6

Het was het vooruitzicht op vlees dat hen voortdreef. Het vooruitzicht op vlees en Jub die hun verzekerde dat in de verte, in de Gang der stormen, alles zo was als Torka had beweerd. Er was wild, zo veel dat een jager vol verbazing bleef staan kijken. Waar hij zijn speer ook wierp, overal was eten, had Jub verteld. Er zat zo veel wild dat vrouwen nooit meer bang hoefden te zijn dat hun kinderen zouden verhongeren. Zelfs in hun dromen hadden de mannen nog nooit zo veel wild gezien.

Op de westelijke oever van de Grote Melkrivier was Jub Navahks kamp binnen komen lopen, beladen met vlees en eersteklas huiden. Zijn blik was van de ene hoofdman naar de andere gegaan en was uiteindelijk op Zinkh blijven rusten omdat de kleine man hem met zo'n openlijke en duidelijke vijandigheid aankeek. 'Jij daar, met die gekke muts op. Ik ken je wel. Jij kijkt nog steeds even kwaad als een oude vrouw op een jachtveld die geen tanden meer heeft om haar vlees te kauwen. Kijk maar naar iemand anders met die blik vol twijfel en afkeer!'

Zinkh kon het verwijt niet waarderen. 'Waar is je jongengebruikende broer, slavendrijver? En de jongen die bij jullie was? Heb je hen verhandeld aan...'

Jubs gezicht dat onder een dikke laag vuil zat, stond hevig verontwaar­digd. 'De kleine was zwak. Ziekelijk. Hij huilde te veel. Hij was lastig voor me. Zijn geest is met de wind mee. En ik ben alleen sinds mijn broer Tomo is gestorven, aan een staak geregen in een valkuil bij de toe­gang tot een prachtig dal. Ongetwijfeld Torka's dal, het dal waar hij zo hoog over opgaf. En ongetwijfeld ook Torka's valkuil. De valkuil die hij vergat te noemen. Het is Torka's schuld dat de arme Tomo is doodge­gaan, op een akelige manier bovendien. Ik zou Torka daarom graag hebben vermoord. Maar dat was te gevaarlijk voor een man alleen.'

Navahk kwam naar voren door de menigte nieuwsgierige mannen met de vrouwen en kinderen die ze per se hadden willen meenemen. Hij keek vol belangstelling naar de vuile reiziger. 'De mensen van de Grote Bijeenkomst zijn uit elkaar gegaan. Er waarden boze geesten door het kamp van de mammoeteters en we zoeken dus een nieuwe plek om ons winterkamp op te slaan. De machtige Navahk heeft je hierheen geroepen, want in de regen zijn we het spoor van de Man Die Met Honden Loopt kwijtgeraakt en we weten niet welke kant we op moeten.'

Jub trok een wenkbrauw op. 'Ik heb niemand horen roepen.' 'Niemand hoort de stem van Navahk. De kracht van mijn wil heeft je geest hiernaartoe gehaald, want wij hebben hetzelfde doel: een eind te maken aan de vloek van de Man Die Met Honden Loopt. Heb je hem gezien?'

'Ja. Hij was al een eind op weg naar de Gang der Stormen. Ik kan jullie naar zijn dal brengen. Voor een zekere prijs.' 'Noem je prijs!'

'Het genoegen hem te mogen doden... en het bezit van zijn vrouw! De vrouw met de antilopeogen.'

'Torka zal langzaam sterven door mijn hand nadat hij zijn eigen volk heeft zien sterven. Maar jij mag daarbij helpen. Lonit is van mij.' Jub accepteerde het, maar bedacht zich toen. 'Hij heeft een klein meisje... Niet de baby, maar het kind. Ik zou graag het kleine meisje hebben als ik de moeder niet kan krijgen.' 'Afgesproken,' zei Navahk enthousiast.

