangere vrouw in een land dat schudt. Lonit heeft deze vrouw een hoorn vol wilgenbrouwsel gebracht en ook een mergpijp voor me gekraakt... alsof ik daardoor zou vergeten wat er net is gebeurd! Lonit is zo vastbesloten om altijd in dit land te blijven wonen dat ze bereid is om alles over het hoofd te zien.'

Lonit kwam naast Torka staan. Ze had de kinderen aan Iana's tedere zorg toevertrouwd om Aliga haar favoriete mantel te brengen die ze had gemaakt toen ze net in het dal waren. Lonit had urenlang zitten naaien aan allemaal reepjes bont van de mooiste huiden van dieren die ze zelf had gevangen en gedood, om voor Aliga een geschenk te maken als teken van zusterschap. Aliga was er zo blij mee dat ze de mantel zelfs droeg op dagen dat het eigenlijk te warm was voor zo'n kledingstuk. Maar hoewel de namiddag nog warm was, rilde ze nu van een inwendige kou. Lonit sloeg de mantel om haar schouders en deed een stap achteruit, verbaasd dat Aliga zo'n vijandige toon had aangeslagen.

'Maar dit land is goed voor ons geweest,' zei Lonit tegen haar. 'We hebben geen honger gekend. Dit dal heeft ons tegen stormen be­schut. We hebben het gevuld met lofliederen en het gedeeld met alle dieren die zich hier naast de hete bronnen warmen in de tijd van de lange duisternis. We hebben de Levensschenker met zijn kinderen en vrouwen vlak langs ons kamp zien trekken en hem zien weggaan. Torka en zijn volk konden hier leven zonder dat ze van hem of de zijnen iets te duchten hadden. Hoe kan Aliga dat alles vergeten zijn?' 'Aliga is het zeker niet vergeten,' antwoordde de vrouw nadenkend. 'Torka heeft zijn volk inderdaad goed geleid en dit is een goed land geweest. Maar nu maakt deze vrouw zich zorgen. Wij zwerven... wij zijn op zoek... en we zouden ons bij andere stammen moeten aan­sluiten om grote jachtpartijen te houden. Bij het grote vreugdevuur zei Navahk tegen ons dat we de zwakke en argeloze dieren als prooi moeten kiezen zodat de rest altijd sterk genoeg zal zijn om te vluch­ten voor de jagers. Die worden op hun beurt weer sterk van het ach­tervolgen van het wild. Aliga zegt dat de Moeder Beneden kwaad is geworden op de stam van Torka! Ze heeft de grond geschud om ons te vertellen dat het niet goed is om op één plek te blijven. Torka's volk moet weer naar het land gaan waar we vandaan zijn gekomen. Als we dat niet doen, zal de Moeder Beneden de wereld schudden en Torka's volk opslokken. Dan zullen we voor altijd als geesten in de aarde zuchten en...' 'Zeg niet meer.' Torka zei het vriendelijk terwijl zijn hand van Aliga's buik naar haar mond ging en haar lippen sloot. 'Wees voorzichtig, Aliga. Bedenk dat bij het volk van deze man het praten over iets soms maakt dat het gebeurt.'

Karana was kwaad. 'Let op, vrouw! Laat je vrouwelijke angsten je tong niet beheersen!'

'Vrouwelijke angsten? Let op je eigen tong, jongen! Wanneer jij zwanger bent in een land dat schudt, zonder wijze vrouwen of tove­naars in de buurt om je te helpen, mag je praten over "vrouwelijke angsten"!' Ze had tegenwoordig een hekel aan Karana. Hij begon te veel op de broer van zijn vader te lijken en Navahk beheerste haar dromen op een manier die Torka niet zou waarderen. Op de een of andere manier had ze het gevoel dat Karana dat wist. Zijn grote zwarte ogen zagen te veel voor een jongen. Persoonlijke dingen die niemand anders zag... die zij zelf vaak pas zag wanneer hij haar ervan bewust maakte. Ze wist dat hij kwaad genoeg was om zijn gedachten te uiten en omdat ze daar bang voor was, probeerde ze hem met haar boze blik het zwijgen op te leggen.

Karana liet zich niet bang maken. Al deed hij alsof hij volwassen was, hij was toch nog een jongen. Wijsheid was hem even vreemd als de angst van de zwangere vrouw die voor hem zat. 'Aliga is bang om te bevallen bij een stam zonder wijze vrouwen of tovenaars om haar te verzorgen. Dat heeft haar beziggehouden vanaf het eerste moment dat ze wist dat ze zwanger was. Ze geeft niets om Torka of zijn volk. Aliga geeft alleen om zichzelf!'

'Karana!' viel Torka uit. Hoewel de jongen tijdens de jacht een op­vallende intuïtie vertoonde en de gele ziekte in de oude Hetchem had gezien en haar had gewaarschuwd dat ze zou sterven, zag hij niet de onnatuurlijk wijde pupillen van Aliga. Torka had genoeg over ge­neeskunde geleerd om te weten dat er iets mis was wanneer ogen midden op de dag zo staan. Hoe erg het was, zou de tijd leren. Hij voelde zich misselijk van angst toen hij bedacht hoe Aliga had ge­huild en gelachen van ongelovig plezier toen ze merkte dat ze zwan­ger was. In de dagen die volgden was ze lusteloos en ziek geworden. Hij kon haar niet kwalijk nemen dat ze terug wilde gaan. 'Zou Aliga echt graag willen dat Torka haar terugbracht naar het land van ande­re mensen, waar vrouwen niet naast hun mannen mogen jagen, waar de ene stam op de andere jaagt, waar baby's worden opgegeten in de winterse duisternis of worden weggedaan wanneer een hoofd­man dat gebiedt? Gelooft Aliga dat de geboorte van haar baby min­der pijnlijk of gevaarlijk zou zijn, of dat haar kind beter af zou zijn bij vreemden, in een land waar honger heerst? Beter dan hier, bij de­genen die van haar houden?'

Aliga beet knorrig op haar onderlip. 'Torka heeft slechte mensen ontmoet. Maar niet alle stammen zijn zo. Supnahs stam was niet zo slecht. Die stam had wijze vrouwen en een tovenaar.' Karana's mond vertrok zich tot een honende grijns. 'Alle vrouwen van die stam die oud genoeg waren om echt wijs te zijn, waren al lang aan de wind prijsgegeven. Supnahs stam is echt een slechte stam. En Navahk is helemaal geen tovenaar.'

'Dat is hij wel!' sprak ze hem tegen, alsof ze een geliefde die belasterd werd te hulp kwam.

Torka begreep wel waarom ze zo reageerde. Hij was niet jaloers, hij voelde slechts een vaag, bedroefd medelijden. Hij was de getatoeëer­de vrouw aardig gaan vinden. Het speet hem dat ze niet de man van haar keuze kon hebben. 'Navahk is ver weg en deze baby is heel dichtbij. Hij slaapt nu en Aliga zou ook moeten slapen,' zei hij tegen haar en legde zijn geopende hand op haar bolle buik. Als zijn onge­boren kind al onder zijn hand bewoog, voelde hij het in elk geval niet.

De aarde beefde. Aan de westelijke horizon zond de Berg Die Rookt een enorme rookpluim de lucht in. Zelfs vanaf die grote afstand zag Torka het gloeien van vallend puin dat het formaat van enorme rots­blokken moest hebben. Het was een aanblik die geen twijfel liet. 'Het land van Navahk en Supnahs volk en van de Grote Bijeen­komst ligt daar, ver in het westen, voorbij de Berg Die Rookt, voor­bij de wolk die vuur regent. We kunnen niet terug, Aliga. Noch de Moeder Beneden noch de Vader Boven zullen ons dat toestaan.'