Achter hem zwegen de mensen van de verschillende stammen, maar hun blikken waren afkeurend. Ze hadden honger en ze waren moe en bang. De helft van de stammen die op weg waren gegaan was weer teruggekeerd. De tovenaar had gezworen dat hij hen naar een beter kamp zou brengen, maar hij had hen alleen maar over het ijzi­ge land naar een grote rivier gebracht. Daar hadden ze in de stro­mende regen hun kamp opgeslagen terwijl hij zich terugtrok in zijn tent om te zingen en stinkende rookwolken voort te brengen. Ze hadden geen wild gezien, maar sommigen zeiden dat ze de Wanawut in de nevelige regen achter hen aan hadden zien komen. Iedereen hoorde hem 's nachts roepen en de jonge Tlap beweerde dat hij Na­vahk met de Wanawut in de wolken had zien verdwijnen. Maar nu hadden de rookwolken van de tovenaar blijkbaar toch iets, of ie­mand, opgeroepen. Maar al hoorden ze graag over de goede jachtgronden, ze vonden het niet prettig om te horen over de beruchte Gang der stormen of over het weggeven van kinderen aan mannen zoals Jub.

De tovenaar merkte hun reactie en draaide zich met een stralend ge­zicht naar hen om. 'Wat zal het volk van Navahk zich druk maken om één meisje? De vrouwen die mij volgen zullen veel zonen baren! Ze zullen trots en onbevreesd naast hun Geestendoder de Gang der stormen ingaan. En wanneer het volk van de Man Die Met Honden Loopt er niet meer is, zullen we feestvieren, want dan zullen de krachten der Schepping ons weer toelachen!'

En dus trokken ze verder. Hoewel het vlees dat Jub bij zich had niet voldoende was om hen allemaal te voeden, gaf het hun wel weer nieuwe moed.

Die avond nam Simu Zinkh terzijde. 'Het bevalt me niet,' zei hij na­drukkelijk, met een grimmig gezicht. 'Mijn leven lang ben ik al trots dat ik bij Zinkh hoor. Zinkh heeft altijd wijs gekozen voor zijn volk. Maar nu huilt mijn vrouw 's nachts en vraagt ze me hoe ik jou kan volgen. Dus vraag ik mijn hoofdman: hoe kun jij Navahk volgen?' 'Omdat hij ons naar Torka zal brengen, tegenover wie deze man Zinkh zich diep moet verontschuldigen! Als die man Zinkh nog wil aankijken en hem nog zijn vriend wil noemen, zal deze man hem onbevreesd volgen tot over de rand van de wereld. Wil jij mijn kant kiezen, Simu, net zoals ik zijn kant zal kiezen tegen degenen die hem en zijn goede volk willen vernietigen? Begrijp je het nu? Hou dan op met praten over huilende vrouwen en laat deze man wat slapen!'

Uiteindelijk doemde de oostelijke wand van de Bergen Die Wande­len recht voor hen op, achter laag heuvelachtig terrein met diepe kloven erin. Grek bleef staan. Wallah, die naast hem stond, stak een arm door de zijne.

'Deze man is in jaren niet zo dicht bij de witte bergen geweest,' zei hij. Hij probeerde niet bang te klinken terwijl zijn blik over de enor­me laag ijs gleed die zich tot voorbij de oostelijke horizon uitstrekte als een glinsterend, grillig ijsmassief dat drieduizend meter hoog was. 'Deze vrouw was vergeten dat het zulke hoge bergen zijn,' voegde Wallah er kleintjes aan toe.

'Ze zijn prachtig!' riep Mahnie. 'Zijn ze overal in de Gang der stor­men zo hoog?'

Torka zag dat net zoals de meeste van haar vragen, ook deze tot Karana was gericht. Hij glimlachte bij zichzelf. Hij mocht het pientere, soms wat onbezonnen meisje graag, misschien omdat ze zo leek op de pientere, vaak zo onbezonnen Karana. Ze zouden een mooi paar vormen, die twee, wanneer Karana niet meer om Sondahr treurde en hij uiteindelijk besefte dat Mahnie misschien wel wat klein was voor haar leeftijd en de nieuwsgierigheid en het enthousiasme van een kind had, maar dat ze wel een vrouw was, en een heel knappe en leuke vrouw bovendien.

'Toe maar, Karana. Vertel haar maar hoe onze wereld is. We zullen allemaal luisteren. Je woorden zullen de tijd verdrijven en onze pas energieker maken.'

Zo gebeurde het. Ze trokken verder het heuvelige land in dat ooit het land van de moordlustige Spookbende was geweest. Ze bogen zich onder hun zware last en sleepten hun sleden voort onder helde­re luchten terwijl Aar voor hen uit sprong en het langzaam stijgende pad wees dat ze moesten volgen.

Karana wist niet wanneer zijn woorden het ritme van een lied kre­gen, maar terwijl de kilometers vergleden was het net of zijn lied de moed bij hen erin hield. De tijd stond stil terwijl hij zichzelf en zijn toehoorders meevoerde, meevoerde naar de toekomst waar hij zo graag wilde zijn. Hij voerde hen door het verleden, door de jaren die hen uiteindelijk naar deze dag, deze plek en dit lied hadden ge­bracht.

Hij sprak over momenten in het verleden die allang voorbij waren maar nog goed in zijn herinnering lagen, over avonturen met Torka, Lonit en de oude Umak. Hij sprak over de verre Machtige Berg waar hij als een dier had geleefd totdat Torka hem had gevonden en had geleerd om weer als een jongen te leven. Hij sprak over Manaak, Iana's dappere echtgenoot en haar gezicht gloeide van de trots, een ge­voel dat nu eindelijk haar bedroefdheid over het verlies van die goe­de, dappere man verdrong.

Hij sprak over het samengaan met Supnahs volk dat had geleid tot de overwinning op de Spookmannen. Die hadden hem en Lonit ontvoerd nadat ze Umak, Manaak en Umaks oude, dappere vrouw Naknaktup hadden vermoord. Hij sprak over de achtervolging van de laatste Spookmannen in een kloof waar ze nu naartoe liepen, over de confrontatie met de grote mammoet, Donderspreker, op de plek waar de kloof uitmondde in een rivier van gras die naar het oosten doorliep, in de richting van de opkomende zon, tussen de Bergen Die Wandelen. Toen zijn lied uiteindelijk was afgelopen, was hij ver­baasd te zien dat de dag ook voorbij was.

Hoewel er die nacht een steenkoude wind uit de ijzige bergen kwam en de groep geen vuur maakte in de kale, hoge heuvels om te voor­komen dat hun achtervolgers het zouden zien, werd Karana ver­warmd door de nabijheid van zijn volk en door de woorden van Lonit. Ze kwam op haar knieën naast hem zitten en omhelsde hem als een trotse en liefhebbende moeder.

'Sondahr had gelijk, Karana. De geesten hebben jou een grote gave geschonken. Doordat je hun namen hebt genoemd, zijn Umak, Ma­naak en Naknaktup nu bij ons. Ze trekken met hun volk mee naar een goed land waar ze voor altijd zullen voortleven in de kinderen die we zullen krijgen en die we hun namen zullen geven... in een nieuwe wereld... onder een nieuwe hemel... onder een nieuwe zon!' Ze kuste hem stevig op zijn voorhoofd en draaide zich toen snel om zodat hij niet de tranen van liefde zou zien die in haar ogen opwel­den.

Hij zag ze toch en voelde hun warmte op zijn wang terwijl hij ging liggen met zijn slaapvachten om zich heen getrokken. Hij sloeg een arm om Aar heen en liet zich meevoeren door zijn dromen, onrusti­ge dromen... over een goudkleurig land dat trilde in de schaduw van een berg die vuur spuwde... over een witte hengst met maar één oog die in een verzengende wind rende en zijn dodelijke woede uitgilde over een wereld waarin de Wanawut huilde, de witte bergen vielen en de bloedende hemel het gouden land met bloed overspoelde.

Navahk zat onder zijn afdakje. Hij had dagenlang niet geslapen. Hij zat naar buiten te kijken, naar de mist, toen Naiapi naar hem toe kwam in de harige waterdichte mantel van mammoethuid waarvan hij wist dat ze hem uit de hut van Sondahr had meegenomen. Sondahr. Zij zou wel geweten hebben wat de toekomst zou brengen. Zij zou hem wel hebben kunnen vertellen waar Torka nu was. 'Navahk, deze vrouw wil met je praten.' Hij trok een grimas. 'Ga weg, Naiapi.'

Ze knielde met gefronste wenkbrauwen vlak bij hem. 'Je moet goed naar me luisteren, Navahk. Degenen die je volgen worden zwak van de honger. Ze zijn de achtervolging moe. De man Jub wil ons naar het dal van de Man Die Met Honden Loopt brengen en Torka en zijn volk zullen dan worden verslagen. Wat maakt een dag uit?' De mist leek te wervelen en in hem neer te dalen. Hij keek naar Naiapi en glimlachte toen hij haar zag huiveren. Wat zag ze dat ze zo terugdeinsde? Wat zagen ze allemaal, de afgelopen dagen, sinds hij en de Wanawut één waren?

De kracht van het beest. Dat was het! Hij had die kracht nu in zich. Hij wist het. Hij voelde het. Nachten achtereen was hij naar het beest gegaan met een deel van zijn eigen schamele rantsoen. Hij had haar gevoed zoals zij hem voedde, haar gestreeld en met haar ge­paard en zijn zaad in haar gestort. Het was zijn beestachtige gehuil van bevrediging dat de mensen hoorden in de nacht, niet het gehuil van de Wanawut. Het was het gehuil van het beest Navahk! Hij lachte zachtjes toen hij daaraan dacht. Naiapi hoorde de drei­ging in zijn lachen, als in het rommelen van de donder in de verre heuvels. Ze begon zich terug te trekken, maar hij pakte haar hand. 'Het is goed dat je bang voor me bent. Het is goed dat ze allemaal bang voor me zijn. Morgen mogen ze van mij rusten en jagen. Maar alleen omdat het mij uitkomt, niet om hun een plezier te doen.' Ze zag de waanzin in zijn oog. 'Je had Sondahr niet moeten doden, Naiapi.' 'Ik dacht dat Navahk dat prettig zou vinden.' 'Ik vond het niet prettig. Jij vond het prettig om haar te zien ster­ven... iemand die meer voor me betekende dan jij ooit zou doen.' Haar hart was kil en klopte snel. 'Ik zou graag je vrouw zijn, Na­vahk. Ik zou je dienen en je in alles behagen.' 'We zullen zien. We zullen zien.' Hij lachte haar uit terwijl hij haar wegduwde, de mist en de nacht in.

De volgende dag gingen ze op jacht. Er was weinig wild in het verre­gende kale gebied waar Jub hen naartoe had gebracht, maar de man­nen vingen een paar steppeantilopen en sneeuwhoenderen en die avond aten de mensen totdat alle botjes kaal en opengekraakt waren en van hun prooi alleen de haren en horens, en de veren en bekken nog over waren. Navahk keek naar hen, maar nam niet deel aan het feestmaal. Toen ze allemaal naar hun slaapvachten waren terugge­keerd, bleef hij daar alleen staan, met zijn armen opgeheven naar de hemel vol sterren om de boze geesten van Torka te smeken voor al­tijd uit het kamp te verdwijnen.

Toen Eneela met de baby aan haar borst in slaap was gevallen, stond Simu op om in stilte naar de tovenaar te kijken. Zinkh kwam met hem mee en ze stonden daar samen terwijl het lied van Navahk door de nacht klonk.

'Heeft je vrouw goed gegeten?' vroeg de kleine hoofdman zachtjes. 'Voor het eerst in dagen, ja, en de baby slaapt tevreden. Dat is goed. Ik stond op het punt om te gaan jagen, ook al zou hij het verbieden. Maar hij heeft onze behoefte begrepen. Het is niet nodig om tegen hem in te gaan.'

'Reken daar niet op. Wees de komende dagen voorzichtig. En hou je speer gereed.'

De volgende dag rustten ze. Tegen de ochtend trokken ze weer ver­der door een heuvelachtig gebied met diepe kloven. De Bergen Die Wandelen doemden als wolken op aan de horizon in het oosten. Jub wees. 'Torka is waarschijnlijk daar waar de schaduw is. Daar is een diepe kloof. Daarachter ligt de Gang der stormen tussen de ber­gen, en vijf zonsopgangen verder ligt het dal waar Tomo werd ge­dood. Let op mijn woorden, het is het mooiste jachtgebied dat ik ooit heb gezien. Torka zal daar zeker zijn.'

Navahk spoorde hen aan om verder te gaan en liep met woeste stap­pen. Hoewel ze slechts korte rustpauzes hielden, leken de bergen die dag verder niet dichterbij te komen. Het begon al te schemeren toen ze een kleine kudde kamelen zagen. Veel mensen juichten Navahk toe omdat ze geloofden dat zijn gezang van de vorige avond dit wild voor hen op de wereld had gezet.

Hij ergerde zich aan hun woorden en zei hun dat het doel in zicht was. Maar de jagers herinnerden hem eraan dat het al laat was en dat het tijd werd om een kamp op te slaan. Inmiddels hadden ze nog meer zin gekregen om de prooi te doden. Omdat hij zag hoe graag ze wilden jagen, zei hij dat ze mochten gaan.

De kamelen renden alle kanten op toen de eerste, een groot manne­lijk dier, werd getroffen. Het dier zakte door zijn voorpoten terwijl de jagers hem joelend omsingelden om hem te doden. Een paar mannen gingen achter de andere aan en twee jongens, Tlap en Yanehva, achtervolgden een jong vrouwtje dat verdween in de dichte, beboste schaduw die als een meer in het dal tussen de grillige heuvels lag. Een paar vrouwen maakten zich bezorgd - de jongens waren geen kinderen meer, maar toch onervaren jagers - en Navahk pakte zijn speer en ging achter hen aan. De moeders van de jongens be­dankten hem.

Het was niet zo koud, maar het werd al donker en de temperatuur daalde snel. Navahk rende glimlachend de heldere, frisse kou in. De kameel was al gauw een eind weg en de jongens zaten haar op de hielen. Het kostte Navahk geen moeite om hen te volgen. Ze liepen minstens vijf kilometer dicht bij elkaar over ruw heuvelachtig ter­rein, totdat de kameel moe werd. De jongens pasten een verstandige tactiek toe. Ze gingen uit elkaar met de bedoeling om later weer aan weerszijden van het dier op te duiken en de kameel te overvallen. Zijn glimlach werd breder. Dit was uitstekend. Hij versnelde zijn pas en ging achter Tlap aan. De kleinste, aan de maat van zijn voet­sporen te oordelen. Navahk zou hem snel in moeten halen wilde zijn plan lukken. Hij rende glimlachend verder en kwam steeds dichter bij zijn prooi, als een schaduw bewegend door een schemerige, duis­tere wereld.

Toen hij iets achter zich hoorde, draaide Tlap zich om en zette zich als een speer in de aanslag schrap om het op te nemen tegen een roofdier dat hem achtervolgde. Maar hij zag geen gevaar in de be­kende, glimlachende gestalte die achter hem aankwam. Hij glim­lachte terug, gevleid dat de tovenaar met hem meekwam, maar ook geërgerd omdat hij geen hulp nodig had om zijn prooi te doden. Tlap haalde zijn schouders op, wenkte Navahk en rende toen zelf verder, een diep, begroeid dal in. Hij hoopte als eerste de kameel te vinden zodat zijn worp de prooi zou doden. Hij slaakte een zachte kreet van pijn en ongeloof toen Navahks speer door zijn rug ging, zijn long doorboorde en hem voorover wierp. Hij sloeg met zijn handen op de grond, maar kon niet ademen en ook niet schreeu­wen, want Navahks voet kwam hard neer in zijn nek zodat die brak. Navahk trok zijn speer terug, stak toen weer diep, recht door het wild kloppende hart van de jongen.

Hij knielde neer en luisterde. Ver weg hoorde hij de kameel verder ploeteren en de jongen Yanehva met veel lawaai door het struikgewas achter de kameel aan rennen. Hij wierp zijn hoofd achterover en huilde.

'Wah nah wah... wah nah wut!'

Yanehva maakte nu geen geluid meer. Waarschijnlijk was hij stil blij­ven staan. Hij was vast doodsbang. Navahk huilde weer en vanuit de donkere, grillige heuvels antwoordde de Wanawut hem. Ze zou ko­men. 'Tlap?'

Yanehva riep met de gebroken stem van een bange jongen, niet van een jonge man.

'Tlap... waar ben je? We kunnen beter maar teruggaan. Heb je het gehoord?'

Navahk stond geamuseerd op, deed een paar stappen en riep: 'Lo­pen, jongen! De Wanawut is ergens in de heuvels achter je. Ga gauw! Wacht niet op mij. Ik ga Tlap wel zoeken!' Hij hoorde niets totdat hij weer huilde, met een hoog gejammer dat Yanehva doodsbang maakte. Navahk hoorde de jongen keihard terugrennen naar het kamp terwijl hij verborgen in de schaduw bleef staan wachten op wat hij wist dat zou komen.

Het was die avond halve maan. Het kind bewoog voorzichtig in het bleke, zilveren maanlicht naar de man die haar had geroepen. Ze kwam aarzelend naar hem toe omdat ze aan het lijk niet alleen bloed en vlees rook, maar ook de zurige lucht van angst. Het kind trok een grimas. Had hij hem zelf gedood? Een van zijn eigen soort? Voor haar? Zulk vlees wilde ze niet eten!

De man glimlachte in het maanlicht, wenkte haar en mompelde te­gen haar op de zachte, sussende toon die hij gebruikte wanneer zijn handen strelingen en zijn lichaam plezier beloofden. Moederdoder.

Haat was haar soort vreemd en ze vond het nu ook moeilijk om hem te haten. Maar ze haatte hem toch, ergens in een klein, verborgen hoekje van haar hart dat ze in haar behoefte aan gezelschap en gene­genheid over het hoofd had gezien. Hij was nu haar man, zoals haar moeder ooit, lang geleden, in een ver land een man had gehad. Het was goed om een paar te vormen en om door de man te worden vastgehouden en geaaid, al was hij niet van haar eigen soort en werd ze soms bang door de woestheid waarmee ze paarden. Af en toe voel­de ze weerzin voor de huilende man omdat hij zo lelijk was. Ze huil­de dan ook, om zijn geluid te overstemmen, en ze sloot haar ogen en deed net of hij een soortgenoot was.

Geknield en op zijn speer leunend bood Navahk haar het vlees aan. Ze zat in elkaar gedoken voor hem en keek hem aan met haar nevelkleurige ogen. Haar grijze, behaarde lichaam was zilver in het maan­licht. Waarom aarzelde ze? Waarom at ze niet? Ze móest eten! Het li­chaam van de jongen moest de sporen van haar klauwen en tanden vertonen wilde het de mensen angst aanjagen. Wanneer ze zagen wat de Wanawut had gedaan, zouden ze niet in het land van de windgeesten willen blijven. Ze zouden zo snel mogelijk naar de Bergen Die Wandelen gaan, de Gang der stormen inrennen en zich op Torka storten die met zijn boze toverij de Wanawut op hen had afge­stuurd om een van hun zonen te doden.

Hij glimlachte en sprak zachtjes en vleiend tegen het beest. 'Navahk heeft dit voor je meegebracht! Eet! Scheur het lijk in stukken. Doe je eraan te goed. En wanneer je dan even niet naar me kijkt met die al te menselijke ogen, zal Navahk zijn speer in je hart steken. Hij heeft je niet meer nodig. Ik heb je bedwongen en je macht overgenomen. Ik zal nooit meer voor iets ter wereld bang zijn. Je bent een lelijk, wanstaltig ding en het zal goed zijn om je lijk mee terug te nemen naar mijn volk, gevild en op mijn rug, net zoals ik de huid van je moeder draag. Dan zullen ze weten dat ze nooit meer aan mijn macht kunnen twijfelen.'

Ze hield haar enorme, beerachtige kop scheef. Ze luisterde en pro­beerde het te begrijpen.

Ongeduldig duwde hij het lichaam van de dode jongen naar haai toe. 'Eet!'

Ze kende het woord. Hij gebruikte het vaak, telkens wanneer hi vlees voor haar meebracht. Maar er was iets in zijn blik en glimlach en in de gretige manier waarop hij het vlees naar haar toeduwde, da maakte dat^ ze terugdeinsde en weer op haar hurken ging zitten ter wijl ze probeerde het te begrijpen.

Hij was boos. Met zijn blote handen rukte hij het hemd van de jon gen open en stak zijn speer diep in zijn bovenbuik. Hij rukte hen open, stak zijn hand erin, haalde er ingewanden uit en hield ze haar voor.

'Eet!' commandeerde hij.

Ze maakte een zacht, vragend geluid en opende de lange, dikke vin­gers van haar rechterhand. Hij zag tot zijn schrik dat ze er een dolk in had. Met die dolk deed ze hem na. Ze stak de dolk diep en haalde hem heen en weer, terwijl ze af en toe naar hem keek en weer het zachte, vragende geluid maakte alsof ze op zijn goedkeuring wacht­te.

'Nee! Als een beest, niet als een mens!' Opeens woedend op haar sloeg hij het wapen uit haar hand.

Toen het uit haar hand vloog, schreeuwde ze verbaasd. Ze sprong achteruit, hield haar hand vast, wiegde heen en weer en maakte koe­rende, verwarde geluiden terwijl ze naarstig in het struikgewas zocht om het mes terug te vinden. Ze greep het snel, klemde het tegen zich aan en staarde hem hijgend aan.

Hij hief zijn speer en hield die verdedigend naar haar toe, beseffend dat hij zich zelfs met zijn speer nauwelijks zou kunnen verdedigen tegen het beest als ze zich op hem wilde storten. Ze was gewoon te groot, te sterk. En ondanks zijn grootspraak wist hij op dat moment dat hij een man was met een kwetsbaar lichaam en een hart vol angst. Hij had het beest verleid en met haar gepaard. Hij had haar geest getemd. Maar hij had haar aard niet kunnen bedwingen of be­grijpen, net zomin als hij andere vrouwen in zijn leven had kunnen bedwingen of begrijpen... behalve door pijn en angst. Maar nu was hij het die bang was. Hij liet de speerpunt zakken en stak de speer naar voren, terwijl hij naar het beest grauwde en haar probeerde weg te jagen, in de hoop dat zijn bluf zou werken wanneer hij op haar af­ging-

Ze piepte, geschokt en bang, verward door zijn gedrag. Opeens schreeuwde ze als een gestoorde uil, draaide zich razendsnel om en vluchtte weg in de nacht. Navahk bleef alleen in het donker achter met het lichaam van de jongen die hij had gedood.

Niemand durfde de nacht in te trekken om hem te zoeken. Ze maakten een vuur dat veel rook gaf - er was weinig dat wilde bran­den in het doorweekte land - en braadden het vlees van een kameel. Maar ze hadden weinig trek. Ze riepen hem en de jongen Tlap, ter­wijl Yanehva zat te tobben en met opzet in de rook staarde zodat zijn ogen zouden tranen. Dan zou hij pijn lijden omdat hij zo bang was geweest en niet was achtergebleven om naar zijn vriend te zoeken of de tovenaar te helpen vechten tegen de Wanawut. Hij was ervan overtuigd dat het op een gevecht was uitgedraaid, anders zouden Navahk en Tlap nu allang terug zijn geweest.

Uiteindelijk verschenen ze. De tovenaar droeg het lichaam van de dode jongen. Tlaps moeder wierp zich op de grond en rouwde, en Yanehva voelde zich misselijk van schaamte. De mensen luisterden ernstig toen Navahk hen vertelde dat hij de jongen niet had kunnen redden van de Wanawut.

'We moeten hier niet blijven. Boze geesten achtervolgen ons en geen man, vrouw of kind zal veilig zijn totdat we het volk van de Man Die Met Honden Loopt hebben gedood en zijn vallei tot de onze hebben gemaakt!'

Maar toen de jager Ekoh het lichaam van zijn zoon aanpakte, waren zijn ogen niet de enige die verwonderd keken naar de vorm van de wonden die de jongen hadden gedood. Hij keek Navahk aan. 'Heeft de Wanawut dit gedaan?'

'Wat anders?' vroeg de tovenaar, de man tartend hem tegen te spre­ken. 'Met tanden en klauwen als dolken heeft de Wanawut je zoon gedood!'